Mark Eyskens politiek economie literatuur Français
kunst politiek stel uw vraag nieuws Français


De galerij van Mark Eysken

           Kasteel der eskimo's

vorige      volgende

 

 

Anna Lindh

 

 

De moord op Anna Lindh maakt sprakeloos.

Dit is het uur van de onzegbaarheid.

Luid schreeuwt de stilte.

 

Zij stak de ogen uit
waar zij ook kwam,
want zij was uitgesproken
en werd dus neergestoken,
waar zij eens  kwam
door een Raskolnikov,
in een banale klerenzaak,
beramend en verdoken.
 
Hij stak haar neer
uit haat die schroeit
en afgunst die niet koelt.
Want ontoelaatbaar mooi was zij,
verstandig, knap veelzijdig, vrij
en onvergeeflijk snedig en gezwind,
met in haar fjordenwaterblauwe ogen
een tintelende tint van staal,
haar blonde haren waaiend in de wind
en blikken vol van mededogen:
vermoorde Anna Lindh.
Zij was zo ongenaakbaar glansrijk,
en glinsterend van talent.
Zij wilde eens eurotisch wezen
Ze zei het pertinent
en sensueel met heel haar wezen.
 
Ministers zijn niet steeds bevallig.
Hun zorgen wegen zwaar
en graven groeven, rimpelig 
in hun  gelooid gelaat.
Maar Anna Lindh bleef jeugdig,
onbreekbaar en genadig.
 
Hij was de sluikse haatfanaat,
een man zonder gelaat.
Zij was de wonde;
hij was het mes,
toen zij in elkanders ogen stonden
en haar toekomst stolde
door een moordenaar om niet.
Bloedstollend en koelbloedig
had hij zijn brakke ziel betrapt
op wilde wrok en wraak.
 
In de herinnering ligt zij nu opgebaard,
sereen en onomwonden,
onder de bloedbloemen van haar vele wonden.
Niet het scheiden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.
 
En over Stockholm daalt  de grijze neerslag
van een veel meer dan Zweeds verdriet,
schreiend, roestend, wrang en rauw.
Maar dit zegt de officiële versie niet.
Want naar verluidt van het verslag,
gaat het om doodgewone rouw.
 
 

 

            Mark  EYSKENS

 

 

Mijn vrienden overleven niet

 

 

In mijn bibliotheek heb ik een boekenrek ingericht als een soort begraafplaats, zonder zerken, zonder berken noch cipressen, zonder bloemen, zonder kransen, maar wel vol doodsprentjes van overleden vrienden. Ik schuif ze, de prentjes, tussen mijn boeken, open geplooid, zodat de foto van de gestorvene goed zichtbaar blijft. Een vreemdsoortige statistische wet heeft voor gevolg dat, naarmate de jaren vorderen, de oogst van doodsprentjes toeneemt en ik voor hun uitstalling steeds meer ruimte moet uitmeten en meer boeken moet ter beschikking stellen. Er komt een leeftijd dat de gemeenschap van de doden talrijker wordt dan die van de levenden.  

Soms valt een doodsprentje op de vloer als ik een boek uit het rek neem. Dan raap ik mijn dode vriend weer op, denk aan hem en onderdruk mijn emoties.

 

Mijn vrienden overleven niet
 
Mijn vrienden overleven niet
Zij trekken sporen in het niet
en schuilen doods onder verdorde blaren
Zij worden dood en doder met de jaren
Een laatste vriend werd zelfs doodst
en dan naar onbekende oorden weg geloodst.
Waar is hij nu gebleven?
Egidius, uit het werelddorp verdreven?
 
Zij hadden ooit en met verglaasde blikken
een middag in de zon, onder het lustig likken
van ijsjes en het proeven van granaten,
gelezen op de wijzerplaten
van weggesmolten kathedralen
vol van Romeinse cijfer-etsen
dat alle uren kwetsen
en het laatste doodt
dat één minuut verwondt
en ooit een laatste stond
de ogen sluit: een degensteek
in de hartestreek
 
Herinneringen zullen niet beklijven
en heftigheden niet lang verblijven
bij wie ze heeft gekend, bemind
gekoesterd, vriend tot vriend,
nog even voor de vlam steeds doffer dimt
en net de laatste genster dooft,
het laatste licht geroofd.

