|
|
Gedichten

-
-
-
KERKHOF
-
-
Soms is elk woord te veel.
-
- Alsof,
waar bladerloze stammen statig
- in de
stilte van dit kerkhof staan,
-
verdriet en droefheid nooit vergaan
- en
rouw en schaamte in elkander overgaan,
- de
schaamte over eigen voortbestaan,
- als de
geliefde heen is gegaan
- en
smart ontaardt, onkarig.
-
- Alsof
steeds zon en licht
- aan ‘t
einde van de cypreslaan
- in een
verdwijnend punt ten ondergaan:
- en
sterven aan lichtvaardigheid,
-
terwijl de schaduwen de graven
-
begraven met hun duisternis
- en
onaanvaardbaarheid.
- De
rechte paden zijn verlaten,
- het
leven schuwt gelaten
- de
meetkunde van de dood,
- een
kansloos spel van lijnen
- met
hoeken uitvergroot
- en
rituelen die steeds wederkeren
- van
bloemen, kransen, tranen
- voor
wie nooit wederkeren.
-
- Alsof
een wind van eeuwigheid
- de
bladeren doet ritselen
- en
ruisen buiten elke tijd
- van
tak tot twijg gewijd:
- één
grote siddering
- voor
een leven dat verging,
-
waarvan enkel het geweest-zijn
- even
blijft beklijven en dan
-
tijdloos zal verzinken
- in de
trechter van de tijd.
-
- Alsof
de regens nooit versagen
- en
nooit het trage leed verjagen,
- dat
tussen bast en schors verteert;
- het
eelt van jaren scheiden, lijden,
- het
leed van afgescheiden zijn,
- dat
elke dag opnieuw de pijn
- als
bittere medicijn serveert.
-
- Alsof
ik je toen zag,
-
gebogen bij je graf,
- een
schaduw van een schim,
-
afwezige aanwezigheid,
- en je
verklaard gelaat,
- voor
mij te laat,
-
genezen en verrezen,
- uit
weifelende hoop
- en het
verwerpen van wat
-
ontoelaatbaar is: de dood.
-
- Je
graf is leeg,
- je
dood in het onvatbaar niet,
-
verzwonden en gestorven,
-
slechts God weet waar.
- En ik,
die naar de kimlijn staar,
- mij
rest slechts mijn verdriet
- het
enige dat niet wil sterven,
- ‘never’, nooit en niet.
-
- Ik zal je naam niet kerven
- in de stammen van de bomen
- die in de stilte van dit kerkhof
- van eeuwig leven staan te dromen.
-
- Mark Eyskens
MIJN HOND
Mijn hond, die hond van mij
die halve mens,
die mij tot anderhalve maakt,
is beter dan mijn beste vriend.
Mijn honds dier is een ouder dier
dan de gebleekte sapiens die ik ben.
Zijn pels ruikt naar de oertijd
en zijn voorhistorisch wolfs bestaan.
Zijn bruine blik boort
schrander in mijn ogen
en als ik luister naar zijn hijgen,
vesta ik ieder van zijn woorden.
Mijn hond is steeds onmenselijk trouw
in liefde en sportiviteit tot in de dood.
Begrijpen doet hij mij,
een half woord volstaat.
Hij is die enkeling, die mij bewondert en waardeert
ook tegen heug en meug,
en vaak volledig onterecht
en mij ontzettend fel bemint,
zoals ikzelf ook steeds mijzelf heb lief gehad.
Zo zijn we nu met tweeën om mijzelf
hartstochtelijk te beminnen.
Mijn hond zal waken op mijn graf
en kreunen, janken, blaffen
huilen in de wind
en razen, razen, razen tegen het sterven
van het licht.
En wie verstrooid voorbij zal gaan
bij het vallen van de nacht
zal denken dat ik het ben
die nog een toepsraak houd,
vooraleer de winden liggen gaan.
8.7.03
SEPTET
Recente gedichten als commentaar bij
natuurfoto's
SNEEUW
- Een eeuw reeds zonder sneeuw,
- het landschap dor en zwart,
- het oude land verdord, dat tart
- de witheid van een leven
- op een hoogte waar nog sneeuw
- de eeuwigheid verwacht.
- De foto is verbeelding,
- virtueel en digitaal verwekt
- en dan computerbijgewerkt,
- één grote zinsbegoocheling,
- te mooi om waar te zijn:
- een bovenaardse sneeuwwoestijn
- van vlokken en kristal,
- die dorstig maakt en smaakt
- naar steeds meer sneeuw
- van vorige eeuw.
- Hoog in de blanke bergen,
- hoor mijn schorre schreeuw,
- hoor mijn onverstaanbaar tergen,
- weerkaatstend in het dal,
- waar sneeuw op sneeuw
- tot modder smelt en smeert
- in het doortrapte tranendal.
- 26 januari 2003
-
-
- De Tuin
-
- De tuin, meetkundig aangelegd,
- vol hagenmuren, die loodrecht,
- met waterpas en schietlood
- zijn gemeten en geschoren.
- Geen rotte plantendood
- is hier een lot beschoren.
- Extreme toewijding van elke dag
- zorgt voor plantsoenen, perken,
- en maakt de stammen witter van de berken,
- als de late zon van elke zomerdag
- te schuine schaduwen laat vallen,
- zo teder, zonder schade,
- op de rechte paden,
- lang en lijdzaam, soms gebald
- tot op een dag de laatste valt.
- Mijn tuin ligt in een ander land,
- waar bomen fel tot in de hemel groeien
- en ranke takken levensaders zijn,
- die heftig naar meer licht verlangen
- en daardoor zachtjes bloedend bloeien.
-
-
- Bogen
Ook al zijn de bogen
in je geest geplant,
en niet in de iris van je ogen,
laat me door je bogen varen,
met mijn verbaasde ogen,
als een die naar verwaaide oorden,
in mist gehulde kusten streeft.
En laat mij staren, staren
naar einders, onbereikbaar,
versluierd en onzichtbaar,
die steeds, zoals de horizon,
zich altijd weer verwijderen,
verborgen voor de zon,
als je tot ze nadert.
Je bogen zijn ontbladerd,
maar sterven doen ze niet,
want sterven houdt ze tegen,
want sterven houdt ze recht.
Geen bogen staan terecht.
De klaproos
De klaproos draagt haar groot
en diep geheim tot zij verwelkt,
geledigd tot de bodem van haar kelk.
Zij kleurt de bloemenweide rood
En bloedt, bespat en vlekt.
Herinneringen aan lang geleden leed
van lijken, die als zaden in het zand,
gezaaid in het lage vlakke land,
de dageraad verwachten na de nacht
en hopen op de oogst en op de pracht
van bloemen, die hun bloemzijn
willen delen met ons menszijn.
9.02.03
De ladder
Een ladder die naar nergens leidt
en toch een bloemklimop verleidt
te groeien naar de hoogste sport
waar alles slaagt en alles schort
en elke waarheid werkelijk wordt.
O! dwaasheid van het groot verlangen
gekluisterd en gevangen
in een verticaal verhaal.
De kleine vlinderrups signeert
het groene lenteblad, muteert
in haar cocon tot wriemelende pop
en rijst uit haar benepen wereld op,
tot ooit een vlinderveugelslag
in hoog besneeuwde bergen,
waar ik mij ging verbergen,
lawines doet ontstaan
en oude werelden vergaan.
STILLEVEN
Een stilleven is een beetje eeuwigheid,
de trieste gang van zaken afgesteld,
de afbraak van de levenscellen stil gelegd.
Geen vruchten die bederven.
Geen enkele appel die nog rot.
Geen bloemen die verwelken.
Geen anjers die nog sterven.
Enkel de geuren zijn verschaald
en in kleuren bont hertaald.
De werkelijkheid heeft vele lagen
Geen enkele die de hele waarheid spreekt
Ik steek verstokt de stok der blinden
in de nachten en de dagen
en hoor het klagen van de winden
in de kale takken van mijn eenzaamheid.
Is er wel leven voor de dood?
Welke goden bieden raadzaamheid?
