Mark Eyskens politiek economie literatuur Français
kunst politiek stel uw vraag nieuws Français

Gedichten II  vervolg van gedichten

In fine 'Economie voor iedereen'

 
ELSCHOTS HUWELIJK
 
 
Wij zijn verwonden,
wij zijn verbonden,
onomwonden.
Wij zijn verjaard,
wij zijn verstreken.
Wij zijn uitgepaard
en op elkander dood gekeken.
 
Wat doet het vuur als het niet laait ?
Wat doet de wind als hij niet waait ?
 
Mijn ego is versteend,
mijn alter ego uitgebeend.
De spiegel is gebroken.
Wij zijn nu van elkaar verstoken.
Ik spreek en jij blijft stom.
Jij spreekt en ik verdom
te luisteren naar jou,
waarvan ik hou
maar niet bemin.
 
Wat doet het vuur als het niet laait ?
Wat doet de wind als hij niet waait ?
 
Ik ben mijn eigen ziekte en mijn passie,
mijn eigenliefde, mijn intoxicatie,
mijn zelfverslaving
en mijn laving.
Ik heb mezelf steeds lief in woord en daad,
waartussen jij bezwarend staat.
 
Wat doet het vuur als het niet laait ?
Wat doet de wind als hij niet waait ?
 
De oude tederheden hebben wij begraven
en toevertrouwd, als loze gaven,
aan gronden zonder bronnen,
uitgedroogd.
Geen duizend zonnen
vermogen weer de vuren aan te laaien,
de winden op te waaien.
 
Wij zullen sterven als bevroren vorsten,
Bourgondiërs met hoge borsten.
Reeds hebben wij ons praalgraf aangemaakt,
de beide sarcofagen klaar gemaakt.
Vernietigd zullen wij er rusten in het niet.
Nog slechts profielen van graniet.
 
 
EEN STAD ZONDER LICHT
 
 
Een stad zonder licht
op de blauwe planeet,
versteende gedicht
van een stervende kreet.
 
De stad van de mens,
belegerd, belaagd,
geen vrede,geen wens,
geen Christus geslaagd.
 
De stad is een platland.
De dood is fataal.
De hoop is er laagstand,
geen droom, geen signaal.
 
De angsten, de feesten,
de pijnen gevierd,
met vreugde van beesten
door mensen ontsierd.
 
Met as in de ogen,
met as in het hart;
de waarheid belogen,
tot leugen verstard.
 
De lichamen dansen,
de zielen zijn dood;
de meisjes herkansen;
verhuren hun schoot.
 
De kelen der burgers,
tot vrijheid gestemd,
verwachten de wurgers,
hun monden geklemd.
 
De hemel bestaat niet,
de einder is dicht.
De kernbom valt niet
op het krankzinnigengesticht.
 
 
OORLOGSGRAVEN
 
 
 
De graven, de kruisen, verloren in ‘t veld.
De namen der doden voor eeuwig geteld.
Een stilte van lood, want gestaakt het geweld.
Tot rust van de doden, de bomen geveld.
 
Voor lieve gedoden, het dodenappel.
Geen woede, geen gramschap, bevel was bevel.
Zij stierven als helden, beleefden de hel.
Nu bloeien chrysanten, vertederd en fel.
 
 
 
EEN TRAAN
 
 
Een hemelbrede hemel veegt
de wolken heen en weer.
Een zee van regen zwelt,
verduistert en stort neer.
De hele wereld weent.
 
Maar in je ene, beverige traan
zag ik meer droefheid opgesloten
dan in de wilde smart
van alle zeven wereldzeeën.
 