 

 

Mark  EYSKENS

 

 

Reizen

Onze planeet is een wriemelend mierennest van miljarden zich verplaatsende

en reizende mensen. De verplaatsers doen het meestal omwille van hun beroep of om vrienden of familieleden te bezoeken of boodschappen te doen. Zij lijden in de drukte van verkeer en spitsen. Maar hun leed zal worden gelenigd.De eerstvolgende decennia zullen we ons minder moeten verplaatsen omdat de communicatietechnologieën, internet en nieuwe computersnifjes ons zullen toelaten ook veel thuis te klaren.

 De reizigers zijn een andere soort. Zij doen het voor hun plezier. Zij behoren tot de dichte drammerige drommen dravers die onze wegen onveilig maken 'for fun' en de vlieghavens belegeren bij tij en ontij. Waarom? Wat drijft de reiziger? Is niet elke reis een ontdekkingsreis? Maar om wat te ontdekken?     

 

Reizen

 

Het doel van reizen
is te reizen;
nooit voor anker gaan aan kaden,
want de ankers roesten
en aan scheepshout  wreten maden.
Het doel van reizen
is nooit aan te komen
noch in steden, noch in staten
waar de mensen straatverlaten
sterven en de bomen
bloeden uit hun twijgen;
noch in koninkrijken die bezwijken,
noch aan meren die de weemoed
nooit bezweren en hun wateren verteren.
 
Het doel van reizen
is het breken van 't gewelf
rond je versteende zelf
en je dagelijkse oorden,
los te laten, weg te wuiven,
waar je schrale woorden
steeds als stalagtieten vallen,
geruis- en hulpeloos,
tot gruis en vruchteloos.
 
Het doel van reizen
is ontsnappen en verrijzen
uit je verwelkte roos,
losmakelijk te zijn
en de lichtheid van het zijn
en het bestaan nogmaals
te gaan bewijzen.
Het doel van reizen
is naar de horizont verwijzen,
die wijkt als je het waagt
hem te benaderen.
Het doel van reizen is te bladeren
in de reisgids van je eigen grenzen.
 
Reizen is een beetje zalig zijn;
je doelloosheid tot doel verheven zijn
en ketters, onervaren varen
naar het meest bevreemdend land,
het meest onaardse schiereiland,
een eiland zonder weerga,
op de wereldkaart gestrand,
op die van het heelaal gebrand,
die archipel van U, van jou en van jouw jezelf,
die daar verlaten ligt
te wachten op het ochtendlicht,
met slechts jezelf als kust en strand
en in jezelf de kern, de graal,
de korrel van je bestaan,
ongrijpbaar en ontdaan,
misschien een likje DNA,
volkomen ongeëvenaard,
mirakel en enigma:
een dubbele helix, opgespaard
in honderden miljarden van je cellen
opgeslagen, nooit te tellen.
Je ego-ik, de spiegelende zelfkant,
bereisd, verkend en nooit … geland.
 
De ontdekking van het andere
is de verkenning van jezelf.
De ontdekking van de andere
is de verkenning van mij.
De reis van mij
is de reis naar ik.
 
Mark  EYSKENS
 
 

 

 

 

De Verjaardag

 

 

Ouder was hij dan de bomen,
die hij in zijn jonge jaren in zijn tuin
met zoveel zorg en liefde had geplant
Hij keek wel eens naar de uitgedunde kruin
van de inmiddels opgeschoten bomen
en vroeg zich af of nog voor hem
de sappen zouden rijzen
tijdens de lente van het volgend jaar.
Wat rimpels en een enkel zilveren haar
gaven hem de luister van de wijze,
en als een mooie meid zijn blikveld kruiste
vroeg hij zich af hoe het zou zijn
haar te versieren. Want van de kuisten
was hij  niet. Hij was bejaard
maar helemaal niet oud.
Hij was bedaagd maar geenszins out.
De tand des tijds had hem behoed
voor het verval van leden en organen,
voor longoedeem en niet te stollen bloed.
De milde tand des tijds zou hem niet erg belagen
De tand des tijds had zich in melktand vermomd.
Maar als hij  zijn  verweerde hand
betastte, dat  bevreemdend schiereiland
waarvan de vingers in een zee van  werkelijkheid
verzwonden en verdwenen, zag hij gelijk
hoe bruine kerkhofvlekken op zijn huid
verschenen  en de onomkeerbaarheid
bewezen van  de leeftijd en de tijd.
 