Is niet elk leven een stilleven?
En missen wij niet steeds opnieuw de boot?
Lichtbloem
Rebellie van het licht,
dat spettert in je aangezicht.
En allergeelste gele bloemen die ik ken
waarvan ik evenwel de naam niet ken,
geheimnisvol, doorschijnend,
gezegend en bevrijdend,
geloken in de luwte van het lover,
ontluikend in de gouden dageraad,
nog huiverend van ochtendvorst en tover,
onkuise geelheid van een bloemrijk creatuur,
te kijk gezet in het uitstalraam van de natuur.
Genade van het licht
en ongenade van de feiten.
De zwaartekracht der dingen
verdringt mijn graalgedicht.
De avond breekt de opstand van het licht,
de wereld sluit zich dicht.
De nacht grijpt weer de macht.
24.02.03
OMDAT WIJ VAN DE AVOND NOOIT GENEZEN...
Omdat wij van de avond nooit genezen,
de uitvaart van het licht reeds s ochtends vrezen,
omdat wij leven tussen licht en duisternis
en wachten op een teken: de belevenis,
omdat wij ooit uit sterrenstof geboren zijn
en van de oneindigheid de samentrekking zijn,
omdat wij leemte zijn en openheid,
omdat wij ruimte zijn en toch geslotenheid,
omdat wij razen als geliefden sterven
en wij van hen slechts dode zielen erven,
omdat wij mogen leven voor de dood
en willen leven na de dood,
omdat wij rusteloos voor anker willen gaan
op een tijd- en bodemloze oceaan,
omdat wij levenslang verlangen,
nooit woonden in beloofde landen
en tot stof en as verbranden,
zal ik,
weer vrij en toch gevangen,
zal ik de avond en de dageraad,
zal ik de dood en de geboorte,
het dubbele verraad,
tweemaal het ongehoorde,
nooit weer verwoorden.

HERWONNEN PARADIJS
Wij waren ballingen vol van genade,
die dag in t vlakke land,dat onverraden
en ongeschonden raakt aan de horizon.
Een lucht van licht, een traag gebed van zon.
En de kanalen van rechtlijnigheid
onder de nevelen van tijdelijkheid.
Geen bomen kreunden onder winden.
De rust was fel. En vroege vrienden
verdeelden uren,dromen en gedachten,
terwijl wij op het teken wachtten.
Zo werden wij opnieuw, die dag, de onbezonnen
verkenners van t verlangde paradijs, herwonnen.
En toen de avond viel over de waarheid van dit land,
de meeuwen mystisch vlogen naar de overkant,
de schaduwen de laatste klaarte hadden opgezocht,
bereidden wij van steeds dezelfde tocht,
een nieuwe fase en een nieuw begin,
op zoek naar de geheime zin
van mensen en van dingen.
Maar vooraleer wij verder gingen,
nog luisterend naar de avondadem
van dit land, vol van genade,
verscheen aan ons de zekerheid
van onze lotsverbonden kwetsbaarheid.
Omdat wij hielden van dit landschap en dit land,
vergankelijk gelegen in Gods hand.
En nog meer van breekbare mensenogen,
die niet logen.

ZWAARTEKRACHT
- Steeds kolkt je weemoed aan.
- Je dromen drogen op, vergaan,
- ontaarden weer in werkelijkheid.
- De dingen dringen diep in je bestaan.
- De dingen kwetsen en begaan
- een aanslag op je innigheid.
- Geef stilte aan je stem.
- Sticht licht en ren
- je schaduw los.
- Ontbind je zwaartekracht,
- bevrijd,verlos
- jezelf van dag en nacht.
-
- ONTFERM JE OVER MIJ
-
- Ontferm je over mij.
- Bedwing mijn wild verlangen.
- Verzorg de wonden in mijn zij
- en zing mijn zeven zwanenzangen.
- Je werelden heb ik verkend;
- je kreeftskeerkringen opgeteld;
- je weemoed s avonds afgewend;
- je dromen s ochtends na verteld.
- Ontferm je over mij.
- Mijn woorden breken in mijn offermond.
- Het onuitsprekelijke komt nabij,
- onzegbaar moeizaam en verwond.
-
- ACHTER DE HORIZON
-
- Gun mij mijn heimwee,
- want de dagen korten,
- en een fel verlangen
- naar de avondzee,
- en naar het storten
- van het licht in zee
- en naar een vaag idee
- van hoe dromen horten,
- breken op de rand
- der dagelijkse dingen.
-
- Ver voorbij het strand,
- achter de horizon
- hoor ik de golven zingen
-
- AFSCHEID VAN EEN ZANGERES
-
- Geen droeviger dan je gelaat,
- zo droomverloren, zo volmaakt
- en ontoelaatbaar teder triest.
- Had je de laatste trein gemist ?
- Zo ernstig en zo herfstig,
- toen de adem van die avond laat
- over je haar en je gelaat
- door je herinneringen streek.
- Totdat het afscheid aangebroken,
- onomkeerbaar onafwendbaar leek
- en de trein van groot verdriet
- net op tijd kwam aangereden.
- Niet de scheiding deed je leed,
- want je blik ging over bergen,
- maar je onuitgestorte lied,
- dat stokkend in je keel zou sterven.
-
- JONGE DOOD
-
- Plots was hij eeuwen oud.
- Zijn blik: een visoog na de vangst;
- een stomme, lekke mond van hout
- en in zijn keel de krekel van de angst.
- Ooit was hij lichtfontein geweest
- toen hij in het gedrang en het gedruis
- zijn zeven levens had gesjeesd
- en in de hof van heden had gehuisd.
- Maar vragen stellen had hij nooit gedaan
- onder de bast van het bestaan,
- tot op de dag dat hem zijn dochtertje ontviel
- en een cirkelzaag haar tanden zette in zijn ziel.
- maar om de juiste vraag zat hij nog meer verlegen.
-
O STERF NIET IN HET ZICHT
DER ZEE
O, sterf niet in het zicht der zee.
Het schuim van golven is slechts schijn
en als de dromen over zijn,
is zelfs geen voetspoor in het zand te vinden.
O, sterf niet aan de rand der zee.
Het tij is niet gekeerd
en tussen stroom en zee,
ligt oeverloos het brakke strand,
onvruchtbaar en bezeerd,
door winden aangerand.
O, sterf niet aan de zoom der zee,
het zout der aarde uitgestrooid
het zoete water opgebruikt
het witte zeil vergeefs getooid
en in je oog het oog van storm op zee.
Poog niet te sterven aan de zee.
De wrakken van het falen,
als hopeloze hinderpalen,
zijn niet geruimd en niet verbrand.
En dagen vol verlangens, onvoldragen
wachten op je wil, niet op je klagen.
Verzaak eraan te sterven langs de zee.
De wolken zwerven loom en laag.
Het licht is grijs en schemert mee,
terwijl de meeuwen schreeuwend
scheren, schril, over een loden zee.
Dus sterf niet aan de rand der zee.
Maar sterf als je nog sterven kunt,
bij voorkeur op de hoge zee.
Omdat je graag gestorven bent
daar waar het licht je wordt gegund,
de horizon steeds verder wijkt,
de schipbreuk een verlossing is,
je dood de enige belevenis.
Sterf zacht in zeeën, onontgonnen,
in zeeën zalig herbegonnen,
doorschijnend, klaar en uitgedund,
totdat je tijd en ruimte achterlaat
in ondagelijkse donker,
waar je verlicht verstild gelaat
een wonder boven wonder
is.

DE EEUWIGHEID BESTAAT
- Omdat zozeer zo laat
- en traag je blikken dwalen
- langs de diep verzonken kimlijn
- van wat nooit of nooit meer
- hier en nu en naderbij zal zijn,
- verdwaasd van de steeds weer
- verloren strijd tegen de tijd,
- die je geheugen slijt.
- En toch, wat is geweest
- is onomkeerbaar in het zijn
- geëtst en nooit meer zal het zijn
- alsof wat is geweest
- nooit was geweest.
- De eeuwigheid bestaat, mijn vriend!
