Mark Eyskens politiek economie literatuur Français
kunst politiek stel uw vraag nieuws Français
  • Algemeen
  • Democratie tussen
           spin en web
  • Er zijn geen
           economische
           problemen
  • De lust van de
           verbeelding
  • De reis naar Dabar
  • De grote verjaring
  • Buitenlandse Zaken
  • Is verandering
           vooruitgang?
  • Bron en horizon
  • Economie van nu
           en straks
  • Open brief aan de
           studenten
  • Gedichten
  • Brief aan de
           Ambrunetiërs
  • Economie voor
           iedereen
  • Bouwstenen van de
           gemengde
           economie
  • Leven in tijden van
           godsverduistering
  • Het Verdriet van de
           Wereldtop
  • Economie als
           tijdverdrijf

    FRANSTALIG

  • Vie et mort de
           J.K.Mortal
  • L'affaire Titus
  • Ambrunise
  • Le fleuve et l'océan
  • Affaires Etrangères
  • La Source et
           l'horizon

  • De reis naar Dabar

     

    Eyskens' roman: symbolisch, historisch, poëtisch, historisch, economisch, politiek, sarcastisch, teder en stout, spannend en beschrijvend.... Voor al wie nadenkt met hart, ziel en verstand (uitgegeven bij LANNOO).

    In dit verrassende en meeslepende boek onderneemt Mark EYSKENS een verkenningstocht van het grensgebied waar weten en denken, hopen en geloven samenvloeien. Hoofdpersonages in deze roman zijn de rationeel ingestelde economiste Clara Wieck , die in de wandelgangen van de politiek en de macht terecht komt, en de filosofische David Titus, die op zoek gaat naar de oorsprong van een geheimzinnig handschrift dat sedert generaties in het joodse gezin van Clara, met wie hij huwt, bewaard wordt. Ongewild raakt David in het Israëlisch-Palestijns conflict verstrikt

    *   *   *   *   *   *    *   *

    DE REIS NAAR DABAR

    MARK EYSKENS

    Verdediging van de auteur

    Met opzet is dit boek veel-zijdig en dus veelhoekig opgebouwd, met een veelheid van scherpe punten en ‘hoektanden’, maar ook volgens een zoekende meetkunde, die, romantisch, contouren omfloerst. Het boek is geen blauwdruk of afdruk van de huidige maatschappij, maar veeleer een ‘tegendruk’, een reactie. Het is ‘tegenwerkend’ in die zin dat het zich afzet tegen het sceptische en relativerende post-modernisme en diens verloochening van levensidealen en grote verhalen. ‘De reis naar Dabar’ gaat over woorden en uiteindelijk over het Woord. Dabar betekent ‘Woord’ in het Hebreeuws, een woord dat voorkomt in het oude testament. De woorden in het boek groeien aan een hybride verbaal gewas, vol scheuten die nu eens ruiken naar een roman, laat staan een liefdesroman, een thriller-verhaal, dan weer naar een essay, een gedichtenbundel, een epistolaire uitstorting, een gebedenboek, of een minitractaat van quantumfysica, meta-fysica, economie, godsdienstgeschiedenis, judeo-christianisme, een toeristische gids van Israël, een filosofische fantasie, een satire van de politiek, een persiflage van de pers, een karikatuur van de universiteit...

    Doorheen het lianenwoud van onderwerpen, genres en stijlen is dit boek een poging - ongetwijfeld hopeloos - om iets zinnigs te verwoorden over de menselijke existentie, die onvermijdelijk wentelt rond immer dezelfde vragen over dezelfde fenomenen: leven, liefde, lijden en dood. Het boek wil echter tot de kern doordringen, door de levensvragen te ‘deconstrueren’ en te reduceren tot één Woord, één logos, tot dabar, de zinskern die zijnskern is of wordt. Het zoeken naar een zin geeft immers zin aan het zoeken en daardoor aan het menselijke bestaan en aan zijn beschrijving.

    Personages

    David Titus Doctorandus, later docent en professor gods- dienstfilosofie aan de KULeuven.

    Clara Wieck Doctoranda, later doctor in de economische wetenschappen, adviseur in het kabinet van de Eerste Minister

    J.K. Mortal Fysicus, professor-emeritus, Nobelprijs- winnaar

    Louis Borg blinde hoofdbibliothecaris van de universi- teitsbibliotheek

    Jacob Titus Vader van David, administrateur-generaal van de Staatsveiligheid

    Mevrouw J. Titus moeder van David

    Samuel Wieck Vader van Clara, Antwerps diamantair, van joodse origine

    M. Kenseys Professor economie aan de KULeuven, promotor van Clara

    Japhet Charoumi Libanese vriend van David, kenner van het Midden-oosten

    Prosper Bex Directeur van de ‘Ecole Biblique’ in Jeru- zalem

    A. Weiszman Professor aan de Hebreeuwse universiteit

    van Jeruzalem

    J. Zias:......;;

    A. Cohen :........

    .M. de Koning van een land waarvan de naam begint met B

    De Eerste Minister van een land " " " "

    De minister van Landbouw " " " " " "

    De voorzitters van de politieke partijen en de parlementsleden van een land " " " " " " "

    God, Jahweh, Elohim, Adonaï, punt Omega, de Geest, Jezus Christus, het bewustzijn, de golf-functie ...

    *

    ‘De Reis naar Dabar’, een ‘uitplooibaar’ geschrift, een multi-dimensionele goocheldoos, kan op verschillende manieren worden gelezen.

    * als een thriller-verhaal

    Dit veronderstelt dat de lezer tot hoofdstuk V geraakt. De ‘plot’ ontrolt zich rond een geheimzinnig rol-manuscript, van talmudische signatuur, dat zich sedert generaties bevindt in de joodse familie Wieck. David, wild verliefd op Clara, is ook gefascineerd door het raadselachtige perkament met de ‘neer bliksemende inhoud’ over het Woord. De ontcijfering van het geschrift voert hem vaak naar Israël. Buiten zijn weten geraakt hij aldus betrokken in het Israëlisch-Palestijns conflict. Clara Wieck, van haar kant, die erg positivistisch is ingesteld, maakt een opmerkelijk doctoraal proefschrift over de hervorming van de sociale zekerheid. Zij wordt aangeworven in het kabinet van de Eerste minister. De talrijke reizen van David Titus naar Israël, die bovendien de zoon is van de administrateur-generaal van de Staatsveiligheid, doen in en via een bepaalde pers het gerucht oprijzen dat David een geheim agent is in dienst van de Belgische en Israëlische geheime dienst (de Mossad). Aldus ontstaat de ‘zaak Titus’, die politiek wordt misbruikt, ook om de Premier te treffen. De ontwikkeling van de ‘zaak Titus’ volgt een onverbiddelijke logica en zal op tragische wijze het bestaan van David en Clara raken en overhoop gooien.

    * als een liefdesroman (eerste deel)

    David wordt dol verliefd op Clara, die hij opmerkt in de grote leeszaal van de bibliotheek. Hij tracht ze te veroveren dank zij een list. Hij schrijft een fictief dagboek, dat hij haar laat bezorgen. Een eerste ontmoeting heeft plaats en het klikt tussen beiden. Een vreemde, wat buitentijdse alchemische reactie ontstaat tussen beide jonge mensen. Zij vormen een buitennissig intellectueel koppel, die zich tussen de liefkozingen storten in discussies over filosofisch-religieuze en maatschappelijk-economische discussies. Ze vinden steun bij professor J.K. Mortal, die ze aanbidden maar niet bergrijpen - hij geeft hen een ‘ongehoorde les’ - en bij de blinde bibliothecaris van de grote Bib, een niets ziende ziener. Om haar doctoraat tot een goed einde te brengen moet Clara haar onderzoek voortzetten aan de universiteit te Bologna. Haar scheiding van David valt zwaar. Beide geliefden organiseren een ultra-romantisch rendez-vous op de top van de Sankt Gothard-pas in Zwitserland, op de waterscheiding tussen Noord en Zuid in Europa. Daar vragen zij elkaar ten huwelijk. Na haar terugkeer doctoreert Clara en wordt aangeworven op het kabinet van de eerste Minister. David wordt docent aan de universiteit. Zij huwen in Jeruzalem volgens de katholieke en de joodse ritus. Hun huwelijksreis wordt onderbroken door een fax van de kabinetschef van de Premier die Clara opeist voor een dringende taak: het uitwerken van een hervorming van de sociale zekerheid. David en Clara verzeilen en verzinken in de tredmolen van hun respectieve activiteiten. De ‘zaak Titus’ breekt uit, een beproeving die hen nog dichter bij elkaar brengt. Na een periode van stilte keert David terug naar Israël met het familie-manuscript. Het onderzoek van de oude tekst met behulp van de electronenmicroscoop geeft verbluffende resultaten en openbaart een onwezenlijk mysterie. David begint aan zijn reis ‘naar Dabar’, naar het woord en zijn interpretatie. Clara aanvaardt dat David zijn roeping volgt.

    * als een politieke satire en een mediatieke persiflage

    Clara geraakt verstrikt in de politieke rimboe, waarbij de grenzen tussen werkelijkheid en fictie vervagen. Zij beleeft politieke en andere schandalen, waarvan sommigen ( een reusachtige melkfraude) worden verspreid door de premier om de aandacht af te wenden van de ernstige dossiers, zoals de hervorming van de RSZ. Clara volgt de debatten in het parlement en de werking van de onderzoekscommissies. Het optreden van de koning wordt aangeraakt. Ook de rol van de media, die manipuleren en gemanipuleerd worden. David en Clara worden uiteindelijk het slachtoffer én van de partijpolitiek en van de telecratie...

    * als een essay gewijd aan de geschiedenis van de godsdiensten

    aan het judeo-christianisme, aan de bijbelproblematiek, de oorsprong van het monotheïsme, de rol van Jezus Christus, de romeinse invloed in Judea, het verzet van de Joden tegen de romeinse bezetter (Massada), de joodse diaspora...tot en met het huidige Israëlisch-Palestijnse conflict. Beschrijving van een aantal joods-christelijk heilige plaatsen...

    * als een geromanceerde filosofisch-religieuze reflectie:

    betreffende de grote levensvragen, de ‘fusie’ van waarheid, goedheid en schoonheid, de verhouding geloof-wetenschap, de onttovering van het wereldbeeld, de bijdrage van de quantum-mechanica, het post-modernisme en de betekenis van de ethiek in een relativistische wereld, sociale rechtvaardigheid en de strijd tegen de armoede, de rol van de technologie en meer bepaald de computer, de spanning tussen transcendentie en immanentie. Dit laatste wordt symbolisch geïllustreerd door de paradoxale ontcijfering van het manuscript van de familie Wieck. Het geestelijk testament van David en de ontrafeling van de intrige bieden geen antwoord maar pogen tenminste de juiste vragen te stellen.