De grote levenstaken had hij stipt volbracht.
Vooral één vrouw had hij hartstochtelijk bemind.
Zij schonk hem ooit een heel bijzonder kind
en later nog een, nog een, nog een, onverdiend.
Hij had een huis gebouwd, een eik geplant,
de wereld afgedweild en eens een boek geschreven,
dat echter niet door velen was gelezen
en nauwelijks door iemand was begrepen.
Hij had vooral langdurig zitten staren
naar het wisselen van de wolken over dag
en naar de glinstering der sterren in de nacht
wachtend op het Teken en de pracht
van het ontsluierde geheim en het verklaren 
van waarom het Zijn en Worden niet ervaren
worden als het alfa en het omega.
 
En als de dag aanbrak waarop hij zou verjaren,
een fenomeen dat onbetwistbaar  had te maken
met het wentelen van de planeet aarde
rondom de zon en wat hij had te aanvaarden,
was hij plots zeer kwetsbaar, licht te raken.
Want sedert lang was hem gemeld
hoezeer de zandloper de korrels telt.
Slechts stoïsch kon hij hierop reageren
door te verklaren en te peroreren:
'zalig zij de vrouw, zalig zij de man,
die een spetterend verjaardagsfeest
een streling voor de geest en zinnen,
met zwier en tact aanrichten kan,
voor vrienden en vriendinnen,
waarbij de vele kaarsen,
brandend op de taart,
veel meer blijken te kosten …
dan die godverdomde taart.' 
 

 

 

 

 

            Mark  EYSKENS

 

 

 

 

 

Mijn tuin

 

 

Mijn tuin is niet mijn tuin.
Hij is van moeder aarde
Hij heeft iets vrouwelijks, mijn tuin.
Het is mijn geurenijdele tuin
die het toch maar klaarde
mijn rozen feller roos te kleuren
opdat zij zouden leven
wat rozen willen leven:
de ademzucht van de ochtendbries,
om steeds herinnering te zijn
aan dodelijk verlies.
 
Mijn tuin vertoont zich naakt,
in luiheid uitgestrekt,
slaapzwaar en afgedekt
onder een sprei van mist.
Mijn tuin is mijn vriendin
die nooit een afspraak mist.
En in de lente is hij opgewekt
als  sappen rijzen in de twijgen.
In de zomer baadt hij in de zon
en helt hij naar de schrale bron
die hem verdord, van alle dorsten 
bruin verbrand, doet hijgen.
 
De tuin, meetkundig aangelegd,
vol hagemuren, die loodrecht,
met waterpas en schietlood,
zijn gemeten en geschoren.
Geen rotte plantendood
is hier een lot beschoren.
Van alle bloemen kent mijn vrouw
de meest uitheemse namen
zelfs hun latijnse en griekse  namen
Als zij zijn grasplein maait
is het alsof zij door zijn groene haren aait.
Extreme toewijding van elke dag
zorgt voor plantsoenen, perken,
en maakt de stammen witter
van de fluisterende berken,
als wat te late zon van elke zomerdag
te schuine schaduwen laat vallen,
 zo teder, zonder schade
op de rechte paden,
tot op een dag de laatste valt
 
Mijn tuin ligt  in een ander land,
in mijn geheime vaderland,
waar ik veel dromen heb geplant
en passies, als gerijpte vruchten,
van de planten vallen in het zand,
waar bomen fel tot in de hemel groeien
en ranke takken levensaders zijn,
die heftig naar meer licht verlangen,
en daardoor zachtjes bloedend bloeien

 

Mark  EYSKENS.