 
 
 
GOETHES PIJNEN
 
De pijnen zwichten onder winden,
die wolken wereldvreemd ontbinden
tot gruis van dromen en gedachten.
De pijnen kreunen in de nachten,
herhaald, opnieuw, steeds herbegonnen.
Een klaarheid als van zwarte zonnen
verheldert scherp en zonder mededogen
de duisternissen van het onvermogen.
De pijnen lijden in de ondoorgrondelijke dalen.
Een leegte vol van ruisende verhalen
vervult de ebbe en de vloed van tijd
en tegentijd. Een eeuw geduld verglijdt.
De basten barsten en de pijnen deinzen
vertederd in de nacht terug en grijnzen
als tekenen van late rust.
En vrede en een vonk van lust
verzinken, mistig, Goethe achterna,
over de hemeltoppen en daarna
over de spitsen van steeds hoger bergen.
Meer licht wordt dan verwacht tegen het tergen
van de ochtend die niet komt.
Meer licht, een stem waarvan de kreet verstomt.
 
 
 
TASSILI
 
 
Een land verbrand
tot zee van zand,
luchtspiegelende paradox,
en steeds woestijn, woestijngeheim,
met schijn van strand,
van rif en rots.
Tassili, gave Gods.
En duinen die als dijen
zich rekken in de zon
en kleuren die verkleuren
op de maten van de uren:
van ochtendoker, aangestoken,
over witte middaghitte,
mythe van het levenslicht.
Tot de avond,vol van schaduw,
vol van schaarse eindervuren
wacht
op de pauwblauwe nacht.
Geen wad, geen oued, geen waterbron,
slechts God,koel lavend
en heilspellend dicht
achter de horizon.
 
 
KERKHOF
 
Alsof, waar statig stammen
in de stilte van dit kerkhof staan,
verdriet en droefheid nooit vergaan
en rouw en schaamte in elkander overgaan.
Alsof steeds zon en licht
aan ‘t einde van de cypreslanen ondergaan:
meetkunde van de dood,
spectakel van het ongepaste heengaan.
Alsof een wind van eeuwigheid
de bladeren doet ritselen
en ruisen buiten elke tijd
van tak tot twijg gewijd:
één grote siddering.
Alsof de regens nooit versagen
en nooit het trage leed verjagen,
dat tussen bast en schors verteert;
het eelt van jaren scheiden,lijden.
Asof ik je toen zag,
gebogen bij je graf,
een schaduw van een schim,
afwezige aanwezigheid,
en je verklaard gelaat,
voor mij te laat,
genezen en verrezen.
Je graf was leeg,
je dood in het onbegrijpelijke niet
verzwonden en gestorven, God weet waar.
En ik, die naar de grauwe kimlijn staar,
mij rest slechts mijn verdriet
het enige dat niet wil sterven,
niet.
 
 
OOG OM OOG
 
 
 
Omdat ik in je ogen heb gelezen
dat je ogen in mijn ogen lazen.
Een glimp, een genster op gerezen
en weg geglipt uit netvliesmazen
van oog tot oog van jou en mij,
achter de weerschijn van ons ego-glas.
Een wimperslag, je aalmoes onvolprezen
die oog in oog mijn vrees genas.
En bij het vallen van de avond het getij
van blik en wederblik. Er was
van alle kleuren van de regenboog
geen blauwer blauw dan van je oog,
je iris, ontoelaatbaar centrum van t'heelal
geen myopie, geen entropie, geen vuil verval.
Vier ogen scheppen wereldzeeën
van zon tot horizon gestrekt.
Een oogverblinding uit het oog verloren
door ogen die het licht beogen
van nacht tot avond opgemerkt
O, spel van ogen, spiegelzalen
vol legendarische verhalen,
tot oog in oog de grote dood
van glans en glinsteringen,
van schijn en schitteringen
de laatste ogenblikken... doodt.
 
 
 
 
 
 
 
ACHTER DE HORIZON
 
 
 
Gun mij mijn heimwee,
want de dagen korten,
en een fel verlangen
naar de avondzee,
en naar het storten
van het licht in zee
en naar een vaag idee
van hoe dromen horten,
breken op de rand
der dagelijkse dingen.
 
