Met opzet is dit boek veel-zijdig en dus veelhoekig opgebouwd, met
een veelheid van scherpe punten en hoektanden, maar ook volgens een zoekende
meetkunde, die, romantisch, contouren omfloerst. Het boek is geen blauwdruk of afdruk van
de huidige maatschappij, maar veeleer een tegendruk, een reactie. Het is
tegenwerkend in die zin dat het zich afzet tegen het sceptische en
relativerende post-modernisme en diens verloochening van levensidealen en grote verhalen.
De reis naar Dabar gaat over woorden en uiteindelijk over het Woord. Dabar
betekent Woord in het Hebreeuws, een woord dat voorkomt in het oude testament.
De woorden in het boek groeien aan een hybride verbaal gewas, vol scheuten die nu eens
ruiken naar een roman, laat staan een liefdesroman, een thriller-verhaal, dan weer naar
een essay, een gedichtenbundel, een epistolaire uitstorting, een gebedenboek, of een
minitractaat van quantumfysica, meta-fysica, economie, godsdienstgeschiedenis,
judeo-christianisme, een toeristische gids van Israël, een filosofische fantasie, een
satire van de politiek, een persiflage van de pers, een karikatuur van de universiteit...
Doorheen het lianenwoud van onderwerpen, genres en stijlen is dit boek een poging -
ongetwijfeld hopeloos - om iets zinnigs te verwoorden over de menselijke existentie, die
onvermijdelijk wentelt rond immer dezelfde vragen over dezelfde fenomenen: leven, liefde,
lijden en dood. Het boek wil echter tot de kern doordringen, door de levensvragen te
deconstrueren en te reduceren tot één Woord, één logos, tot dabar, de
zinskern die zijnskern is of wordt. Het zoeken naar een zin geeft immers zin aan het
zoeken en daardoor aan het menselijke bestaan en aan zijn beschrijving.
David Titus Doctorandus, later docent en professor gods- dienstfilosofie aan de
KULeuven.
Clara Wieck Doctoranda, later doctor in de economische wetenschappen, adviseur in het
kabinet van de Eerste Minister
J.K. Mortal Fysicus, professor-emeritus, Nobelprijs- winnaar
Mevrouw J. Titus moeder van David
M. Kenseys Professor economie aan de KULeuven, promotor van Clara
A. Weiszman Professor aan de Hebreeuwse universiteit
J. Zias:......;;
A. Cohen :........
.M. de Koning van een land waarvan de naam begint met B
De voorzitters van de politieke partijen en de parlementsleden van een land "
" " " " " "
God, Jahweh, Elohim, Adonaï, punt Omega, de Geest, Jezus Christus, het bewustzijn, de
golf-functie ...
De Reis naar Dabar, een uitplooibaar geschrift, een
multi-dimensionele goocheldoos, kan op verschillende manieren worden gelezen.
Dit veronderstelt dat de lezer tot hoofdstuk V geraakt. De plot ontrolt
zich rond een geheimzinnig rol-manuscript, van talmudische signatuur, dat zich sedert
generaties bevindt in de joodse familie Wieck. David, wild verliefd op Clara, is ook
gefascineerd door het raadselachtige perkament met de neer bliksemende inhoud
over het Woord. De ontcijfering van het geschrift voert hem vaak naar Israël. Buiten zijn
weten geraakt hij aldus betrokken in het Israëlisch-Palestijns conflict. Clara Wieck, van
haar kant, die erg positivistisch is ingesteld, maakt een opmerkelijk doctoraal
proefschrift over de hervorming van de sociale zekerheid. Zij wordt aangeworven in het
kabinet van de Eerste minister. De talrijke reizen van David Titus naar Israël, die
bovendien de zoon is van de administrateur-generaal van de Staatsveiligheid, doen in en
via een bepaalde pers het gerucht oprijzen dat David een geheim agent is in dienst van de
Belgische en Israëlische geheime dienst (de Mossad). Aldus ontstaat de zaak
Titus, die politiek wordt misbruikt, ook om de Premier te treffen. De ontwikkeling
van de zaak Titus volgt een onverbiddelijke logica en zal op tragische wijze
het bestaan van David en Clara raken en overhoop gooien.
David wordt dol verliefd op Clara, die hij opmerkt in de grote leeszaal van de
bibliotheek. Hij tracht ze te veroveren dank zij een list. Hij schrijft een fictief
dagboek, dat hij haar laat bezorgen. Een eerste ontmoeting heeft plaats en het klikt
tussen beiden. Een vreemde, wat buitentijdse alchemische reactie ontstaat tussen beide
jonge mensen. Zij vormen een buitennissig intellectueel koppel, die zich tussen de
liefkozingen storten in discussies over filosofisch-religieuze en
maatschappelijk-economische discussies. Ze vinden steun bij professor J.K. Mortal, die ze
aanbidden maar niet bergrijpen - hij geeft hen een ongehoorde les - en bij de
blinde bibliothecaris van de grote Bib, een niets ziende ziener. Om haar doctoraat tot een
goed einde te brengen moet Clara haar onderzoek voortzetten aan de universiteit te
Bologna. Haar scheiding van David valt zwaar. Beide geliefden organiseren een
ultra-romantisch rendez-vous op de top van de Sankt Gothard-pas in Zwitserland, op de
waterscheiding tussen Noord en Zuid in Europa. Daar vragen zij elkaar ten huwelijk. Na
haar terugkeer doctoreert Clara en wordt aangeworven op het kabinet van de eerste
Minister. David wordt docent aan de universiteit. Zij huwen in Jeruzalem volgens de
katholieke en de joodse ritus. Hun huwelijksreis wordt onderbroken door een fax van de
kabinetschef van de Premier die Clara opeist voor een dringende taak: het uitwerken van
een hervorming van de sociale zekerheid. David en Clara verzeilen en verzinken in de
tredmolen van hun respectieve activiteiten. De zaak Titus breekt uit, een
beproeving die hen nog dichter bij elkaar brengt. Na een periode van stilte keert David
terug naar Israël met het familie-manuscript. Het onderzoek van de oude tekst met behulp
van de electronenmicroscoop geeft verbluffende resultaten en openbaart een onwezenlijk
mysterie. David begint aan zijn reis naar Dabar, naar het woord en zijn
interpretatie. Clara aanvaardt dat David zijn roeping volgt.
Clara geraakt verstrikt in de politieke rimboe, waarbij de grenzen tussen werkelijkheid
en fictie vervagen. Zij beleeft politieke en andere schandalen, waarvan sommigen ( een
reusachtige melkfraude) worden verspreid door de premier om de aandacht af te wenden van
de ernstige dossiers, zoals de hervorming van de RSZ. Clara volgt de debatten in het
parlement en de werking van de onderzoekscommissies. Het optreden van de koning wordt
aangeraakt. Ook de rol van de media, die manipuleren en gemanipuleerd worden. David en
Clara worden uiteindelijk het slachtoffer én van de partijpolitiek en van de
telecratie...
aan het judeo-christianisme, aan de bijbelproblematiek, de oorsprong van het
monotheïsme, de rol van Jezus Christus, de romeinse invloed in Judea, het verzet van de
Joden tegen de romeinse bezetter (Massada), de joodse diaspora...tot en met het huidige
Israëlisch-Palestijnse conflict. Beschrijving van een aantal joods-christelijk heilige
plaatsen...
betreffende de grote levensvragen, de fusie van waarheid, goedheid en
schoonheid, de verhouding geloof-wetenschap, de onttovering van het wereldbeeld, de
bijdrage van de quantum-mechanica, het post-modernisme en de betekenis van de ethiek in
een relativistische wereld, sociale rechtvaardigheid en de strijd tegen de armoede, de rol
van de technologie en meer bepaald de computer, de spanning tussen transcendentie en
immanentie. Dit laatste wordt symbolisch geïllustreerd door de paradoxale ontcijfering
van het manuscript van de familie Wieck. Het geestelijk testament van David en de
ontrafeling van de intrige bieden geen antwoord maar pogen tenminste de juiste vragen te
stellen.
met talmudische teksten, waarvan sommigen fictief, fragmenten uit evangelies, het
Egyptische dodenboek, de brieven en gedichten van David, o.m. geschreven vanuit de Sinaï,
de homilieën van pater Bex...
de dispariteit van het boek - een mengvorm van barokke fantasie, romantiek,
professoraal doceren, episch schilderen, cynisch persifleren, wetenschappelijk
vulgariseren, dichterlijk en mystiek zweven - verhult en onthult een stelling.
De thesis van het boek wordt belichaamd door de hoofdpersonages Clara en David, twee
jonge intellectuelen, obstinate zinzoekers, die zeer geminoriseerd zijn in de hedendaagse
samenleving (van godsverduistering en onverschilligheid) en met hun opvattingen tot op
zekere hoogte een catacomben-bestaan dienen te leiden. Het jonge koppel is aldus een
uitzonderingsgeval, helemaal niet-exemplarisch voor de huidige generatie,
buitenissig en in die mate ook enigszins onwezenlijk. Clara en David vormen - in de
opvatting van de auteur - een normatief stel, onrealistisch en in contramine
met het conformisme van het non-conformisme en het post-modernisme. Hun bestaanservaring
overstijgt de zaak Titus en hun professionele perikelen, die slechts
anekdotisch zijn in vergelijking met hun zoektocht naar wat echt belangrijk is. Clara en
David - ofschoon ze vaak tegengestelde opvattingen koesteren - aanvaarden niet dat een
einde is gekomen aan de geschiedenis, aan de grote verhalen, aan de idealen (soms
belangrijker dan het leven), aan de ethiek, aan de cultuur, aan de politiek, aan de
religie, aan het Godsbestaan (vooral bij David), aan de bijdrage van de wetenschap (vooral
bij Clara). Aldus bieden zij weerstand aan heel wat verduistering. Hun geobsedeerde zoeken
naar een zin zal hun bestemming bepalen en hun lot bezegelen in een samenleving die lijdt
aan een gebrek aan ernst verergerd door een gebrek aan humor.
*
* * * * * *
*
----------------------------------UITTREKSEL-----------------------------------------------------
De reis naar Dabar.
Een
metafysische thriller,
XIV
EEN CURSUS IN POLITIEKE SCIENCEFICTION
Het kabinet van de Eerste minister ademde de hectische sfeer uit van een legerkamp op
de vooravond van het grote lente-offensief. Clara daagde vroeg op. Voor de ingangspoort
troepte reeds een aantal persmensen samen, kouwelijke mussen op zoek naar nieuwskorrels.
