Mark Eyskens politiek economie literatuur Français
kunst politiek stel uw vraag nieuws Français
 
LITERATUUR

Recente publicaties

Heet van de naald

Lees de Eyskensiaanse Haiku's hieronder

 

'De Oude Prof en de Zee.

Tweespraak over zin en zijn' (Lannoo)

 

 

 

'Omdat wij van de avond nooit genezen', gedichten, Davidsfonds

verstaanbare poëtische indrukken

'De onmogelijkheid van het noodzakelijke, VKW, denktank

over de nakende crisis van onze welvaartsstaat

  Het verdriet van het werelddorp

(Davidsfonds), een boek waarin de globalisering van de wereld wordt geanalyseerd en haar invloed op Europa en de eigen samenleving

  Leven in tijden van Godsverduistering

(Lannoo). Het gaat om een reflectie over het veranderende wereld- en mensbeeld, de fabelachtige doorbraken van wetenschap en technologie en de crisis van de Kerk. Volgens Eyskens is deze crisis drievoudig: er is een crisis van de instelling; een van de waarden en tenslotte een crisis van het geloof, zowel wat zijn formulering als inhoud beterft.


Hoezeer knettereren de
       nederlandse letteren

captatio malevolentiae

WOORDRIJKDOM EN TAALARMOEDE

Woorden vormen een omheining rond de dingen die mensen kennen en de gedachten die mensen willen of kunnen uitdrukken. Aldus worden het kenbare en het denkbare bepaald, begrensd en ontgrensd door het zegbare. Woordrijkdom biedt gerieflijkheid en welgesteldheid van kennis en gedachten. Maar een ruime woordenschat staat nog niet borg voor een correct taalgebruik. De verbale zeilboot moet ook nog kunnen varen op de oceaan van syntaxis en grammatica.

Niet zo lang geleden kreeg ik een brief van een mij onbekende maar wellicht aantrekkelijke meisjesstudente-economie. Zij schreef mij als volgt:

"Proffessor, (kennelijk was mijn correspondente de mening toegedaan dat een letter te veel beter is dan een letter te weinig, wat in strijd is met het economisch principe)

Sedert verschillende dagen probeer ik met U telephonisch betrekking te hebben, maar tot nu toe zonder enige bevrediging. Mogelijks wou ik U vragen van profmotor te zijn van mijn eindverhaal, met als onderwerp: ‘Inflamatoire geldvolumegroei’. Enige haastigheid is wel wenselijk.

           Met voorbarige dank, "

          handtekening onleesbaar

Deze bloemlezing-brief, die ik zorgvuldig bij heb gehouden, sterkt mijn overtuiging dat weldra de dag aanbreekt waarop de ‘laatste alfabeet’ door het Koninkrijk zal schrijden, vereenzaamd en scheef bekeken. Want door het gebruik van rekenmachientjes kunnen steeds minder mensen rekenen, door het gebruik van tekstverwerkers met spelling-en grammatica-functies kunnen steeds minder mensen schrijven, door dagelijks uren te staren naar soap-programma’s op de beeldbuis, die een dwangbuis is geworden, kunnen steeds minder mensen lezen en door gebruik te maken van vertaalmachines zullen steeds minder mensen in de nabije toekomst vreemde talen spreken en lezen. Studenten zullen niet meer vermogen hun diploma te lezen dat hen bij het behalen van hun licentiaat of doctoraat wordt uitgereikt. Het analfabetisme zal echter zo rechtvaardig en democratisch mogelijk worden verspreid en verdeeld onder de bevolking. Ontlezing, ontrekening, ontschrijving, onttaling worden glanzende neologismen, die de Nederlandse woordenschat zullen verrijken, op het ogenblik dat taalarmoede zal ontaarden in taalpauperisme en het monddode taalproletariaat onverstaanbare eisen zal uiten. Die tijd zal de geschiedenis ingaan als de ‘nieuwe eistijd’. Dan zullen de Nederlandse letteren niet langer knetteren, maar niemand zal het kunnen zeggen, schrijven, noch lezen.

