Anna Lindh
De moord op Anna
Lindh maakt sprakeloos.
Dit is het uur van
de onzegbaarheid.
Luid schreeuwt de
stilte.
- Zij stak de ogen uit
- waar zij ook kwam,
- want zij was uitgesproken
- en werd dus neergestoken,
- waar zij eens kwam
- door een Raskolnikov,
- in een banale klerenzaak,
- beramend en verdoken.
-
- Hij stak haar neer
- uit haat die schroeit
- en afgunst die niet koelt.
- Want ontoelaatbaar mooi was
zij,
- verstandig, knap veelzijdig,
vrij
- en onvergeeflijk snedig en
gezwind,
- met in haar fjordenwaterblauwe
ogen
- een tintelende tint van staal,
- haar blonde haren waaiend in de
wind
- en blikken vol van mededogen:
- vermoorde Anna Lindh.
- Zij was zo ongenaakbaar
glansrijk,
- en glinsterend van talent.
- Zij wilde eens eurotisch wezen
- Ze zei het pertinent
- en sensueel met heel haar
wezen.
-
- Ministers zijn niet steeds
bevallig.
- Hun zorgen wegen zwaar
- en graven groeven, rimpelig
- in hun gelooid gelaat.
- Maar Anna Lindh bleef jeugdig,
- onbreekbaar en genadig.
-
- Hij was de sluikse haatfanaat,
- een man zonder gelaat.
- Zij was de wonde;
- hij was het mes,
- toen zij in elkanders ogen
stonden
- en haar toekomst stolde
- door een moordenaar om niet.
- Bloedstollend en koelbloedig
- had hij zijn brakke ziel
betrapt
- op wilde wrok en wraak.
-
- In de herinnering ligt zij nu
opgebaard,
- sereen en onomwonden,
- onder de bloedbloemen van haar
vele wonden.
- Niet het scheiden doet zo'n
pijn,
- maar het afgesneden zijn.
-
- En over Stockholm daalt de
grijze neerslag
- van een veel meer dan Zweeds
verdriet,
- schreiend, roestend, wrang en
rauw.
- Maar dit zegt de officiële
versie niet.
- Want naar verluidt van het
verslag,
- gaat het om doodgewone rouw.
-
-
Mark EYSKENS
Mijn vrienden overleven niet
In mijn bibliotheek heb ik een boekenrek
ingericht als een soort begraafplaats, zonder zerken, zonder berken noch
cipressen, zonder bloemen, zonder kransen, maar wel vol doodsprentjes
van overleden vrienden. Ik schuif ze, de prentjes, tussen mijn boeken,
open geplooid, zodat de foto van de gestorvene goed zichtbaar blijft.
Een vreemdsoortige statistische wet heeft voor gevolg dat, naarmate de
jaren vorderen, de oogst van doodsprentjes toeneemt en ik voor hun
uitstalling steeds meer ruimte moet uitmeten en meer boeken moet ter
beschikking stellen. Er komt een leeftijd dat de gemeenschap van de
doden talrijker wordt dan die van de levenden.
Soms valt een doodsprentje op de vloer
als ik een boek uit het rek neem. Dan raap ik mijn dode vriend weer op,
denk aan hem en onderdruk mijn emoties.
-
Mijn vrienden overleven niet
-
-
Mijn vrienden overleven niet
- Zij
trekken sporen in het niet
- en
schuilen doods onder verdorde blaren
- Zij
worden dood en doder met de jaren
- Een
laatste vriend werd zelfs doodst
- en
dan naar onbekende oorden weg geloodst.
-
Waar is hij nu gebleven?
-
Egidius, uit het werelddorp verdreven?
-
- Zij
hadden ooit en met verglaasde blikken
- een
middag in de zon, onder het lustig likken
- van
ijsjes en het proeven van granaten,
-
gelezen op de wijzerplaten
- van
weggesmolten kathedralen
- vol
van Romeinse cijfer-etsen
- dat
alle uren kwetsen
- en
het laatste doodt
- dat
één minuut verwondt
- en
ooit een laatste stond
- de
ogen sluit: een degensteek
- in
de hartestreek
-
-
Herinneringen zullen niet beklijven
- en
heftigheden niet lang verblijven
- bij
wie ze heeft gekend, bemind
-
gekoesterd, vriend tot vriend,
- nog
even voor de vlam steeds doffer dimt
- en
net de laatste genster dooft,
- het
laatste licht geroofd.