    *als een (poëtisch) gebedenboek:

    met talmudische teksten, waarvan sommigen fictief, fragmenten uit evangelies, het Egyptische dodenboek, de brieven en gedichten van David, o.m. geschreven vanuit de Sinaï, de homilieën van pater Bex...

    * als een thesis-boek

    de dispariteit van het boek - een mengvorm van barokke fantasie, romantiek, professoraal doceren, episch schilderen, cynisch persifleren, wetenschappelijk vulgariseren, dichterlijk en mystiek zweven - verhult en onthult een stelling.

    De thesis van het boek wordt belichaamd door de hoofdpersonages Clara en David, twee jonge intellectuelen, obstinate zinzoekers, die zeer geminoriseerd zijn in de hedendaagse samenleving (van godsverduistering en onverschilligheid) en met hun opvattingen tot op zekere hoogte een catacomben-bestaan dienen te leiden. Het jonge koppel is aldus een ‘uitzonderingsgeval’, helemaal niet-exemplarisch voor de huidige generatie, buitenissig en in die mate ook enigszins onwezenlijk. Clara en David vormen - in de opvatting van de auteur - een ‘normatief’ stel, onrealistisch en in contramine met het conformisme van het non-conformisme en het post-modernisme. Hun bestaanservaring overstijgt de ‘zaak Titus’ en hun professionele perikelen, die slechts anekdotisch zijn in vergelijking met hun zoektocht naar wat echt belangrijk is. Clara en David - ofschoon ze vaak tegengestelde opvattingen koesteren - aanvaarden niet dat een einde is gekomen aan de geschiedenis, aan de grote verhalen, aan de idealen (soms belangrijker dan het leven), aan de ethiek, aan de cultuur, aan de politiek, aan de religie, aan het Godsbestaan (vooral bij David), aan de bijdrage van de wetenschap (vooral bij Clara). Aldus bieden zij weerstand aan heel wat verduistering. Hun geobsedeerde zoeken naar een zin zal hun bestemming bepalen en hun lot bezegelen in een samenleving die lijdt aan een gebrek aan ernst verergerd door een gebrek aan humor.

                                              *    *   *   *   *   *   *   *

    ----------------------------------UITTREKSEL-----------------------------------------------------

    De reis naar Dabar.

    Een metafysische thriller,

    XIV

      

    EEN CURSUS IN POLITIEKE SCIENCEFICTION

     

    Het kabinet van de Eerste minister ademde de hectische sfeer uit van een legerkamp op de vooravond van het grote lente-offensief. Clara daagde vroeg op. Voor de ingangspoort troepte reeds een aantal persmensen samen, kouwelijke mussen op zoek naar nieuwskorrels. De bode achter de glazen deur liet Clara niet meteen binnen. Ze moest eerst uitleggen dat ze de nieuwe medewerkster was. Toen werd ze naar een schamel kantoortje gebracht, ergens diep in een duistere gang. Maar ze mocht er snel weer uit, want ze werd door de kabinetschef ontboden. Die ontving haar grinnikend: `Welkom, mevrouwtje. U merkt dat het hier algemene mobilisatie is. Ik hoop dat we U niet hebben gestoord in uw bezigheden, daar in Israël. Het waren korte en wellicht grijze broodsweken, maar u krijgt nog weleens een keer de gelegenheid het allemaal over te doen.' Clara, schijnbaar onverstoord, liet de vloed van onbeschaafde sarcasmen over zich heen spoelen. Ze reageerde met haar meest ontwapenende glimlach, haar gevaarlijkste wapen en de beste manier om haar tanden te tonen.

    `Kijk,' vervolgde de chef, `we — dat zijn de premier en ikzelf — zijn zeer geboeid door uw voorstel om een armoedebestrijdings- belasting in te voeren aan de hand van de variaties van een armoede-index. De premier wenst een uitgewerkt voorstel tegen gisterenavond.' Andermaal grijnslachte hij grollend. `Dit betekent dat je het best onmiddellijk aan de slag gaat. Neem contact met het kabinet van Financiën en met het planbureau. De macro-economische gevolgen van een dergelijk stelsel moeten becijferd worden. Maak tegen morgenavond een bevattelijke nota van ten hoogste vijf pagina's. De kabinetsmedewerkers staan tot uw beschikking. Het Sociale Zekerheidsdossier wordt door vier werkgroepen voorbereid. Jij hebt de leiding van de belangrijkste. Bespreek met je collega's hoe je het best overlapping vermijdt.' Toen zette hij zijn bril af en zei op vertrouwelijke toon: `Good luck, Clara. We verwachten veel van je. Ik ga je verstand plunderen,' waarna hij haar een kleverige hand toestak die op een washandje leek.

    Bij het verlaten van het kantoor van de kabinetschef zag Clara, die inmiddels wel wat koudwatervrees gekregen had, hoe de premier in zeven haasten de statietrap afdaalde. Het was immers het uur van de week dat de Eerste minister zich in zijn dienstwagen naar het koninklijk paleis begaf voor zijn wekelijks onderhoud met het staatshoofd. In zijn auto doorbladerde hij de kranten die hij herkende aan de inktgeur, of -reuk die ieder, blijkbaar naar eigen vermogen en geaardheid, afscheidde. De premier had een onbedwingbare neiging om elke ochtend met gretigheid naar de pers te grijpen, ofschoon de lectuur ervan hem meestal inwendige netelkoorts bezorgde. Zoals de meeste politici onderhield hij een haat-liefde-verhouding met de pers: haat als gevolg van een natuurlijke opwelling en liefde uit enig opportunisme. De verhouding was echter duidelijk asymmetrisch en helde over naar de haat-zijde. Hij stoorde zich aan de ongenuanceerdheid en de vooringenomenheid van de berichtgeving en nog meer aan de meestal negatieve toon van de commentaren en interpretatie. De perslui waren niet zelden persmuskieten, bakkers van lucht, parasiterende letterknechten, die de politici onbekwaamheid en stunteligheid verweten, maar zelf zelden een dossier grondig begrepen, laat staan in staat waren hierover een tegensprekelijk debat aan te gaan of een woelige vergadering voor te zitten. De uitzonderingen bevestigden uiteraard de regel.Luisterend naar het ochtendlijke persoverzicht deed de premier een indruk op die wellicht oprees bij een kunstschilder, wiens werken door kunstcritici worden gerecenseerd. Meestal ging het om personen die zelf nooit een penseel in de hand wisten te houden en toch de staf braken over wat de schilder tot stand had gebracht. Men kan natuurlijk als politicus steeds pogen een of andere editorialist te beïnvloeden door zijn ijdelheid te strelen, door hem eens mee te nemen tijdens een buitenlandse missie. Dan schreef hij braaf positieve commentaren voor een paar weken, maar zeker was je nooit, en als hij trek kreeg in een nieuwe reis begon hij opnieuw critische geluiden in zijn krant te slijten. Een andere tactiek, om in een gunstig persdaglicht geplaatst te worden, bestond erin een uitgekozen krant met geprefabriceerde lezersbrieven te overstelpen waarbij het beleid van je politiek tegenstrever werd afgekraakt en op subtiele wijze de eigen voorstellen of maatregelen werden goedgepraat. Er waren medewerkers genoeg op kabinetten van ministers die zelf, als hun familienamen niet te opvallend waren, maar vooral wier vrouwen, kinderen, ooms en tantes konden worden ingeschakeld als krantenlezersbrief- schrijvers. De brieven werden uiteraard op de kabinetten zelf opgesteld, zodat men zeker was van de inhoud. Onschuldig maar efficiënt. Maar een reden te meer om geen geloof te hechten aan wat in de pers verscheen, vooral als men zelf de inhoud leverde.

    Om die en nog veel andere redenen verkoos de regeringsleider naar de BBC te luisteren. De World Service sprak zelden over hem en zijn land, omdat alles er zo bloedloos verliep; des te meer werd uitgeweid over het belangrijkste nieuws in ongeveer alle andere landen van de wereld.

    Het was bekend dat de premier van puntige uitdrukkingen en vlijmscherpe uitlatingen hield. `Le gouvernement par le verbe,' zei De Gaulle. Maar in het openbaar was de Eerste minister zoetgevooisd ten aanzien van de media, die een politicus konden maken en kraken. Vooral de beeldmedia waren van belang. De democratie diende immers te worden ondersteund door de telecratie. If you can't beat them, join them. De politieke invloed van de kranten op het publiek nam sterk af in een tijdvak dat bij veel mensen de beeldbuis tot dwangbuis had verheven. De homo sapiens aan het einde van de eeuw was bevorderd tot homo zapiens, een nieuwe mutatie in de evolutie van het mensdom. De numerieke televisie zou weldra haar intrede doen en practisch zonder enige beperking alle televisiekanalen ter wereld toegankelijk maken. Overinformatie leidde nu reeds tot desinformatie, waarbij de kijker voortdurend het essentiële verwarde met het bijkomstige. Dat een verbrandingsoven verdacht walmde in een poldergemeente, dat de paddentrek in een bietendorp werd gehinderd door de aanleg van een rioolpijp was groot nieuws, maar dat de openbare schuld andermaal sprongsgewijs was gestegen werd nauwelijks vermeld. Bovendien specialiseerde medialand zich in slecht nieuws. Kranten en televisie waren de begrafenisondernemers van het goede nieuws, dat onbarmhartig weg werd gecensureerd. Bij kijkers en lezers leidde dit tot een verlammende vijf-over-twaalf-beeldvorming. Naarmate het kijkgeld en de krantenprijs stegen, nam ook de dagelijkse dosis catastrofisme toe. Er ontstond een ware gewenning aan onheil, rampspoed en nakende Götterdämmerung, waarvan alle dagen reeds bij het ontbijt een grote portie diende verorberd. De burgers begonnen te geloven dat ze in de slechtste van alle mogelijke werelden leefden en hamsterden hun centen, onder de vorm van een reuzenspaarquote. De meesten voelden zich blijkbaar lekker in hun door angst gekabbelde kippenvel, ondanks het feit dat het gemiddelde reële inkomen van de bevolking per hoofd sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog was vervijfvoudigd. Wetenschappers, zo dacht de Eerste minister, zouden het verband eens moeten onderzoeken tussen het pessimisme dat de kranten dagelijks spuien en het aantal zelfmoorden. Bleek er een verband, dan was de pers een ware plaag en was er geen verband, dan volgde hieruit dat de kranten door het publiek helemaal niet ernstig werden genomen, laat staan geloofd. En dat zou dan nog veel erger voor ze zijn dan een paar zelfmoorden per jaar van mensen die zich anders toch dood gedronken zouden hebben. Bovendien bleken de zelfmoorden onder krantenredacteuren bijzonder gering in aantal, wat erop wees dat ze hun eigen nieuws helemaal niet ernstig namen en dat het pessimisme dat ze verspreidden niet in staat was hun roestvrij optimisme over het zinken van het schip van Staat, als weleer de Titanic, aan te tasten. En dan maar de politici verwijten dat ze geen geloof hechtten aan hun eigen kiesbeloften. Ook bij die kranten die opgezadeld zaten met stapels onverkochte nummers was zelfdoding afwezig, ook al werd die gedeeltelijk na aanvraag door het ziekenfonds terugbetaald. Daarbij kwam dat dodelijke slachtoffers van zwartgalligheid in de perswereld uitbleven, aangezien de wanhopige journalisten, die door de ramen naar buitensprongen op de binnenplaats, terechtkwamen op de schokbrekende torenhoge hopen onverkochte exemplaren van hun eigen dagblad.

