Gedichten II vervolg van gedichtenIn fine 'Economie voor iedereen'
-
- ELSCHOTS HUWELIJK
-
-
- Wij zijn verwonden,
- wij zijn verbonden,
- onomwonden.
- Wij zijn verjaard,
- wij zijn verstreken.
- Wij zijn uitgepaard
- en op elkander dood gekeken.
-
- Wat doet het vuur als het niet laait ?
- Wat doet de wind als hij niet waait ?
-
- Mijn ego is versteend,
- mijn alter ego uitgebeend.
- De spiegel is gebroken.
- Wij zijn nu van elkaar verstoken.
- Ik spreek en jij blijft stom.
- Jij spreekt en ik verdom
- te luisteren naar jou,
- waarvan ik hou
- maar niet bemin.
-
- Wat doet het vuur als het niet laait ?
- Wat doet de wind als hij niet waait ?
-
- Ik ben mijn eigen ziekte en mijn passie,
- mijn eigenliefde, mijn intoxicatie,
- mijn zelfverslaving
- en mijn laving.
- Ik heb mezelf steeds lief in woord en daad,
- waartussen jij bezwarend staat.
-
- Wat doet het vuur als het niet laait ?
- Wat doet de wind als hij niet waait ?
-
- De oude tederheden hebben wij begraven
- en toevertrouwd, als loze gaven,
- aan gronden zonder bronnen,
- uitgedroogd.
- Geen duizend zonnen
- vermogen weer de vuren aan te laaien,
- de winden op te waaien.
-
- Wij zullen sterven als bevroren vorsten,
- Bourgondiërs met hoge borsten.
- Reeds hebben wij ons praalgraf aangemaakt,
- de beide sarcofagen klaar gemaakt.
- Vernietigd zullen wij er rusten in het niet.
- Nog slechts profielen van graniet.
-
-
- EEN STAD ZONDER LICHT
-
-
- Een stad zonder licht
- op de blauwe planeet,
- versteende gedicht
- van een stervende kreet.
-
- De stad van de mens,
- belegerd, belaagd,
- geen vrede,geen wens,
- geen Christus geslaagd.
-
- De stad is een platland.
- De dood is fataal.
- De hoop is er laagstand,
- geen droom, geen signaal.
-
- De angsten, de feesten,
- de pijnen gevierd,
- met vreugde van beesten
- door mensen ontsierd.
-
- Met as in de ogen,
- met as in het hart;
- de waarheid belogen,
- tot leugen verstard.
-
- De lichamen dansen,
- de zielen zijn dood;
- de meisjes herkansen;
- verhuren hun schoot.
-
- De kelen der burgers,
- tot vrijheid gestemd,
- verwachten de wurgers,
- hun monden geklemd.
-
- De hemel bestaat niet,
- de einder is dicht.
- De kernbom valt niet
- op het krankzinnigengesticht.
-
-
- OORLOGSGRAVEN
-
-
-
- De graven, de kruisen, verloren in t veld.
- De namen der doden voor eeuwig geteld.
- Een stilte van lood, want gestaakt het geweld.
- Tot rust van de doden, de bomen geveld.
-
- Voor lieve gedoden, het dodenappel.
- Geen woede, geen gramschap, bevel was bevel.
- Zij stierven als helden, beleefden de hel.
- Nu bloeien chrysanten, vertederd en fel.
-
-
-
- EEN TRAAN
-
-
- Een hemelbrede hemel veegt
- de wolken heen en weer.
- Een zee van regen zwelt,
- verduistert en stort neer.
- De hele wereld weent.
-
- Maar in je ene, beverige traan
- zag ik meer droefheid opgesloten
- dan in de wilde smart
- van alle zeven wereldzeeën.
-
-
-
-
- GOETHES PIJNEN
-
- De pijnen zwichten onder winden,
- die wolken wereldvreemd ontbinden
- tot gruis van dromen en gedachten.
- De pijnen kreunen in de nachten,
- herhaald, opnieuw, steeds herbegonnen.
- Een klaarheid als van zwarte zonnen
- verheldert scherp en zonder mededogen
- de duisternissen van het onvermogen.
- De pijnen lijden in de ondoorgrondelijke dalen.
- Een leegte vol van ruisende verhalen
- vervult de ebbe en de vloed van tijd
- en tegentijd. Een eeuw geduld verglijdt.