Ver voorbij het strand,
achter de horizon
hoor ik de golven zingen.
 
 
 
 
 
 
VLOEIBARE TIJD
 
 
De uren schuren sneller door de dag.
Bloedstollend is de tijd die vloeit,
die onomkeerbaar stukken leven
maalt tot tijdstof dat vermag
de essentie toe te dekken; toe te geven
aan de evidente schijn van zijn,
die niet aflaat bedrieglijk te zijn.
 
 
 
 
 
EEN STEM DIE STOKT
 
Plots stokte toen zijn stem
met het krakende geluid
van het breken van een tak.
Een tijd van leed en ongemak
werd voor hem ingeluid:
een stomme tijd van onverstaanbaarheid
zijn keel gewurgd, zijn stem gesmoord
zijn fluisteringen ongehoord.
Hij zakte weg in eenzaamheid,
in het pakijs van zijn stilte vast gelopen,
al zijn talen, tekens klem gesproken.
Zeggen zou hij niets meer.
Spreken evenmin, ofschoon
praten zonder perk noch rem
hem jaren lang, weleer,
over de buitenkant der dingen
had laten glijden
en een zwetsend leven leiden.
Nicht raisonnieren, nur marchieren
en oude speekselklieren
met zorg omkwijlen.
 
Toen brak voor hem de jongste dag
door de nevels van de laatste nacht.
Zijn slokdarm kokhalsde nog een keer
met het krakende geluid,verwacht,
van een grote ommekeer,
als van een tak, gebroken en gegeven
aan het vuur van zijn laatste uur.
 
Hij zei tot vrienden en getrouwen:
"Dood gaan is ontwaken uit de droom,
die je eigen leven is; niet rouwen
over eigen heengaan naar de zoom
van het heelal en treden buiten tijd en ruimte.
De echte smartdood is de dood
van de geliefde andere; een aanstoot,
een schandaal. Etymologisch betekent ‘dood’
zoveel als dooi, het smelten van het ijs
tot water, dat nieuw leven brengt en wijst
naar een nieuwe werkelijkheid.
Laat mij in rust en vredigheid
sterven als een zwemmer naar de overkant,
steeds verder weg van mijn levensstrand."
 
 
 
AMBRUNETIË
 
 
Jonge westerling, oude westerling,
jij ook kunt wrang en wrokkig door het leven
gaan als Max, de haveloze Havelaar,
de querulante sterveling,
daar ginds voorbij de evenaar,
omdat ook jij wel ergens ooit of even
je Insulinde, Leviathan, smaragden paradijs,
geveild zult hebben, uitgegeven,
en verbrast, verpast,verbeuzeld. Wees wijs
en wend je ogen van je af en kijk naar wat
gebeuren kan, als je tenmiste wenst dat
het gebeuren zou in Ambrunetië,
beloftevol ofschoon onduidelijk utopië.
Het is waarschijnlijk de geboorte van de noösfeer
een medemenselijke meridiaan, die de planeet
omspant en waarheid, goedheid, schoonheid weer
tot een synthese samen smeedt,
maar die zonder je inzet en je inkeer
niet kan ontstaan. Inmiddels weet
je dat de vreugde groot is als men de padie
snijden mag. Nog groter is de vreugde als men de padie
snijden mag en kan, die men met eigen hand
intij en ontij heeft geplant.
 
 
 
IN MEMORIAM GASTON EYSKENS
 
 
Een leven werd geleefd.
Voortaan is het geëtst
op het kwetsbare vlies
van de tijd, die kwetst
en wiens laatste uur doodt.
Zo wordt het geleefde leven
doorzichtig en doorschijnend,
filigraan van wat was en is
geweest, zelfs even.
Aldus verglijdt het bestaan
van een mens onder de mensen
naar de keerzijde van tijd
en ruimte, naar wat wij in tij
en ontij en in geloof en hoop,
steeds ‘eeuwigheid’ hebben genoemd,
volgens het woordenboek
van wat onzichtbaar en onzegbaar is.
 