Mark EYSKENS
Reizen
Onze planeet
is een wriemelend mierennest van miljarden zich verplaatsende
en reizende mensen.
De verplaatsers doen het meestal omwille van hun beroep of om vrienden
of familieleden te bezoeken of boodschappen te doen. Zij lijden in de
drukte van verkeer en spitsen. Maar hun leed zal worden gelenigd.De
eerstvolgende decennia zullen we ons minder moeten verplaatsen omdat de
communicatietechnologieën, internet en nieuwe computersnifjes ons zullen
toelaten ook veel thuis te klaren.
De reizigers zijn
een andere soort. Zij doen het voor hun plezier. Zij behoren tot de
dichte drammerige drommen dravers die onze wegen onveilig maken 'for fun'
en de vlieghavens belegeren bij tij en ontij. Waarom? Wat drijft de
reiziger? Is niet elke reis een ontdekkingsreis? Maar om wat te
ontdekken?
Reizen
- Het doel van reizen
- is te reizen;
- nooit voor anker gaan aan
kaden,
- want de ankers roesten
- en aan scheepshout wreten
maden.
- Het doel van reizen
- is nooit aan te komen
- noch in steden, noch in staten
- waar de mensen straatverlaten
- sterven en de bomen
- bloeden uit hun twijgen;
- noch in koninkrijken die
bezwijken,
- noch aan meren die de weemoed
- nooit bezweren en hun wateren
verteren.
-
- Het doel van reizen
- is het breken van 't gewelf
- rond je versteende zelf
- en je dagelijkse oorden,
- los te laten, weg te wuiven,
- waar je schrale woorden
- steeds als stalagtieten vallen,
- geruis- en hulpeloos,
- tot gruis en vruchteloos.
-
- Het doel van reizen
- is ontsnappen en verrijzen
- uit je verwelkte roos,
- losmakelijk te zijn
- en de lichtheid van het zijn
- en het bestaan nogmaals
- te gaan bewijzen.
- Het doel van reizen
- is naar de horizont verwijzen,
- die wijkt als je het waagt
- hem te benaderen.
- Het doel van reizen is te
bladeren
- in de reisgids van je eigen
grenzen.
-
- Reizen is een beetje zalig
zijn;
- je doelloosheid tot doel
verheven zijn
- en ketters, onervaren varen
- naar het meest bevreemdend
land,
- het meest onaardse
schiereiland,
- een eiland zonder weerga,
- op de wereldkaart gestrand,
- op die van het heelaal gebrand,
- die archipel van U, van jou en
van jouw jezelf,
- die daar verlaten ligt
- te wachten op het ochtendlicht,
- met slechts jezelf als kust en
strand
- en in jezelf de kern, de graal,
- de korrel van je bestaan,
- ongrijpbaar en ontdaan,
- misschien een likje DNA,
- volkomen ongeëvenaard,
- mirakel en enigma:
- een dubbele helix, opgespaard
- in honderden miljarden van je
cellen
- opgeslagen, nooit te tellen.
- Je ego-ik, de spiegelende
zelfkant,
- bereisd, verkend en nooit …
geland.
-
- De ontdekking van het andere
- is de verkenning van jezelf.
- De ontdekking van de andere
- is de verkenning van mij.
- De reis van mij
- is de reis naar ik.
-
- Mark EYSKENS
-
-
De Verjaardag
- Ouder was hij dan de bomen,
- die hij in zijn jonge jaren in
zijn tuin
- met zoveel zorg en liefde had
geplant
- Hij keek wel eens naar de
uitgedunde kruin
- van de inmiddels opgeschoten
bomen
- en vroeg zich af of nog voor
hem
- de sappen zouden rijzen
- tijdens de lente van het
volgend jaar.
- Wat rimpels en een enkel
zilveren haar
- gaven hem de luister van de
wijze,
- en als een mooie meid zijn
blikveld kruiste
- vroeg hij zich af hoe het zou
zijn
- haar te versieren. Want van de
kuisten
- was hij niet. Hij was bejaard
- maar helemaal niet oud.
- Hij was bedaagd maar geenszins
out.
- De tand des tijds had hem
behoed
- voor het verval van leden en
organen,
- voor longoedeem en niet te
stollen bloed.
- De milde tand des tijds zou hem
niet erg belagen
- De tand des tijds had zich in
melktand vermomd.