Mark EYSKENS


 

EYSKENS' BIBLIOGRAFIE : BOEKEN

'De rationalisatie van het gedrag van de consument' ,Uystpruyst, Leuven, 1962.

'Inleiding tot de economische wetenschap', collegenota's, twee delen, Wouters, 1965.

'Micro-economische theorie', collegenota's, twee delen, Wouters, 1966.

'Economie als tijdverdrijf' De Nederlandsche Boekhandel, 1969.

'Uitdagingen voor een moderne universiteit', Leuven, 197O.

'Van gisteren naar morgen, economisch bekeken'; DNB, Pelckmans, 1971.

'Open brief aan de studenten', Lannoo, 1973.

'Ambrunetië of het Avondland in de Morgen', DNB,1974.

'Bouwstenen van de gemengde Economie', twee delen, Standaard wetenschappelijke uitgeverij, 1976.

'Economie van Nu en Straks', DNB, 1977.

'Ambrunise ou la quadrature du siécle', Arts et Voyages, 1977

'Brief aan de Ambrunetiërs', DNB, 1978.

'Eén Aarde, twee werelden', Min.Ontwikkelingssamenwerking, 1979.

'Une terre, deux mondes', Min. de la coopération au développement, 1979.

'Bron en Horizon. Het avondland uit de impasse ', Lannoo, 1985.

'La source et l'Horizon. Le redressement de la société Européenne', Duculot, 1985

'Economie voor iedereen', Pelckmans, 1989.

'Het storende levensverhaal van Professor J.K. Mortal. Een boek over mens en men ', Lannoo, 1989.

'Economie pour tous', Labor, 199O.

'Wegwijs Geld', met R. Dillemans en W. van Gerven, eerste deel, Davidsfonds, 199O.

'From detente to entente. The impact of the implosion of communism', Minaffet, 199O.

'Vie et mort de J.K. Mortal, professeur extraordinaire', Albatros, Paris, 1991.

'Buitenlandse zaken 1989-92. Van confrontatie naar coöperatie', Lannoo, 1992.

'Affaires Etrangères 1989-92', De la coopération à la confrontation’,Créart, 1993.

'Vaders Dood en Leven', in 'De Memoires van Gaston Eyskens', Lannoo, 1993.

‘Beleving en Belofte. Een Nieuwjaarstijding’. Toespraak van Mark Eyskens op de voorstelling van de Memoires van Gaston Eyskens, Lannoo, 1994.

'De grote verjaring, van de 2Oste eeuw naar het 3de millennium', Lannoo, 1994.

'Is verandering vooruitgang ? De maatschappelijke gevolgen van de 3de industriële revolutie', Davidsfonds, 1995.

'Le fleuve et l'océan. Du vingtième siècle au troisième millénaire', Racine, 1995.

'Lessen voor de 21ste eeuw', eerste hoofdstuk in collectief werk, LeuvenUP, 1995.

‘Gaston Eyskens tussen koning en regent’, V. Dujardin, Woord Vooraf, Meulenhoff-Kritak, 1996.

‘De reis naar Dabar. Een metafysische thriller', Lannoo,1996.

'L'affaire Titus. Métaroman', Racine, 1998.

'De Lust van de Verbeelding', Lannoo, 1998.

'Er zijn geen economische problemen', Davidsfonds.

'Democratie tussen spin en web. Democratisch samenleven in de kennis-en netwerkmaatschappij. Leuven Universitaire Pers 1999.

'Het verdriet van het werelddorp', Davidsfonsds, 2001

' Leven in tijden van Godsverduistering. Lannoo. 2001

'Omdat wijn van de avond nooit genezen'. Davidsfonds. 2004

'De onmogelijkheid van het Noodzakelijke. VKW; 2004

'De oude prof en de zee. tweespraak over zin en zijn'. Lannoo.2005

'Le vieux prof et la mer. Le sens d'une quête de sens'. Racine, 2006

 

Eyskensiaanse Haiku's 

 
                      I
 
De waterdruppel weifelt;
de waterdruppel twijfelt
tussen zijn en niet te zijn,
tussen worden en geweest te zijn.
 