-
- VASALIS
-
- Je hebt geen laatste woorden uitgesproken.
- Dit had je heel je leven al gedaan,
- in zinnen, innig, ongebroken,
- zodat, wie zocht naar zin,
- ze ondanks alles kon verstaan.
- En die diepzinnig, hoog gegrepen
- nog zinderen als een schaarse vlucht
- van sperwers in de blauwste lucht.
- Je hebt die woorden ingesproken
- en het zegel neergelegd op ons bestaan,
- opdat wij nooit, zo radeloos en zo begaan,
- de wegen van de leegte zouden gaan,
- als ons de lieveling ontvallen is
- die ons zo koortsig en zo echt
- aan het leven heeft gehecht.
- Het scheiden, zei je, deed je pijn
- maar meer het afgescheiden zijn;
- een smart van snijden, schreef je,
- blijvend bloedend in het afgesneden zijn.
- Je hebt de doden in je woorden opgebaard,
- totdat je eigen ogen zijn geloken,
- onbesproken.
- Jij bent nochtans niet weg gesneden.
- Je stem blijft woelig wonen in de steden,
- waarin wij alle dagen streven
- om er ooit een dag hoopvol te sterven.
-
- WILG
- De waterwilg,
- mijn eenzaamheid,
- die woont in ochtendmist,
- mijn dromerigheid
- En eeuwig, onontwaakt
- aan de vergeten oever staat.
- Verlorenheid.
- En die geen horizon bespeurt
- en die plantaardig treurt
- aan de gesloten vijver
- zonder overkant, waar niets gebeurt.
- En er de ruimte en de tijd bewaakt.
- Onzaligheid.
- Een wilde wilg is hij,
- die niet is aangeplant.
- En leeft voor dag en dauw
- van dorst en vorst
- en het geritsel van de Westenwind
- in blad en kruin.
- Zelfredzaamheid.
- Geef, wilg, gewillig,
- wat late troost bij elke dageraad.
- Als tussen tak en twijg
- je deemsterend gelaat,
- ontbladerd en ontdaan,
- weerkaatst en diafaan,
- jezelf in 't water gadeslaat.
- Narcissus in het woud,
- die van mij houdt.
Laetitia
- Nooit zag ik je zo lieflijk liggen
- in de bochte
n van je lijf en leden.
- Je ademde onhoorbaar zacht
- en toch voor mij, steeds onverwacht,
- de stilte van de jonge nacht verbrekend,
- een zenuwtrekje soms op je gelaat,
- je assepoesterdromen dralend
- achter je geloken ogen,
- die nog ongerepte werelden
- ontdekten en verkenden.
- En overdag de tuin, je koninkrijk
- waarin je overdadig struint
- en rent, je schaduw achterna.
- Totdat je moe en afgemat,
- nog ruikend naar de struikgewassen
- van je pril bestaan,
- je hoofdje neder vleit
- en zalig ligt te liggen
- in de bochten van je lijf en leden.
- Is dit kind het jongste of het laatste,
- geboren op een buitennissige planeet?
-
DE RUITER EN DE
DOOD
Een ruiter reed door
t landschap van zijn dromen.
Hij joeg zijn paard naar de
verzonken kimlijn.
- De weg was hard en in de uitgestorven bomen
- hing de verwelkte herinnering van schijn en zijn.
- De weg was lang en eindeloos en uitzichtloos.
- Die liep van alpha, over twijfels en ontgoochelingen,
- naar omega, tot in de trechterhals, de roos,
- het doelwit van de laatste zelfbegoochelingen.
- De ruiter dreef zijn paard de sporen in de zijde.
- Hij wist zijn uur nabij ofschoon de tijd verstolde.
- En toen zijn geest zich van zijn lichaam mocht bevrijden,
- bereed zijn godverlaten ziel het paard dat holde
- over de levenloze weg de avond in. De nacht
- zou weldra onverbiddelijk grijpen naar de macht
- en vooraleer de laatste klaarte de horzison omsloot
- verzwonden boom en paard en ruiter, maar niet de Dood.
-
ALS OOIT DE OCHTEND VALT
Als ooit de ochtend valt over de stad
en de ochtendklaarte vaardig wordt en dat
van alle nachten slechts de schaduw blijft,
van alle angsten slehts de engte blijft,
die het gemoed benauwt wanneer het stiller wordt,
en wij de uren horen en de tijd die schort.
Als ooit een ochtend valt die alles wit moet maken
met de witheid van het licht, dat alles nieuw kan maken,
als de stad opnieuw een woonstad is geworden
en niet langer weenstad voor de horden,
waar de waarheid wordt gesticht en doorgegeven,
die de weg is en het leven.
Dan zal ik je de sleutel en het zegel geven,
het handvest en het zwaard aan jou die wordt gedreven,
maar geen heilige bent en geen ridder van de graal,
wel een vrijheidsstrijder die aant avondmaal
de kaars der hoop ontsteekt,die brandt
waaneer het duitser wordt, vermetele vagant,
met rond de tafel de genode gasten
en het lichterlaaien van de vlam, die hun albasten
gezichten bespiegelend doorschijnend maakt.
Dan mag de dag verwelken,als de vlam maar waakt,
dan valt geen avond meer over de surreële stad ...
ONVERKLAARDE NACHT
Dat ik, O Heer, niet eens kan weten
ondanks mijn bidden en gebeden,
wie en wat je bent
tenzij de oude Jahwe,
heer van Mozes, Heer,
die slechts kan zijn
wat hij wil zijn,
en is wat hij zal zijn, O Heer;
en ik niet eens kan weten, Heer,
of jij er werkelijk bent, O Heer,
en wat de grens kan zijn
tussen je zijn en niets
en tussen niets en niet, O Heer,
ofschoon ik steeds geweten heb
dat niets niet zijn kan, Heer,
en niet kan worden,
en dus niet bestaat
en onbestaanbaar is, O Heer,
. . . . . . . . . .
maakt mij zo moedeloos, verdwaald,
vertwijfeld en verzengd,
want van uw koude vuur verteerd,
als een die diep in het veelal
van schijn en zijn,
vertederd en verwonderd,
maar onbeantwoord wacht,
ondraaglijk afgezonderd
in de onverklaarde nacht.
-
-
ALS OOIT DE
OCHTEND VALT
Als ooit de ochtend valt over de stad
en de ochtendklaarte vaardig wordt en
dat
van alle nachten slechts de schaduw
blijft,
van alle angsten slehts de engte
blijft,
die het gemoed benauwt wanneer het
stiller wordt,
en wij de uren horen en de tijd die
schort.
Als ooit een ochtend valt die alles
wit moet maken
met de witheid van het licht, dat
alles nieuw kan maken,
als de stad opnieuw een woonstad is
geworden
en niet langer weenstad voor de
horden,
waar de waarheid wordt gesticht en
doorgegeven,
die de weg is en het leven.
Dan zal ik je de sleutel en het zegel
geven,
het handvest en het zwaard aan jou
die wordt gedreven,
maar geen heilige bent en geen ridder
van de graal,
wel een vrijheidsstrijder die
aant avondmaal
de kaars der hoop ontsteekt,die
brandt
waaneer het duitser wordt, vermetele
vagant,
met rond de tafel de genode gasten
en het lichterlaaien van de vlam, die
hun albasten
gezichten bespiegelend doorschijnend
maakt.
Dan mag de dag verwelken,als de vlam
maar waakt,
dan valt geen avond meer over de
surreële stad ...
GOUDEN LABRADOR
- De hond bewaakt de dagen en de nachten
- en de hoop en alle stille krachten
- van het huis, dat rond de opening werd gebouwd
- en die een opening is van lucht en blauw, vertrouwd,
- van licht en schaduw en van groen van weiden
- en van kleuren, die uw wereld scheiden
- van de anti-wereld aan de ruige overkant.
-
- De hond, een labrador, bewaakt de binnenkant,
- de dingen die onzichtbaar zijn
- en toch ervaarbaar, voelbaar zijn
- en die verzamelen in blikken en in blijken
- en die opstand zijn van woorden die niet wijken.