    Ook de televisie oefende een impliciete censuur uit door enkel het zichtbare te tonen, daar waar het onzichtbare veel belangrijker is. De Eerste minister beklaagde zich erover dat zijn kinderen als konijnen, al dan niet met gespitste oren, uren per dag voor de `lichtbak' zaten. Zijn dochters gedroegen zich als ware kijkbuisslavinnen, gefascineerd door de visuele pulp, terwijl zijn zonen systematisch alle goedkope, demagogische erotiek begluurden. Het analfabetisme greep om zich heen. Enkel ondertitels werden nog gelezen en uiteindelijk uitgesproken. Steeds meer gesprekken bestonden uit one-liners, uit kreten en gefluister.

    Toen de auto van de premier het vergulde hek van het koninklijk paleis binnenreed, bleek de bewindsman net te struikelen over de zoveelste journalistieke dwaasheid, die bovendien voor een van zijn collega's smadelijk was. Schreven ze niet over het regeringslid, naar aanleiding van een militair contract qu'il paierait pour se vendre. Dit kon de aanzet worden tot een mediatieke lynchpartij. Rechtzettingen dienden tot niets, omdat ze meestal als vijgen na Pasen werden gepubliceerd en vergezeld werden van een in vitriool gedrenkt cursief commentaar. Inmiddels was het kwaad gesticht en de faam van een bewindsman beschadigd. Zolang de pers politici hekelde, gispte of door het slijk sleepte, werd een dienst bewezen aan de democratie in naam van de strijd tegen misbruiken en misstanden. Zodra politici kritiek uitten op de pers, was dit een onduldbare aanslag op de vrije meningsuiting en de werking van `onze democratische instellingen'. Persmensen bekenden nooit fout. Integendeel, ze gingen prat op hun vergissingen terwijl van politici werd verwacht dat ze bij voortduring mea culpa zouden slaan, zo dacht de premier, zonder dit ooit hardop te zeggen. In de politiek werden leugens waar als ze geloofd werden en hun kans om geloofd te worden nam toe naarmate ze grover bleken. Een hefboomeffect, niet zelden door de media in werking gesteld.

    Met opzet sprak de Eerste minister steeds over de `krant' en nooit over het `dagblad', omdat hij als amateurfiloloog wist dat het woord krant van `courant' af is geleid en verwijst naar `lopende nieuwsjes' en dus naar de dingen die dagelijks voorbijgaan, die als zeepbellen onmiddellijk open- en wegspatten. Toch besefte hij, de realpolitiker, dat de dagelijks uit de dagbladen neerdruppelende kritiek een `pompsteen'-effect verwekte, een traag maar zeker invretende erosie, waardoor het imago van de door hem belichaamde politiek werd aangetast en aangevreten. Deze constatering maakte hem neerslachtig, een gevoel dat hij poogde te bezweren door cynisme en nauwelijks onderdrukte verachting, die hij zich bij uitverkoren politieke vrienden liet ontvallen: `Ik ben spaarzaam met mijn misprijzen, omdat er zoveel gegadigden zijn.' Deze sneer kwam toch een editorialist ter ore, die de volgende dag schreef dat de Eerste minister aan mondschimmel leed en kotste van zijn eigen gal.

    *

    De vleugeladjudant des konings begeleidde de Eerste minister naar het kantoor van de vorst, een ruim doch sober ingericht vertrek, met hoge ramen die uitgaven op de paleistuin. De koning, zoals steeds, trad zijn bezoeker tegemoet en begroette hem joviaal. Dan begon het colloque singulier, het hoogst vertrouwelijke gesprek met het staatshoofd waarover ministers verondersteld waren nooit de mond te openen, tot in hun graf. Sommige beleidslui hadden, na de audiëntie, hun mond zodanig vol tanden dat ze boekdelen bleken te spreken, een hebbelijkheid die overigens beantwoordde aan hun gewone manier van doen, zodat dit meestal ook niet opviel.

    De premier schetste de gespannen politieke toestand en legde uit welke scenario's mogelijk waren om eruit te geraken. De koning stond erop dat tot elke prijs een politieke crisis vermeden zou worden in een land dat nog slechts `met haken en ogen bij elkaar hield'. Een medewerker met een gouden pen had de vorst de dag voordien een staatkundig vers bezorgd dat grote indruk had gemaakt en dat de koning met benadrukking van elk woord aan de premier voorlas.

    Er ligt een Staat op sterven,

    heel zachtjes, zonder pijn.

    Twee volkeren zullen erven,

    Ik zal niet op de begrafenis zijn.

    Het staatshoofd ergerde zich erover, vanuit zijn levensbeschouwing dat hoog oplopende politieke twisten, en met name communautaire conflicten, ontstonden tussen christelijke partijen die zich alle beriepen op de evangelische boodschap van naastenliefde en erbarmen. De premier deelde de zorg van de vorst, maar wees tevens erop dat de christenen nooit geaarzeld hadden, tijdens eeuwen van godsdienstoorlogen, elkanders bloed te drinken.

    Koning en premier waardeerden elkander in zeer hoge mate. De Eerste minister keek op naar de mensenkennis en de plichtsbetrachting van de vorst en deze bewonderde de politieke moed en de handigheid van de regeringsleider. Beiden behartigden het algemeen welzijn, op hun manier en tot op de grens van hun bevoegdheden. Ze hielden van hun land en van zijn inwoners, ook al waren ze zich bewust van het abstract karakter van dit soort beschouwingen. Ze leden eronder dat in de politiek de zogenaamde ethiek van de resultaten meer gewicht heeft dan de ethiek van de goede intenties. En bovenal beseften beiden dat hun inzet voor de goede zaak door de buitenwacht wellicht slecht begrepen zou worden. Want de bevolking — nog een abstractie — wenste vaak tegenstrijdige dingen, zoals minder belastingen en meer uitgaven. De politieke ongeletterdheid van de mensen was ontzettend. Een behoorlijk percentage wist niet eens wie de vader van de koning was en wie vandaag Eerste minister van het land was. Maar wel wisten ze alles van voetbal, de samenstelling van de ploegen met naam en toenaam, de popgroepen en de wijze waarop ze belastingvrij hun spaarcenten konden beleggen.

    Vervolgens ging de koning op de moraliserende toer. `Het is onmogelijk een beschaving in stand te houden als twaalfjarige meisjes babies krijgen, als vijftienjarigen elkaar uitmoorden, als zeventienjarigen aan aids sterven en achttienjarigen diploma's verwerven waarvan ze de tekst niet kunnen lezen. Een jongen vermoordde beide ouders en pleitte voor de rechtbank verzachtende omstandigheden omdat hij nu wees was. Quand même! Dat zijn de echte problemen van vandaag en ze komen ook steeds meer in ons land voor. Begrijpen de politieke partijen niet dat er prioriteiten zijn?' riep de vorst vertwijfeld uit. Dan voegde hij eraan toe: `Misschien moet U uw regering hervormen, mijnheer de Eerste minister, en een paar ministers de laan uitsturen. U weet wat Gladstone zei: `The first essential for a prime minister is to be a good butcher.' De premier antwoordde dat een nacht van de lange messen hem wat voorbarig leek, wat niet betekende dat deze eventualiteit uitgesloten moest worden. `In principe ben ik gekant tegen politiek bloedvergieten, Sire. Maar ermee dreigen heeft altijd effect. Bovendien kan een Eerste minister zich veroorloven wat afstand te nemen van de partijen, inclusief de zijne. Mijn vrienden zijn mijn meesters niet en mijn tegenstrevers zijn mijn vijanden niet, Sire. Aan Uwe Majesteit kan ik overigens wel toevertrouwen dat ik geen wonderen kan verrichten, wat de pers daar ook over moge schrijven,' vervolgde hij ironisch. `In de wachtkamer van mijn kabinet hebben vlijtige medewerkers een bericht opgehangen waarop het volgende te lezen staat: "Klop, en u zal worden opengedaan. We doen het onmogelijke. Niets is hopeloos. Wonderen enkel op aanvraag."

    `U zal andermaal een konijn uit uw hoge hoed moeten toveren,' betoogde de koning. Waarop de Eerste minister antwoordde: `Een minister is een gewoon man, die zich in ongewone omstandigheden bevindt en van wie velen buitengewone dingen verwachten. Althans aanvankelijk, en voor mij is deze staat van genade al jaren voorbij, Sire.'

    Het gesprek was teneinde. De koning nam de premier kameraadschappelijk bij de arm en leidde hem naar buiten. De vorst herinnerde eraan dat tijdens de regering van zijn vader — maar dat was lang geleden — de ministers die op het paleis in audiëntie werden ontvangen, verplicht waren een zwarte pandjesjas aan te trekken en tijdens de gedachtenwisseling met het staatshoofd stokstijf recht moesten blijven staan. Bij het buitengaan moesten ze, steeds volgens een ijzeren protocol, achteruitstappend de zaal verlaten en diep buigen, op gevaar af over het tapijt te struikelen en majesteitschendend hun voetzolen en broekkruis aan de koning te tonen. Dergelijke slapstick-scènes kon de huidige koning zich levendig inbeelden. Dan barstte hij in een schokkende lach uit, gevolgd door een bulderende Eerste minister, wiens stembanden op allerlei voetbalvelden waren geoefend. De lakeien in livrei aan de uitgang waren evenwel verondersteld geen krimp te geven.

    *

    De spanning op het kabinet van de Eerste minister was inmiddels toegenomen. Clara had haar eerste contacten gelegd en zich driftig op haar opdracht gestort. Ze had naar David gebeld om hem mede te delen dat ze die avond heel laat huiswaarts zou keren. Dit soort telefoongesprekken om haar laattijdige terugkeer te melden aan haar man, zou ze nadien nog heel vaak voeren.