- De basten barsten en de pijnen deinzen
- vertederd in de nacht terug en grijnzen
- als tekenen van late rust.
- En vrede en een vonk van lust
- verzinken, mistig, Goethe achterna,
- over de hemeltoppen en daarna
- over de spitsen van steeds hoger bergen.
- Meer licht wordt dan verwacht tegen het tergen
- van de ochtend die niet komt.
- Meer licht, een stem waarvan de kreet verstomt.
-
-
-
- TASSILI
-
-
- Een land verbrand
- tot zee van zand,
- luchtspiegelende paradox,
- en steeds woestijn, woestijngeheim,
- met schijn van strand,
- van rif en rots.
- Tassili, gave Gods.
- En duinen die als dijen
- zich rekken in de zon
- en kleuren die verkleuren
- op de maten van de uren:
- van ochtendoker, aangestoken,
- over witte middaghitte,
- mythe van het levenslicht.
- Tot de avond,vol van schaduw,
- vol van schaarse eindervuren
- wacht
- op de pauwblauwe nacht.
- Geen wad, geen oued, geen waterbron,
- slechts God,koel lavend
- en heilspellend dicht
- achter de horizon.
-
-
- KERKHOF
-
- Alsof, waar statig stammen
- in de stilte van dit kerkhof staan,
- verdriet en droefheid nooit vergaan
- en rouw en schaamte in elkander overgaan.
- Alsof steeds zon en licht
- aan t einde van de cypreslanen ondergaan:
- meetkunde van de dood,
- spectakel van het ongepaste heengaan.
- Alsof een wind van eeuwigheid
- de bladeren doet ritselen
- en ruisen buiten elke tijd
- van tak tot twijg gewijd:
- één grote siddering.
- Alsof de regens nooit versagen
- en nooit het trage leed verjagen,
- dat tussen bast en schors verteert;
- het eelt van jaren scheiden,lijden.
- Asof ik je toen zag,
- gebogen bij je graf,
- een schaduw van een schim,
- afwezige aanwezigheid,
- en je verklaard gelaat,
- voor mij te laat,
- genezen en verrezen.
- Je graf was leeg,
- je dood in het onbegrijpelijke niet
- verzwonden en gestorven, God weet waar.
- En ik, die naar de grauwe kimlijn staar,
- mij rest slechts mijn verdriet
- het enige dat niet wil sterven,
- niet.
-
-
- OOG OM OOG
-
-
-
- Omdat ik in je ogen heb gelezen
- dat je ogen in mijn ogen lazen.
- Een glimp, een genster op gerezen
- en weg geglipt uit netvliesmazen
- van oog tot oog van jou en mij,
- achter de weerschijn van ons ego-glas.
- Een wimperslag, je aalmoes onvolprezen
- die oog in oog mijn vrees genas.
- En bij het vallen van de avond het getij
- van blik en wederblik. Er was
- van alle kleuren van de regenboog
- geen blauwer blauw dan van je oog,
- je iris, ontoelaatbaar centrum van t'heelal
- geen myopie, geen entropie, geen vuil verval.
- Vier ogen scheppen wereldzeeën
- van zon tot horizon gestrekt.
- Een oogverblinding uit het oog verloren
- door ogen die het licht beogen
- van nacht tot avond opgemerkt
- O, spel van ogen, spiegelzalen
- vol legendarische verhalen,
- tot oog in oog de grote dood
- van glans en glinsteringen,
- van schijn en schitteringen
- de laatste ogenblikken... doodt.
-
-
-
-
-
-
-
- ACHTER DE HORIZON
-
-
-
- Gun mij mijn heimwee,
- want de dagen korten,
- en een fel verlangen
- naar de avondzee,
- en naar het storten
- van het licht in zee
- en naar een vaag idee
- van hoe dromen horten,
- breken op de rand
- der dagelijkse dingen.
-
- Ver voorbij het strand,
- achter de horizon
- hoor ik de golven zingen.
-
-
-
-
-
-
- VLOEIBARE TIJD
-
-
- De uren schuren sneller door de dag.
- Bloedstollend is de tijd die vloeit,
- die onomkeerbaar stukken leven
- maalt tot tijdstof dat vermag
- de essentie toe te dekken; toe te geven
- aan de evidente schijn van zijn,
- die niet aflaat bedrieglijk te zijn.