 
TIEN GEBODEN VOOR DE NIEUWE EEUW
 
 
1. Stel je open voor het zijnswonder.
2. Hou je bezig met het essentiële: leven,liefde,lijden en dood.
3. Bemin de liefde meer dan het genot van de liefde.
4. Leef niet om te werken maar werk om beter te leven.
5. Maak het recht van de zwakken sterker dan het recht van de sterken.
6. Wees geen extremist, tenzij in de verdediging van de vrijheid.
7. Wees matig en gematigd in alles, behalve in de behartiging van de rechtvaardigheid.
8. Denk niet te snel dat je gelijk hebt en overtuig meer door je voorbeeld dan door je argumenten.
9. Kwets je aan de gekwetsten.
10.En blijf trouw aan wie je ooit teder heeft gemaakt.
 
 
DE SNEEUW DIE VALT
 
Eén gunst is mij gegund.
De sneeuw, die valt,
te horen vallen in het dal,
onhoorbaar zacht en toch
luid schallend in de stilte
van de dageraad, die nacht
en nevelen verslaat.
Is het dan toeval dat de sneeuw
onmerkbaar dicht gesneeuwd,
niet smelt en kraakt
als schelpen op een strand.
De tijd staat stil, verdwijnt.
De ruimte krimpt, lost op
en Einsteins wereld buigt en barst,
terwijl de bovenaardse maat
van onze werkelijkheden,
als de sneeuw onhoorbaar zacht,
de schaal doorbreekt
van onze oppervlakkigheid.
 
 
 
DE WATERLELIE
 
De waterlelie leeft en heelt
de grondeloze zwarte vijver,
die ze heel alleen bewoont
en die haar zoogt en voedt
en troost en traag beloont
voor lang geduld en ijver,
waarop ze eenzaam drijft.
De lelie is een wonder
voor wie weet dat enkel schoonheid
onze wereld redden kan.
De waterlelie is een wonde
van onduldbaar pijnlijk wit,
een kelk die welk verwelken
‘s nachts en over dag bestrijdt?
De waterlelie droomt en drinkt
en luistert niet. Dan klinkt
en klimt een witte schreeuw
als van een meeuw
die neerstort in de wereldzee
en zinkt, verzwindt, ontbindt.
Het teken overwint.
De nacht grijpt gretig naar de macht
en dwingt de lelie tot vermenigvuldiging.
En God, die wiskunde beoefent en doceert,
legt haar een groei op, mooi kwadratisch,
in de tweede macht.
*
Een tweede nacht en ze zijn twee.
De waterlelie werd een dubbelster,
die bloeit in blanke pracht
en witheid bloedt
uit tweemaal even witte kelken.
De derde nacht zijn ze met vier
en dan met acht de vierde nacht.
 
Ik kwam te laat een maand nadien.
De zachte vijver was verslonden
door een plantaardig, hard bewind.
De lelies overdadig woekerden zich dood.
Ze waren explosieve bladgranaten,
die zich radeloos in stukken bloeiden
en narcistisch naar verrotting groeiden.
De tuinman sprak mij aan en zei:
‘Je tijd is om. Het is zo vroeg zo laat.
Een dagje vroeger en de lelie was de helft.
De vijver was nog zichtbaar toen,
zacht glanzend in de nacht.
Het is steeds later dan je denkt.
De waterlelie groeide elke nacht maal twee,
een sterfelijke poging van verweer
tegen de tijd en zijn verval.
Jij bent, mijn onervaren vriend,
geboren in het mysterieuze teken
van de virtuele eeuwigheid.
Daarom juist is je tijd geteld
en wordt hij gehalveerd van dag tot dag.
Totdat voor jou je laatste lelie leeft,
die open bloeit, steeds witter schaduw geeft
en witter in de kille avond beeft
....
en levend naar haar sterven streeft.
 