    De partijbureaus van de meerderheid kwamen inmiddels bijeen en bevestigden hun standpunten en eisen. Het narrenschip van de partijpolitiek was uitgevaren. Een partijvoorzitter verklaarde na afloop van de vergadering dat de houding van de andere partijen totaal onaanvaardbaar was en dat hij desnoods naar de institutionele atoombom zou grijpen. Niemand begreep precies wat hij bedoeld had, maar iedereen vond het zeer erg. 's Middags werd op de radio aangekondigd dat in de Wetstraat een crisissfeer heerste. De beursnoteringen stegen en de frank werd sterker, omdat de financiële wereld erop rekende dat bij de val van een regering, nadien belast met de lopende zaken, beleidsstommiteiten niet langer tot de mogelijkheden behoorden. Een ping-pongspel van tegenstrijdige verklaringen werd opgevoerd. Allerlei politici begonnen te vendelzwaaien met partijresoluties waar ze voordien nooit enig belang aan hadden gehecht en schoten met scherp op al wat bewoog in de Wetstraat.

    De premier maakte zich voor de pers onzichtbaar. Hij drong zijn kabinet langs de achterzijde binnen en sloot zich in zijn kantoor op. De Eerste minister kende de Griekse treurspelen en de noodlotstragiek. Hij had zich nooit bezondigd aan `hubris', de roes van het succes en de macht die tot machtswellust, arrogantie en fatale hoogmoed leidt. Dan komt vroeg of laat de `nemesis', de wraak van het lot, de afstraffing onder de vorm van een vernederende nederlaag en de verbrijzeling van alle ambities.

    Vanuit zijn werkkamer voerde hij onafgebroken telefoongesprekken. Omdat hij niet meer kon rekenen op eenstemmigheid om te regeren, moest hij regeren door de verdeeldheid nog te vergroten. Teneinde de sfeer op zijn kabinet wat te ontspannen, liet hij op de deur van zijn werkvertrek een bericht aanbrengen met volgende mededeling: ‘Enkel storen in geval van wereldoorlog’.

    De voorzitter van de grootste partij werd tijdens het televisiejournaal geïnterviewd over zijn reactie op de verklaring van de voorzitter van de tweede grootste partij. De man had een academische opleiding genoten aan de beste hogescholen en had bijgevolg leren lezen en schrijven, zonder evenwel te overdrijven. Hij had wel aan zijn vorming een heel bijzonder en verhullend woordgebruik overgehouden, waarbij hij, zoals een Britse lord, sprak met a stiff upper lip: `Ik heb samen met mijn collega deze coalitie boven de doopvont gehouden. Wij hebben samen onze ministers benoemd en de koning onze lijst doen goedkeuren. Maandenlang heeft mijn collega zich politiek tegen mijn broekspijpen gefleemd en vandaag bijt hij mij in de enkels. Dit neem ik niet.'

    Hierop antwoordde zijn collega: `Mijn collega werd in discussies nooit gehinderd door enige dossierkennis en dat bewijst hij vandaag ten overvloede. Zijn voorstel is een poging om van een verroest schip een vliegtuig te maken. Dat werd van Gorbatsjovs perestroika ook gezegd. Maar wat mijn collega ons aan wil praten is veel erger: het is geen perestroika, het is een ware katastroika. Bovendien lijdt hij aan verbale incontinentie, geheugenverlies en politieke roodvonk, drie aandoeningen waarvan verscheidene schandelijk zijn, en waarvoor hij zich dringend moet laten verzorgen.'

    Diezelfde avond nog kreeg Clara een telefonisch bericht van de secretaresse van de premier met de mededeling dat de Eerste minister haar wenste te zien. Clara was verbouwereerd en kreeg inwendige plankenkoorts, maar ze bedwong zich en mat zich ogenschijnlijk een ijzige kalmte aan. Het kantoor van de Eerste minister van het land muntte niet uit door overdreven luxe. Wat versleten witlederen zetels en dito sofa boden de bezoekers elementair zitcomfort. In een boekenkast prijkten kleurrijke banden pasinomie en pasicrisie, die blijkbaar nooit werden geraadpleegd. Ook oude grondwetten waren in mooi ingebonden volumes tentoongesteld. Het ritme van grondwetswijzigingen was echter zo intens dat weldra het boekenrek te klein zou zijn om alle recente versies van de grondwet te omvatten. Het bureau van de Eerste minister plooide onder de dossiers, terwijl de zitstoel met hoge rug van de regeringsleider werd bewaakt door een blauwe Europese vlag en een driekleurig nationaal vaandel, elk aan een koperen standaard gehesen. Echt indrukwekkend waren de telefoon-, fax-, televisie- en computertoestellen die in dichte drommen en ordelijke slagorde rechts en achter het bureau waren opgesteld. De premier stond op toen Clara werd binnengelaten. Clara had hem nooit ontmoet. Hij was kleiner en ook vriendelijker dan hij op de televisie overkwam.

    `U bent de nieuwe medewerkster,' zei hij glimlachend.

    `U heet Clara Wieck. Wieck, Wieck? Dat zegt me wat!' `Toch heb ik niets te maken met Schumann,' waagde Clara het, waarop de Eerste minister licht kijvend zei: `Dat kan ook niet. Die goede Robert Schuman — je weet wel van het Schumanplan, waaruit de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal is ontstaan — was een verstokte vrijgezel.' Clara reageerde niet, maar dacht bij zichzelf dat de premier zeker geen melomaan was. Toen keek hij naar een nota die hij in zijn hand hield. `O, ja. U is net gehuwd met een filosoof, een zekere Titus, de zoon van de man van de Staatsveiligheid?' `Ja,' antwoordde Clara. `Er wordt veel hoop op uw verbeelding gesteld. Vertel me eens hoe u die fameuze armoedebestrijdingsbelasting opvat.'

    Clara gaf een bondige uitleg, maar de premier stelde onmiddellijk een hele reeks technische vragen, waarmee hij bewees bijzonder goed op de hoogte te zijn. Clara moest van meet af aan een uitstekende indruk op de premier gemaakt hebben, want hij vroeg haar zo snel mogelijk met de andere ministeriële kabinetten te onderhandelen over een werkzame formule. Over 48 uur wenste hij te beschikken over een uitgewerkt voorstel, waarmee hij dan naar het kernkabinet kon stappen. Hij zei haar ook dat ze hem zou moeten vergezellen naar de bevoegde kamercommissies. De regeringsleider maakte op Clara een zeer besliste indruk. Hij had iets regentesks. Hij was uiteraard een democraat, maar zeker geen demofiel en besefte dat je als staatsman af en toe moet ingaan tegen de tijdelijke seizoengebonden volkswil. Hij was er zeker niet de man naar om te zeggen: `Ik ben hun leider, dus ik volg hen.' Graag zei hij van zichzelf dat hij een idealist was zonder illusies, daarbij vermijdend een illusionist zonder idealen te worden.

    Binnen de kortste keren voelde Clara zich door de politieke maalstroom meegezogen. Ze dacht aan haar lieve David die op zijn studeerkamer worstelde met oeroude levensvragen, waar de mensheid al duizenden jaren over piekerde, terwijl zij hals over kop met haar neus op de actualiteit werd gedrukt, een intellectuele en psychische oefening die een niet geringe lenigheid veronderstelde. Heel even kreeg ze heimwee naar haar vorig leven van studie en intens samenzijn met haar levensgezel. Maar zodra de telefoon rinkelde of de faxberichten binnenliepen, werd ze weer door de zwaartekracht van de politieke galaxie meegesleept en werd haar aandacht volledig opgeëist door het vermijden van de talrijke zwarte gaten, met hun fatale zuigkracht, die alom opdoken.

    De volgende dagen steeg de politieke verwarring ten top. De Eerste minister had systematisch geweigerd ook maar één enkele verklaring af te leggen, tot grote gramschap van de paparazzi en ander perslui en -luizen, die niet de kans kregen zich in de pels van de premier vast te bijten. De krantencommentaren waren dan ook vernietigend, zelfs in de zogenaamd bevriende pers. `De regering zinkt weg in onbeweeglijkheid,' was de allervriendelijkste beoordeling of `De premier is een ingedommelde krokodil zonder tanden.' Een andere krant kopte: `Het kabinet is een pudding' en het hoofdartikel droeg als titel: `De politieke klasse sjoemelt schaamteloos voort.' Sommige editorialisten spraken van een `Italiaanse toestand' of van `een totaal verrotte janboel', eraan toevoegend dat de politieke leiders zich blijbaar met wellust wentelden in geuren van ontbinding en decadentie. Vergelijkingen werden gemaakt met de laatste jaren van het Romeinse Keizerrijk. Een fotomontage stelde de premier voor als de stervende Galliër. De meest scherpzinnige politieke analist schreef dat de premier weliswaar een oude politieke paraplu was, waarop het nu al twintig jaar lang had geregend, maar — zo voegde hij er met enige spijt aan toe — vandaag blijkt dat zijn regenscherm vol gaten zit. Een andere inktspuier — althans volgens de terminologie van de woordvoerder van de Eerste minister — schreef dat de premier poogde zijn gammel kabinet naar de Rubicon te leiden, maar niet om hem resoluut over te steken met een krachtig beleid, maar gewoon om er tijdverdrijvend te hengelen naar baarsjes. En de commentator voegde er filosofisch aan toe dat zijn grootmoeder hem ooit vermanend had gezegd: `Jongen, let op. Er komt een dag dat je goudvis een vogel voor de kat zal zijn.' Die dag achtte de journalist thans aangebroken. Op de radio werd in het duidingsprogramma, na de nieuwsuitzending, klakkeloos verkondigd, alsof het een bericht gold, dat de Eerste minister het charisma had van een provocerende ibis gezeten op de gevoelloze buffel van de publieke opinie. Men vergeleek de premier ook met een lethargische zeekoe en nog andere species, wat protest uitlokte van de Koninklijke Vereniging voor Dierenbescherming.