                          II
 
Genade van de uren die steeds kwetsen
en waarvan het laatste doodt. Wij etsen
onze beeldenaars in honderden gezichten
en prevelen altijd dezelfde gedichten
met woorden wisselend doorheen de tijd,
in onze wedloop tegen de eeuwigheid.
 
                            III
 
Omdat wij levenslang verlangen,
nooit woonden in beloofde landen
en tot stof en as verbranden,
                    zal ik,
weer vrij en toch gevangen,
zal ik de avond en de dageraad,
zal ik de dood en de geboorte,
het dubbele verraad,
tweemaal het ongehoorde,
nooit weer verwoorden.
 
                        IV
 
Mijn vrienden overleven niet
Zij trekken sporen in het niet
en schuilen doods onder verdorde blaren
Zij worden dood en doder met de jaren
Een laatste vriend werd zelfs doodst.
Waar is hij nu gebleven?
Egidius, uit het werelddorp verdreven?
 
                            V
 
Gun mij mijn heimwee,
want de dagen korten,
en een fel verlangen
naar de avondzee,
en naar het storten
van het licht in zee
en naar een vaag idee
van hoe dromen horten,
breken op de rand
der dagelijkse dingen.
 
Ver voorbij het strand,
achter de horizon
hoor ik de golven zingen.
 
                           VI
 
Mijn vader, hem heb ik anders gekend
dan de anderen hem hebben gekend,
al was het maar omdat hij steeds mijn vader was;
omdat hij mij heeft zien geboren worden
en ik hem tijdloos later heb zien sterven
toen op een dag het middag was;
omdat wij tussen de eerste oogopslag
en het breken van de laatste blik
solidair en lotsverbonden zijn geweest.
 
                        VII
 
Niet de scheiding deed je leed,
want je blik ging over bergen,
maar je onuitgestorte lied,
dat stokkend in je keel zou sterven.
 
                         VIII
 
Met geld koop je een huis, maar  geen thuis
met geld koop je een bed, maar geen slaap,
met geld koop je een klok, maar  geen tijd,
met geld koop je een boek, maar geen kennis,
met geld koop je plezier, maar geen geluk.
 
                           IX
 
Zalig, zee van zilt en zwijgen!
Ik hoor je golven hijgen
en het bruisen van je koortsigheid.
Geen enkel lied kent deze majesteit.
 
                            X
 
Mijn tuin ligt  in een ander land,
in mijn geheime vaderland,
waar ik veel dromen heb geplant
waar bomen fel tot in de hemel groeien
en ranke takken levensaders zijn,
die heftig naar meer licht verlangen,
en er zachtjes bloedend bloeien.
 
                           XI
 
Reizen is een beetje zalig zijn;
je doelloosheid tot doel verheven zijn
en ketters, onervaren varen
naar het meest bevreemdend land,
een eiland zonder weerga,
op de wereldkaart gestrand,
op die van het heelaal gebrand,
een archipel van U, van jou alleen
en enkel van jouw enige jezelf.
 
                            XII
 
En wat met al die kinderen, die
hongerig hoopten op de zegen
van de vermenigvuldiging der broden,
en slechts de walg te eten kregen
van de vermenigvuldiging der doden?
 
                           XIII
 
Zij zullen sterven als bevroren vorsten,
Bourgondiërs met hoge borsten.
Reeds hebben zij hun praalgraf aangemaakt,
de beide sarcofagen klaar gemaakt.
Vernietigd zullen zij er rusten in het niet.
Nog slechts profielen van graniet.
 