14.2.99.
 
ALS REGEN RUISEND OP DE RUITEN
 
 
 
Open ging de deur,
een scheur in het gebeuren.
En het licht stroomde naar buiten,
in een glans, volmaakt van kleur,
vervuld van vreemde geuren.
 
Tot zij verscheen. Zij bracht
een ander licht,
dat in een wereld scheen,
te wijd, te kil, te klam voor haar.
Zij was een trilling in de ochtendwaas,
de waarheid was haar weg. Geen dwaas
die haar haar licht niet had gegund.
Een stem klonk in de leegte,
zacht als regen ruisend op de ruiten.
Toen werd zij de stem die schaduw
open brak tot helderheid
en werd zij ruimte-tijd, gewijd.
Zij had van alle aardse engelen
het meest verlicht profiel,
gelouterd en gebenedijd.
Niets was haar vreemd,
tenzij de avond,
die steeds viel,
te vroeg, te kil, te klam
om haar verlegen schouders,
gebenedijd.
 
 
 
De dag is moe.
En in de avondbries
hoor ik een lied
van weemoed en van rouw.
Het licht is weer
aan sterven toe.
De nacht grijpt langzaam
naar de macht.
Een andere staat
van zijn ontstaat :
verwachting van
de nieuwe dageraad.
 
 
TEDERHEID
 
 
En dat van elke tederheid
de laatste ook de liefste is geweest
dat zij voor mij, als van een boom in mei
op mij is neer gesneeuwd,
van mijn bestaan en mijn verstaan
de lichtheid andermaal geneest,
heeft mij met mij verzoend
Ik hoef niet meer te razen, razen
tegen het sterven van de zon
en het doven van de horizon
 
 
 
ONVERKLAARDE NACHT
 
Dat ik, O Heer, niet eens kan weten
ondanks mijn bidden en gebeden,
wie en wat je bent
tenzij de oude Jahwe,
heer van Mozes, Heer,
die slechts kan zijn
wat hij wil zijn,
en is wat hij zal zijn, O Heer;
en ik niet eens kan weten, Heer,
of jij er werkelijk bent, O Heer,
en wat de grens kan zijn
tussen je zijn en niets
en tussen niets en niet, O Heer,
ofschoon ik steeds geweten heb
dat niets niet zijn kan, Heer,
en niet kan worden,
en dus niet bestaat
en onbestaanbaar is, O Heer,
. . . . . . . . . .
maakt mij zo moedeloos, verdwaald,
vertwijfeld en verzengd,
want van uw koude vuur verteerd,
als een die diep in het veelal
van schijn en zijn,
vertederd en verwonderd,
maar onbeantwoord wacht,
ondraaglijk afgezonderd
in de onverklaarde nacht.
 
Nucleaire Winter
 
 
 
Wij waren wandelaars in akkers die niet langer leefden.
Een zwarte zon verduisterde de horizon.
De winden joegen en de h emel sneeuwde.
Het was de nucleaire winter die begon.
Wij gingen naar een huis dat niet meer kon bestaan.
En vonden haar geblakerd op de muur gevlamd.
Zij was ontzettend mooi en elegant vergaan;
haar silhouet behouden, elk detail erop, eraan;
haar blonde haar was nu door vuur verzengd
en zwart gebrand in oud beton gedrenkt.
Alleen haar ogen waren helemaal verzwonden,
maar blonken vochtig in de onze.
 
 
 
Utopie
 
Ik woon in Oudebos en droom
van jonge wouden die niet sterven
en van de boom der kennis,
die tot in de hemel groeit
en van een blad, verwelkt, vermoeid,
dat ook in winters openbloeit,
en van vergankelijkheid,
die eens de eeuwigheid zal erven.
 
Mijn woonplaats 'Oudebos'
in het Grieks luidt 'ou topos',
de niet-plaats van de utopie,
waarvan ik grens noch einder zie,
een wolk waarop niets werkelijk is,
en elke hemel waarheid is,
waar alle dromen worden uitgestort
en alles altijd mogelijk wordt.
 