 

 

 

Frida Kahlo

 

Zelden ga ik naar de bioscoop, ook al ben ik een hartstochtelijk cinefiel. Ik heb geen tijd. De tijd heeft mij. De tijd doden doe ik nooit. 'De tijd doden' vind ik overigens een verschrikkelijke uitspraak die, naar mijn gevoel,  verwijst naar een misdaad tegen de menselijkheid.

Wel lees ik in de krant de filmkritiek, wat mij in de gelegenheid stelt de films aan te stippen die ik zeker niet moet gaan bekijken. Mijn treurnis over de betere films, die ik niet kan gaan zien, wordt hierdoor enigszins gelenigd.

Een wonderbaarlijke samenloop van omstandigheden bracht mij desalniettemin onlangs in een donkere zaal, waar de film 'Frida Kahlo' werd vertoond. Tijdens verscheiden bezoeken aan Mexico had ik de revolutionaire fresco's bewonderd van Diego de Rivera en gelezen over de onstuimige relatie tussen de grote schilder en Frida Kahlo, die ontoelaatbaar mooie mondaine, halfjoodse schilderes-danseres, die zoveel harten heeft gebroken als ze schoenen heeft versleten. Een ongeval tijdens een tramrit brak nagenoeg haar ruggengraat en haar verdere bestaan zou met vallen en opstaan een martelgang worden, waaruit pathetische schilderijen zijn ontstaan. Ze vond ook nog de tijd om de minnares te worden van Leon Trotsky, toen die, vogelvrij verklaard door Stalin, asiel zocht in Mexico-city. En toen een agent van Stalin, vermomd als een duistere Belgische student, Trotsky met een houweel de schedel in sloeg, werd Frida Kahlo, blijkbaar ten onrechte, ervan verdacht bij de aanslag betrokken te zijn geweest.  Alvast stof genoeg voor een dramatische, ontroerende en schitterend gebrachte filmprent, met de sublieme Salma Hayek in de hoofdrol.

Toen ik die avond, totaal in vervoering, versteend en half psychedelisch thuis aanspoelde, kon ik mijn emoties en impressies maar overmeesteren door ze, worstelend met onvolmaakte woorden, toe te vertrouwen aan het glazige scherm van mijn PC.     

 

 

Frida Kahlo

 

 

Een rode bloem die ruikt
naar bloed en bloedspat,
reeds gestold, gevlekt, gestuit
op haar te witte avondkleed.
Wie weet wie van wie door wie
met wat getooid, getoond
in haar midzomernachtelijke jurk?
Van een, die heerlijk eerlijk streed
en dan verteerd, ontkleed
onder haar jurk van bleek satijn
- en laat het wilde zijde zijn –
ging bidden, baden in de los geslagen stad,
doortrapte mensenzeeën dronken stad,
en stond te vieren
en te zwieren
en wervelend te gieren
in elke kroeg, in tenten
en bordelen en met venten,
met hidalgo's op de plazas,
langs de bamba's,
wentelend in samba's
onder de arcades in de patio:
 
Frida, Myriam Kahlo.
 
Verwond, geradbraakt
in haar ruggengraat gekraakt.
En die haar smart, gebraakt,
vermocht te storten en te striemen
op het witte doek van leed gemaakt
in olie en in verf, in bloed
en zweet en terpentijn van pijn
om Diego, haar Rivera van verdriet
met een weerkerend liefdeslied:
"Als ooit jouw dood
mijn dood vooraf zou gaan
en onze harten niet meer
samen zouden slaan,
zou ik mijn hart begraven
in je dode lichaam
en sprakeloos naar de hemel
staren door het raam."
 

 

Mark  EYSKENS

 

 

 

 

Hittedood

 

 

De pers meldt dat het uitzonderlijk warme zomerweer een zegen is geweest voor de frisdrankproducenten. Zo verhoogde Coca-Cola zijn winst met 12% tot 1,3 miljard $. Maar terwijl er werd gedronken, werd er ook gestorven. Tijdens de hete zomermaanden overleden, vooral in Frankrijk, naar verluidt, twaalf duizend mensen, uitgeput door de hittegolf. Soms duurde het dagen vooraleer de dode lichamen werden gevonden van meestal oudere mensen die totaal vereenzaamd, zonder enige zorg  waren omgekomen.