- En in kamers van intimiteit: het heimwee
- naar de goden en de klaarte tussen zon en zee,
- die onvergetelijk het oog verblindt
- voor wie geen grenzen achter grenzen vindt
- en over randen van gekneusde handen tast
- naar de kern, de zingeving onder de bast.
- Genade van de uren die steeds kwetsen
- en waarvan het laatste doodt.Wij etsen
- onze beeldenaars in honderden gezichten
- en prevelen altijd dezelfde gedichten
- met woorden wisselend doorheen de tijd,
- in onze wedloop tegen de eeuwigheid.
-
- En als de avond in de kamer binnen treedt
- en in de haard het vuur de vlammen vreet
- en op de muren de gedaanten groeien
- en vreemde bomen op de schilderijen bloeien
- rondom het witte meisje in het wit gekleed
- en Mahlers kintertotenlied, een kreet,
- een klacht, de levenden verongelijkt...
- Als dan de avond als een noodlotsvogel nederstrijkt,
- beseffen wij datr geheimen zijn
- en dat er grondeloze vragen zijn
- en dat nooit alles zal verklaarbaar zijn.
- Want tussen de hemel en de aarde, vriend Horatio,
- en tussen het leven en de dood, Horatio,
- staan, onverklaarbaar, droom en hoop en wensen
- van mensen, mensen, mensen...
-
- De gouden labrador bewaakt de avond en de haard.
- Zijn stoïsch hondenoog weerspiegelt en bewaart
- het beeld van t huis dat rond de opening werd gebouwd
- en die een opening is op licht en lucht en blauw,vertrouwd.
-
-
-
-
-
-
-
-
- OOG OM OOG
-
-
- Omdat ik in je ogen heb gelezen
- dat je ogen in mijn ogen lazen.
- Een glimp, een genster op gerezen
- en weg geglipt uit netvliesmazen
- van oog tot oog van jou en mij,
- achter de weerschijn van ons ego-glas.
- Een wimperslag, je aalmoes onvolprezen
- die oog in oog mijn vrees genas.
- En bij het vallen van de avond het getij
- van blik en wederblik. Er was
- van alle kleuren van de regenboog
- geen blauwer blauw dan van je oog,
- je iris, ontoelaatbaar centrum van t'heelal
- geen myopie, geen entropie, geen vuil verval.
- Vier ogen scheppen wereldzeeën
- van zon tot horizon gestrekt.
- Een oogverblinding uit het oog verloren
- door ogen die het licht beogen
- van nacht tot avond opgemerkt
- O, spel van ogen, spiegelzalen
- vol legendarische verhalen,
- tot oog in oog de grote dood
- van glans en glinsteringen,
- van schijn en schitteringen
- de laatste ogenblikken... doodt.
-
-
-
-
-
- ALS EEN GEDACHTE STERFT
-
-
-
- Omdat een laatste levende gedachte sterft,
- zichzelf verhangt, vertekend en verkracht,
- met dodelijke logica ontsnapt aan het bederf
- van zeer onrein vernuft, dat werft
- in de verlaten vlakte van een slordig erf,
- dat zonder land en zonder eigenaar,
- de winden van verwarring jagen laat.
- Daagt ooit het einde van de dag,
- waarop opnieuw met rede en met maat,
- de waarheid weer wordt aangemaakt
- en als een pak op maat
- de knopen hecht, de ritsen sluit
- en bij het passen iemand in het donker fluit,
- zodat de nieuwe levende gedachte sterft.
-
-
-
-
-
- DODE ZIELEN
-
-
-
-
- Een lieve vijver spiegelt
- zich aan hemel en heelal.
- Een wolk drijft aan, verdrinkt
- in koele wateren, omringd
- door spiegelbeelden van verval.
- Een stronk, een omgehakte stam
- en, tussen licht en schaduw, het kasteel,
- waarin de dode zielen leven
- van wie zijn dood gegaan,
- zonder het te beleven.
-
-
-
OMWONDEN
-
- Een kille regen likt aan kruinen,
- geeselt de ingekeerde tuinen,
- als een koud vuur dat oude wonden
- open vriest en open brandt;
- de wonderbare wonden
- van avonden en morgendstonden
- en die geen littekens verdragen.
- Die zijn als open monden,
- die niet met zoveel woorden klagen
- en ademen van ziel tot ziel,
- van wie altijd, gekneusd en nooit genezen,
- door tijd en ruimte dodelijk gewond
- en die, verbonden onomwonden,
- de laatste blijde boodschap konden lezen
- en het verloren paradijs niet vonden.
-
-
-
-
-
-
-
- DE VERRIJZENIS
-
-
-
- In de vallei der koningsgraven,
- aan de totale overkant gelegen,
- van Nijl en Thebe en het leven
- van elke dag, onder de pschent
- van farao's en de verlossing
- van Osiris' geven en vergeven;
- in de vallei der koningen
- van Ramses en Tutmosis,
- tot op het been gebleekt;
- in die vallei die anders is,
- verschroeid en toegedekt
- door eeuwenoud vergeten,
- daar waar voorbij de oever
- aan de overkant, het licht
- adembenemend want verblindend is,
- waar waarheid zonder schaduw is,
- een onbarmhartig rotsgebergte,
- op één schaduw na, die heerst:
- die van de dood in de vallei
- van de onzichtbare duisternis;
- in die vallei der laatste cultgebaren
- voor stervelingen, opgeleefd,
-
- in die vallei des doods
- werd een verrijzenis ontdekt.
-
- Het graf was leeg en toch vergrendeld.
- De rotssteen overeind en niet gewenteld.
- De toegangstrap versperd en dicht
- en in de derde kelderruimte: lucht,
- verdund en ijl, want sedert vier maal
- duizend jaren onbewogen, ongelucht.
- De sarcofaag geopend, mummiewindels afgelegd,
- het proviand onaangeroerd, en in de hoek
- geen engel, maar het geraamte van een slaaf,
- die bij zijn farao verstervend had gewaakt.
- Osiris beeltenis gebeeldhouwd aan de wand,
- kijkt neer en prevelt uit het dodenboek:
- 'Niet de verrijzenis stemt tot verwondering.
- Maar dat leven, liefde, geest, vertedering
- verdwijnen zouden zonder spoor noch schijn,
- in leegte opgelost, is voor een mens,
- die veel geleden, veel heeft meegemaakt,
- een dierendood, te ongerijmd om waar te zijn'.
-
-
-
-
-
-
- BEVROREN VORST
-
-
- Een gebrilde koning kwijlt,
- gebroken en gebogen,
- aan majesteit vergrepen,
- de wereldbol gegrepen,
- de scepter om te slaan.
- Zijn troon al lang vermolmd,
- een land werd leeg gezogen,
- een Staat die reilt en zeilt,
- de grondwet opgegeten,
- een volk dat werd ontbonden,
- elk mensenrecht geschonden.
- De vorst is ziek,
- zijn natie rilt.
- De vorst is ingevroren,
- ondanks de warmte van klimaat.
- Een afrikaanse koning lijdt,
- zijn kanker is verspreid
- in heel het koninkrijk.
-
-
-
-
-
-
- VLOEIBARE TIJD
-
-
- De uren schuren sneller door de dag.
- Bloedstollend is de tijd die vloeit,
- die onomkeerbaar stukken leven
- maalt tot tijdstof dat vermag
- de essentie toe te dekken; toe te geven
- aan de evidente schijn van zijn,
- die niet aflaat bedrieglijk te zijn.
-
-
-
-
- ZIJNZUCHT
-
-
- Wij hebben paarden zien verdwalen
- in de regenwouden van het waterland
- en de ruiters zien verzanden
- in de schorren van het scheurend strand.
-
- Wij zagen ook ons zelf weg slibben,
- door ijle nevels overmand
- en roeiend naar een overkant,
- zonder echo voor ons bidden.
-
- Wij hebben levens zien verwelken,
- breken, glazig, bloedloos: kelken
- in het weiland van vertrapte bloemen,
- waar niet langer zinloos zaden groeien.