-
-
-
-
-
- EEN STEM DIE STOKT
-
- Plots stokte toen zijn stem
- met het krakende geluid
- van het breken van een tak.
- Een tijd van leed en ongemak
- werd voor hem ingeluid:
- een stomme tijd van onverstaanbaarheid
- zijn keel gewurgd, zijn stem gesmoord
- zijn fluisteringen ongehoord.
- Hij zakte weg in eenzaamheid,
- in het pakijs van zijn stilte vast gelopen,
- al zijn talen, tekens klem gesproken.
- Zeggen zou hij niets meer.
- Spreken evenmin, ofschoon
- praten zonder perk noch rem
- hem jaren lang, weleer,
- over de buitenkant der dingen
- had laten glijden
- en een zwetsend leven leiden.
- Nicht raisonnieren, nur marchieren
- en oude speekselklieren
- met zorg omkwijlen.
-
- Toen brak voor hem de jongste dag
- door de nevels van de laatste nacht.
- Zijn slokdarm kokhalsde nog een keer
- met het krakende geluid,verwacht,
- van een grote ommekeer,
- als van een tak, gebroken en gegeven
- aan het vuur van zijn laatste uur.
-
- Hij zei tot vrienden en getrouwen:
- "Dood gaan is ontwaken uit de droom,
- die je eigen leven is; niet rouwen
- over eigen heengaan naar de zoom
- van het heelal en treden buiten tijd en ruimte.
- De echte smartdood is de dood
- van de geliefde andere; een aanstoot,
- een schandaal. Etymologisch betekent dood
- zoveel als dooi, het smelten van het ijs
- tot water, dat nieuw leven brengt en wijst
- naar een nieuwe werkelijkheid.
- Laat mij in rust en vredigheid
- sterven als een zwemmer naar de overkant,
- steeds verder weg van mijn levensstrand."
-
-
-
- AMBRUNETIË
-
-
- Jonge westerling, oude westerling,
- jij ook kunt wrang en wrokkig door het leven
- gaan als Max, de haveloze Havelaar,
- de querulante sterveling,
- daar ginds voorbij de evenaar,
- omdat ook jij wel ergens ooit of even
- je Insulinde, Leviathan, smaragden paradijs,
- geveild zult hebben, uitgegeven,
- en verbrast, verpast,verbeuzeld. Wees wijs
- en wend je ogen van je af en kijk naar wat
- gebeuren kan, als je tenmiste wenst dat
- het gebeuren zou in Ambrunetië,
- beloftevol ofschoon onduidelijk utopië.
- Het is waarschijnlijk de geboorte van de noösfeer
- een medemenselijke meridiaan, die de planeet
- omspant en waarheid, goedheid, schoonheid weer
- tot een synthese samen smeedt,
- maar die zonder je inzet en je inkeer
- niet kan ontstaan. Inmiddels weet
- je dat de vreugde groot is als men de padie
- snijden mag. Nog groter is de vreugde als men de padie
- snijden mag en kan, die men met eigen hand
- intij en ontij heeft geplant.
-
-
-
- IN MEMORIAM GASTON EYSKENS
-
-
- Een leven werd geleefd.
- Voortaan is het geëtst
- op het kwetsbare vlies
- van de tijd, die kwetst
- en wiens laatste uur doodt.
- Zo wordt het geleefde leven
- doorzichtig en doorschijnend,
- filigraan van wat was en is
- geweest, zelfs even.
- Aldus verglijdt het bestaan
- van een mens onder de mensen
- naar de keerzijde van tijd
- en ruimte, naar wat wij in tij
- en ontij en in geloof en hoop,
- steeds eeuwigheid hebben genoemd,
- volgens het woordenboek
- van wat onzichtbaar en onzegbaar is.
-
-
- TIEN GEBODEN VOOR DE NIEUWE EEUW
-
-
- 1. Stel je open voor het zijnswonder.
- 2. Hou je bezig met het essentiële: leven,liefde,lijden en dood.
- 3. Bemin de liefde meer dan het genot van de liefde.
- 4. Leef niet om te werken maar werk om beter te leven.
- 5. Maak het recht van de zwakken sterker dan het recht van de sterken.
- 6. Wees geen extremist, tenzij in de verdediging van de vrijheid.
- 7. Wees matig en gematigd in alles, behalve in de behartiging van de rechtvaardigheid.