De bode achter de glazen deur liet Clara niet meteen binnen. Ze moest eerst uitleggen dat
ze de nieuwe medewerkster was. Toen werd ze naar een schamel kantoortje gebracht, ergens
diep in een duistere gang. Maar ze mocht er snel weer uit, want ze werd door de
kabinetschef ontboden. Die ontving haar grinnikend: `Welkom, mevrouwtje. U merkt dat het
hier algemene mobilisatie is. Ik hoop dat we U niet hebben gestoord in uw bezigheden, daar
in Israël. Het waren korte en wellicht grijze broodsweken, maar u krijgt nog weleens een
keer de gelegenheid het allemaal over te doen.' Clara, schijnbaar onverstoord, liet de
vloed van onbeschaafde sarcasmen over zich heen spoelen. Ze reageerde met haar meest
ontwapenende glimlach, haar gevaarlijkste wapen en de beste manier om haar tanden te
tonen.
`Kijk,' vervolgde de chef, `we dat zijn de premier en ikzelf zijn zeer
geboeid door uw voorstel om een armoedebestrijdings- belasting in te voeren aan de hand
van de variaties van een armoede-index. De premier wenst een uitgewerkt voorstel tegen
gisterenavond.' Andermaal grijnslachte hij grollend. `Dit betekent dat je het best
onmiddellijk aan de slag gaat. Neem contact met het kabinet van Financiën en met het
planbureau. De macro-economische gevolgen van een dergelijk stelsel moeten becijferd
worden. Maak tegen morgenavond een bevattelijke nota van ten hoogste vijf pagina's. De
kabinetsmedewerkers staan tot uw beschikking. Het Sociale Zekerheidsdossier wordt door
vier werkgroepen voorbereid. Jij hebt de leiding van de belangrijkste. Bespreek met je
collega's hoe je het best overlapping vermijdt.' Toen zette hij zijn bril af en zei op
vertrouwelijke toon: `Good luck, Clara. We verwachten veel van je. Ik ga je verstand
plunderen,' waarna hij haar een kleverige hand toestak die op een washandje leek.
Bij het verlaten van het kantoor van de kabinetschef zag Clara, die inmiddels wel wat
koudwatervrees gekregen had, hoe de premier in zeven haasten de statietrap afdaalde. Het
was immers het uur van de week dat de Eerste minister zich in zijn dienstwagen naar het
koninklijk paleis begaf voor zijn wekelijks onderhoud met het staatshoofd. In zijn auto
doorbladerde hij de kranten die hij herkende aan de inktgeur, of -reuk die ieder,
blijkbaar naar eigen vermogen en geaardheid, afscheidde. De premier had een onbedwingbare
neiging om elke ochtend met gretigheid naar de pers te grijpen, ofschoon de lectuur ervan
hem meestal inwendige netelkoorts bezorgde. Zoals de meeste politici onderhield hij een
haat-liefde-verhouding met de pers: haat als gevolg van een natuurlijke opwelling en
liefde uit enig opportunisme. De verhouding was echter duidelijk asymmetrisch en helde
over naar de haat-zijde. Hij stoorde zich aan de ongenuanceerdheid en de vooringenomenheid
van de berichtgeving en nog meer aan de meestal negatieve toon van de commentaren en
interpretatie. De perslui waren niet zelden persmuskieten, bakkers van lucht,
parasiterende letterknechten, die de politici onbekwaamheid en stunteligheid verweten,
maar zelf zelden een dossier grondig begrepen, laat staan in staat waren hierover een
tegensprekelijk debat aan te gaan of een woelige vergadering voor te zitten. De
uitzonderingen bevestigden uiteraard de regel.Luisterend naar het ochtendlijke
persoverzicht deed de premier een indruk op die wellicht oprees bij een kunstschilder,
wiens werken door kunstcritici worden gerecenseerd. Meestal ging het om personen die zelf
nooit een penseel in de hand wisten te houden en toch de staf braken over wat de schilder
tot stand had gebracht. Men kan natuurlijk als politicus steeds pogen een of andere
editorialist te beïnvloeden door zijn ijdelheid te strelen, door hem eens mee te nemen
tijdens een buitenlandse missie. Dan schreef hij braaf positieve commentaren voor een paar
weken, maar zeker was je nooit, en als hij trek kreeg in een nieuwe reis begon hij opnieuw
critische geluiden in zijn krant te slijten. Een andere tactiek, om in een gunstig
persdaglicht geplaatst te worden, bestond erin een uitgekozen krant met geprefabriceerde
lezersbrieven te overstelpen waarbij het beleid van je politiek tegenstrever werd
afgekraakt en op subtiele wijze de eigen voorstellen of maatregelen werden goedgepraat. Er
waren medewerkers genoeg op kabinetten van ministers die zelf, als hun familienamen niet
te opvallend waren, maar vooral wier vrouwen, kinderen, ooms en tantes konden worden
ingeschakeld als krantenlezersbrief- schrijvers. De brieven werden uiteraard op de
kabinetten zelf opgesteld, zodat men zeker was van de inhoud. Onschuldig maar efficiënt.
Maar een reden te meer om geen geloof te hechten aan wat in de pers verscheen, vooral als
men zelf de inhoud leverde.
Om die en nog veel andere redenen verkoos de regeringsleider naar de BBC te luisteren.
De World Service sprak zelden over hem en zijn land, omdat alles er zo bloedloos
verliep; des te meer werd uitgeweid over het belangrijkste nieuws in ongeveer alle andere
landen van de wereld.
Het was bekend dat de premier van puntige uitdrukkingen en vlijmscherpe uitlatingen
hield. `Le gouvernement par le verbe,' zei De Gaulle. Maar in het openbaar was de
Eerste minister zoetgevooisd ten aanzien van de media, die een politicus konden maken en
kraken. Vooral de beeldmedia waren van belang. De democratie diende immers te worden
ondersteund door de telecratie. If you can't beat them, join them. De
politieke invloed van de kranten op het publiek nam sterk af in een tijdvak dat bij veel
mensen de beeldbuis tot dwangbuis had verheven. De homo sapiens aan het einde van de eeuw
was bevorderd tot homo zapiens, een nieuwe mutatie in de evolutie van het mensdom.
De numerieke televisie zou weldra haar intrede doen en practisch zonder enige beperking
alle televisiekanalen ter wereld toegankelijk maken. Overinformatie leidde nu reeds tot
desinformatie, waarbij de kijker voortdurend het essentiële verwarde met het bijkomstige.
Dat een verbrandingsoven verdacht walmde in een poldergemeente, dat de paddentrek in een
bietendorp werd gehinderd door de aanleg van een rioolpijp was groot nieuws, maar dat de
openbare schuld andermaal sprongsgewijs was gestegen werd nauwelijks vermeld. Bovendien
specialiseerde medialand zich in slecht nieuws. Kranten en televisie waren de
begrafenisondernemers van het goede nieuws, dat onbarmhartig weg werd gecensureerd. Bij
kijkers en lezers leidde dit tot een verlammende vijf-over-twaalf-beeldvorming. Naarmate
het kijkgeld en de krantenprijs stegen, nam ook de dagelijkse dosis catastrofisme toe. Er
ontstond een ware gewenning aan onheil, rampspoed en nakende Götterdämmerung,
waarvan alle dagen reeds bij het ontbijt een grote portie diende verorberd. De burgers
begonnen te geloven dat ze in de slechtste van alle mogelijke werelden leefden en
hamsterden hun centen, onder de vorm van een reuzenspaarquote. De meesten voelden zich
blijkbaar lekker in hun door angst gekabbelde kippenvel, ondanks het feit dat het
gemiddelde reële inkomen van de bevolking per hoofd sinds het einde van de Tweede
Wereldoorlog was vervijfvoudigd. Wetenschappers, zo dacht de Eerste minister, zouden het
verband eens moeten onderzoeken tussen het pessimisme dat de kranten dagelijks spuien en
het aantal zelfmoorden. Bleek er een verband, dan was de pers een ware plaag en was er
geen verband, dan volgde hieruit dat de kranten door het publiek helemaal niet ernstig
werden genomen, laat staan geloofd. En dat zou dan nog veel erger voor ze zijn dan een
paar zelfmoorden per jaar van mensen die zich anders toch dood gedronken zouden hebben.
Bovendien bleken de zelfmoorden onder krantenredacteuren bijzonder gering in aantal, wat
erop wees dat ze hun eigen nieuws helemaal niet ernstig namen en dat het pessimisme dat ze
verspreidden niet in staat was hun roestvrij optimisme over het zinken van het schip van
Staat, als weleer de Titanic, aan te tasten. En dan maar de politici verwijten dat ze geen
geloof hechtten aan hun eigen kiesbeloften. Ook bij die kranten die opgezadeld zaten met
stapels onverkochte nummers was zelfdoding afwezig, ook al werd die gedeeltelijk na
aanvraag door het ziekenfonds terugbetaald. Daarbij kwam dat dodelijke slachtoffers van
zwartgalligheid in de perswereld uitbleven, aangezien de wanhopige journalisten, die door
de ramen naar buitensprongen op de binnenplaats, terechtkwamen op de schokbrekende
torenhoge hopen onverkochte exemplaren van hun eigen dagblad.
Ook de televisie oefende een impliciete censuur uit door enkel het zichtbare te tonen,
daar waar het onzichtbare veel belangrijker is. De Eerste minister beklaagde zich erover
dat zijn kinderen als konijnen, al dan niet met gespitste oren, uren per dag voor de
`lichtbak' zaten. Zijn dochters gedroegen zich als ware kijkbuisslavinnen, gefascineerd
door de visuele pulp, terwijl zijn zonen systematisch alle goedkope, demagogische erotiek
begluurden. Het analfabetisme greep om zich heen. Enkel ondertitels werden nog gelezen en
uiteindelijk uitgesproken. Steeds meer gesprekken bestonden uit one-liners, uit
kreten en gefluister.
Toen de auto van de premier het vergulde hek van het koninklijk paleis binnenreed,
bleek de bewindsman net te struikelen over de zoveelste journalistieke dwaasheid, die
bovendien voor een van zijn collega's smadelijk was. Schreven ze niet over het
regeringslid, naar aanleiding van een militair contract qu'il paierait pour se vendre.