- Maar als hij zijn verweerde
hand
- betastte, dat bevreemdend
schiereiland
- waarvan de vingers in een zee
van werkelijkheid
- verzwonden en verdwenen, zag
hij gelijk
- hoe bruine kerkhofvlekken op
zijn huid
- verschenen en de
onomkeerbaarheid
- bewezen van de leeftijd en de
tijd.
-
- De grote levenstaken had hij
stipt volbracht.
- Vooral één vrouw had hij
hartstochtelijk bemind.
- Zij schonk hem ooit een heel
bijzonder kind
- en later nog een, nog een, nog
een, onverdiend.
- Hij had een huis gebouwd, een
eik geplant,
- de wereld afgedweild en eens
een boek geschreven,
- dat echter niet door velen was
gelezen
- en nauwelijks door iemand was
begrepen.
- Hij had vooral langdurig zitten
staren
- naar het wisselen van de wolken
over dag
- en naar de glinstering der
sterren in de nacht
- wachtend op het Teken en de
pracht
- van het ontsluierde geheim en
het verklaren
- van waarom het Zijn en Worden
niet ervaren
- worden als het alfa en het
omega.
-
- En als de dag aanbrak waarop
hij zou verjaren,
- een fenomeen dat onbetwistbaar
had te maken
- met het wentelen van de planeet
aarde
- rondom de zon en wat hij had te
aanvaarden,
- was hij plots zeer kwetsbaar,
licht te raken.
- Want sedert lang was hem gemeld
- hoezeer de zandloper de korrels
telt.
- Slechts stoïsch kon hij hierop
reageren
- door te verklaren en te
peroreren:
- 'zalig zij de vrouw, zalig zij
de man,
- die een spetterend
verjaardagsfeest
- een streling voor de geest en
zinnen,
- met zwier en tact aanrichten
kan,
- voor vrienden en vriendinnen,
- waarbij de vele kaarsen,
- brandend op de taart,
- veel meer blijken te kosten …
- dan die godverdomde taart.'
-
Mark EYSKENS
Mijn tuin
- Mijn tuin is niet mijn tuin.
- Hij is van moeder aarde
- Hij heeft iets vrouwelijks,
mijn tuin.
- Het is mijn geurenijdele tuin
- die het toch maar klaarde
- mijn rozen feller roos te
kleuren
- opdat zij zouden leven
- wat rozen willen leven:
- de ademzucht van de
ochtendbries,
- om steeds herinnering te zijn
- aan dodelijk verlies.
-
- Mijn tuin vertoont zich naakt,
- in luiheid uitgestrekt,
- slaapzwaar en afgedekt
- onder een sprei van mist.
- Mijn tuin is mijn vriendin
- die nooit een afspraak mist.
- En in de lente is hij opgewekt
- als sappen rijzen in de
twijgen.
- In de zomer baadt hij in de zon
- en helt hij naar de schrale
bron
- die hem verdord, van alle
dorsten
- bruin verbrand, doet hijgen.
-
- De tuin, meetkundig aangelegd,
- vol hagemuren, die loodrecht,
- met waterpas en schietlood,
- zijn gemeten en geschoren.
- Geen rotte plantendood
- is hier een lot beschoren.
- Van alle bloemen kent mijn
vrouw
- de meest uitheemse namen
- zelfs hun latijnse en griekse
namen
- Als zij zijn grasplein maait
- is het alsof zij door zijn
groene haren aait.
- Extreme toewijding van elke dag
- zorgt voor plantsoenen, perken,
- en maakt de stammen witter
- van de fluisterende berken,
- als wat te late zon van elke
zomerdag
- te schuine schaduwen laat
vallen,
- zo teder, zonder schade
- op de rechte paden,
- tot op een dag de laatste valt
-
- Mijn tuin ligt in een ander
land,
- in mijn geheime vaderland,
- waar ik veel dromen heb geplant
- en passies, als gerijpte
vruchten,
- van de planten vallen in het
zand,
- waar bomen fel tot in de hemel
groeien
- en ranke takken levensaders
zijn,
- die heftig naar meer licht
verlangen,
- en daardoor zachtjes bloedend
bloeien
Mark EYSKENS.
Frida Kahlo
Zelden ga ik
naar de bioscoop, ook al ben ik een hartstochtelijk cinefiel. Ik heb
geen tijd. De tijd heeft mij. De tijd doden doe ik nooit. 'De tijd
doden' vind ik overigens een verschrikkelijke uitspraak die, naar mijn
gevoel, verwijst naar een misdaad tegen de menselijkheid.