        Ondanks zijn gewicht slaagde de regeringsleider er toch in tegelijkertijd voorover en achterover te buigen, maar volgens een journalistieke pennenridder was dit schromelijk onvoldoende. En hij besloot met een vermeende verwijzing naar Shakespeare: He is all of a fox and not a bit of a lion, een commentaar dat door de leider van de enige flamingantische partij, die nog overbleef, werd bijgetreden met de opmerking dat andermaal was bevestigd hoezeer de Eerste minister iedere Vlaamse reflex miste. Een leeuw was hij nooit geweest. Dat hij een vos zou zijn, was pure zelfprojectie. In feite was hij een angstige wezel die nog enkel medelijden opwekte, ofschoon hij dit niet eens verdiende. Maar de meest perfide kanttekeningen werden door de meest invloedrijke krant des lands gemaakt. Onder de titel: `De eenzame strijd van een moedig leider', werd de Eerste minister met haar en huid het graf ingeprezen. `De regeringsleider heeft de moed van zijn overtuiging wanneer hij stelt dat de hervorming van de sociale zekerheid nodig is, omdat er "in dit land teveel rijken en te weinig armen zijn".' Vervolgens werd hij geroemd om zijn — meestal apocriefe — uitspraken. Zo zou hij onlangs verklaard hebben: `Wetten zijn als worsten; het is beter niet te weten hoe ze zijn gemaakt en wat er in werd gestopt!'; een boutade die hem in het parlement niet in dank werd afgenomen, ook al waren de meeste parlementsleden het met deze inschatting van hun wetgevende taak volmondig eens. Na een televisiedebat zou een strijdlustige premier zijn tegensprekers  onlangs toe hebben geroepen: `Ik kon tijdens de uitzending mijn verontwaardiging slechts bedwingen dankzij mijn misprijzen voor uw domheid.' Te recht — steeds volgens het geniepige krantencommentaar — liet de premier zich in besloten kring laatdunkend uit over de werking van de instellingen en over het gevaar van balkanisering, tsjechoslovakisering en gulliverisatie van het federale koninkrijk. `We maken ons bespottelijk bij de verstandige mensen in het binnenland — een gelukkig zeer kleine groep — en belachelijk in het buitenland — een mensenzee van lolbroeken. In afwachting dat het land in tweeën wordt gekapt, is het reeds in vieren geplooid door de grappigheid en de pret. Artikel één van de grondwet, dat luidt dat het land een federale staat is, is noch min noch meer een grondwettelijke leugen om bestwil,' suggereerde een strijdbare premier die met deze boude duiding smalend naar het werk van zijn voorganger verwees. Het land is in feite een hybride staat, deels unitair, een beetje federaal, steeds meer confederaal en volgens sommigen terminaal. Gelukkig is het land ook zeer banaal, want alle heftige debatten en disputen blijken bij een terugblik op het verleden te krimpen tot wat vrij onbegrijpelijk, meertalig geouwehoer in het dorpscafé. Bloed wordt gelukkig nooit gestort; speeksel des te meer. Beklaag toch maar een volk dat in stukken wordt verdeeld en waarvan ieder deel zich een volk waant. Die laatste zin komt niet van mij,' zou de premier er aan toegevoegd hebben. `Ik citeer gewoon Psalm 167 uit de Bijbel. Inmiddels bestaat het geluk van ons land in de slechte ten uitvoerlegging van slechte wetten, wat een zelfcorrectie inhoudt.' Volgens het krantenartikel was dit de meest lucide analyse van onze toestand ooit door een bewindsman gemaakt, maar ze was zeker niet van dien aard om de populariteit van de premier in het politieke milieu te vergroten. De krant werd echter helemaal pervers als ze het wierookvat onder de neus van de Eerste minister slingerde `omwille van de rake wijze waarop hij zijn coalitiepartners had gekenschetst'. Had hij niet betoogd dat de leider van de tweede grootste partij zich progressief waande omdat hij het woord conservatief met een `k' schreef, een spellingsvrijheid die hem voortaan was ontnomen. De premier citeerde ook graag Mao Zedong: `Ik verkies socialistisch onkruid boven kapitalistische tarwe.' Volgens de premier was het socialisme de voorhoede van de achterlijkheid en het liberalisme de achterhoede van een achterhoede die zich voorhoede waande. En over zijn collega's strooide de Eerste minister allerlei ornithologische termen uit, de ene al kleurrijker dan de andere. Over zijn vice-premier liet hij zich tenslotte ontvallen dat men zich helemaal niet hoefde te verwonderen dat, als deze excellentie in zijn ministeriële auto naar het parlement reed, het een totaal lege auto was die voor de ingangsdeur stopte. Maar in zijn kritiek op de oppositie had de premier het bij het rechte eind, zo vervolgde de krant. De premier beschouwde de leider van de oppositie als een nodeloos zoemende mestvaaltvlieg, ook al omdat die ooit in de Kamer had verklaard dat de enige schone bank in ons land de mestbank was. Andere zoölogische vergelijkingen waren evenzeer ter zake: de leider van de oppositie was nu eens een angsthaas, dan weer een aasgier, en in het beste geval een listige slingeraap, maar hij eindigde steeds in vrije val. De man handelde bijzonder ondoelmatig: hij probeerde een nagel te slaan in een waterstraal, erger, zonder overtuiging soep te eten met een vork. En de premier - steeds volgens dezelfde krant - voegde er fijnzinnig aan toe: `Ik maak nooit ruzie met een dwerg. Want hij zal je enkel onder de gordel schoppen. Die man is bovendien in staat zijn sigaret uit te duwen in mijn nek.' Van een ander vooraanstaand oppositielid had hij gezegd: `Deze man is met zijn tijd meegegaan en sedertdien heeft niemand hem nog teruggezien.' En de politieke hoofdredacteur beëindigde zijn artikel als volgt: `De huidige Eerste minister is onvervangbaar. Hij spreekt de waarheid maar deelt ze slechts mondjesmaat uit, omdat de waarheid niet gemakkelijk verteert en met omzichtigheid moet worden toebedeeld. De waarheid bevat immers een springlading die de samenleving kan opblazen. Wijselijk neemt de premier ook vaak het gegeven woord terug, om het vervolgens aan anderen uit te kunnen delen. Want velen in onze samenleving dorsten naar de waarheid en begrijpen onvoldoende dat er voor iedereen voldoende moet zijn. De moderne technologie maakt het steeds meer mogelijk om de waarheid te vermenigvuldigen, dankzij haar miniaturisatie. Er wordt ongetwijfeld te weinig gedaan om de kleinschalige waarheid aan te moedigen. De regering zou haar geloofwaardigheid verhogen indien ze de waarheid positief zou discrimineren door haar meer te subsidiëren dan de leugen. Met deze premier hebben we geen minister van Waarheid nodig, maar in een volgend kabinet moet ernstig overwogen worden een ministerie van de Waarheid in het leven te roepen. En bij een volgende grondwetsherziening zou, naast het recht op arbeid, op rust, op promotie en op zon, nu ook het recht op waarheid moeten worden ingevoerd. De Eerste minister neemt een historische verantwoordelijkheid op zich wanneer hij resoluut beoogt de samenleving die een wespennest is, om te turnen tot een bijenkorf. Met grote beginselvastheid weigert de regeringsleider het doodslied van de twintigste eeuw aan te heffen. Zangkoren mogen hem begeleiden.'

    Dit artikel van de hand van de hoofdredacteur van het meest gezaghebbende, want meest staatsbehoudende dagblad van het koninkrijk, verwekte sensatie bij hen die tussen de regels lazen en het zette heel veel kwaad bloed. De premier vermoedde dat het zogenaamde duidingsartikel geïnspireerd was door een vooraanstaand lid van zijn eigen partijbureau. Dat zoiets gebeurde was helemaal geen zeldzaamheid, maar het wees wel op toenemend verzet tegen zijn beleid. Niet tegen zijn persoon, want dat was steeds het geval geweest. Premiers werden in de eigen partij steeds uitgespuwd. Nu echter was de zaak veel erger. De premier diende zeer op zijn hoede te zijn. Hij herinnerde zich de anecdote die Boris Jeltsin hem ooit had verteld. Het ging om een gesprek tussen twee agenten van de KGB ten tijde van Stalin. `Wat denkt U van het communisme?' vroeg de eerste agent, die commandant was, aan de tweede, die slechts kapitein was, in een bui van vertrouwelijke omgang. `Hetzelfde als U,' antwoordde de kapitein heel behoedzaam. `Dan zie ik er mij toe verplicht U stante pede aan te houden wegens hoogverraad,' repliceerde de commandant.

    De premier begon te vrezen dat samenzweerderig gekuip en onuitgesproken misnoegen zich als schandelijke ziektes, waarop men later trots kon zijn, onder de leden van het partijbestuur verspreidden. Hij kende het vervolg. Politieke vadermoorden waren in de partij van de premier even frequent als de rituele mensenoffers van de Maya's in Yucatan. Alleen hadden ze hier niet plaats voor een joelende menigte op de top van een altaarpiramide, maar tussen twee geluiddempende deuren in de Tweekerkenstraat, een plek bekend om haar oude religieuze tradities en haar verheffing tot de eer der altaren van verdienstelijke martelaren. Want er waren ook onverdienstelijken, die zich totaal nutteloos lieten folteren en afslachten.

    De Eerste minister besefte dat hij het initiatief opnieuw in handen diende te nemen. Zoals president De Gaulle op het hoogtepunt van de mei-revolte in 1968 te Parijs stiekem het Elysée had verlaten en steun was gaan zoeken bij generaal Massu op diens hoofdkwartier in Wiesbaden, zo ook verliet de premier sluipend zijn kabinet in de Wetstraat. Zijn zoon was hem aan de achterzijde komen ophalen in zijn kleine Japanse auto. De Eerste minister reed in het volle daglicht naar zijn privé-woning, waar hij door zijn vrouw, die even verrast opkeek, werd verwelkomd. De staatsman vroeg een kop sterke koffie en gaf opdracht aan zijn vrouw onder geen beding de telefoon op te nemen. Vervolgens ging hij wandelen in zijn tuin. Om 17.00 uur werd op de radio gemeld dat de Eerste minister spoorloos verdwenen was. Om 19.00 uur suggereerde een journalist dat een ontvoering niet kon worden uitgesloten. Via de mobilofoon had de Eerste minister de minister van Landbouw gecontacteerd, hem op het hart drukkend hierover aan niemand iets te zeggen. Hij vroeg hem dringend naar hem te komen op zijn privé-adres. Beide mannen behoorden tot dezelfde partij en vertrouwden elkaar. Een uur later belde de landbouwminister aan. Na wat plichtplegingen met de echtgenote van de Eerste minister, trokken de twee heren zich terug in het studeervertrek van de regeringsleider, waar de dossiers en de boeken chaotisch op de vloer lagen. De premier viel onmiddellijk met de deur in huis: `Frans, er is een schandaal!' `Hoezo?' reageerde de minister verbaasd. `Ja,' zei de premier zeer kordaat. `Er is een groot schandaal in de melksector.' `Ik weet van niets,' zei Frans. `Dan weet je het vanaf nu,' vervolgde de premier, steeds meer affirmatief. `Het gaat om fraude, invoer- en uitvoerheffingen van de Europese Unie, die worden misbruikt, afgeleid, dubbel en driedubbel betaald, enz... Het is een geval van misbruik van overheidsgelden, oplichting, knevelarij, valsheid in geschrifte, corruptie, heling, afpersing, invloedzwendel, witwassen van zwart geld, en noem maar op. Het betreft een miljardenzaak. Verdachten zijn er. Maar nog geen echte daders. Politieke invloeden blijken ook meegespeeld te hebben, zeker van de kant van een drietal partijen. Kortom, de grootste melkfraudezaak sedert Romulus en Remus melk poogden af te snoepen van de Etruskische wolvin. U herinnert zich toch!' Frans bleek hiertoe niet in staat, wat de premier had verwacht. En hij dramde door. `Gelukkig zijn onze partijmensen er niet bij betrokken, waarschijnlijk vanwege hun zaligmakende naïviteit!'