Dit kon de aanzet worden tot een mediatieke lynchpartij. Rechtzettingen dienden tot niets,
omdat ze meestal als vijgen na Pasen werden gepubliceerd en vergezeld werden van een in
vitriool gedrenkt cursief commentaar. Inmiddels was het kwaad gesticht en de faam van een
bewindsman beschadigd. Zolang de pers politici hekelde, gispte of door het slijk sleepte,
werd een dienst bewezen aan de democratie in naam van de strijd tegen misbruiken en
misstanden. Zodra politici kritiek uitten op de pers, was dit een onduldbare aanslag op de
vrije meningsuiting en de werking van `onze democratische instellingen'. Persmensen
bekenden nooit fout. Integendeel, ze gingen prat op hun vergissingen terwijl van politici
werd verwacht dat ze bij voortduring mea culpa zouden slaan, zo dacht de premier, zonder
dit ooit hardop te zeggen. In de politiek werden leugens waar als ze geloofd werden en hun
kans om geloofd te worden nam toe naarmate ze grover bleken. Een hefboomeffect, niet
zelden door de media in werking gesteld.
Met opzet sprak de Eerste minister steeds over de `krant' en nooit over het `dagblad',
omdat hij als amateurfiloloog wist dat het woord krant van `courant' af is geleid en
verwijst naar `lopende nieuwsjes' en dus naar de dingen die dagelijks voorbijgaan, die als
zeepbellen onmiddellijk open- en wegspatten. Toch besefte hij, de realpolitiker, dat de
dagelijks uit de dagbladen neerdruppelende kritiek een `pompsteen'-effect verwekte, een
traag maar zeker invretende erosie, waardoor het imago van de door hem belichaamde
politiek werd aangetast en aangevreten. Deze constatering maakte hem neerslachtig, een
gevoel dat hij poogde te bezweren door cynisme en nauwelijks onderdrukte verachting, die
hij zich bij uitverkoren politieke vrienden liet ontvallen: `Ik ben spaarzaam met mijn
misprijzen, omdat er zoveel gegadigden zijn.' Deze sneer kwam toch een editorialist ter
ore, die de volgende dag schreef dat de Eerste minister aan mondschimmel leed en kotste
van zijn eigen gal.
*
De vleugeladjudant des konings begeleidde de Eerste minister naar het kantoor van de
vorst, een ruim doch sober ingericht vertrek, met hoge ramen die uitgaven op de
paleistuin. De koning, zoals steeds, trad zijn bezoeker tegemoet en begroette hem joviaal.
Dan begon het colloque singulier, het hoogst vertrouwelijke gesprek met het
staatshoofd waarover ministers verondersteld waren nooit de mond te openen, tot in hun
graf. Sommige beleidslui hadden, na de audiëntie, hun mond zodanig vol tanden dat ze
boekdelen bleken te spreken, een hebbelijkheid die overigens beantwoordde aan hun gewone
manier van doen, zodat dit meestal ook niet opviel.
De premier schetste de gespannen politieke toestand en legde uit welke scenario's
mogelijk waren om eruit te geraken. De koning stond erop dat tot elke prijs een politieke
crisis vermeden zou worden in een land dat nog slechts `met haken en ogen bij elkaar
hield'. Een medewerker met een gouden pen had de vorst de dag voordien een staatkundig
vers bezorgd dat grote indruk had gemaakt en dat de koning met benadrukking van elk woord
aan de premier voorlas.
Er ligt een Staat op sterven,
heel zachtjes, zonder pijn.
Twee volkeren zullen erven,
Ik zal niet op de begrafenis zijn.
Het staatshoofd ergerde zich erover, vanuit zijn levensbeschouwing dat hoog oplopende
politieke twisten, en met name communautaire conflicten, ontstonden tussen christelijke
partijen die zich alle beriepen op de evangelische boodschap van naastenliefde en
erbarmen. De premier deelde de zorg van de vorst, maar wees tevens erop dat de christenen
nooit geaarzeld hadden, tijdens eeuwen van godsdienstoorlogen, elkanders bloed te drinken.
Koning en premier waardeerden elkander in zeer hoge mate. De Eerste minister keek op
naar de mensenkennis en de plichtsbetrachting van de vorst en deze bewonderde de politieke
moed en de handigheid van de regeringsleider. Beiden behartigden het algemeen welzijn, op
hun manier en tot op de grens van hun bevoegdheden. Ze hielden van hun land en van zijn
inwoners, ook al waren ze zich bewust van het abstract karakter van dit soort
beschouwingen. Ze leden eronder dat in de politiek de zogenaamde ethiek van de resultaten
meer gewicht heeft dan de ethiek van de goede intenties. En bovenal beseften beiden dat
hun inzet voor de goede zaak door de buitenwacht wellicht slecht begrepen zou worden. Want
de bevolking nog een abstractie wenste vaak tegenstrijdige dingen, zoals
minder belastingen en meer uitgaven. De politieke ongeletterdheid van de mensen was
ontzettend. Een behoorlijk percentage wist niet eens wie de vader van de koning was en wie
vandaag Eerste minister van het land was. Maar wel wisten ze alles van voetbal, de
samenstelling van de ploegen met naam en toenaam, de popgroepen en de wijze waarop ze
belastingvrij hun spaarcenten konden beleggen.
Vervolgens ging de koning op de moraliserende toer. `Het is onmogelijk een beschaving
in stand te houden als twaalfjarige meisjes babies krijgen, als vijftienjarigen elkaar
uitmoorden, als zeventienjarigen aan aids sterven en achttienjarigen diploma's verwerven
waarvan ze de tekst niet kunnen lezen. Een jongen vermoordde beide ouders en pleitte voor
de rechtbank verzachtende omstandigheden omdat hij nu wees was. Quand même! Dat
zijn de echte problemen van vandaag en ze komen ook steeds meer in ons land voor.
Begrijpen de politieke partijen niet dat er prioriteiten zijn?' riep de vorst vertwijfeld
uit. Dan voegde hij eraan toe: `Misschien moet U uw regering hervormen, mijnheer de Eerste
minister, en een paar ministers de laan uitsturen. U weet wat Gladstone zei: `The first
essential for a prime minister is to be a good butcher.' De premier antwoordde dat een
nacht van de lange messen hem wat voorbarig leek, wat niet betekende dat deze
eventualiteit uitgesloten moest worden. `In principe ben ik gekant tegen politiek
bloedvergieten, Sire. Maar ermee dreigen heeft altijd effect. Bovendien kan een Eerste
minister zich veroorloven wat afstand te nemen van de partijen, inclusief de zijne. Mijn
vrienden zijn mijn meesters niet en mijn tegenstrevers zijn mijn vijanden niet, Sire. Aan
Uwe Majesteit kan ik overigens wel toevertrouwen dat ik geen wonderen kan verrichten, wat
de pers daar ook over moge schrijven,' vervolgde hij ironisch. `In de wachtkamer van mijn
kabinet hebben vlijtige medewerkers een bericht opgehangen waarop het volgende te lezen
staat: "Klop, en u zal worden opengedaan. We doen het onmogelijke. Niets is hopeloos.
Wonderen enkel op aanvraag."
`U zal andermaal een konijn uit uw hoge hoed moeten toveren,' betoogde de koning.
Waarop de Eerste minister antwoordde: `Een minister is een gewoon man, die zich in
ongewone omstandigheden bevindt en van wie velen buitengewone dingen verwachten. Althans
aanvankelijk, en voor mij is deze staat van genade al jaren voorbij, Sire.'
Het gesprek was teneinde. De koning nam de premier kameraadschappelijk bij de arm en
leidde hem naar buiten. De vorst herinnerde eraan dat tijdens de regering van zijn vader
maar dat was lang geleden de ministers die op het paleis in audiëntie
werden ontvangen, verplicht waren een zwarte pandjesjas aan te trekken en tijdens de
gedachtenwisseling met het staatshoofd stokstijf recht moesten blijven staan. Bij het
buitengaan moesten ze, steeds volgens een ijzeren protocol, achteruitstappend de zaal
verlaten en diep buigen, op gevaar af over het tapijt te struikelen en majesteitschendend
hun voetzolen en broekkruis aan de koning te tonen. Dergelijke slapstick-scènes
kon de huidige koning zich levendig inbeelden. Dan barstte hij in een schokkende lach uit,
gevolgd door een bulderende Eerste minister, wiens stembanden op allerlei voetbalvelden
waren geoefend. De lakeien in livrei aan de uitgang waren evenwel verondersteld geen krimp
te geven.
*
De spanning op het kabinet van de Eerste minister was inmiddels toegenomen. Clara had
haar eerste contacten gelegd en zich driftig op haar opdracht gestort. Ze had naar David
gebeld om hem mede te delen dat ze die avond heel laat huiswaarts zou keren. Dit soort
telefoongesprekken om haar laattijdige terugkeer te melden aan haar man, zou ze nadien nog
heel vaak voeren.
De partijbureaus van de meerderheid kwamen inmiddels bijeen en bevestigden hun
standpunten en eisen. Het narrenschip van de partijpolitiek was uitgevaren. Een
partijvoorzitter verklaarde na afloop van de vergadering dat de houding van de andere
partijen totaal onaanvaardbaar was en dat hij desnoods naar de institutionele atoombom zou
grijpen. Niemand begreep precies wat hij bedoeld had, maar iedereen vond het zeer erg. 's
Middags werd op de radio aangekondigd dat in de Wetstraat een crisissfeer heerste. De
beursnoteringen stegen en de frank werd sterker, omdat de financiële wereld erop rekende
dat bij de val van een regering, nadien belast met de lopende zaken, beleidsstommiteiten
niet langer tot de mogelijkheden behoorden. Een ping-pongspel van tegenstrijdige
verklaringen werd opgevoerd. Allerlei politici begonnen te vendelzwaaien met
partijresoluties waar ze voordien nooit enig belang aan hadden gehecht en schoten met
scherp op al wat bewoog in de Wetstraat.
De premier maakte zich voor de pers onzichtbaar. Hij drong zijn kabinet langs de
achterzijde binnen en sloot zich in zijn kantoor op. De Eerste minister kende de Griekse
treurspelen en de noodlotstragiek. Hij had zich nooit bezondigd aan `hubris', de roes van
het succes en de macht die tot machtswellust, arrogantie en fatale hoogmoed leidt. Dan
komt vroeg of laat de `nemesis', de wraak van het lot, de afstraffing onder de vorm van
een vernederende nederlaag en de verbrijzeling van alle ambities.
Vanuit zijn werkkamer voerde hij onafgebroken telefoongesprekken. Omdat hij niet meer
kon rekenen op eenstemmigheid om te regeren, moest hij regeren door de verdeeldheid nog te
vergroten. Teneinde de sfeer op zijn kabinet wat te ontspannen, liet hij op de deur van
zijn werkvertrek een bericht aanbrengen met volgende mededeling: Enkel storen in
geval van wereldoorlog.