Niet van de warmte zijn ze dood gegaan. Wel van een gebrek aan warmte. Die van mensen voor mensen. Een godgeklaagde schande.

 

Plots waart de hittedood over het land
dat, door de zon verzengd, verdampt.
 
De hittedood is geen serene dood,
die statig intreedt als een zachte witte dood.
De hittedood heeft lelijke gezichten
die ongenadig, gruwend zwichten.
Bij duizenden zijn zij gestorven,
vuil zwetend in hun klamme bedden,
van God en mens verlaten en bestorven,
nog snakkend maar niet meer te redden.
Zij sidderden als vissen op het droge;
gerimpeld was hun vel, verglaasd hun ogen.
 
Wat was hun misdaad, tenzij oud van dagen zijn?
Werden zij gedood door een te felle zonneschijn?
Of werden zij vermoord door eenzaamheid,
door de absolute koude van verlatenheid,
bij maximale Celsius of Fahrenheit?
 
Welke mens, familielid, bedaagde vriend of kind
zal ooit vertellen welke laatste glimp
kon worden opgevangen vooraleer hun blikken braken,
als bleek dat allen op het laatste appel ontbraken?
 
Zij waren vaders, moeders,
die maar niet begrepen
hoezeer zij leefden in een land,
waar niet langer lieve zonen,
noch verknochte dochters wonen.
 
Niet van de hitte zijn ze dood gegaan,
maar van te weinig warmte
zijn ze stiekem stom kapot gegaan.

 

Mark  EYSKENS

 

Mijn hond

 

 

Wat je niet hebt, moet je soms scheppen in je verbeelding. Gemis is vaak gewin. Ik heb geen hond.  Mijn vrouw is er allergisch aan. Zij beschikt in deze aangelegenheid over een vetorecht. Het vetorecht van een grote mogendheid, dat ik haar ooit in een onbewaakt moment, ter gelegenheid van een verjaardag van de oprichting van de Verenigde Naties, veertig jaren geleden heb toegekend. In onze familiale veiligheidsraad stuitten al mijn resoluties om een vierpotige hond aan te schaffen, op een resoluut veto. Ik poogde herhaaldelijk met een labrador, een engelse terriër, een Duitse schaapherder, een Deense hazewind, een Franse keffer, een Argentijnse bulldog, een Schotse ridgeback, een Amerikaanse staffordshire, een fila brasiliero, een akita inu, een rottweiler, een pitbull, een Leuvense schoothond, een Brusselse schroothond, een stratton….Niets mocht baten. Al mijn voorstellen werden verworpen. Bij wijze van troost kreeg ik wel twee stenen honden die thans onbeweeglijk kwispelstaarten voor onze voordeur.  Mij restte mij enkel aan te kloppen bij mijn fantasie en een gedicht op te dragen aan de hond, die ik niet heb.

 

 

 

Mijn hond
 
Mijn hond, die hond van mij
die halve mens,
die mij tot anderhalve maakt,
is beter dan mijn beste vriend.
Mijn hondse kameraad
is een veel ouder dier
dan de gebleekte sapiens die ik ben.
Zijn pels ruikt ruig en roestig
naar de tijd van toen, de oertijd
en zijn voorhistorisch wolfs bestaan.
Hij draagt nog steeds een muil
die ik sedert millennia heb afgelegd.
Hij heeft een kwispelende staart
die mij al lang geen zorg meer baart.
Zijn bruine blik boort
schrander in mijn ogen
en als ik luister naar zijn hijgen,
versta ik ieder van zijn woorden.
Mijn hond is steeds onmenselijk trouw
in liefde en genegenheid tot in de dood.
Begrijpen doet hij mij,
een half woord volstaat.
Hij is die enige unieke enkeling,
die mij bewondert en waardeert,
ook tegen heug en meug,
en vaak volledig onterecht,
en mij ontzettend fel bemint,
zoals ikzelf ook steeds mijzelf heb lief gehad.
Zo zijn we nu met tweeën om mijzelf
hartstochtelijk lief te hebben,
te koesteren en te beminnen.
 