-
- En we zagen ooit de zwarte zon op doemen
- over de rand van de te fel verlichte dingen,
- toen bleek dat slechts de duisternis
- verklaren kon wat net niet is,
-
- wat door zijn onbestaan mag dringen
- tot in de kern, het zachte wezen
- van het verschijnend zijn, gerezen
- uit wat enkel is en is en enig is.
-
-
-
-
-
-
- AAN JORGE LUIS BORGES
-
-
-
- Blind de bibliotecaris
- want dood zijn ogen,
- uitgehold en weg gesleten,
- brakke grond van ergernis,
- sedert eeuwen lichtvergeten,
- stekeblind vermogen
- zonder ogen in de duisternis.
-
- Zoveel boeken steeds betastend,
- wegwijs in de bibliotheek,
- levenslang belastend,
- bukkend, zwoegend, bleek
- en koortsig. Malle boekenfreek,
- steeds feilloos schikkend
- wat voor hem onleesbaar bleek.
-
- Encyclopedieën van onwetendheid
- te verslinden door de zienden,
- aangezeuld door de verstokte boekenmijt.
- In het labyrinth van stof en vreemde talen
- lezen veel geleerden de verhalen
- over mensen, dingen en hun falen,
- door hun brillen kijkend maar niet ziende.
-
- In de katafalk der menselijke kennis
- is slechts plaats voor een die wijzer is,
- die niet weet, niet speurt, niet vindt
- de blik geblust, gedoofd want blind,
- die slechts Borges'boek van zand bemint,
- geen ziende, maar een ziener,
- oogluikend en lichtschuw,
- de blinde bib-bediende.
-
-
-
-
- WOUDSTERFTE
-
-
- Het woud lijkt oud
- de bomen roesten bruin
- en eeltig zwavelzwart
- de stammen hangen schuin
- de schorsen barsten hard
- en vruchteloos het lover.
-
- Er schuilt veel bosleed
- in het zieke mensenbossenhout
- de takken janken in de koude
- een grote eik kapseist en breekt.
- de stilte werd gekwetst en rouwt
- om groene hoop in hoge zomer.
-
- Het is het laatste woud,
- dat overbleef en sterft
- de mensheid eet zich op en kerft
- een doodskop in het laatste hout
- weldra verdampt de zuurstof
- uit de barre schaarse lucht.
-
- Geen mens of hij verdraagt
- een masker op 't gelaat,
- verweerd tot een gezicht van hout,
- een rimpelige schors, verzuurd en koud,
- het enige wat nog bestaat
- van t'oude opgerotte toverwoud.
-
-
-
-
-
-
-
- OMEGA
-
-
- Zijn leven was door dokters afgesteld.
- Hij wist zijn dagen uitgeteld.
- Een kankerkreeft woonde in zijn buik
- en wrat zijn ingewanden uit.
- Het beest in hem versneedt zijn pijn
- in stukken angst en brokken leed,
- die hij verkropte slechts in schijn.
- Hij had te snel geleefd en aan
- de buitenkant van het bestaan;
- te weinig uitgedrukt in woord en daad:
- en dat ook hij half zacht en teder was.
- Hij had te lang te stoer gedaan;
- te weinig ook vervoerd gewacht
- op het teken bij het dagen van de nacht.
- Hij lag geveld met rond hem bomen,
- wortels van zijn onvervulde dromen
- - de slangen en de buizen van een spoedgeval -
- en met de ogen dicht gedacht,
- in zwaartekracht, genadevolle stromen.
- Een vreemde aantrekking over de gracht,
- een klare tunnel, lichtend naar een omega.
- Toen kwam hij terug van zeer ver weg geweest.
- Weer voelde hij het wroeten van het beest,
- maar pijn deed het niet meer.
- Want het boek alfa was bereid.
- Hij wist dat tussen tijd en eeuwigheid
- het alfabet ontcijferd blijkt,
- omdat het altijd stuit op omega.
-
-
-
-
- JAN PALACH
-
-
-
- De vuren gluren geil en geel
- en spuwen rode tongen
- om hem heen.
- Het brandhout siddert in zijn keel;
- de as schrokt uit zijn longen.
- Het is kwart voor één.
-
- Een vlam, een zwaard, een laatste lust,
- verterend, dartel, ongeblust,
- verschroeit zijn Praags geslacht.
- Het is tien voor één.
-
- Dan kantelt hij in nacht.
- Zijn lichaam, lid bij lid,
- ontzenuwd en ter dood verhit,
- likt af, lekt uit
- tot een gesmolten mens.
- Het is vijf voor één .
-
-
- Laatste seconden zijn geteld.
- Zijn hart vloeit gloeiend uit
- over zijn leven, weg geweld;
- zijn felle leven heet gestuit.
- Het is nu één voor één.
-
- Zijn sterven is geen onzin-dood,
- geen dood van lood en schroot
- in 's werelds waanzingoot.
-
- Maar uit de as van Jan Palach
- verrijst, onsterfelijk, zijn geest,
- die muren van Berlijn
- en een ijzeren gordijn
- zal breken, doen verdwijnen.
-
- In de branding groeit het zaad
- der Praagse lente: hoogverraad,
- onvrijheid, foltering en dictatuur.
- Het is avond, triest en negen uur.
- Onder de asse smeult het nieuwe vuur.
-
-
-
-
- STONEHENGE
-
-
- De menhirs van Stonehenge omarmen
- hun schaduw en richten hun stenen
- gestalten naar goddelijk erbarmen,
- reuzachtig en kuis in de venen
- van 't woest en onheilzame avondland.
-
- De mensen van Stonehenge verwarmen
- omarmend hun lijven en leden
- en wachten op 't grote erbarmen
- de zegen, verhoorde gebeden,
- op 't uur van zomerzonnestilstand.
-
- De mannen, de vrouwen van Stonehenge verstenen,
- verweren tot godverlaten woestelingen.
- Want stom straalt de zon, verstrekkend verschenen
- in 't land van slechts stervelingen,
- net boven de hoogste kant en rand
-
- van Stonehenges omsingelingen,
- van Stonehenges verkwiste land .
-
-
-
-
- NADERING
-
- De laatste geruchten vervullen de luchten
- als gieren van onheil die weten van horen
- hoe laat het geworden is.
- Bij mensen van twijfel verhelpen geen zuchten
- hun levens vergaan en verlopen verloren
- als zinkende sloepen in duisternis.
- Berichten zijn slechter dan loze geruchten.
- De tijd van de dagen en nachten
- verhult niet veel langer wat komende is.
- Nooit klaarder dan heden de luchten;
- nooit sterker verlangende krachten
- naar meer en steeds beter en lafenis.
- Totdat het beroerde vermoeden de stilte verbreekt:
- er nadert een Einde dat nooit echte talen spreekt,
- dat stom en berekend verblindend verbleekt
- en dodelijk mooie en lelijke levens breekt.
-
-
- UREN DIE KLEVEN
-
-
- De uren verdampen
- de nevelen kleven
- aan onze geraamten
- geen zenuwen trekken
- verkrampt krispt je leven
- in vale verlaten
- woestijnen van avondverdriet.
- Verschijnt de gedaante
- die tekens en klaarte
- in bundels van hoop
- geduldig bewaart
- en spreidt en verspreidt
- de angsten voorbij
- de opstand geluwd
- revolte van jou en van mij
- vedampt in de nevelen
- van uren die kleven.
-
- LAATSTE GEDICHT
-
-
- Verdreven de tedere beesten
- De waakhond beveelt
- De lichttoorts benevelt de geesten.
- Geen mens die de vederen streelt
- van vogels die hemelen stelen
- en waken in vrede en eeuwen.
- Een hond aan de ketting die keelt
- en schraapt en laf blaft over sneeuwen
- en levenden wekt om te waken,
- te wikken, te wegen, te schikken.
- De kroppende kelen - niet braken -
- die stokken in kermen en stikken
- en vogels, weer vogels zien klimmen
- naar zonnen en sterren en licht.
- Een mens die weerstaat aan de schimmen,
- eerzuchtig de sterren durft winnen
- en sterft in het lied van zijn laatste gedicht.