    `Ik ga meteen mijn inspectiediensten verwittigen,' zei de minister van Landbouw. `Neen, in godsnaam, doe dat niet. Deze affaire is van dien aard dat zij de huidige politieke impasse kan doorbreken. Het is een galactische deus ex machina die de aandacht van de media, en dus van de politieke wereld, volledig gaat afleiden van de hervorming van de sociale zekerheid. Zo winnen we tijd en kan ik over mijn voorstellen in het geheim met onze partners onderhandelen, dit wil zeggen ze door hun strot rammen zonder ze pijn te doen. We moeten tegen morgenvroeg het schandaal laten uitlekken in de pers. U, Frans, op wie ik steeds heb kunnen rekenen, jij, beste vriend, jij kiest de meest versufte en onnozele van je medewerkers uit. Die heb je ongetwijfeld, zoniet, moet je er dringend een paar aanwerven. Die laat je door je kabinetschef een nota overhandigen over het melkschandaal met het verzoek dit door te spelen aan de hoofdredacteur van "De Wereldkrant".'

    `Maar die hebben ons steeds bestreden en op een schandelijke manier beklad. Daar werken geen journalisten. Enkel schriftvervalsers, rioollepelaars, drekkanoniers, schijtlaarzen. Sorry, ik verlies mijn zelfbeheersing als ik bedenk wat die "inktsekten" ooit over mij hebben durven te schrijven.' `En over mij dan!' onderbrak de premier. `Maar juist omdat ze ons zo schandelijk door het slijk hebben gesleept, zullen we hen thans kunnnen gebruiken. Felix culpa, als je begrijpt wat ik bedoel. Daardoor zijn ze juist nuttig, want onverdacht. Niemand zal ons verdenken zulk een explosief document door te hebben gespeeld aan een dergelijke snertkrant. Doe het gelijk, onmiddellijk, subito presto, stante pede,' zei de Eerste minister die van Latijn hield, naarmate steeds minder mensen het verstonden.

    `Ja, maar ik heb geen document. Geef mij het uwe.' `Ik heb er evenmin een,' haakte de premier in. `Je moet het zelf opstellen aan de hand van de gegevens die ik je heb medegedeeld. Een grote fraudezaak in de melksector schommelt, statistisch geraamd altijd tussen 5 en 10 miljard fr. Rond aan de bovenkant af! En snel. We hebben geen minuut te verliezen. Zich van tijd vergissen in de politiek is veel gevaarlijker dan in de grammatica!'

    `Goed, premier,' zei de landbouwminister, `zelfs zeer goed. Ik heb het begrepen.' Hij ging staan. `Ik heb toevallig gisteren op het runderendéfilé van Nederachteroverwichelrode dat zoals steeds, na het schouwen van het vee, door een gezamenlijke maaltijd werd gevolgd, een stichtend verhaal gehoord over Machiavelli. Het heeft niets met onze huidige situatie te maken, maar het is leuk. De schrijver van "Il Principe" ligt op zijn sterfbed. Een priester wil hem de laatste sacramenten toedienen en zegt: "Signor Machiavelli, U was tijdens uw leven, dat nu teneinde loopt, van een bedenkelijke amoraliteit, die U door de duivel werd ingegeven. Ik geef U de raad de duivel af te zweren, vooraleer ik U de absolutie kan geven." Machiavelli, die op zijn lijdenssponde lag met gesloten ogen, zei niets. Toen opende hij één oog en fluisterde: "Mijnheer pastoor en goede vriend, ik denk niet dat dit het ogenblik is om nog meer vijanden te maken."

    `Ziedaar een minister van Agricultuur, die ook cultuur heeft. Prima Frans. Ik hoop dat je mij niet in de rol ziet van Machiavelli, want dan ben jij mijn duivel! In ieder geval lees ik morgen in de krant wat je er terecht van hebt gebracht!' besloot de premier.

    Clara Titus-Wieck had haar eerste opdracht tot een goed einde gebracht. Er was een volledig akkoord getekend tussen de kabinetsmedewerkers over de berekening van een armoede-index en de mogelijke invoering van een armoedebestrijdingsbelasting. De kans was nu zeer groot dat de ministers hun medewerkers zouden volgen. Daartoe dienden ze tenslotte. De voorbije dagen hadden haar mentaal en fysiek uitgeput. David onthaalde haar minzaam en begrijpend. Hij had zelf een maaltijd in mekaar geklust, die door een hongerige Clara schrokkend werd verorberd. Na het avondmaal maakten ze nog een fietstocht naar het bos aan de rand van de stad. Het was fris en helder en de nog kale lentetakken van de bomen vormden een geëtst ragwerk tegen de lichtroze hemel. Plots stopte Clara midden op het bospad. David, die haar volgde, was verplicht van zijn fiets te stappen. Zij draaide zich om en zei: `Ik weet wel wat ik doe en hoe ik het doen moet op het kabinet. Maar ik weet niet waarom ik het doe en wat de zin is van wat ik doe en niet doe.' Deze zelfondervraging verwonderde David niet. `Ik ben in dezelfde toestand. Ook ik stel me dezelfde vragen. Het zou erg onrustwekkend zijn indien we die vragen niet zouden stellen. En het beantwoorden ervan duurt wellicht het hele leven. Wij, lieve Clara, hebben twee levens lang om met onszelf in het reine te komen.'

    Die avond, na hun terugkeer, ontstonden tussen hen beiden tijdloze momenten die de uren, de minuten en de seconden op het ritme van de tijd aan elkander regen. Clara en David, vurig van lusten en gegrepen door het geheim van hun wederzijdse aantrekking, leefden dan even voor eeuwig tussen de eb en de vloed van overgave en verovering, van zaligheid en kwetsbaarheid, weerloos aan elkander uitgeleverd en toevertrouwd. In de schaduw van de nacht, het uur van de ultieme geborgenheid aangebroken, ademden zij over de poreuze huid van elk ogenblik. Hun ogen glansden, verlangend en vol verwachting, in onverklaarde spiegelzalen, vol kleine verhalen van nabijheid en het samen belijden van onmacht en het wonder van het samen-zijn. Zij hadden elkanders werelden verkend. Hun kreeftskeerkringen van beperktheid en eindigheid opgeteld. Hun weemoed 's avonds afgewend. Hun dromen 's ochtends naverteld. De zinsverbijstering die zich van hen meester maakte, wees hun de weg en leek een verborgen poort voor hen te openen en die uitgaf op de klaarte van wat echt en enkel zinvol was.

    De volgende ochtend was Clara stipt op haar post. Reeds in haar badkamer had ze het radionieuws gehoord dat in grote opmaak het bericht bracht van het melkfraudeschandaal. Vooral de betrokkenheid van verscheidene politieke partijen en van allerlei politici kreeg aandacht. De nieuwslezer noemde in één adem de namen van alle ministers van Landbouw van de laatste twintig jaar. Ook de voorzitters van de grote landbouworganisaties werden in verband met deze onverkwikkelijke zaak vermeld. Op de radio, die Clara in haar auto kon ontvangen, hoorde ze reeds de verontwaardigde logenstraffingen van een hele reeks oud-ministers van Landbouw, waarvan het bestaan plots uit de vergetelheid werd getild. De krant "De Wereldkrant", die met de primeur had uitgepakt, bracht een reuzenkop over de hele frontpagina: `Zwarte melk bemorst politici.' Op de binnenpagina's werden de facsimiles gepubliceerd van de nota, die door toedoen van de minister van Landbouw was uitgelekt. `De Avondkrant' van haar kant pakte in grote opmaak uit met de boodschap: `Melkzee vloeit in oceaan van corruptie' en de editorialist schreef een lang artikel onder de hoofding: `Weinig ministers en parlementsleden gaan vrijuit.' `De Middagbode', een krant voor de vrouw aan de haard, kopte: `Ze hebben allemaal aan de uier geslurpt.'

    De Eerste minister, kalm en sereen, verscheen opnieuw in de Wetstraat. Ondervraagd over het melkschandaal zei de bewindsman dat de justitie haar werk moest doen en dat hij bij gebrek aan enige kennis van het dossier, niet de minste verklaring kon afleggen. Op slag werd het Sociale Zekerheidsdossier zowel door de media als door de politieke wereld naar de achtergrond geschoven. In het parlement heerste de sfeer van de grote dagen. De media roken bloed. De televisiecamera's zoemden en de kamerleden repten zich naar hun banken om zich te laten zien, ook aan hun echtgenote in de huiskamer als die 's avonds naar het televisienieuws zou kijken. De premier had Clara gevraagd met hem mee te gaan. Ze mocht plaatsnemen op de tribune die in de Kamer voor de `medewerkers van de ministers was voorbehouden. In het halfrond heerste een soort aquariumlicht waarin vreemdsoortige politieke vissen van diverse pluimage rondzwommen. Ingewijden fluisterden dat er ook kaaimannen bij waren, zoals weldra zou blijken.

    De Eerste minister, ondervraagd door de oppositie, hield een korte uiteenzetting, waarin hij aankondigde dat de minister van Landbouw de hele zaak zou toelichten. Bovendien wenste de premier volledige klaarheid in deze duistere affaire en zou hij helemaal geen bezwaar hebben tegen de oprichting van een bijzondere onderzoekscommissie. Hiermede wierp hij het parlement een kluif toe waaraan de volksvertegenwoordiging maanden, eventueel jaren kon knagen en gaffelen.