- 8. Denk niet te snel dat je gelijk hebt en overtuig meer door je voorbeeld dan door je
argumenten.
- 9. Kwets je aan de gekwetsten.
- 10.En blijf trouw aan wie je ooit teder heeft gemaakt.
-
-
- DE SNEEUW DIE VALT
-
- Eén gunst is mij gegund.
- De sneeuw, die valt,
- te horen vallen in het dal,
- onhoorbaar zacht en toch
- luid schallend in de stilte
- van de dageraad, die nacht
- en nevelen verslaat.
- Is het dan toeval dat de sneeuw
- onmerkbaar dicht gesneeuwd,
- niet smelt en kraakt
- als schelpen op een strand.
- De tijd staat stil, verdwijnt.
- De ruimte krimpt, lost op
- en Einsteins wereld buigt en barst,
- terwijl de bovenaardse maat
- van onze werkelijkheden,
- als de sneeuw onhoorbaar zacht,
- de schaal doorbreekt
- van onze oppervlakkigheid.
-
-
-
- DE WATERLELIE
-
- De waterlelie leeft en heelt
- de grondeloze zwarte vijver,
- die ze heel alleen bewoont
- en die haar zoogt en voedt
- en troost en traag beloont
- voor lang geduld en ijver,
- waarop ze eenzaam drijft.
- De lelie is een wonder
- voor wie weet dat enkel schoonheid
- onze wereld redden kan.
- De waterlelie is een wonde
- van onduldbaar pijnlijk wit,
- een kelk die welk verwelken
- s nachts en over dag bestrijdt?
- De waterlelie droomt en drinkt
- en luistert niet. Dan klinkt
- en klimt een witte schreeuw
- als van een meeuw
- die neerstort in de wereldzee
- en zinkt, verzwindt, ontbindt.
- Het teken overwint.
- De nacht grijpt gretig naar de macht
- en dwingt de lelie tot vermenigvuldiging.
- En God, die wiskunde beoefent en doceert,
- legt haar een groei op, mooi kwadratisch,
- in de tweede macht.
- *
- Een tweede nacht en ze zijn twee.
- De waterlelie werd een dubbelster,
- die bloeit in blanke pracht
- en witheid bloedt
- uit tweemaal even witte kelken.
- De derde nacht zijn ze met vier
- en dan met acht de vierde nacht.
-
- Ik kwam te laat een maand nadien.
- De zachte vijver was verslonden
- door een plantaardig, hard bewind.
- De lelies overdadig woekerden zich dood.
- Ze waren explosieve bladgranaten,
- die zich radeloos in stukken bloeiden
- en narcistisch naar verrotting groeiden.
- De tuinman sprak mij aan en zei:
- Je tijd is om. Het is zo vroeg zo laat.
- Een dagje vroeger en de lelie was de helft.
- De vijver was nog zichtbaar toen,
- zacht glanzend in de nacht.
- Het is steeds later dan je denkt.
- De waterlelie groeide elke nacht maal twee,
- een sterfelijke poging van verweer
- tegen de tijd en zijn verval.
- Jij bent, mijn onervaren vriend,
- geboren in het mysterieuze teken
- van de virtuele eeuwigheid.
- Daarom juist is je tijd geteld
- en wordt hij gehalveerd van dag tot dag.
- Totdat voor jou je laatste lelie leeft,
- die open bloeit, steeds witter schaduw geeft
- en witter in de kille avond beeft
- ....
- en levend naar haar sterven streeft.
-
- 14.2.99.
-
- ALS REGEN RUISEND OP DE RUITEN
-
-
-
- Open ging de deur,
- een scheur in het gebeuren.
- En het licht stroomde naar buiten,
- in een glans, volmaakt van kleur,
- vervuld van vreemde geuren.
-
- Tot zij verscheen. Zij bracht
- een ander licht,
- dat in een wereld scheen,
- te wijd, te kil, te klam voor haar.
- Zij was een trilling in de ochtendwaas,
- de waarheid was haar weg. Geen dwaas
- die haar haar licht niet had gegund.
- Een stem klonk in de leegte,
- zacht als regen ruisend op de ruiten.
- Toen werd zij de stem die schaduw
- open brak tot helderheid
- en werd zij ruimte-tijd, gewijd.
- Zij had van alle aardse engelen
- het meest verlicht profiel,
- gelouterd en gebenedijd.