Er is absurditeit en veel mysterie,
waarde vriend, en als ik tussen beiden
kiezen moet, kies ik het mysterie
en verzaak ik aan het ongerijmde.
 
 
Kathedraal
 
 
Wij zijn die avond naar de kathedraal gegaan.
Een wankel licht scheen in het portaal.
De wind was scherp; de lucht was schraal,
toen stemmen klonken uit het koor.
Het schip lag rustig in de stad
als in de haven naast het laadpad
en trok een gothisch spoor
van spitse bogen in de nacht.
De ramen brandden in hun pracht
en stilte klonk onder't gewelf.
 
Wij werden weer vertraagd ons zelf
en stelden toen de bange vragen
over het eind van alle dagen
en wat wij waren en waarom.
Ondanks ons bidden en ons klagen
bleven het altaar en de preekstoel stom.
 
 
Mijn vrienden overleven niet
 
Mijn vrienden overleven niet
Zij trekken sporen in het niet
en schuilen doods onder verdorde blaren
Zij worden dood en doder met de jaren
Een laatste vriend werd zelfs doodst
en dan naar onbekende oorden weg geloodst.
Waar is hij nu gebleven?
Egidius, uit het werelddorp verdreven?
 
Zij hadden ooit en met verglaasde blikken
een middag in de zon onder het lustig likken
van ijsjes en granaten
gelezen op de wijzerplaten
van weggesmolten kathedralen
vol van romeinse cijfer-etsen
dat alle uren kwetsen
en het laatste doodt
dat één minuut verwondt
en ooit een laatste stond
de ogen sluit: een degensteek
in de hartestreek
 
Herinneringen zullen niet beklijven
en heftigheden niet lang verblijven
bij wie ze heeft gekend, bemind
gekoesterd, vriend tot vriend
nog even voor de vlam steeds doffer dimt
en net de laatste genster dooft
het laatste licht geroofd.
 
 
En dat van elke tederheid
de laatste ook de liefste is geweest
dat zij voor mij, als van een boom in mei,
op mij is neer gedauwd,
van mijn bestaan en mijn verstaan
de lichtheid andermaal geneest
heeft mij in mei met mij verzoend
ik hoef niet meer te razen, razen
tegen het sterven van de zon
en het doven van de horizon.
 
 
Komt dan in late uren, als de dag vergaat,
de twijfel aan je neocortex knagen
met horden honderden verlegen vragen,
alsof de waarheid niet meer in de boeken staat
 
Ik hoor in de verdachte gangen
van het paleis vol slangen,
het ruige ruisen van de vleugels
van de engel van de dood.
De engel wacht en lacht,
grijpt dan de macht
Hij wurgt zeer zacht
en vestigt voor altijd zijn macht
 
 
Pessoa's spiegelzalen,
 
Vol van Pessoa's 76 heteroniemen,
gelaat en masker, pseudoniemen,
profiel en aangezicht van homoniemen,
gespleten zwaargewicht van mij,
van ego, ik, mezelf, het spiegelbeeld,
mijn eigen zusterziel geflitst,
in spiegelzalen opgesplitst,
gekloond, gevierendeeld literatuur_iedereen.html
en mateloos vermenigvuldigd
te schaamteloos gehuldigd,
aan scherven neer geschreven,
totdat slechts splinters bleven,
heb ik me laten striemen,
onstil, onrustig lusteloos
door vlagen rusteloze
lusitaanse dageraden
als regenvlagen, zegenvlagen
uitgestort in mijn gelaat,
tot ooit één ochtend laat,
genadig en gewond,
vertederd en verstomd,
zijn stem weer spreken laat.
 
 

 

 

Economie voor iedereen


http://iedereen.html
  overzicht van belangrijkste economische problemen en fenomenen.Inleiding tot de economische wetenschap.