    De Eerste minister had zijn collega en vriend, de minister van Landbouw, gevraagd een zo lang mogelijke toespraak te houden, teneinde het debat maximaal te rekken en de media, dankzij allerlei duisterheden, gedurende dagen voedsel te geven. In dit soort oefeningen was de minister een onovertroffen meester. Hij hield een uiteenzetting van tweeëneenhalf uur en werd daarbij slechts één keer betrapt op het gebruiken van een rationeel argument, en dat was dan nog ongewild. Hij zei dat hij gekant was tegen elk doemdenken, maar dat hij een groot voorstander was van doedenken en dat hij dat in dit akelige dossier ten overvloede zou bewijzen. Toch waarschuwde hij voor de lichtzinnigheid van veel landgenoten met het gevleugelde woord: `De Belgen zijn gerust maar de Russen zijn gebelgd,' een uitspraak die evenwel in het Kremlin totaal ongemerkt voorbijging. Dat er zoveel gefraudeerd werd op alle gebieden, schreef hij toe aan de toename van het aantal moreel gehandicapten, voor wie dringend sociale voorzieningen moesten worden uitgewerkt. Over de afloop van de hele zaak wilde hij niets kwijt. Hij waagde zich in principe nooit aan voorspellingen. Want als men fout voorspelt, zal niemand het vergeten en als men juist voorspelt, zal niemand het zich herinneren. Maar in deze aangelegenheid was het wel de hoogste tijd de koe niet langer bij de uier, maar wel bij de horens te grijpen. Vervolgens las hij ellenlange verslagen voor over de technieken van melkvervalsing, -versnijding, — verwatering en -verwerking. Hij repte er uiteraard met geen woord over dat deze bescheiden, voorzien van talrijke administratieve stempels, afkomstig waren van het Kabinet van de premier en van het zijne. Naar verluidt waren ze opgesteld door de chauffeur van de adjunct-kabinetschef, die zelf een melkkoe bezat, maar die het melken had verzaakt toen hij op een mooie ochtend een klap van de uier had gekregen. Thans was deze taak toevertrouwd aan zijn jongste dochter, die piano studeerde aan het conservatorium en die vingeroefeningen nodig had.

    De minister versprak zich toen hij in zijn finale uitriep dat de toestand wel degelijk hopeloos, maar geenszins ernstig was. Evenwel werd deze verbale glijpartij door niemand opgemerkt, omdat de bewindsman op dit onfortuinlijke moment al drie uur lang het sprekersgestoelte bezet hield. Alleen Clara, die wakker als altijd het debat volgde, kon een inwendige lachbui nauwelijks onderdrukken en verbergen onder een niesbui. De minister kreeg een staande ovatie van de meerderheid, waarvan nog twee leden in de zaal aanwezig waren, terwijl hij met een grote boerenzakdoek — wit veld en rode stippen — zijn druipend voorhoofd afveegde. In de wandelgangen werd betoogd dat de minister gelukkig andermaal niets had gezegd maar, dat hij het zeer goed had gezegd.

    De oppositie opende alle registers. De eerste spreker poogde de landbouwminister belachelijk te maken en hij vergeleek de verbetenheid van de minister met het gedrag van een kettinghond die zo fel aan zijn keten rukte dat hij dreigde zichzelf te onthalzen. Wat door iedereen zou worden toegejuicht, voegde hij er smalend aan toe. Een andere opposant vond juist dat de minister getuigde van schuldige passiviteit. In het verleden had de bewindsman nooit wat gedaan. Gouverner c'est prévoir. `In een land als het onze was het uitbreken van een groot fraudeschandaal perfect te voorzien. Maar de minister had deze nare waarschijnlijkheid systematisch uit zijn agenda verwijderd. Dit is politieke vruchtafdrijving,' suggereerde hij delicaat, terwijl de televisiecamera's aanfloepten. Hij voegde eraan toe: `U bevindt zich nu in de toestand van de vrouw die de afgedreven vruchten van haar vorige zwangerschappen schaamtevol bewaart in bokalen met sterk water.' Toen de voorzitter van de vergadering vond dat deze vergelijking te ver ging en het achtbare lid vroeg zijn woorden in te trekken, antwoordde hij dat hij graag bereid was het sterk water te vervangen door gefraudeerde melk. De volgende redenaar verkondigde van meet af aan: `Collega's, het is een waarheid als een koe dat wie werkt als een paard bewijst dat hij een ezel is,' een uitspraak waarmede hij zich blijkbaar op grond van zijn gedegen dierenkennis, kandidaat wilde stellen voor de functie van landbouwminister. Inmiddels doelde hij met zijn dierenspreuk op de laksheid van de minister, die hij vergeleek met een schildpad onder narcose.

    Een andere spreker nam met openstaande kraag op de tribune plaats, zodat zijn behaarde borst zichtbaar werd. Bij nadere beschouwing bleek bovendien dat hij een haaientand, aan een veter vastgemaakt, om zijn hals had hangen. De tand zwiepte gezellig heen en weer bij de geringste beweging van de handenwringende spreker. De man begon — vreemd genoeg — met hulde te brengen aan de minister, omdat hij blijkbaar de waarheid had gezegd. Maar hij voegde er onmiddellijk aan toe dat als een minister van het huidige kabinet de waarheid sprak, dit moest worden toegeschreven aan een toevallige vergissing, aan een moment van verstrooidheid of gewoon aan het verlies van zijn zelfbeheersing. De minister was derhalve te overwerkt om verder nog op efficiënte wijze zijn ambt uit te oefenen. Enkel zijn ontslag kon de geloofwaardigheid en doelmatigheid van het landbouwbeleid in stand houden, in een tijdperk dat de rechten van het dier en ook bepaalde vormen van zoölogisch medebeheer hoog in het vaandel werden geschreven. `Misschien komt de tijd dat men het nuttig zal oordelen een dier — een verstandig paard of een afgerichte hond — in de regering op te nemen, om te beginnen als minister zonder portefeuille.' Hij was echter bereid de regering te helpen. Hij behoorde vanuit de oppositie tot het ras der dwarsliggers. Die zijn nodig, zoniet rijdt de trein niet. Maar hij was eveneens een potentiële bruggenbouwer, want zonder bruggenbouwers zou de trein in het ravijn rijden. Ten slotte richtte hij een plechtige waarschuwing tot het kabinet: `Als u poogt deze zaak in de doofpot te stoppen, dan beloof ik U dat de doofpot een kruitvat zal worden.'

    Een talentrijk redenaar van een kleine scientologische partij, die een feilloos gevoel had voor het verkeerde moment, citeerde een variant op het bekende syllogisme van Parmenides, dat evenwel in het halfrond veel vraagtekens op deed rijzen. `Alle politici zijn leugenaars,' zo begon hij. `Ik ben een politicus. Dus ben ik een leugenaar.' Deze verklaring leverde hem heel wat succes op in het halfrond, maar hij vervolgde: `Ik lieg derhalve wanneer ik zeg dat ik een leugenaar ben. Dus spreek ik de waarheid. Bijgevolg is een politicus een wezen dat de waarheid spreekt ook als het liegt.'

    Deze uitspraak werd op nog luider gejuich onthaald en verwekte grote opluchting op alle banken. En hij vervolgde: `Poog dus niet krampachtig de waarheid te vertellen, mijnheer de Eerste minister. Want dan zult U zeker afdwalen van het pad der rechtlijnigheid. Geef uw natuur en aanleg de vrije loop. Neem een loopje met de waarheid en zie, de waarheid zal als vanzelf opwellen uit uw doorluchtige mond. Maar vergeten wij nooit dat niets ooit helemaal waar is, ook mijn laatste uitspraak niet.' Deze laatste bekentenis van de redenaar was het enige waarheidsmoment van het hele debat, maar het werd door niemand opgemerkt.

    Een vrouwelijke volksvertegenwoordiger ging op de tribune staan, gehuld in een keukenschort om te onderstrepen dat het uiteindelijk de vrouw aan de haard en in de keuken is die het laatste oordeel moet vellen over de degelijkheid van onze eetwaren. Op een bepaald ogenblik, midden in haar toespraak, begon ze haar schort af te doen, bevangen door een warmte-aanval. De voorzitter van de vergadering, die hoog boven het sprekersgestoelte troonde, boog zich vertederd voorover en zei tegen de spreekster, die blijkbaar aarzelde haar schort verder af te doen: `Gaat U verder, Mevrouw. Geneer U niet.' Een dag later werd door een lid van de kleinste oppositiepartij een klacht neergelegd tegen de voorzitter wegens ongeoorloofde intimiteiten en seksuele opdringerigheid. Maar inmiddels had de strijdlustige dame haar toespraak nog niet beëindigd. Ze betoogde dat ze zich in dit dossier wenste te profileren en dat ze `nog twee puntjes had die tot op heden door niemand waren aangeraakt.' De twee puntjes bleken betrekking te hebben op enerzijds de kistkalveren en anderzijds de fokzeugen en hun respectievelijke invloed op de volksgezondheid. Zij besloot met erop te wijzen dat de meerderheid wellicht zou overwinnen omdat ze de macht had, maar dat ze nooit zou overtuigen omdat ze ongelijk had.

    Zevenënvijftig sprekers volgden elkaar op het spreekgestoelte op. Het debat duurde drie dagen. De allerlaatste spreker verkondigde dat de Eerste minister zoals gewoonlijk open deuren had ingestampt, terwijl hij wilde doen geloven dat hij triomfbogen had opgericht. Bovendien zette hij zich af tegen de lichtzinnigheid waarmede het witwassen van zwart geld werd goedgepraat, vooral als het van zwarte melk afkomstig was. De redenaar wond zich erg op en liep rood aan toen hij uitriep aan het adres van de regering: `U maakt van de parlementairen een bende ongeïnteresseerden, geleid door onbekwamen, die hen verplichten onnuttige dingen te doen voor een bende ondankbaren. Spreker herinnerde aan de historische oorsprong van het Latijnse gezegde: l'argent n'a pas d'odeur. De uitdrukking gaat terug tot de tijd van de Romeinse keizer Vespasianus. Die hief een belasting op urine, die als afbijtproduct gebruikt werd in de leerlooierijen. Toen zijn zoon, Titus, die belasting toch wel wat gortig en overdreven vond en hierover zijn beklag deed bij zijn keizerlijke vader, haalde die een Romeins muntstuk uit zijn geldbeugel en hield dit onder de neus van Titus, met de opmerking: "Geld ruikt niet." Welnu, collega's, geld ruikt wel. Soms stinkt het. Zelfs vers geld ruikt, net zoals verse vis. Reukloos geld zal nooit worden uitgevonden.' Tot slot sprak hij nog in dezer voege een gevleugeld woord uit: Le pouvoir n'est pas à prendre; il est à ramasser. Deze uitspraak vloog in het halfrond rond maar werd verminkt door oververmoeide tolken, die niet `pouvoir' maar `bouilloire' hadden begrepen. De tweetaligen applaudisseerden, de ééntaligen protesteerden heftig tegen de gevoerde keukentaal en de nultaligen bleven bij dit alles onverstoord.