-
-
- AAN VACLAV HAVEL
-
- Een mens die opstaat
- als de bomen vallen,
- de takken knarsetanden
- en de lieve twijgen
- janken in verdoemde landen
- waar de volken hijgen.
- Een mens die recht staat,
- als de hamers en de sikkels slopen
- wat in vrijheid was gesticht,
- als de zonen vaders danken
- die hen leerden knielen,
- liggen, overgeven
- aan en in het slijm
- van de regerende debielen.
- Een mens die recht blijft staan
- tegen hen die brute staatsmacht
- hebben scherp gewet, geslepen,
- tot ter dood gegrepen
- en de kuddemensen plat geplet.
- Een man die opgericht en trouw
- is blijven leven, zelfs in grauw
- en groezelige kerkers,
- waar met hem de werkers
- van het eerste uur
- het vuur, het ijzig vuur
- van wil en hoop en kracht
- hebben bewaard. Een man
- die mens is en een man
- wil blijven, als vele mannnen,
- vrouwen laf hun mens-zijn laten vallen
- en hopeloos hun menselijkheid verknallen .
-
-
-
-
- CONCERT IN DE KATHEDRAAL
-
-
-
-
- Gestreken, gestreeld
- met glanzende handen
- die dansen en branden
- de gouden viool
- geraakt met een zucht
- van je ziedende ziel
- je pols als een bloem
- afhangend, frivool
- steeds los over snaren
- vermetel obool
- en schrijnend je klacht
- die boort door 't gewelf,
- en vlamt in de nacht
- en houdt van de nacht
- en fluistert en zingt
- en wispelt en klinkt.
- Een klank die verbreekt
- wat de stilte verbergt
- de stilte gekwetst
- en de stilte geërgerd.
- Een gothisch toccata
- dat stort van t'oksaal
- vibrato, rubato
- vervult en ontheiligt
- de enige kathedraal
- Wat is het dat pijnigt,
- dat zindert in het ijllicht,
- dat reutelt en huivert ?
- de dood van de laatse concertnoot,
- een kreet en een schreeuw
- gevild werd de snaar
- in het zinkende schip
- van de overstroomde kathedraal.
- Of is het de graal,
- die steeds werd gezocht
- en nooit werd gevonden?
- Of de dood van een kleine parochiaan?
- Nog levend vandaag en morgen gestorven
- bezongen, begraven, geborgen
- in de holle en heilige kathedraal.
-
-
- BOURGONDIE
-
-
- De ranken breken en begeven
- onder de vruchtbaarheden
- die zelfs de Nieuwe Tijd
- van overvloed niet dragen kan.
- De aarde barst van weelde
- onder de akker die ooit kerkhof was
- en baart haar vruchten teder.
- De wijnboer geeft zijn zegen,
- het wonder is opnieuw geschied
- zijn handen tonen eelten
- de tijd verweert zijn aangezicht
- zijn voorhoofd is gegroefd
- hijzelf voelt zich gegriefd
- ofschoon zijn ogen zagen
- hoe de jaren aan de wijnstok
- zoetheid gunden, zoetheid gaven.
- maar zoetheid die hem bitter maakt
- want naar dood en doden smaakt
-
-
TE ZWAAR OM DRAGEN
Te zwaar om dragen
de genade van de jongste dagen.
Zegeningen opgedragen
aan het dralen van de laatste dag.
Verzengd, verzwonden, ver vandaan,
het enig uur aan je bestaan
besteed, beleden, opgeslagen:
een waterdruppel in de oceaan,
wat watermist vergaan,
onder een waterval van vragen.
O, ongenade van de helderheid van geest
die steeds verblindt en nooit geneest.
HET MEER
Zozeer een meer
tezeer een meer
van grijs tot blauw bekeerd
tussen vallei en hemel ingekeerd
en zelfvergeten aangemeerd,
waar kant en wal elkaar niet raken.
Een meer van alle meren
meest verlangend te genaken,
tijdloos en onwezenlijk begeerd:
zo een vrouwelijk, genadig meer,
meer meer dan ieder ander meer.
De tijd staat stil, intiem,
zo zei bezwerend Lamartine.
Alsof geen uren levens kraken
tot gruis van het bestaan; verzaken
aan de verlokking van het avondmeer
de angsten voor de overkant
en aan de niet zichtbare rand,
waar meer en mist en hoop elkander raken
een grote, wijd gestrekte schaduw
weerspiegeld in het meer, dat vastklampt
aan de vlucht van de ochtendzwaluw.
RUANDAS DODEN
En waaromal die lijken ?
De dageraad verdraagt hun waarhied niet.
En waarom al die doden
en tweemaal zoveel dode ogen ?
De zon verdraagt hun aanblik niet.
De gruwel heeft gegrepen naar de macht,
toen in het land der duizend heuvels,
Ruandas volk massaal werd omgebracht.
Ontbonden lijken werden in de grond gekwakt,
de levenden als stronken omgehakt.
Nog braakten dodelijke doden cholera
op de dorre akkers van Ruandas Golgotha.
En wat met al die
onoelaatbaar droeve ogen?
En met al die kinderen die
hongerig hoopten op de zegen
van de vermenigvuldiging der broden
en slechts de walg te eten kregen
van de vermenigvuldiging der doden.
WIE OOIT FRANS SCHUBERT HEEFT GEHOORD
Wie ooit Frans Schubert heeft gehoord
zijn strijkkwintet in D,
die heeft, allegro ma non troppo
iets ongehoords gehoord:
een klacht die schrijnt over de zee,
over de grens, achter de overkant,
waar de horizont in stilte stolt;
kwetsuur van stilte in een land
van ruggenmergmuziek, waarop ik
scherzo presto, schipbreuk lijdt en zink
terwijl de cello's trillen in de ruimte-tijd.
Wie ooit Frans Schubert heeft gehoord,
andante sustenuto,
een ijle klank, die door de bolster boort
van elke oppervlakte en elke buitenkant,
over de rand der dingen en nooit landt,
hij heeft een quantumgolf gehoord.
Wie ooit Frans Schubert heeft gehoord,
zijn strijkkwintet in D zeer groot,
Deutsch negen honderd zes en vijftig,
die had voordien nooit wat gehoord,
die had voordien nooit wat vernomen
van de transreële werkelijkheid
die snarentrillend geloofwaardigheid
verleent aan een ééngemaakte'stringtheorie
van alles', die tijd bekleedt met eeuwigheid
en het heelal verandert in veelal.
Wie ooit Frans Schubert heeft gehoord
die zal niet langer ongelovig zijn.
LAS PINJAS
Het witte kistje, net een schoendoos groot,
verkleinwoord van de grote dood;
het mat gezichtj en het gestolde leven
achter het doorkijkvenstertje,
aquarium van de dood,
voor wie kijklustig verder leven
en weinig geven
om het wegwerpkindje.
In Las Pinjas sterft men jong
en breken jonge ogen snel,
door onbarmhartigheid verzengd,
zoals de bloemen door de hitte
van de te hete zon.
Geen avond valt over Las Pinjas
of naastenliefde wordt er opgebrand
door onrecht en zijn grote overmacht.
Ten hemel klaagt het bamboe-orgel.
Kwetsuur der stilte
kwetsuur van t hart,
onder het gewelf van bamboe en gebeden.
DE TUINMAN EN DE DOOD
Toen het meisje merkte dat de tuinman
sedert weken niet meer kwam,
dat de rozelaars in t wilde groeiden
en de rozen grillig en bevreemdend bloeiden,
dat het onkruid onkruid zaaide
en niemand meer het herfstgras maaide,
dat de orde van de dingen was verstoord
en een heimwee van een onbepaalde soort
in alle poriën binnnedrong
en zelfs de vroege vogel niet meer zong,
toen het argeloze kind dat alles merkte,
vroeg zij haar vader die niet met zijn handen werkte,
wat er toch gebeurd was met de tuinman.
"Was hij soms om rozen afgereisd naar Isphan ?
Of had een reuzetor hem opgegeten ?"
"De tuinman, zei de vader, is na weken ziek zijn overleden.