Mijn hond zal waken op mijn graf
en kreunen, janken, blaffen,
huilen in de wind,
en razen, razen, razen
tegen het sterven van het licht.
En wie verstrooid voorbij zal komen
bij het vallen van de nacht,
zal denken dat ik het weer eens ben
die nog een toespraak houd,
vooraleer de winden liggen gaan.
                       

                                    Mark  EYSKENS

 

 

 

Tien geboden

 

De burger van vandaag, althans in onze contreien, is vrijgevochten. Uit allerlei peilingen blijkt dat hij zijn zelfbeschikkingsrecht bovenaan de lijst plaatst van zijn waardenschaal. Zijn relatie met allerlei overheden, met de Staat, met de bedrijfsleiding, de school, de universiteit of het ziekenhuis of de dokter, met zijn vrouw (of zij met haar man), met zijn ouders, met morele gezagdragers, is niet langer een van ondergeschiktheid.  We kijken mekaar recht in de ogen en voelen ons gelijkwaardig, ook al zijn we niet gelijk. Enkel in onze verhouding tot vreemdelingen, verschoppelingen, mensen uit ontwikkelingslanden, armen en kansarmen voelen wij ons wel eens superieur en doen we neerbuigend. Het is niet makkelijk algemene gedragsregels voor iedereen aanvaardbaar te maken, die nochtans nodig zijn om een maatschappij ordelijk te laten functioneren.  Onze samenleving houdt niet van geboden en verboden, van regelneverij en betutteling. Meer bepaald in België is wegens eeuwenlange bezettingen een traditie opgebouwd van weerstand tegen de overheid. In een land als Frankrijk is, wat niet verboden is, toegelaten. In Duitsland daarentegen is, wat niet  toegelaten is, verboden. Maar in België is meestal toegelaten wat verboden is.

Hoe de handel en wandel van mensen stroomlijnen door het opleggen van bepaalde algemene gedragsregels?  De vraag rijst bovendien waar die gedragsregels vandaan komen?  Van de wetgever?  Van de kiezers?  Van morele instellingen als de kerken?  Van God en de goden?  Filosofen hebben op de vraag naar de fundering van de ethiek eeuwen lang hun hersenen gepijnigd. Immanuel Kant stelde dat de grondregel van de ethiek een onwrikbaar menselijk gegeven is: 'doe niet aan anderen aan wat je niet wenst dat men jou aan zou doen'. Dit beginsel vindt men reeds terug in de oude Bijbel en in de leer van Confucius, Boeddha en Jezus Christus. En Mozes is de tien geboden, gegrift in stenen tafelen, gaan halen boven op de Sinai. Toegegeven dat indien sommige van die geboden stipt waren toegepast door de mensen, de wereld beter af zou zijn en er vandaag wellicht geen 36 oorlogen zouden woeden en geen 1,5 miljard aardbewoners in zwarte armoede zouden leven. Maar laten we, in plaats van aan geboden, ons veeleer houden aan een aantal raadgevingen, gevoed door enig scepticisme. Want iedereen weet dat goede raad meestal in de wind wordt geslagen. En ik weet dat ik nog enkel goede raad kan verstrekken, want ik ben te oud om nog het slechte voorbeeld te geven...  Zie hier dan mijn tien aanbevelingen.

 

TIEN GEBODEN VOOR NU EN MORGEN

 

  1. Stel je open voor het zijnswonder

  2. Hou je bezig met het essentiële:

      leven, liefde, lijden en dood.

  3. Bemin de liefde meer

      dan het genot van de liefde.

  4. Leef niet om te werken

      maar werk om beter te leven.

  5. Maak het recht van de zwakken

      tot de plicht van de  sterken.

  6. Wees geen extremist,

      tenzij in de verdediging van de  vrijheid.

  7. Wees matig en gematigd in alles,

      behalve in de behartiging

      van de rechtvaardigheid.

  8. Denk niet te snel dat je gelijk hebt

      en overtuig meer door je voorbeeld

      dan door je argumenten.

  9. Kwets je aan de gekwetsten.

10. En blijf trouw aan wie

      je ooit teder heeft gemaakt.

 

 

Mark  EYSKENS