                          XIV
 
Maar in je ene, beverige traan
zag ik meer droefheid opgesloten
dan in de wilde smart
van alle zeven wereldzeeën.
 
                          XV
 
"Als ooit jouw dood
mijn dood vooraf zou gaan
en onze harten niet meer
samen zouden slaan,
zou ik mijn hart begraven
in je dode lichaam
en sprakeloos naar de hemel
staren door het blinde raam."
 
                          XVI
 
Eens zal een goddelijk groot bewustzijn,
als de tijd zal zijn gestokt
en de ruimte opgeslokt,
de ultieme golffunctie ineen doen storten
opdat het zijn zou ophouden te worden
en het land van onverklaarde klaarte
zou verschijnen in een wereld van
              ultieme waarde.
 
                       XVII
 
Vergeef mij, Heer, 
Vergeef mij dat ik beef
Nooit heb ik kunnen wennen
aan hoe te sterven
met een sereen gezicht
en wachtend op meer licht
 
                        XVIII
 
Een mens is een mens
als hij weerstaat aan schimmen,
eerzuchtig de sterren durft te winnen
en sterft in het lied van zijn laatste gedicht.
 
                         XIX
 
Wij verwachten dat aan de overzijde
van wat wij weten en niet weten
een land van onverklaarde klaarte ligt.
Dan zal het leven van een mens,
als een kaars wankel brandend,
niet doven bij het vallen van de nacht
maar zachtjes uitgaan, onverwacht
bij het dagen van een nieuwe dageraad.
 
                         XX
 
Elk ogenblik dat in de tijd verglijdt,
bevat een stukje van de eeuwigheid. 
 
                         XXI
 
Want vandaag is morgen gisteren
en overmorgen is morgen gisteren
voor altijd zal het 'nu' geweest zijn.
Weet dan dat onze tijd verglijdt
om onuitwisbaar in de tijd te zijn.
De eeuwigheid is de verleden tijd.
Gedenk dit als de herfst weer sterft.
 
Haiku II
 
                         I
 
 ‘Omnes Vulnerant; Ultima Necat’
staat rond de wijzerplaat in het latijn
van een oude scheve kerktoren,
een wijsheid die wil verkondigd zijn:
‘Alle uren kwetsen en doen pijn.
      Maar het laatste doodt.’
 
                         II
 
De ontdekking van het andere
is de verkenning van jezelf.
De ontdekking van de andere
is de verkenning van je mij.
De reis van mij
is de reis naar ik.
 
 
                         III
 
Maak het recht van de zwakken
      tot de plicht van de  sterken. 
   Kwets je aan de gekwetsten.
 En blijf trouw aan wie
      je ooit teder heeft gemaakt.
 
                        IV
 
De mens is geen gevallen engel.
Wel een recht opgekropen aap:
een ex-dier dat bestaat en gaat,
een gefrustreerde oud-primaat,
Als hij ooit de steen der wijsheid vindt,
grenzen verleggend in weer en wind,
zal hij, van alle tochten teruggekeerd,
       zich zeer hebben bezeerd.
 
                             V
 
Geen mij
zonder wij.
Geen ik
zonder wij.
Geen wij
zonder ik.
Wij ben ik.
Wij zijn wij
Wie ben ik
zonder wij?
 
                         VI
 
Als je klaar bent om te strijden
en te vechten zonder te slaan,
als je bereid bent om te zaaien,
maar niet met de gebalde vuist,
als je naar de anderen wilt gaan
en hun anders-zijn aanvaarden,
als je je geloofshoop wilt belijden
dat mensen, dingen verbeterbaar zijn…
Dan zal ik je de sleutel en het zegel geven.
 
                         VII
 
Maar vooraleer wij verder gingen,
nog luisterend naar de avondadem
van dit land, vol van genade,
verscheen aan ons de zekerheid
van onze lotsverbonden kwetsbaarheid.
 