Wel lees ik in
de krant de filmkritiek, wat mij in de gelegenheid stelt de films aan te
stippen die ik zeker niet moet gaan bekijken. Mijn treurnis over de
betere films, die ik niet kan gaan zien, wordt hierdoor enigszins
gelenigd.
Een
wonderbaarlijke samenloop van omstandigheden bracht mij desalniettemin
onlangs in een donkere zaal, waar de film 'Frida Kahlo' werd vertoond.
Tijdens verscheiden bezoeken aan Mexico had ik de revolutionaire
fresco's bewonderd van Diego de Rivera en gelezen over de onstuimige
relatie tussen de grote schilder en Frida Kahlo, die ontoelaatbaar mooie
mondaine, halfjoodse schilderes-danseres, die zoveel harten heeft
gebroken als ze schoenen heeft versleten. Een ongeval tijdens een
tramrit brak nagenoeg haar ruggengraat en haar verdere bestaan zou met
vallen en opstaan een martelgang worden, waaruit pathetische
schilderijen zijn ontstaan. Ze vond ook nog de tijd om de minnares te
worden van Leon Trotsky, toen die, vogelvrij verklaard door Stalin,
asiel zocht in Mexico-city. En toen een agent van Stalin, vermomd als
een duistere Belgische student, Trotsky met een houweel de schedel in
sloeg, werd Frida Kahlo, blijkbaar ten onrechte, ervan verdacht bij de
aanslag betrokken te zijn geweest. Alvast stof genoeg voor een
dramatische, ontroerende en schitterend gebrachte filmprent, met de
sublieme Salma Hayek in de hoofdrol.
Toen ik die
avond, totaal in vervoering, versteend en half psychedelisch thuis
aanspoelde, kon ik mijn emoties en impressies maar overmeesteren door
ze, worstelend met onvolmaakte woorden, toe te vertrouwen aan het
glazige scherm van mijn PC.
Frida Kahlo
- Een rode bloem die ruikt
- naar bloed en bloedspat,
- reeds gestold, gevlekt, gestuit
- op haar te witte avondkleed.
- Wie weet wie van wie door wie
- met wat getooid, getoond
- in haar midzomernachtelijke
jurk?
- Van een, die heerlijk eerlijk
streed
- en dan verteerd, ontkleed
- onder haar jurk van bleek
satijn
- - en laat het wilde zijde zijn
–
- ging bidden, baden in de los
geslagen stad,
- doortrapte mensenzeeën dronken
stad,
- en stond te vieren
- en te zwieren
- en wervelend te gieren
- in elke kroeg, in tenten
- en bordelen en met venten,
- met hidalgo's op de plazas,
- langs de bamba's,
- wentelend in samba's
- onder de arcades in de patio:
-
- Frida, Myriam Kahlo.
-
- Verwond, geradbraakt
- in haar ruggengraat gekraakt.
- En die haar smart, gebraakt,
- vermocht te storten en te
striemen
- op het witte doek van leed
gemaakt
- in olie en in verf, in bloed
- en zweet en terpentijn van pijn
- om Diego, haar Rivera van
verdriet
- met een weerkerend liefdeslied:
- "Als ooit jouw dood
- mijn dood vooraf zou gaan
- en onze harten niet meer
- samen zouden slaan,
- zou ik mijn hart begraven
- in je dode lichaam
- en sprakeloos naar de hemel
- staren door het raam."
-
Mark EYSKENS
Hittedood
De pers meldt dat
het uitzonderlijk warme zomerweer een zegen is geweest voor de
frisdrankproducenten. Zo verhoogde Coca-Cola zijn winst met 12% tot 1,3
miljard $. Maar terwijl er werd gedronken, werd er ook gestorven.
Tijdens de hete zomermaanden overleden, vooral in Frankrijk, naar
verluidt, twaalf duizend mensen, uitgeput door de hittegolf. Soms duurde
het dagen vooraleer de dode lichamen werden gevonden van meestal oudere
mensen die totaal vereenzaamd, zonder enige zorg waren omgekomen.
Niet van de warmte
zijn ze dood gegaan. Wel van een gebrek aan warmte. Die van mensen voor
mensen. Een godgeklaagde schande.
- Plots waart de hittedood over
het land
- dat, door de zon verzengd,
verdampt.
-
- De hittedood is geen serene
dood,
- die statig intreedt als een
zachte witte dood.