De voorzitter van de grootste partij werd tijdens het televisiejournaal geïnterviewd
over zijn reactie op de verklaring van de voorzitter van de tweede grootste partij. De man
had een academische opleiding genoten aan de beste hogescholen en had bijgevolg leren
lezen en schrijven, zonder evenwel te overdrijven. Hij had wel aan zijn vorming een heel
bijzonder en verhullend woordgebruik overgehouden, waarbij hij, zoals een Britse lord,
sprak met a stiff upper lip: `Ik heb samen met mijn collega deze coalitie boven de
doopvont gehouden. Wij hebben samen onze ministers benoemd en de koning onze lijst doen
goedkeuren. Maandenlang heeft mijn collega zich politiek tegen mijn broekspijpen gefleemd
en vandaag bijt hij mij in de enkels. Dit neem ik niet.'
Hierop antwoordde zijn collega: `Mijn collega werd in discussies nooit gehinderd door
enige dossierkennis en dat bewijst hij vandaag ten overvloede. Zijn voorstel is een poging
om van een verroest schip een vliegtuig te maken. Dat werd van Gorbatsjovs perestroika ook
gezegd. Maar wat mijn collega ons aan wil praten is veel erger: het is geen perestroika,
het is een ware katastroika. Bovendien lijdt hij aan verbale incontinentie,
geheugenverlies en politieke roodvonk, drie aandoeningen waarvan verscheidene schandelijk
zijn, en waarvoor hij zich dringend moet laten verzorgen.'
Diezelfde avond nog kreeg Clara een telefonisch bericht van de secretaresse van de
premier met de mededeling dat de Eerste minister haar wenste te zien. Clara was
verbouwereerd en kreeg inwendige plankenkoorts, maar ze bedwong zich en mat zich
ogenschijnlijk een ijzige kalmte aan. Het kantoor van de Eerste minister van het land
muntte niet uit door overdreven luxe. Wat versleten witlederen zetels en dito sofa boden
de bezoekers elementair zitcomfort. In een boekenkast prijkten kleurrijke banden pasinomie
en pasicrisie, die blijkbaar nooit werden geraadpleegd. Ook oude grondwetten waren in mooi
ingebonden volumes tentoongesteld. Het ritme van grondwetswijzigingen was echter zo intens
dat weldra het boekenrek te klein zou zijn om alle recente versies van de grondwet te
omvatten. Het bureau van de Eerste minister plooide onder de dossiers, terwijl de zitstoel
met hoge rug van de regeringsleider werd bewaakt door een blauwe Europese vlag en een
driekleurig nationaal vaandel, elk aan een koperen standaard gehesen. Echt indrukwekkend
waren de telefoon-, fax-, televisie- en computertoestellen die in dichte drommen en
ordelijke slagorde rechts en achter het bureau waren opgesteld. De premier stond op toen
Clara werd binnengelaten. Clara had hem nooit ontmoet. Hij was kleiner en ook
vriendelijker dan hij op de televisie overkwam.
`U bent de nieuwe medewerkster,' zei hij glimlachend.
`U heet Clara Wieck. Wieck, Wieck? Dat zegt me wat!' `Toch heb ik niets te maken met
Schumann,' waagde Clara het, waarop de Eerste minister licht kijvend zei: `Dat kan ook
niet. Die goede Robert Schuman je weet wel van het Schumanplan, waaruit de Europese
Gemeenschap voor Kolen en Staal is ontstaan was een verstokte vrijgezel.' Clara
reageerde niet, maar dacht bij zichzelf dat de premier zeker geen melomaan was. Toen keek
hij naar een nota die hij in zijn hand hield. `O, ja. U is net gehuwd met een filosoof,
een zekere Titus, de zoon van de man van de Staatsveiligheid?' `Ja,' antwoordde Clara. `Er
wordt veel hoop op uw verbeelding gesteld. Vertel me eens hoe u die fameuze
armoedebestrijdingsbelasting opvat.'
Clara gaf een bondige uitleg, maar de premier stelde onmiddellijk een hele reeks
technische vragen, waarmee hij bewees bijzonder goed op de hoogte te zijn. Clara moest van
meet af aan een uitstekende indruk op de premier gemaakt hebben, want hij vroeg haar zo
snel mogelijk met de andere ministeriële kabinetten te onderhandelen over een werkzame
formule. Over 48 uur wenste hij te beschikken over een uitgewerkt voorstel, waarmee hij
dan naar het kernkabinet kon stappen. Hij zei haar ook dat ze hem zou moeten vergezellen
naar de bevoegde kamercommissies. De regeringsleider maakte op Clara een zeer besliste
indruk. Hij had iets regentesks. Hij was uiteraard een democraat, maar zeker geen demofiel
en besefte dat je als staatsman af en toe moet ingaan tegen de tijdelijke seizoengebonden
volkswil. Hij was er zeker niet de man naar om te zeggen: `Ik ben hun leider, dus ik volg
hen.' Graag zei hij van zichzelf dat hij een idealist was zonder illusies, daarbij
vermijdend een illusionist zonder idealen te worden.
Binnen de kortste keren voelde Clara zich door de politieke maalstroom meegezogen. Ze
dacht aan haar lieve David die op zijn studeerkamer worstelde met oeroude levensvragen,
waar de mensheid al duizenden jaren over piekerde, terwijl zij hals over kop met haar neus
op de actualiteit werd gedrukt, een intellectuele en psychische oefening die een niet
geringe lenigheid veronderstelde. Heel even kreeg ze heimwee naar haar vorig leven van
studie en intens samenzijn met haar levensgezel. Maar zodra de telefoon rinkelde of de
faxberichten binnenliepen, werd ze weer door de zwaartekracht van de politieke galaxie
meegesleept en werd haar aandacht volledig opgeëist door het vermijden van de talrijke
zwarte gaten, met hun fatale zuigkracht, die alom opdoken.
De volgende dagen steeg de politieke verwarring ten top. De Eerste minister had
systematisch geweigerd ook maar één enkele verklaring af te leggen, tot grote gramschap
van de paparazzi en ander perslui en -luizen, die niet de kans kregen zich in de pels van
de premier vast te bijten. De krantencommentaren waren dan ook vernietigend, zelfs in de
zogenaamd bevriende pers. `De regering zinkt weg in onbeweeglijkheid,' was de
allervriendelijkste beoordeling of `De premier is een ingedommelde krokodil zonder
tanden.' Een andere krant kopte: `Het kabinet is een pudding' en het hoofdartikel droeg
als titel: `De politieke klasse sjoemelt schaamteloos voort.' Sommige editorialisten
spraken van een `Italiaanse toestand' of van `een totaal verrotte janboel', eraan
toevoegend dat de politieke leiders zich blijbaar met wellust wentelden in geuren van
ontbinding en decadentie. Vergelijkingen werden gemaakt met de laatste jaren van het
Romeinse Keizerrijk. Een fotomontage stelde de premier voor als de stervende Galliër. De
meest scherpzinnige politieke analist schreef dat de premier weliswaar een oude politieke
paraplu was, waarop het nu al twintig jaar lang had geregend, maar zo voegde hij er
met enige spijt aan toe vandaag blijkt dat zijn regenscherm vol gaten zit. Een
andere inktspuier althans volgens de terminologie van de woordvoerder van de Eerste
minister schreef dat de premier poogde zijn gammel kabinet naar de Rubicon te
leiden, maar niet om hem resoluut over te steken met een krachtig beleid, maar gewoon om
er tijdverdrijvend te hengelen naar baarsjes. En de commentator voegde er filosofisch aan
toe dat zijn grootmoeder hem ooit vermanend had gezegd: `Jongen, let op. Er komt een dag
dat je goudvis een vogel voor de kat zal zijn.' Die dag achtte de journalist thans
aangebroken. Op de radio werd in het duidingsprogramma, na de nieuwsuitzending, klakkeloos
verkondigd, alsof het een bericht gold, dat de Eerste minister het charisma had van een
provocerende ibis gezeten op de gevoelloze buffel van de publieke opinie. Men vergeleek de
premier ook met een lethargische zeekoe en nog andere species, wat protest uitlokte van de
Koninklijke Vereniging voor Dierenbescherming.
Ondanks zijn gewicht slaagde de regeringsleider er toch in
tegelijkertijd voorover en achterover te buigen, maar volgens een journalistieke
pennenridder was dit schromelijk onvoldoende. En hij besloot met een vermeende verwijzing
naar Shakespeare: He is all of a fox and not a bit of a lion, een commentaar dat
door de leider van de enige flamingantische partij, die nog overbleef, werd bijgetreden
met de opmerking dat andermaal was bevestigd hoezeer de Eerste minister iedere Vlaamse
reflex miste. Een leeuw was hij nooit geweest. Dat hij een vos zou zijn, was pure
zelfprojectie. In feite was hij een angstige wezel die nog enkel medelijden opwekte,
ofschoon hij dit niet eens verdiende. Maar de meest perfide kanttekeningen werden door de
meest invloedrijke krant des lands gemaakt. Onder de titel: `De eenzame strijd van een
moedig leider', werd de Eerste minister met haar en huid het graf ingeprezen. `De
regeringsleider heeft de moed van zijn overtuiging wanneer hij stelt dat de hervorming van
de sociale zekerheid nodig is, omdat er "in dit land teveel rijken en te weinig armen
zijn".' Vervolgens werd hij geroemd om zijn meestal apocriefe
uitspraken. Zo zou hij onlangs verklaard hebben: `Wetten zijn als worsten; het is beter
niet te weten hoe ze zijn gemaakt en wat er in werd gestopt!'; een boutade die hem in het
parlement niet in dank werd afgenomen, ook al waren de meeste parlementsleden het met deze
inschatting van hun wetgevende taak volmondig eens. Na een televisiedebat zou een
strijdlustige premier zijn tegensprekers onlangs toe hebben geroepen: `Ik kon
tijdens de uitzending mijn verontwaardiging slechts bedwingen dankzij mijn misprijzen voor
uw domheid.' Te recht steeds volgens het geniepige krantencommentaar liet de
premier zich in besloten kring laatdunkend uit over de werking van de instellingen en over
het gevaar van balkanisering, tsjechoslovakisering en gulliverisatie van het federale
koninkrijk. `We maken ons bespottelijk bij de verstandige mensen in het binnenland
een gelukkig zeer kleine groep en belachelijk in het buitenland een
mensenzee van lolbroeken. In afwachting dat het land in tweeën wordt gekapt, is het reeds
in vieren geplooid door de grappigheid en de pret. Artikel één van de grondwet, dat
luidt dat het land een federale staat is, is noch min noch meer een grondwettelijke leugen
om bestwil,' suggereerde een strijdbare premier die met deze boude duiding smalend naar
het werk van zijn voorganger verwees. Het land is in feite een hybride staat, deels
unitair, een beetje federaal, steeds meer confederaal en volgens sommigen terminaal.