Hij werd begraven en zijn lichaam aan de aarde toevertrouwd".
Het meisje zweeg, dacht na en sprak met hoorbaar voorbehoud:
"De tuinman werd begraven en in de aarde neergelegd,
een zaad gelijk werd hij in t zand gepland, heb je gezegd.
Zal dan een boom gaan groeien uit zijn graf ?"
De vader aaide over haar gezicht en vroeg zich af
hoe hij zijn dochtertje - een handvol jaren oud -
inwijden zou in t groot en koud
geheim van leven en van dood. "De mensen,
zei hij, die hun leven lang de andere mensen
hebben liefgehad, hun levenswonden
steeds opnieuw verzorgd en verbonden,
rechtvaardig waren zonder hard te zijn
en over eigen fouten wisten eerlijk en oprecht te zijn,
die mensen sterven wel maar gaan niet dood.
Zij gaan naart Licht en leven voort
en uit hun graven groeien hoge bomen
onzichtbaar als in dromen
en toch echter dan wij beseffen.
Het zijn de levensbomen die zichzelf verheffen
tot in de hemel waar de mensen goddelijk worden".
De vader zweeg. Het dochtertje was slaperig geworden,
maar geloofde wat haar vader had gezegd.
Voor later had zij het naast zich neergelegd.
Want het begrijpen kon zij niet.
Toen jaren, jaren later ook haar vader was gestorven
en zijn volwassen dochter, rijk aan kennis en verworven
ervaringen voor t open graf te treuren stond,
herinnerde zij zich haar vaders woorden, toen zij blond
en klein het heengaan van de tuinman had gevoeld.
Vandaag begreep ze wat haar vader had bedoeld.
Maar het geloven kon zij niet.
Vervolg Gedichten in
rubriek: literatuur Iedereen 
* * *
TOESPRAAK DOOR PROF. Dr.
MARK EYSKENS TER GELEGENHEID VAN DE ONTHULLING IN SINT NIKLAAS VAN HET BRONZEN BEELD VAN
ANTON VAN WILDERODE OP 12 DECEMBER 1998
De onthulling van een beeld van een persoon
- aere perennius leerde ons Horatius, duurzamer dan het brons - de onthulling van een
beeld, soms standbeeld genaamd in een wat statig taalgebruik, is een uitermate
uitzonderlijke gebeurtenis. Ze is weinig overleden stervelingen en nog minder levende
stervelingen gegund. Het is een plechtigheid die iets pathetisch heeft omdat ze wijst op
onze strijd tegen de vergangkelijkheid. Toen ik gisteren het woord bronzen
beeld op het klavier van mijn computer in tikte, verschenen de woorden brozen
beeld op het scherm, alsof de machine die mij hielp bij het verwerken van mijn
tekst, mij ook wilde behoeden voor te grote illusies bij het verwerken van de gevoelens
die ons vandaag bezielen.
Wat ons hier verenigt is met name een poging van de gemeenschap der
levenden om iemand die men bewondert en die de overkant heeft bereikt, te
vereeuwigen, te tillen uit de tijd, hem te plaatsen onder de stolp van de
gestolde tijd, zichtbaar gemaakt voor onze waardering en verering en die van de volgende
generaties. Wat we vandaag doen is Van Wilderode en wat hij betekent, toevertrouwen aan
een tijdcapsule die de eeuwen kan trotseren, opdat diegenen die na ons komen - en die
allemaal tijdreizigers zullen zijn, temponauten veeleer dan cosmonauten - nog sporen
zouden ontdekken en ankers zouden vinden. Daaraan kunnen ze zich dan optrekken in tijden
van eenzaamheid en ontreddering die voor iedereen vandaag en morgen weleens een keer
komen, samen met de weemoed als de avond valt, zoals Willem Elsschot beweerde. We pogen de
beschaafde Grieken en Romeinen, waarvan Van Wilderode zozeer heeft gehouden, na te bootsen
als we in een beeld, van steen of brons, de tijd stil willen leggen ter gedachtenis van
diegenen waarvan wij menen dat ze belangrijker zijn dan de tijd waarin ze hebben geleefd,
omdat zij hun tijd hebben overschreden. Anton Van Wilderode, de Vlaamse Vergilius, in
brons gegoten zoals zijn grote voorganger, de Latijnse Vergilius, met wie Van Wilderode
duizenden uren van zijn leven door heeft gebracht.
Soms ook verbronzen we grote figuren omdat ze de richting aanwijzen in
het labyrint van nieuwe tijden of omdat ze zelf de tijd van vandaag en morgen nieuw hebben
weten te maken. Omdat zij grensverleggers waren in tijd en ruimte. Anton van Wilderode was
er zo een, ook omdat hij zelf worstelde met de tijd. Hij wist dat hij geen tijd had maar
dat de tijd hem had, zoals blijkt uit dit prachtige vers:
Het raam staat open op de warme nacht
waarin ik niets meer afsmeek en verwacht
dan dat het ogenblik zou mogen duren,
de grote delger tijd tot staan gebracht
Van Wilderode is een grensverlegger en een baanbreker en dit op een
paradoxale wijze. Zijn stem, zijn diepe en diepzinnig stem, klinkt vandaag universeel,
omdat ze spreekt van, voor en namens de mens over wat in een mens wezenlijk is. En wat is
wezenlijk in elke mens? Wezenlijk menselijk is dat hij een vragensteller is, ook al kan
hij die vragen vaak niet verwoorden en is hij beter in het uitschreeuwen van uitroepen en
het neerschrijven van uitroeptekens. Het is juist de dichter die hem, de gewone
sterveling, de vraagwoorden in de mond en op zijn ziel legt, zodat hij beseft dat hij
enkel zin vindt door naar een zin te zoeken omtrent steeds weer hetzelfde: wat is de zin
van het leven? Wat is de zin van de dood? Wat is de zin van de liefde en wat is de zin van
het lijden? Daarover gaat het uiteindelijk, ook bij Van Wilderode, ook als zijn
moerbeitoppen ruisen, als hij speurt naar de overoever, als hij opkijkt naar de
Vlinderboom, als hij de poedersneeuw lief heeft en apostel wil zijn na de twaalf. Nog
onlangs zag en hoorde ik Van Wilderode postuum aan het woord in de uitzending van de KTRO,
het Braambos genaamd, een programma dat erg onkatholiek laat op de avond uit wordt
gezonden en waar ik de dichter voorzichtig, elk woord wikkend en wegend, bezig hoorde over
de grote levensvragen en dit met een levenswijsheid die van alle tijden was en daardoor
verbluffend modern.
En hij deed en doet zijn verhalen vooral in zijn poëzie, in en met een
taal die de zijne is, de taal van zijn volk en vanuit een leefomgeving die de zijne was,
de streek van zijn eigen aarde en land, zoals hij het zelf zei. Zoals alle grote
kunstenaars heeft hij het eigenste getild op het peil van het algemeen menselijke, heeft
hij universaliteit geput uit identiteit. En dit is niet de geringste paradox van elke
visionaire dichter en schrijver.
De poëzie is een ondankbare kunst. Zij is veel eisend van de dichter,
Set-Cookie: WEBTRENDS_ID=194.183.228.71-3995874752.29439913; expires=Fri, 31-Dec-2010
00:00:00 GMT; path=/ die zijn visie moet brengen in de beperktheid van woorden en zinnen.