    De premier nam nog kort het woord tot afronding van de hele zaak. Hij zei dat hij de bedoeling had te spreken zonder wat dan ook te zeggen. Wat echter niet wilde zeggen dat hij niet de bedoeling zou hebben een paar opvallende, kleine beleidsveranderingen door te voeren, teneinde niets aan het essentiële te veranderen. Deze verklaring lokte grote bijval uit en de meerderheid was niet spaarzaam met haar applaus. Hij stelde dat veel gemeenplaatsen waren betreden en dat het belijden van partijstandpunten het voordeel heeft dat je niet langer hoeft na te denken. Onder instemmend gemompel ging de premier verder met de stelling dat geen enkele politiek zonder risico was, maar dat er ook een beleid bestond zonder kans. Een kansloos beleid wilde hij niet voeren. `Met alle Chinezen, maar niet met de deze,' voegde hij er populistisch aan toe. Op dat ogenblik begon de ambassadeur van de Chinese Volksrepubliek, die op de diplomatentribune had plaatsgenomen, aan het opstellen van een diplomatieke protestnota die hij de volgende dag, na goedkeuring door het politbureau van de Chinese KP in Bejing, aan de premier zou laten overhandigen.

    Tot de meerderheid zei de Eerste minister: `Ik ben te oud om jullie zwaard te zijn. Maar laat mij dan, tijdens de volgende decennia, jullie schild zijn.' Daarna richtte hij zich tot de minderheidspartijen en riep hen op samen te strijden `tegen de maffiacratie, ook als deze naar melk ruikt. Enkel een ethisch beleid leidt naar het rechte pad.' En hij vervolgde: `Het voordeel van het rechte pad is dat je er niet veel volk ontmoet, dat er zich geen verkeersopstoppingen voordoen en dat je er nooit tegenliggers hebt.' Deze laatste uitspraak van de premier gaf aanleiding tot heel wat vertrouwelijk oorgefluister in de zaal. Maar hij hernam: `In de Koran staat geschreven: Vandaag druk ik met een glimlach de hand die ik volgende week af zal laten kappen. Welnu, collega's, U mag er steeds op rekenen dat ik altijd bereid zal zijn naar ieder van U en dus ook naar de leden van de oppositie de hand, mijn hand, die van de regering, zonder achterbakse ideeën, uit te strekken.

    Ik verkies de dialectiek van het compromis boven die van het conflict. Want met de gesloten vuist kunnen wij niet zaaien. En tussen totem en taboe is er geen doorgang. Het ergste is dat het ergste nog moet komen. De waarheid is dat de toestand eerst moet verslechteren vooraleer hij kan verbeteren.

    Maar dit is geen reden om in te gaan op het voorstel van de oppositie om het parlement te ontbinden en verkiezingen uit te schrijven. Ik zeg dat de leden van de oppositie slechts verkozen kunnen worden als de toestand verslechtert en de toestand kan slechts betekenisvol verslechteren als de oppositie verkozen wordt. Het is onze taak, vanuit de meerderheid, deze impasse te doorbreken. Ik heb U slechts zweet, tranen en gemorste melk te bieden. In onze elleboogsamenleving is de politiek er niet om het geluk van de mensen te behartigen of te verwezenlijken. De politiek is er wel om hun ongeluk te voorkomen.'

    Een enthousiaste meerderheid veerde overeind en bracht een langdurige staande ovatie aan de premier, die zich kon veroorloven te gaan zitten. Een lid van de meerderheid, filoloog van vorming, die voorzitter was van de vereniging voor de bevordering en de eerbiediging van de `subjonctif passé' in de Franse taal, ook door de Vlamingen, riep uit, aan het adres van de premier, die hij al twintigmaal het lidmaatschap van zijn vereniging had aangeboden: `Rien ne manque à sa gloire. Il manque à la nôtre.'

    De volgende week was volledig in beslag genomen door een complexe discussie over de oprichting van een bijzondere onderzoekscommissie die het melkschandaal `tot op het bot moest uitspitten'. Het voorstel werd van de ene kamercommissie naar de andere gesleept. In één commissie werd bijna een consensus bereikt toen bleek dat een partijloos ambtenaar bereid was als secretaris te fungeren. Het ging om een persoon die zodanig aan slapeloosheid leed, dat hij zelfs tijdens de commissievergaderingen de slaap niet kon vatten. Deze zeldzame kwalificatie voor commissiewerk verloor echter haar overtuigingskracht toen bleek dat een bevoegdheidsconflict met de Senaat gerezen was. Kamerleden en senatoren grepen naar het `woordenboek der scheldwoorden' en ontdekten dat het woord collega de overtreffende trap was van klungelaar, beunhaas, hansworst, onbekwame lammelot, scheve schaatsrijder, intellectuele schuinsmarcheerder, maffiocraat, smeerpruim, politieke vriend en ten slotte... collega — al dan niet beste, predikaat, voorbehouden voor partijgenoten. Dit alles tot grote voldoening van de premier die er steeds beter in slaagde de aandacht af te wenden van de echte problemen: de begroting en de sanering van de sociale zekerheid.

    Wat het laatste probleem betreft werd de term `sanering' nooit in de mond genomen, of die nu van hout of van vlees was. Verhullend woordgebruik had het over `het behoud of het veilig stellen van de verworvenheden van het stelsel van sociale zekerheid' of over de `modernisering van het stelsel'.

    De media van hun kant, opgesloten in de kooi van de dagelijkse berichtgeving, werden door handige kabinetslui geregeld gevoed met hompen nieuwsvlees dat ze tot op het bot konden afknarpen. Zo bleef het melkfraudeschandaal in de krantenkoppen en vooraan in het televisiejournaal.

    Tegen de zomer evenwel begon de aandacht te verzwakken. De media konden niet blijven tappen uit een leeg vat en de verbeelding op het kabinet van de Eerste minister raakte stilaan uitgeput. Voor de premier was het echter van vitaal belang tijd te winnen tot na de grote vakantie, om dan met de ernstige dossiers naar buiten te treden. Hij liet derhalve de minister van Justitie bij zich komen, die zijn benoeming aan de premier te danken had. `Collega,' zei de premier, die zijn gesprekspartner met deze aanspraak zeer flatteerde, `er is iets gaande met het melkschandaal. Het sleept zich nu reeds drie maanden voort en tot op heden heeft de rechtbank geen enkel geloofwaardig spoor gevonden. De justitie tast in het duister. Dit is heel gevaarlijk voor de democratie. Ik vraag mij trouwens af of er geen invloeden spelen die beogen dit onwelriekende dossier toe te dekken. Je hoort dat ik voorzichtig ben en mijn vermoeden voorwaardelijk uitdruk. Ik vind dat we dit vermoeden moeten laten bevestigen door de pers. U moet ze wat te slikken geven, want ze krijgen honger. Er moet mediadruk ontstaan op de regering en het parlement. Dit zal ons dwingen om een nieuwe parlementaire onderzoekscommissie op te richten, naast de bestaande over de grond van de zaak, om na te trekken hoe het komt dat in dit dossier nog steeds geen schuldigen zijn aangewezen. Zorg ervoor, dankzij uw welbekende handigheid, dat de Kamer van Volksvertegenwoordigers op eigen initiatief de oprichting goedkeurt van een ruime "uitspittingscommissie".'

    De minister van Justitie had snel door waarover het ging. De volgende ochtend reeds schreven drie kranten dat twijfels rezen over de wil van het gerecht om het melkfraudeschandaal op te helderen en de Augiasstallen van de veehouders uit te mesten. Diezelfde week nog werden parlementaire vragen gesteld. De minister van Justitie gaf antwoorden die zo dubbelzinnig waren dat ze aanleiding gaven tot de grootste argwaan. De enige goede beslissing was een nieuwe onderzoekscommissie aan het werk te zetten. De vergaderzalen in het parlement waren volbezet, maar de minister van Begroting had er geen bezwaar tegen dat voor de duur van haar werkzaamheden de fraudecommissie zich zou vestigen in de comfortabele zaal van de commissie van Financiën en Begroting, met als onvermijdelijk gevolg dat deze laatste commissie gedurende tenminste drie maanden zou worden stilgelegd.

    De nieuwe onderzoekscommissie werd onder grote mediabelangstelling geïnstalleerd. Drie zittingen werden gewijd aan haar definitieve samenstelling en de te volgen werkwijze. Uiteindelijk werd besloten om iedereen die van ver of van nabij met het melkschandaal te maken kon hebben, te horen. De volgende weken werden getuigen in speciale autobussen aangevoerd. Hoge ambtenaren kwamen in hun dienstwagens, of met de metro tijdens de spitsuren. Er waren ook de tientallen voormalige ministers van Landbouw, waarvan sommigen in rolstoelen werden binnengereden, onder begeleiding van de geneesheer van het parlement, die in bepaalde gevallen infuusflessen boven hun zitplaatsen had laten bevestigen. Een paar oud-ministers waren trouwens overleden en waren bij vergissing uitgenodigd. Uiteindelijk werd aanvaard dat hun kinderen en kleinkinderen konden worden ondervraagd. Talrijke uitbaters van melkerijen, fabrikanten van platte kazen, yoghurts en karnemelken werden naar de commissiezaal geloodst, alwaar de verwarring steeds groter werd. Wat trouwens volgens de ingewijden ook de bedoeling was. De laatste reeks getuigen betrof de marktkramers en kaas- en melkverkopende kruideniers. Toen zij in het parlement de commissievergaderzaal naderden, kon hun komst reeds in de gang worden opgesnoven, omdat zij de geuren en reuken van hun producten in hun kledij meedroegen. Een aantal vaste commissieleden, vatbaar voor kaasallergie, zag zich verplicht de vergadering te verlaten.

    Tijdens de laatste week van juli deelde de voorzitter mee dat de commissie wegens de enorme hoeveelheid ingezamelde gegevens en informatie, wellicht de hele maand augustus zitting zou moeten houden. Een vooraanstaand commissielid veerde recht en stelde dat de ambtenaren die de werkzaamheden bijwoonden, de hele augustusmaand nodig zouden hebben om een voorverslag op te stellen. In september kon de commissie dan opnieuw bijeen komen teneinde van het voorverslag een definitief verslag te maken. Deze suggestie werd eenstemmig goedgekeurd. Vooraleer met zomerreces te gaan, stelde de voorzitter voor dat de commissie een felicitatietelegram zou sturen naar de eerste ondervoorzitter, die vijftig jaar werd, maar niet aanwezig kon zijn omdat hij deelnam aan een economische missie naar Patagonië en Ushuaïa. De inhoud van het telegram hoefde niet te worden voorgelezen. Maar de voorzitter liet er veiligheidshalve over stemmen. De zeer collegiale verjaardagswensen werden goedgekeurd met dertien stemmen voor, bij zeven tegen en vijf onthoudingen.

    XV

     

    vervolg in het boek zelf: 'De Reis naar dabar'


    top