Gelukkig is het land ook zeer banaal, want alle heftige debatten en disputen blijken bij
een terugblik op het verleden te krimpen tot wat vrij onbegrijpelijk, meertalig geouwehoer
in het dorpscafé. Bloed wordt gelukkig nooit gestort; speeksel des te meer. Beklaag toch
maar een volk dat in stukken wordt verdeeld en waarvan ieder deel zich een volk waant. Die
laatste zin komt niet van mij,' zou de premier er aan toegevoegd hebben. `Ik citeer gewoon
Psalm 167 uit de Bijbel. Inmiddels bestaat het geluk van ons land in de slechte ten
uitvoerlegging van slechte wetten, wat een zelfcorrectie inhoudt.' Volgens het
krantenartikel was dit de meest lucide analyse van onze toestand ooit door een bewindsman
gemaakt, maar ze was zeker niet van dien aard om de populariteit van de premier in het
politieke milieu te vergroten. De krant werd echter helemaal pervers als ze het wierookvat
onder de neus van de Eerste minister slingerde `omwille van de rake wijze waarop hij zijn
coalitiepartners had gekenschetst'. Had hij niet betoogd dat de leider van de tweede
grootste partij zich progressief waande omdat hij het woord conservatief met een `k'
schreef, een spellingsvrijheid die hem voortaan was ontnomen. De premier citeerde ook
graag Mao Zedong: `Ik verkies socialistisch onkruid boven kapitalistische tarwe.' Volgens
de premier was het socialisme de voorhoede van de achterlijkheid en het liberalisme de
achterhoede van een achterhoede die zich voorhoede waande. En over zijn collega's strooide
de Eerste minister allerlei ornithologische termen uit, de ene al kleurrijker dan de
andere. Over zijn vice-premier liet hij zich tenslotte ontvallen dat men zich helemaal
niet hoefde te verwonderen dat, als deze excellentie in zijn ministeriële auto naar het
parlement reed, het een totaal lege auto was die voor de ingangsdeur stopte. Maar in zijn
kritiek op de oppositie had de premier het bij het rechte eind, zo vervolgde de krant. De
premier beschouwde de leider van de oppositie als een nodeloos zoemende mestvaaltvlieg,
ook al omdat die ooit in de Kamer had verklaard dat de enige schone bank in ons land de
mestbank was. Andere zoölogische vergelijkingen waren evenzeer ter zake: de leider van de
oppositie was nu eens een angsthaas, dan weer een aasgier, en in het beste geval een
listige slingeraap, maar hij eindigde steeds in vrije val. De man handelde bijzonder
ondoelmatig: hij probeerde een nagel te slaan in een waterstraal, erger, zonder
overtuiging soep te eten met een vork. En de premier - steeds volgens dezelfde krant -
voegde er fijnzinnig aan toe: `Ik maak nooit ruzie met een dwerg. Want hij zal je enkel
onder de gordel schoppen. Die man is bovendien in staat zijn sigaret uit te duwen in mijn
nek.' Van een ander vooraanstaand oppositielid had hij gezegd: `Deze man is met zijn tijd
meegegaan en sedertdien heeft niemand hem nog teruggezien.' En de politieke hoofdredacteur
beëindigde zijn artikel als volgt: `De huidige Eerste minister is onvervangbaar. Hij
spreekt de waarheid maar deelt ze slechts mondjesmaat uit, omdat de waarheid niet
gemakkelijk verteert en met omzichtigheid moet worden toebedeeld. De waarheid bevat immers
een springlading die de samenleving kan opblazen. Wijselijk neemt de premier ook vaak het
gegeven woord terug, om het vervolgens aan anderen uit te kunnen delen. Want velen in onze
samenleving dorsten naar de waarheid en begrijpen onvoldoende dat er voor iedereen
voldoende moet zijn. De moderne technologie maakt het steeds meer mogelijk om de waarheid
te vermenigvuldigen, dankzij haar miniaturisatie. Er wordt ongetwijfeld te weinig gedaan
om de kleinschalige waarheid aan te moedigen. De regering zou haar geloofwaardigheid
verhogen indien ze de waarheid positief zou discrimineren door haar meer te subsidiëren
dan de leugen. Met deze premier hebben we geen minister van Waarheid nodig, maar in een
volgend kabinet moet ernstig overwogen worden een ministerie van de Waarheid in het leven
te roepen. En bij een volgende grondwetsherziening zou, naast het recht op arbeid, op
rust, op promotie en op zon, nu ook het recht op waarheid moeten worden ingevoerd. De
Eerste minister neemt een historische verantwoordelijkheid op zich wanneer hij resoluut
beoogt de samenleving die een wespennest is, om te turnen tot een bijenkorf. Met grote
beginselvastheid weigert de regeringsleider het doodslied van de twintigste eeuw aan te
heffen. Zangkoren mogen hem begeleiden.'
Dit artikel van de hand van de hoofdredacteur van het meest gezaghebbende, want meest
staatsbehoudende dagblad van het koninkrijk, verwekte sensatie bij hen die tussen de
regels lazen en het zette heel veel kwaad bloed. De premier vermoedde dat het zogenaamde
duidingsartikel geïnspireerd was door een vooraanstaand lid van zijn eigen partijbureau.
Dat zoiets gebeurde was helemaal geen zeldzaamheid, maar het wees wel op toenemend verzet
tegen zijn beleid. Niet tegen zijn persoon, want dat was steeds het geval geweest.
Premiers werden in de eigen partij steeds uitgespuwd. Nu echter was de zaak veel erger. De
premier diende zeer op zijn hoede te zijn. Hij herinnerde zich de anecdote die Boris
Jeltsin hem ooit had verteld. Het ging om een gesprek tussen twee agenten van de KGB ten
tijde van Stalin. `Wat denkt U van het communisme?' vroeg de eerste agent, die commandant
was, aan de tweede, die slechts kapitein was, in een bui van vertrouwelijke omgang.
`Hetzelfde als U,' antwoordde de kapitein heel behoedzaam. `Dan zie ik er mij toe
verplicht U stante pede aan te houden wegens hoogverraad,' repliceerde de commandant.
De premier begon te vrezen dat samenzweerderig gekuip en onuitgesproken misnoegen zich
als schandelijke ziektes, waarop men later trots kon zijn, onder de leden van het
partijbestuur verspreidden. Hij kende het vervolg. Politieke vadermoorden waren in de
partij van de premier even frequent als de rituele mensenoffers van de Maya's in Yucatan.
Alleen hadden ze hier niet plaats voor een joelende menigte op de top van een
altaarpiramide, maar tussen twee geluiddempende deuren in de Tweekerkenstraat, een plek
bekend om haar oude religieuze tradities en haar verheffing tot de eer der altaren van
verdienstelijke martelaren. Want er waren ook onverdienstelijken, die zich totaal
nutteloos lieten folteren en afslachten.
De Eerste minister besefte dat hij het initiatief opnieuw in handen diende te nemen.
Zoals president De Gaulle op het hoogtepunt van de mei-revolte in 1968 te Parijs stiekem
het Elysée had verlaten en steun was gaan zoeken bij generaal Massu op diens
hoofdkwartier in Wiesbaden, zo ook verliet de premier sluipend zijn kabinet in de
Wetstraat. Zijn zoon was hem aan de achterzijde komen ophalen in zijn kleine Japanse auto.
De Eerste minister reed in het volle daglicht naar zijn privé-woning, waar hij door zijn
vrouw, die even verrast opkeek, werd verwelkomd. De staatsman vroeg een kop sterke koffie
en gaf opdracht aan zijn vrouw onder geen beding de telefoon op te nemen. Vervolgens ging
hij wandelen in zijn tuin. Om 17.00 uur werd op de radio gemeld dat de Eerste minister
spoorloos verdwenen was. Om 19.00 uur suggereerde een journalist dat een ontvoering niet
kon worden uitgesloten. Via de mobilofoon had de Eerste minister de minister van Landbouw
gecontacteerd, hem op het hart drukkend hierover aan niemand iets te zeggen. Hij vroeg hem
dringend naar hem te komen op zijn privé-adres. Beide mannen behoorden tot dezelfde
partij en vertrouwden elkaar. Een uur later belde de landbouwminister aan. Na wat
plichtplegingen met de echtgenote van de Eerste minister, trokken de twee heren zich terug
in het studeervertrek van de regeringsleider, waar de dossiers en de boeken chaotisch op
de vloer lagen. De premier viel onmiddellijk met de deur in huis: `Frans, er is een
schandaal!' `Hoezo?' reageerde de minister verbaasd. `Ja,' zei de premier zeer kordaat.
`Er is een groot schandaal in de melksector.' `Ik weet van niets,' zei Frans. `Dan weet je
het vanaf nu,' vervolgde de premier, steeds meer affirmatief. `Het gaat om fraude, invoer-
en uitvoerheffingen van de Europese Unie, die worden misbruikt, afgeleid, dubbel en
driedubbel betaald, enz... Het is een geval van misbruik van overheidsgelden, oplichting,
knevelarij, valsheid in geschrifte, corruptie, heling, afpersing, invloedzwendel,
witwassen van zwart geld, en noem maar op. Het betreft een miljardenzaak. Verdachten zijn
er. Maar nog geen echte daders. Politieke invloeden blijken ook meegespeeld te hebben,
zeker van de kant van een drietal partijen. Kortom, de grootste melkfraudezaak sedert
Romulus en Remus melk poogden af te snoepen van de Etruskische wolvin. U herinnert zich
toch!' Frans bleek hiertoe niet in staat, wat de premier had verwacht. En hij dramde door.
`Gelukkig zijn onze partijmensen er niet bij betrokken, waarschijnlijk vanwege hun
zaligmakende naïviteit!'