Ze is veel eisend van de lezer die wel eens ontredderd wordt door woord en beeld en die
het geheim van elk goed gedicht slechts kan doorgronden, voor zover hij in het gedicht
binnen treedt en meemaakt - in de dubbele betekenis wat dit woord in het Nederlands heeft
- en meemaakt wat de dichter heeft bedoeld. De poëzie is bovendien ondankbaar voor de
dichter zelf als ze niet wordt begrepen of boosaardig wordt stuk geschreven door sommige
grafdelvers van de literaire kritiek. Van Wilderode was een christen die de kracht maar
ook de zwakheid opbracht om te geloven in iets wat hem en wat ons overstijgt. Het
transcendentie-lek van de post-moderne wereld deed hem pijn. Hij was bovendien een
volksverbonden man en geen conformist van het elitaire non-conformisme. Hij was een
classicus die verstaanbare poëzie schreef over de menselijke levensconditie en iemand die
daarenboven zijn gedachten en gevoelens goot in de dwangbuis van rijm en ritme, wat als
een toppunt van conventionele vermetelheid werd beschouwd. Voor hem was dichtkunst iets
anders dan het lukraak bij elkaar harken van de woorden die onder toepassing van de wet
van de grote getallen, uit het vijftig delen tellend groot woordenboek van de Nederlandse
taal kunnen worden bijeen gescharreld. Kortom hij vertoonde storende, zoniet
onvergeeflijke kenmerken genoeg om bij leven door allerlei nijvere nijdigaards te worden
ver-ast en bij dood dood gezwegen. Maar zie, steeds meer, reeds gisteren, en nog meer
vandaag en morgen, en overmorgen ver-rast Van Wilderode door zijn grensoverschrijdende
vernieuwende levenskracht. Meer dan tijdens zijn leven verheft hij de stem, die stem van
hem die steeds luider klinkt voor al wie het in zichzelf stiller maakt en stiller wordt
van het woord van de dichter. De stilte, onze stilte, wordt aldus een heelal vullende
leegte.
In de huidige kennismaatschappij, waarin het intelligentie-quotiënt
(IQ) wellicht te veel wordt aangeprezen en aanbevolen, is een goed gedicht - zeker in de
opvatting van Van Wilderode - ook een uitdrukkelijke of impliciete oproep tot ons
emotioneel quotiënt (EQ) en een daad van protest tegen de om zich heen grijpende
technopolis, die meer lichamelijke inwoners telt dan menselijke zielen. De mens is te vaak
te zeer een balling in de maatschappij en een wees van God. MEN heerst en overheerst in de
samenleving, vaak een synoniem voor samenloosheid. Blinde en anonieme krachten stuwen
mechanisch, zonder gezicht en zonder profiel, het grote maatschappelijke raderwerk, waarin
de mens zich terug geschroefd voelt, herleid tot een klein rad.
Enkel waarheid, goedheid en schoonheid kunnen de mensheid redden, dit
wil zeggen behoeden voor ontmenselijking en opmonteren tot meer menselijkheid. De kunst is
het zachte wapen van de mens in zijn strijd tegen men, het beschermende schild
in zijn gevecht van het enkelvoudige ik, de persoon-enkeling, tegen het collectieve
meervoud. Want iedereen is iemand. En de onmenselijkheid is geen natuurramp, maar een
menselijk verschijnsel. Juist om die reden kan onmenselijkheid enkel door mensen worden
gekeerd. Poëzie, muziek en visuele schoonheid - de beeldende kunst die we ook vandaag
vieren met het kunstwerk van beeldhouwer Wilfried Pas -, kunnen de reddingsboeien zijn
voor de bijna-drenkelingen die we allen wel eens zijn, als te veel op onze zielen werd
getrapt. Gedichten kunnen ook de stapstenen zijn naar een tempel van rust en evenwicht
voor de radelozen. Naar de Platonische grot van de filosoof voor al wie poogt het
essentiële te ontdekken achter de evidenties en die op zoek is naar het onuitgesproken
woord in een maatschappij van te veel verbaal en mediatiek gedruis.
Uiteraard is deze zitting en wat ze duidt - beeldcreatie en
beeldschepping - in eerste instantie een hulde aan Anton van Wilderode en een uiting van
dankbaarheid aan de dichter die zozeer heeft weten te verwoorden wat blijft steken in ons
aller kelen: onze onuitspreekbare fascinatie voor het zijnswonder, ons onvermogen het te
begrijpen en ons heimwee naar de dingen die voorbij gaan omdat ze vergankelijk zijn.
Geleidelijk aan breekt de waarheid door in onze lawaaierige samenleving
die zo vaak het bijkomstige verwart met het wezenlijke: Anton van Wilderode is een van
Vlaanderens allergrootste dichters en de Nederlandstalige gemeenschap in de wereld
luistert steeds meer naar zijn stem. Zijn volks- en landsverbondenheid zijn niet
tegenstrijdig met de algemene menselijkheid van zijn boodschap. Het woord van Van
Wilderode is grensoverschrijdend en ontgrenzend. Om die reden heeft de Internationale
Vriendenkring Anton van Wilderode gedichten en bundels van de dichter weten uit te geven
in verscheidene vreemde talen en hem aldus een stem gegeven die steeds luider klinkt
vanuit de aarde, die van Wilderode zozeer bemint, de wereld in. Veel mensen hebben
dichters nodig, overal ter wereld omdat zij zoals wij, hoe dan ook en steeds weer
herbegonnen, behoren tot die mensheid, die woordziek en toonarm, er op eigen houtje maar
niet in slaagt te verwoorden en te uiten wat in hart en ziel is opgesloten en roept om
mededeelbaarheid.
De Internationale Vriendenkring Anton Van Wilderode heeft een aantal
bewonderaars van de dichter geschaard achter de opgave van Wilderodes onvolprezen werk te
verspreiden naar de vier windstreken toe. En het wonder voltrekt zich onder onze ogen: een
geval van geestelijk kinetisme, een verplaatsing in tijd en ruimte van van Wilderodes
gedichten, vertaald en hertaald, sommige zelfs achtvoudig, zoals het gedicht Cortewalle,
verwijzend naar een oord hier zo nabij. Zo worden de aarde van ons geheugen en de
bevindingen van ons ervaren, verwoord door van Wilderode, aangereikt aan de
broedervolkeren van Europa. Nu reeds klinkt de stem van van Wilderode, die tot na-denken
stemt maar ook tot voor-voelen, in Spaanse, Italiaanse, Franse, Engelse, Poolse, Roemeense
en anderstalige oren en uit vreemdsprekende monden. Die stem van hier klinkt steeds
indringender op in de weinige vreemde talen die we kennen en in de vele talen die we niet
kennen maar kunnen leren en in alle talen van mensen die doorheen de stilte tussen de
woorden en de spleten van aarzeling tussen de lettergrepen, met Van Wilderode willen
zeggen dat er meer is tussen hemel en aarde dan wij kunnen zien en zeggen.
Dank zij de internationale vriendenkring wordt het oeuvre van van
Wilderode, zo vol land en zo vol lucht, op talrijke colloquia, symposia, congressen,
seminaries, festivals, literaire salons, biënnales, poëzienachten en dichterlijke
evenementen gezaaid om later te oogsten.
Aan het einde van deze onze zieltogende XXste eeuw, de meest
smartelijke aller eeuwen, voelen veel mensen zich onwel in onze maatschappij van
welgesteldheid en welvaart. Misschien zijn ze ballingen in de samenleving en wezen van
God. Over de hoofden van de geprivilegieerden, die hier van middag aanwezig kunnen zijn,
moge de boodschap van Van Wilderode als een echo van geloofshoop uitdijen over een
geestelijk land met soms te weinig reliëf en te veel platitudes en door polluerende
critici Platland genoemd. Toch zijn veel van zijn bewoners, ook jonge mensen,
bereid op te staan en mee te gaan. Maar het is een illusie te denken dat zij en dat wij de
geloofshoop toegeworpen krijgen, als een geschenk. Wij moeten ze aanmaken en planten langs
de weg, als een wegwijzer. Dichters, die zieners zijn, gaan ons voor. In geloof in morgen
en hoop op de toekomst,want alles is steeds opnieuw te winnen en te verliezen. Wij hopen
tenminste dat Van Wilderode ons tenminste zal helpen tenminste te geloven in de hoop.
Om die reden en om nog veel meer, om wat kan gezegd worden en wat
onuitspreekbaar blijft, zijn wij iedereen dankbaar, die deze dag heeft mogelijk gemaakt,
een dag waarop niet wordt gesproken en enkel wordt gezegd, in en met de geloof- en
hoopvolle woorden van Anton Van Wilderode:
Gij zult niet eenzaam zijn. De bloemen en
de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.
Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal
zal fluiten.

|