- De hittedood heeft lelijke
gezichten
- die ongenadig, gruwend
zwichten.
- Bij duizenden zijn zij
gestorven,
- vuil zwetend in hun klamme
bedden,
- van God en mens verlaten en
bestorven,
- nog snakkend maar niet meer te
redden.
- Zij sidderden als vissen op het
droge;
- gerimpeld was hun vel,
verglaasd hun ogen.
-
- Wat was hun misdaad, tenzij oud
van dagen zijn?
- Werden zij gedood door een te
felle zonneschijn?
- Of werden zij vermoord door
eenzaamheid,
- door de absolute koude van
verlatenheid,
- bij maximale Celsius of
Fahrenheit?
-
- Welke mens, familielid,
bedaagde vriend of kind
- zal ooit vertellen welke
laatste glimp
- kon worden opgevangen vooraleer
hun blikken braken,
- als bleek dat allen op het
laatste appel ontbraken?
-
-
Zij waren vaders, moeders,
-
die maar niet begrepen
- hoezeer zij leefden in een
land,
- waar niet langer lieve zonen,
- noch verknochte dochters wonen.
-
- Niet van de hitte zijn ze dood
gegaan,
- maar van te weinig warmte
- zijn ze stiekem stom kapot
gegaan.
Mark EYSKENS
Mijn hond
Wat je niet hebt, moet je soms scheppen
in je verbeelding. Gemis is vaak gewin. Ik heb geen hond. Mijn vrouw is
er allergisch aan. Zij beschikt in deze aangelegenheid over een
vetorecht. Het vetorecht van een grote mogendheid, dat ik haar ooit in
een onbewaakt moment, ter gelegenheid van een verjaardag van de
oprichting van de Verenigde Naties, veertig jaren geleden heb toegekend.
In onze familiale veiligheidsraad stuitten al mijn resoluties om een
vierpotige hond aan te schaffen, op een resoluut veto. Ik poogde
herhaaldelijk met een labrador, een engelse terriër, een Duitse
schaapherder, een Deense hazewind, een Franse keffer, een Argentijnse
bulldog, een Schotse ridgeback, een Amerikaanse staffordshire, een fila
brasiliero, een akita inu, een rottweiler, een pitbull, een Leuvense
schoothond, een Brusselse schroothond, een stratton….Niets mocht baten.
Al mijn voorstellen werden verworpen. Bij wijze van troost kreeg ik wel
twee stenen honden die thans onbeweeglijk kwispelstaarten voor onze
voordeur. Mij restte mij enkel aan te kloppen bij mijn fantasie en een
gedicht op te dragen aan de hond, die ik niet heb.
-
Mijn hond
-
-
Mijn hond, die hond van mij
- die
halve mens,
- die
mij tot anderhalve maakt,
- is
beter dan mijn beste vriend.
-
Mijn hondse kameraad
- is
een veel ouder dier
- dan
de gebleekte sapiens die ik ben.
-
Zijn pels ruikt ruig en roestig
-
naar de tijd van toen, de oertijd
- en
zijn voorhistorisch wolfs bestaan.
- Hij
draagt nog steeds een muil
- die
ik sedert millennia heb afgelegd.
- Hij
heeft een kwispelende staart
- die
mij al lang geen zorg meer baart.
-
Zijn bruine blik boort
-
schrander in mijn ogen
- en
als ik luister naar zijn hijgen,
-
versta ik ieder van zijn woorden.
-
Mijn hond is steeds onmenselijk trouw
- in
liefde en genegenheid tot in de dood.
-
Begrijpen doet hij mij,
- een
half woord volstaat.
- Hij
is die enige unieke enkeling,
- die
mij bewondert en waardeert,
- ook
tegen heug en meug,
- en
vaak volledig onterecht,
- en
mij ontzettend fel bemint,
-
zoals ikzelf ook steeds mijzelf heb lief gehad.
- Zo
zijn we nu met tweeën om mijzelf
-
hartstochtelijk lief te hebben,
- te
koesteren en te beminnen.
-
-
Mijn hond zal waken op mijn graf
- en
kreunen, janken, blaffen,
-
huilen in de wind,
- en
razen, razen, razen
-
tegen het sterven van het licht.
- En
wie verstrooid voorbij zal komen
- bij
het vallen van de nacht,
- zal
denken dat ik het weer eens ben
- die
nog een toespraak houd,
-
vooraleer de winden liggen gaan.
-
Mark EYSKENS