`Ik ga meteen mijn inspectiediensten verwittigen,' zei de minister van Landbouw. `Neen,
in godsnaam, doe dat niet. Deze affaire is van dien aard dat zij de huidige politieke
impasse kan doorbreken. Het is een galactische deus ex machina die de aandacht van de
media, en dus van de politieke wereld, volledig gaat afleiden van de hervorming van de
sociale zekerheid. Zo winnen we tijd en kan ik over mijn voorstellen in het geheim met
onze partners onderhandelen, dit wil zeggen ze door hun strot rammen zonder ze pijn te
doen. We moeten tegen morgenvroeg het schandaal laten uitlekken in de pers. U, Frans, op
wie ik steeds heb kunnen rekenen, jij, beste vriend, jij kiest de meest versufte en
onnozele van je medewerkers uit. Die heb je ongetwijfeld, zoniet, moet je er dringend een
paar aanwerven. Die laat je door je kabinetschef een nota overhandigen over het
melkschandaal met het verzoek dit door te spelen aan de hoofdredacteur van "De
Wereldkrant".'
`Maar die hebben ons steeds bestreden en op een schandelijke manier beklad. Daar werken
geen journalisten. Enkel schriftvervalsers, rioollepelaars, drekkanoniers, schijtlaarzen.
Sorry, ik verlies mijn zelfbeheersing als ik bedenk wat die "inktsekten" ooit
over mij hebben durven te schrijven.' `En over mij dan!' onderbrak de premier. `Maar juist
omdat ze ons zo schandelijk door het slijk hebben gesleept, zullen we hen thans kunnnen
gebruiken. Felix culpa, als je begrijpt wat ik bedoel. Daardoor zijn ze juist
nuttig, want onverdacht. Niemand zal ons verdenken zulk een explosief document door te
hebben gespeeld aan een dergelijke snertkrant. Doe het gelijk, onmiddellijk, subito
presto, stante pede,' zei de Eerste minister die van Latijn hield, naarmate steeds minder
mensen het verstonden.
`Ja, maar ik heb geen document. Geef mij het uwe.' `Ik heb er evenmin een,' haakte de
premier in. `Je moet het zelf opstellen aan de hand van de gegevens die ik je heb
medegedeeld. Een grote fraudezaak in de melksector schommelt, statistisch geraamd altijd
tussen 5 en 10 miljard fr. Rond aan de bovenkant af! En snel. We hebben geen minuut te
verliezen. Zich van tijd vergissen in de politiek is veel gevaarlijker dan in de
grammatica!'
`Goed, premier,' zei de landbouwminister, `zelfs zeer goed. Ik heb het begrepen.' Hij
ging staan. `Ik heb toevallig gisteren op het runderendéfilé van
Nederachteroverwichelrode dat zoals steeds, na het schouwen van het vee, door een
gezamenlijke maaltijd werd gevolgd, een stichtend verhaal gehoord over Machiavelli. Het
heeft niets met onze huidige situatie te maken, maar het is leuk. De schrijver van
"Il Principe" ligt op zijn sterfbed. Een priester wil hem de laatste sacramenten
toedienen en zegt: "Signor Machiavelli, U was tijdens uw leven, dat nu teneinde
loopt, van een bedenkelijke amoraliteit, die U door de duivel werd ingegeven. Ik geef U de
raad de duivel af te zweren, vooraleer ik U de absolutie kan geven." Machiavelli, die
op zijn lijdenssponde lag met gesloten ogen, zei niets. Toen opende hij één oog en
fluisterde: "Mijnheer pastoor en goede vriend, ik denk niet dat dit het ogenblik is
om nog meer vijanden te maken."
`Ziedaar een minister van Agricultuur, die ook cultuur heeft. Prima Frans. Ik hoop dat
je mij niet in de rol ziet van Machiavelli, want dan ben jij mijn duivel! In ieder geval
lees ik morgen in de krant wat je er terecht van hebt gebracht!' besloot de premier.
Clara Titus-Wieck had haar eerste opdracht tot een goed einde gebracht. Er was een
volledig akkoord getekend tussen de kabinetsmedewerkers over de berekening van een
armoede-index en de mogelijke invoering van een armoedebestrijdingsbelasting. De kans was
nu zeer groot dat de ministers hun medewerkers zouden volgen. Daartoe dienden ze
tenslotte. De voorbije dagen hadden haar mentaal en fysiek uitgeput. David onthaalde haar
minzaam en begrijpend. Hij had zelf een maaltijd in mekaar geklust, die door een hongerige
Clara schrokkend werd verorberd. Na het avondmaal maakten ze nog een fietstocht naar het
bos aan de rand van de stad. Het was fris en helder en de nog kale lentetakken van de
bomen vormden een geëtst ragwerk tegen de lichtroze hemel. Plots stopte Clara midden op
het bospad. David, die haar volgde, was verplicht van zijn fiets te stappen. Zij draaide
zich om en zei: `Ik weet wel wat ik doe en hoe ik het doen moet op het kabinet. Maar ik
weet niet waarom ik het doe en wat de zin is van wat ik doe en niet doe.' Deze
zelfondervraging verwonderde David niet. `Ik ben in dezelfde toestand. Ook ik stel me
dezelfde vragen. Het zou erg onrustwekkend zijn indien we die vragen niet zouden stellen.
En het beantwoorden ervan duurt wellicht het hele leven. Wij, lieve Clara, hebben twee
levens lang om met onszelf in het reine te komen.'
Die avond, na hun terugkeer, ontstonden tussen hen beiden tijdloze momenten die de
uren, de minuten en de seconden op het ritme van de tijd aan elkander regen. Clara en
David, vurig van lusten en gegrepen door het geheim van hun wederzijdse aantrekking,
leefden dan even voor eeuwig tussen de eb en de vloed van overgave en verovering, van
zaligheid en kwetsbaarheid, weerloos aan elkander uitgeleverd en toevertrouwd. In de
schaduw van de nacht, het uur van de ultieme geborgenheid aangebroken, ademden zij over de
poreuze huid van elk ogenblik. Hun ogen glansden, verlangend en vol verwachting, in
onverklaarde spiegelzalen, vol kleine verhalen van nabijheid en het samen belijden van
onmacht en het wonder van het samen-zijn. Zij hadden elkanders werelden verkend. Hun
kreeftskeerkringen van beperktheid en eindigheid opgeteld. Hun weemoed 's avonds afgewend.
Hun dromen 's ochtends naverteld. De zinsverbijstering die zich van hen meester maakte,
wees hun de weg en leek een verborgen poort voor hen te openen en die uitgaf op de klaarte
van wat echt en enkel zinvol was.
De volgende ochtend was Clara stipt op haar post. Reeds in haar badkamer had ze het
radionieuws gehoord dat in grote opmaak het bericht bracht van het melkfraudeschandaal.
Vooral de betrokkenheid van verscheidene politieke partijen en van allerlei politici kreeg
aandacht. De nieuwslezer noemde in één adem de namen van alle ministers van Landbouw van
de laatste twintig jaar. Ook de voorzitters van de grote landbouworganisaties werden in
verband met deze onverkwikkelijke zaak vermeld. Op de radio, die Clara in haar auto kon
ontvangen, hoorde ze reeds de verontwaardigde logenstraffingen van een hele reeks
oud-ministers van Landbouw, waarvan het bestaan plots uit de vergetelheid werd getild. De
krant "De Wereldkrant", die met de primeur had uitgepakt, bracht een reuzenkop
over de hele frontpagina: `Zwarte melk bemorst politici.' Op de binnenpagina's werden de
facsimiles gepubliceerd van de nota, die door toedoen van de minister van Landbouw was
uitgelekt. `De Avondkrant' van haar kant pakte in grote opmaak uit met de boodschap:
`Melkzee vloeit in oceaan van corruptie' en de editorialist schreef een lang artikel onder
de hoofding: `Weinig ministers en parlementsleden gaan vrijuit.' `De Middagbode', een
krant voor de vrouw aan de haard, kopte: `Ze hebben allemaal aan de uier geslurpt.'
De Eerste minister, kalm en sereen, verscheen opnieuw in de Wetstraat. Ondervraagd over
het melkschandaal zei de bewindsman dat de justitie haar werk moest doen en dat hij bij
gebrek aan enige kennis van het dossier, niet de minste verklaring kon afleggen. Op slag
werd het Sociale Zekerheidsdossier zowel door de media als door de politieke wereld naar
de achtergrond geschoven. In het parlement heerste de sfeer van de grote dagen. De media
roken bloed. De televisiecamera's zoemden en de kamerleden repten zich naar hun banken om
zich te laten zien, ook aan hun echtgenote in de huiskamer als die 's avonds naar het
televisienieuws zou kijken. De premier had Clara gevraagd met hem mee te gaan. Ze mocht
plaatsnemen op de tribune die in de Kamer voor de `medewerkers van de ministers was
voorbehouden. In het halfrond heerste een soort aquariumlicht waarin vreemdsoortige
politieke vissen van diverse pluimage rondzwommen. Ingewijden fluisterden dat er ook
kaaimannen bij waren, zoals weldra zou blijken.
De Eerste minister, ondervraagd door de oppositie, hield een korte uiteenzetting,
waarin hij aankondigde dat de minister van Landbouw de hele zaak zou toelichten. Bovendien
wenste de premier volledige klaarheid in deze duistere affaire en zou hij helemaal geen
bezwaar hebben tegen de oprichting van een bijzondere onderzoekscommissie. Hiermede wierp
hij het parlement een kluif toe waaraan de volksvertegenwoordiging maanden, eventueel
jaren kon knagen en gaffelen.
De Eerste minister had zijn collega en vriend, de minister van Landbouw, gevraagd een
zo lang mogelijke toespraak te houden, teneinde het debat maximaal te rekken en de media,
dankzij allerlei duisterheden, gedurende dagen voedsel te geven. In dit soort oefeningen
was de minister een onovertroffen meester. Hij hield een uiteenzetting van tweeëneenhalf
uur en werd daarbij slechts één keer betrapt op het gebruiken van een rationeel
argument, en dat was dan nog ongewild. Hij zei dat hij gekant was tegen elk doemdenken,
maar dat hij een groot voorstander was van doedenken en dat hij dat in dit akelige dossier
ten overvloede zou bewijzen. Toch waarschuwde hij voor de lichtzinnigheid van veel
landgenoten met het gevleugelde woord: `De Belgen zijn gerust maar de Russen zijn
gebelgd,' een uitspraak die evenwel in het Kremlin totaal ongemerkt voorbijging. Dat er
zoveel gefraudeerd werd op alle gebieden, schreef hij toe aan de toename van het aantal
moreel gehandicapten, voor wie dringend sociale voorzieningen moesten worden uitgewerkt.