                        VII
 
En als de zee haar glinsteringen spreidt,
de schaarse wolken net gereid
ter uitvaart van het licht
en het doven van de avondzon,
raakt zij, mijn zee, aan God
in haar glansrijke hemelhorizon.
 
                        VIII
 
Je bomen zijn ontbladerd,
maar sterven doen ze niet,
want sterven houdt ze tegen,
want sterven houdt ze recht.
Geen bomen staan terecht.
 
                         IX
 
Het doel van reizen is te bladeren
in de reisgids van je eigen grenzen
 
                           X
 
Alleen kan ik niet leven zonder jou;
wil ik niet sterven zonder jou;
wil ik voor jou slechts dichten,
in klanken van onsterfelijkheid.
Omdat ik nooit zal kunnen zeggen
hoezeer ik van je hou,
hoezeer ik zonder jou
huiver van de kou en rouw.
 
                      XI
 
Mijn stad, die stad van mij
is niet altijd de stad van wij,
van ons, van iedereen waar iedereen
steeds iemand wezen kan,
waar mensen medemensen zijn
en vreemden medeburgers  zijn
 
                       XII
 
Een hemelbrede hemel veegt
de wolken heen en weer.
Een zee van regen zwelt,
verduistert en stort neer.
De hele wereld weent.
 
 
                       XIII
 
Meer licht wordt nu verwacht tegen het tergen
van de ochtend die niet komt.
Meer licht, een stem waarvan de kreet verstomt.
 
                        XIV
 
Tot de avond,vol van schaduw,
vol van schaarse eindervuren
paars getooid geduldig wacht
op de pauwblauwe nacht.
Geen wad, geen oued, geen waterbron,
slechts God, koel lavend
en heilspellend dicht
achter de horizon.
 
                       XV
 
Mijn hond zal waken op mijn graf
en kreunen, janken, blaffen,
huilen in de wind,
en razen, razen, razen
tegen het sterven van het licht.
 
                       XVI
 
En toch, wat is geweest
is onomkeerbaar in het zijn
geëtst en nooit meer zal het zijn
alsof wat is geweest
nooit was geweest.
De eeuwigheid bestaat, mijn vriend!
 
                       XVII
 
Ik hoor nog slechts de waakhond
kreunen in het kreupelhout. Zijn ogen
bloeden in de nacht. Ik weet hem hijgen
in het duister, blaffend en niets zeggend
maar fel sprekend tot de maan
en tot Gods eeuwige zwijgen.
 
                     XVIII
 
Vergeef me dat ik leef
dat ik naar sterren heb verlangd
in elke rimpeling van het bestaan
in vergezichten, in nabije ogen
U heb gezocht en aangezocht
bij wijlen in vertwijfeling
gebeden heb dat Gij niet zoudt bestaan
 
                      XIX
 
Ik ben vertwijfeld en verzengd,
want van uw koude vuur verteerd,
als een die diep in het Veelal
van schijn en zijn,
vertederd en verwonderd,
maar onbeantwoord wacht,
ondraaglijk afgezonderd
in de onverklaarde nacht.
 
                     XX
 
Wij worden om te zijn.
Wij sterven als we geworden zijn,
for better and for worse,
het goede en het kwade geëtst
op het dunne vlies van wat is geweest,
dat al-tijd blijft.
 
                        XXI
 
Maar weten dat je van me houdt,
heeft de lichtheid andermaal genezen  
van mijn bestaan en mijn verstaan
en heeft mij weer met mij verzoend.
Ik hoef niet meer te razen, razen
tegen het sterven van de zon
en het doven van de horizon
 
                       XXII
 
Maar als hij  zijn  verweerde hand
betastte, dat  bevreemdend schiereiland,
waarvan de vingers in een zee
van  werkelijkheid verzwonden en verdwenen,
zag hij gelijk hoe bruine kerkhofvlekken
op zijn huid verschenen
en de onomkeerbaarheid
bewezen van  de leeftijd en de tijd.
 
 
 
Mark  Eyskens
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

top