Over de afloop van de hele zaak wilde hij niets kwijt. Hij waagde zich in principe nooit
aan voorspellingen. Want als men fout voorspelt, zal niemand het vergeten en als men juist
voorspelt, zal niemand het zich herinneren. Maar in deze aangelegenheid was het wel de
hoogste tijd de koe niet langer bij de uier, maar wel bij de horens te grijpen. Vervolgens
las hij ellenlange verslagen voor over de technieken van melkvervalsing, -versnijding,
verwatering en -verwerking. Hij repte er uiteraard met geen woord over dat deze
bescheiden, voorzien van talrijke administratieve stempels, afkomstig waren van het
Kabinet van de premier en van het zijne. Naar verluidt waren ze opgesteld door de
chauffeur van de adjunct-kabinetschef, die zelf een melkkoe bezat, maar die het melken had
verzaakt toen hij op een mooie ochtend een klap van de uier had gekregen. Thans was deze
taak toevertrouwd aan zijn jongste dochter, die piano studeerde aan het conservatorium en
die vingeroefeningen nodig had.
De minister versprak zich toen hij in zijn finale uitriep dat de toestand wel degelijk
hopeloos, maar geenszins ernstig was. Evenwel werd deze verbale glijpartij door niemand
opgemerkt, omdat de bewindsman op dit onfortuinlijke moment al drie uur lang het
sprekersgestoelte bezet hield. Alleen Clara, die wakker als altijd het debat volgde, kon
een inwendige lachbui nauwelijks onderdrukken en verbergen onder een niesbui. De minister
kreeg een staande ovatie van de meerderheid, waarvan nog twee leden in de zaal aanwezig
waren, terwijl hij met een grote boerenzakdoek wit veld en rode stippen zijn
druipend voorhoofd afveegde. In de wandelgangen werd betoogd dat de minister gelukkig
andermaal niets had gezegd maar, dat hij het zeer goed had gezegd.
De oppositie opende alle registers. De eerste spreker poogde de landbouwminister
belachelijk te maken en hij vergeleek de verbetenheid van de minister met het gedrag van
een kettinghond die zo fel aan zijn keten rukte dat hij dreigde zichzelf te onthalzen. Wat
door iedereen zou worden toegejuicht, voegde hij er smalend aan toe. Een andere opposant
vond juist dat de minister getuigde van schuldige passiviteit. In het verleden had de
bewindsman nooit wat gedaan. Gouverner c'est prévoir. `In een land als het onze
was het uitbreken van een groot fraudeschandaal perfect te voorzien. Maar de minister had
deze nare waarschijnlijkheid systematisch uit zijn agenda verwijderd. Dit is politieke
vruchtafdrijving,' suggereerde hij delicaat, terwijl de televisiecamera's aanfloepten. Hij
voegde eraan toe: `U bevindt zich nu in de toestand van de vrouw die de afgedreven
vruchten van haar vorige zwangerschappen schaamtevol bewaart in bokalen met sterk water.'
Toen de voorzitter van de vergadering vond dat deze vergelijking te ver ging en het
achtbare lid vroeg zijn woorden in te trekken, antwoordde hij dat hij graag bereid was het
sterk water te vervangen door gefraudeerde melk. De volgende redenaar verkondigde van meet
af aan: `Collega's, het is een waarheid als een koe dat wie werkt als een paard bewijst
dat hij een ezel is,' een uitspraak waarmede hij zich blijkbaar op grond van zijn gedegen
dierenkennis, kandidaat wilde stellen voor de functie van landbouwminister. Inmiddels
doelde hij met zijn dierenspreuk op de laksheid van de minister, die hij vergeleek met een
schildpad onder narcose.
Een andere spreker nam met openstaande kraag op de tribune plaats, zodat zijn behaarde
borst zichtbaar werd. Bij nadere beschouwing bleek bovendien dat hij een haaientand, aan
een veter vastgemaakt, om zijn hals had hangen. De tand zwiepte gezellig heen en weer bij
de geringste beweging van de handenwringende spreker. De man begon vreemd genoeg
met hulde te brengen aan de minister, omdat hij blijkbaar de waarheid had gezegd.
Maar hij voegde er onmiddellijk aan toe dat als een minister van het huidige kabinet de
waarheid sprak, dit moest worden toegeschreven aan een toevallige vergissing, aan een
moment van verstrooidheid of gewoon aan het verlies van zijn zelfbeheersing. De minister
was derhalve te overwerkt om verder nog op efficiënte wijze zijn ambt uit te oefenen.
Enkel zijn ontslag kon de geloofwaardigheid en doelmatigheid van het landbouwbeleid in
stand houden, in een tijdperk dat de rechten van het dier en ook bepaalde vormen van
zoölogisch medebeheer hoog in het vaandel werden geschreven. `Misschien komt de tijd dat
men het nuttig zal oordelen een dier een verstandig paard of een afgerichte hond
in de regering op te nemen, om te beginnen als minister zonder portefeuille.' Hij
was echter bereid de regering te helpen. Hij behoorde vanuit de oppositie tot het ras der
dwarsliggers. Die zijn nodig, zoniet rijdt de trein niet. Maar hij was eveneens een
potentiële bruggenbouwer, want zonder bruggenbouwers zou de trein in het ravijn rijden.
Ten slotte richtte hij een plechtige waarschuwing tot het kabinet: `Als u poogt deze zaak
in de doofpot te stoppen, dan beloof ik U dat de doofpot een kruitvat zal worden.'
Een talentrijk redenaar van een kleine scientologische partij, die een feilloos gevoel
had voor het verkeerde moment, citeerde een variant op het bekende syllogisme van
Parmenides, dat evenwel in het halfrond veel vraagtekens op deed rijzen. `Alle politici
zijn leugenaars,' zo begon hij. `Ik ben een politicus. Dus ben ik een leugenaar.' Deze
verklaring leverde hem heel wat succes op in het halfrond, maar hij vervolgde: `Ik lieg
derhalve wanneer ik zeg dat ik een leugenaar ben. Dus spreek ik de waarheid. Bijgevolg is
een politicus een wezen dat de waarheid spreekt ook als het liegt.'
Deze uitspraak werd op nog luider gejuich onthaald en verwekte grote opluchting op alle
banken. En hij vervolgde: `Poog dus niet krampachtig de waarheid te vertellen, mijnheer de
Eerste minister. Want dan zult U zeker afdwalen van het pad der rechtlijnigheid. Geef uw
natuur en aanleg de vrije loop. Neem een loopje met de waarheid en zie, de waarheid zal
als vanzelf opwellen uit uw doorluchtige mond. Maar vergeten wij nooit dat niets ooit
helemaal waar is, ook mijn laatste uitspraak niet.' Deze laatste bekentenis van de
redenaar was het enige waarheidsmoment van het hele debat, maar het werd door niemand
opgemerkt.
Een vrouwelijke volksvertegenwoordiger ging op de tribune staan, gehuld in een
keukenschort om te onderstrepen dat het uiteindelijk de vrouw aan de haard en in de keuken
is die het laatste oordeel moet vellen over de degelijkheid van onze eetwaren. Op een
bepaald ogenblik, midden in haar toespraak, begon ze haar schort af te doen, bevangen door
een warmte-aanval. De voorzitter van de vergadering, die hoog boven het sprekersgestoelte
troonde, boog zich vertederd voorover en zei tegen de spreekster, die blijkbaar aarzelde
haar schort verder af te doen: `Gaat U verder, Mevrouw. Geneer U niet.' Een dag later werd
door een lid van de kleinste oppositiepartij een klacht neergelegd tegen de voorzitter
wegens ongeoorloofde intimiteiten en seksuele opdringerigheid. Maar inmiddels had de
strijdlustige dame haar toespraak nog niet beëindigd. Ze betoogde dat ze zich in dit
dossier wenste te profileren en dat ze `nog twee puntjes had die tot op heden door niemand
waren aangeraakt.' De twee puntjes bleken betrekking te hebben op enerzijds de
kistkalveren en anderzijds de fokzeugen en hun respectievelijke invloed op de
volksgezondheid. Zij besloot met erop te wijzen dat de meerderheid wellicht zou overwinnen
omdat ze de macht had, maar dat ze nooit zou overtuigen omdat ze ongelijk had.
Zevenënvijftig sprekers volgden elkaar op het spreekgestoelte op. Het debat duurde
drie dagen. De allerlaatste spreker verkondigde dat de Eerste minister zoals gewoonlijk
open deuren had ingestampt, terwijl hij wilde doen geloven dat hij triomfbogen had
opgericht. Bovendien zette hij zich af tegen de lichtzinnigheid waarmede het witwassen van
zwart geld werd goedgepraat, vooral als het van zwarte melk afkomstig was. De redenaar
wond zich erg op en liep rood aan toen hij uitriep aan het adres van de regering: `U maakt
van de parlementairen een bende ongeïnteresseerden, geleid door onbekwamen, die hen
verplichten onnuttige dingen te doen voor een bende ondankbaren. Spreker herinnerde aan de
historische oorsprong van het Latijnse gezegde: l'argent n'a pas d'odeur. De
uitdrukking gaat terug tot de tijd van de Romeinse keizer Vespasianus. Die hief een
belasting op urine, die als afbijtproduct gebruikt werd in de leerlooierijen. Toen zijn
zoon, Titus, die belasting toch wel wat gortig en overdreven vond en hierover zijn beklag
deed bij zijn keizerlijke vader, haalde die een Romeins muntstuk uit zijn geldbeugel en
hield dit onder de neus van Titus, met de opmerking: "Geld ruikt niet." Welnu,
collega's, geld ruikt wel. Soms stinkt het. Zelfs vers geld ruikt, net zoals verse vis.
Reukloos geld zal nooit worden uitgevonden.' Tot slot sprak hij nog in dezer voege een
gevleugeld woord uit: Le pouvoir n'est pas à prendre; il est à ramasser. Deze
uitspraak vloog in het halfrond rond maar werd verminkt door oververmoeide tolken, die
niet `pouvoir' maar `bouilloire' hadden begrepen. De tweetaligen applaudisseerden, de
ééntaligen protesteerden heftig tegen de gevoerde keukentaal en de nultaligen bleven bij
dit alles onverstoord.
De premier nam nog kort het woord tot afronding van de hele zaak. Hij zei dat hij de
bedoeling had te spreken zonder wat dan ook te zeggen. Wat echter niet wilde zeggen dat
hij niet de bedoeling zou hebben een paar opvallende, kleine beleidsveranderingen door te
voeren, teneinde niets aan het essentiële te veranderen. Deze verklaring lokte grote
bijval uit en de meerderheid was niet spaarzaam met haar applaus. Hij stelde dat veel
gemeenplaatsen waren betreden en dat het belijden van partijstandpunten het voordeel heeft
dat je niet langer hoeft na te denken. Onder instemmend gemompel ging de premier verder
met de stelling dat geen enkele politiek zonder risico was, maar dat er ook een beleid
bestond zonder kans. Een kansloos beleid wilde hij niet voeren. `Met alle Chinezen, maar
niet met de deze,' voegde hij er populistisch aan toe. Op dat ogenblik begon de
ambassadeur van de Chinese Volksrepubliek, die op de diplomatentribune had plaatsgenomen,
aan het opstellen van een diplomatieke protestnota die hij de volgende dag, na goedkeuring
door het politbureau van de Chinese KP in Bejing, aan de premier zou laten overhandigen.
Tot de meerderheid zei de Eerste minister: `Ik ben te oud om jullie zwaard te zijn.
Maar laat mij dan, tijdens de volgende decennia, jullie schild zijn.' Daarna richtte hij
zich tot de minderheidspartijen en riep hen op samen te strijden `tegen de maffiacratie,
ook als deze naar melk ruikt. Enkel een ethisch beleid leidt naar het rechte pad.' En hij
vervolgde: `Het voordeel van het rechte pad is dat je er niet veel volk ontmoet, dat er
zich geen verkeersopstoppingen voordoen en dat je er nooit tegenliggers hebt.' Deze
laatste uitspraak van de premier gaf aanleiding tot heel wat vertrouwelijk oorgefluister
in de zaal. Maar hij hernam: `In de Koran staat geschreven: Vandaag druk ik met een
glimlach de hand die ik volgende week af zal laten kappen. Welnu, collega's, U mag er
steeds op rekenen dat ik altijd bereid zal zijn naar ieder van U en dus ook naar de leden
van de oppositie de hand, mijn hand, die van de regering, zonder achterbakse ideeën, uit
te strekken.
Ik verkies de dialectiek van het compromis boven die van het conflict. Want met de
gesloten vuist kunnen wij niet zaaien. En tussen totem en taboe is er geen doorgang. Het
ergste is dat het ergste nog moet komen. De waarheid is dat de toestand eerst moet
verslechteren vooraleer hij kan verbeteren.
Maar dit is geen reden om in te gaan op het voorstel van de oppositie om het parlement
te ontbinden en verkiezingen uit te schrijven. Ik zeg dat de leden van de oppositie
slechts verkozen kunnen worden als de toestand verslechtert en de toestand kan slechts
betekenisvol verslechteren als de oppositie verkozen wordt. Het is onze taak, vanuit de
meerderheid, deze impasse te doorbreken. Ik heb U slechts zweet, tranen en gemorste melk
te bieden. In onze elleboogsamenleving is de politiek er niet om het geluk van de mensen
te behartigen of te verwezenlijken. De politiek is er wel om hun ongeluk te voorkomen.'
Een enthousiaste meerderheid veerde overeind en bracht een langdurige staande ovatie
aan de premier, die zich kon veroorloven te gaan zitten. Een lid van de meerderheid,
filoloog van vorming, die voorzitter was van de vereniging voor de bevordering en de
eerbiediging van de `subjonctif passé' in de Franse taal, ook door de Vlamingen, riep
uit, aan het adres van de premier, die hij al twintigmaal het lidmaatschap van zijn
vereniging had aangeboden: `Rien ne manque à sa gloire. Il manque à la nôtre.'
De volgende week was volledig in beslag genomen door een complexe discussie over de
oprichting van een bijzondere onderzoekscommissie die het melkschandaal `tot op het bot
moest uitspitten'. Het voorstel werd van de ene kamercommissie naar de andere gesleept. In
één commissie werd bijna een consensus bereikt toen bleek dat een partijloos ambtenaar
bereid was als secretaris te fungeren. Het ging om een persoon die zodanig aan
slapeloosheid leed, dat hij zelfs tijdens de commissievergaderingen de slaap niet kon
vatten. Deze zeldzame kwalificatie voor commissiewerk verloor echter haar
overtuigingskracht toen bleek dat een bevoegdheidsconflict met de Senaat gerezen was.
Kamerleden en senatoren grepen naar het `woordenboek der scheldwoorden' en ontdekten dat
het woord collega de overtreffende trap was van klungelaar, beunhaas, hansworst, onbekwame
lammelot, scheve schaatsrijder, intellectuele schuinsmarcheerder, maffiocraat, smeerpruim,
politieke vriend en ten slotte... collega al dan niet beste, predikaat,
voorbehouden voor partijgenoten. Dit alles tot grote voldoening van de premier die er
steeds beter in slaagde de aandacht af te wenden van de echte problemen: de begroting en
de sanering van de sociale zekerheid.
Wat het laatste probleem betreft werd de term `sanering' nooit in de mond genomen, of
die nu van hout of van vlees was. Verhullend woordgebruik had het over `het behoud of het
veilig stellen van de verworvenheden van het stelsel van sociale zekerheid' of over de
`modernisering van het stelsel'.
De media van hun kant, opgesloten in de kooi van de dagelijkse berichtgeving, werden
door handige kabinetslui geregeld gevoed met hompen nieuwsvlees dat ze tot op het bot
konden afknarpen. Zo bleef het melkfraudeschandaal in de krantenkoppen en vooraan in het
televisiejournaal.
Tegen de zomer evenwel begon de aandacht te verzwakken. De media konden niet blijven
tappen uit een leeg vat en de verbeelding op het kabinet van de Eerste minister raakte
stilaan uitgeput. Voor de premier was het echter van vitaal belang tijd te winnen tot na
de grote vakantie, om dan met de ernstige dossiers naar buiten te treden. Hij liet
derhalve de minister van Justitie bij zich komen, die zijn benoeming aan de premier te
danken had. `Collega,' zei de premier, die zijn gesprekspartner met deze aanspraak zeer
flatteerde, `er is iets gaande met het melkschandaal. Het sleept zich nu reeds drie
maanden voort en tot op heden heeft de rechtbank geen enkel geloofwaardig spoor gevonden.
De justitie tast in het duister. Dit is heel gevaarlijk voor de democratie. Ik vraag mij
trouwens af of er geen invloeden spelen die beogen dit onwelriekende dossier toe te
dekken. Je hoort dat ik voorzichtig ben en mijn vermoeden voorwaardelijk uitdruk. Ik vind
dat we dit vermoeden moeten laten bevestigen door de pers. U moet ze wat te slikken geven,
want ze krijgen honger. Er moet mediadruk ontstaan op de regering en het parlement. Dit
zal ons dwingen om een nieuwe parlementaire onderzoekscommissie op te richten, naast de
bestaande over de grond van de zaak, om na te trekken hoe het komt dat in dit dossier nog
steeds geen schuldigen zijn aangewezen. Zorg ervoor, dankzij uw welbekende handigheid, dat
de Kamer van Volksvertegenwoordigers op eigen initiatief de oprichting goedkeurt van een
ruime "uitspittingscommissie".'
De minister van Justitie had snel door waarover het ging. De volgende ochtend reeds
schreven drie kranten dat twijfels rezen over de wil van het gerecht om het
melkfraudeschandaal op te helderen en de Augiasstallen van de veehouders uit te mesten.
Diezelfde week nog werden parlementaire vragen gesteld. De minister van Justitie gaf
antwoorden die zo dubbelzinnig waren dat ze aanleiding gaven tot de grootste argwaan. De
enige goede beslissing was een nieuwe onderzoekscommissie aan het werk te zetten. De
vergaderzalen in het parlement waren volbezet, maar de minister van Begroting had er geen
bezwaar tegen dat voor de duur van haar werkzaamheden de fraudecommissie zich zou vestigen
in de comfortabele zaal van de commissie van Financiën en Begroting, met als
onvermijdelijk gevolg dat deze laatste commissie gedurende tenminste drie maanden zou
worden stilgelegd.
De nieuwe onderzoekscommissie werd onder grote mediabelangstelling geïnstalleerd. Drie
zittingen werden gewijd aan haar definitieve samenstelling en de te volgen werkwijze.
Uiteindelijk werd besloten om iedereen die van ver of van nabij met het melkschandaal te
maken kon hebben, te horen. De volgende weken werden getuigen in speciale autobussen
aangevoerd. Hoge ambtenaren kwamen in hun dienstwagens, of met de metro tijdens de
spitsuren. Er waren ook de tientallen voormalige ministers van Landbouw, waarvan sommigen
in rolstoelen werden binnengereden, onder begeleiding van de geneesheer van het parlement,
die in bepaalde gevallen infuusflessen boven hun zitplaatsen had laten bevestigen. Een
paar oud-ministers waren trouwens overleden en waren bij vergissing uitgenodigd.
Uiteindelijk werd aanvaard dat hun kinderen en kleinkinderen konden worden ondervraagd.
Talrijke uitbaters van melkerijen, fabrikanten van platte kazen, yoghurts en karnemelken
werden naar de commissiezaal geloodst, alwaar de verwarring steeds groter werd. Wat
trouwens volgens de ingewijden ook de bedoeling was. De laatste reeks getuigen betrof de
marktkramers en kaas- en melkverkopende kruideniers. Toen zij in het parlement de
commissievergaderzaal naderden, kon hun komst reeds in de gang worden opgesnoven, omdat
zij de geuren en reuken van hun producten in hun kledij meedroegen. Een aantal vaste
commissieleden, vatbaar voor kaasallergie, zag zich verplicht de vergadering te verlaten.
Tijdens de laatste week van juli deelde de voorzitter mee dat de commissie wegens de
enorme hoeveelheid ingezamelde gegevens en informatie, wellicht de hele maand augustus
zitting zou moeten houden. Een vooraanstaand commissielid veerde recht en stelde dat de
ambtenaren die de werkzaamheden bijwoonden, de hele augustusmaand nodig zouden hebben om
een voorverslag op te stellen. In september kon de commissie dan opnieuw bijeen komen
teneinde van het voorverslag een definitief verslag te maken. Deze suggestie werd
eenstemmig goedgekeurd. Vooraleer met zomerreces te gaan, stelde de voorzitter voor dat de
commissie een felicitatietelegram zou sturen naar de eerste ondervoorzitter, die vijftig
jaar werd, maar niet aanwezig kon zijn omdat hij deelnam aan een economische missie naar
Patagonië en Ushuaïa. De inhoud van het telegram hoefde niet te worden voorgelezen. Maar
de voorzitter liet er veiligheidshalve over stemmen. De zeer collegiale verjaardagswensen
werden goedgekeurd met dertien stemmen voor, bij zeven tegen en vijf onthoudingen.
XV
vervolg in het boek zelf: 'De Reis naar dabar'