- Niets was haar vreemd,
- tenzij de avond,
- die steeds viel,
- te vroeg, te kil, te klam
- om haar verlegen schouders,
- gebenedijd.
-
-
-
- De dag is moe.
- En in de avondbries
- hoor ik een lied
- van weemoed en van rouw.
- Het licht is weer
- aan sterven toe.
- De nacht grijpt langzaam
- naar de macht.
- Een andere staat
- van zijn ontstaat :
- verwachting van
- de nieuwe dageraad.
-
-
- TEDERHEID
-
-
- En dat van elke tederheid
- de laatste ook de liefste is geweest
- dat zij voor mij, als van een boom in mei
- op mij is neer gesneeuwd,
- van mijn bestaan en mijn verstaan
- de lichtheid andermaal geneest,
- heeft mij met mij verzoend
- Ik hoef niet meer te razen, razen
- tegen het sterven van de zon
- en het doven van de horizon
-
-
-
- ONVERKLAARDE NACHT
-
- Dat ik, O Heer, niet eens kan weten
- ondanks mijn bidden en gebeden,
- wie en wat je bent
- tenzij de oude Jahwe,
- heer van Mozes, Heer,
- die slechts kan zijn
- wat hij wil zijn,
- en is wat hij zal zijn, O Heer;
- en ik niet eens kan weten, Heer,
- of jij er werkelijk bent, O Heer,
- en wat de grens kan zijn
- tussen je zijn en niets
- en tussen niets en niet, O Heer,
- ofschoon ik steeds geweten heb
- dat niets niet zijn kan, Heer,
- en niet kan worden,
- en dus niet bestaat
- en onbestaanbaar is, O Heer,
- . . . . . . . . . .
- maakt mij zo moedeloos, verdwaald,
- vertwijfeld en verzengd,
- want van uw koude vuur verteerd,
- als een die diep in het veelal
- van schijn en zijn,
- vertederd en verwonderd,
- maar onbeantwoord wacht,
- ondraaglijk afgezonderd
- in de onverklaarde nacht.
-
- Nucleaire Winter
-
-
-
- Wij waren wandelaars in akkers die niet langer leefden.
- Een zwarte zon verduisterde de horizon.
- De winden joegen en de h emel sneeuwde.
- Het was de nucleaire winter die begon.
- Wij gingen naar een huis dat niet meer kon bestaan.
- En vonden haar geblakerd op de muur gevlamd.
- Zij was ontzettend mooi en elegant vergaan;
- haar silhouet behouden, elk detail erop, eraan;
- haar blonde haar was nu door vuur verzengd
- en zwart gebrand in oud beton gedrenkt.
- Alleen haar ogen waren helemaal verzwonden,
- maar blonken vochtig in de onze.
-
-
-
- Utopie
-
- Ik woon in Oudebos en droom
- van jonge wouden die niet sterven
- en van de boom der kennis,
- die tot in de hemel groeit
- en van een blad, verwelkt, vermoeid,
- dat ook in winters openbloeit,
- en van vergankelijkheid,
- die eens de eeuwigheid zal erven.
-
- Mijn woonplaats 'Oudebos'
- in het Grieks luidt 'ou topos',
- de niet-plaats van de utopie,
- waarvan ik grens noch einder zie,
- een wolk waarop niets werkelijk is,
- en elke hemel waarheid is,
- waar alle dromen worden uitgestort
- en alles altijd mogelijk wordt.
-
- Er is absurditeit en veel mysterie,
- waarde vriend, en als ik tussen beiden
- kiezen moet, kies ik het mysterie
- en verzaak ik aan het ongerijmde.
-
-
- Kathedraal
-
-
- Wij zijn die avond naar de kathedraal gegaan.
- Een wankel licht scheen in het portaal.
- De wind was scherp; de lucht was schraal,
- toen stemmen klonken uit het koor.
- Het schip lag rustig in de stad
- als in de haven naast het laadpad
- en trok een gothisch spoor
- van spitse bogen in de nacht.
- De ramen brandden in hun pracht
- en stilte klonk onder't gewelf.
-
- Wij werden weer vertraagd ons zelf
- en stelden toen de bange vragen
- over het eind van alle dagen
- en wat wij waren en waarom.
- Ondanks ons bidden en ons klagen
- bleven het altaar en de preekstoel stom.
-
-
- Mijn vrienden overleven niet
-
- Mijn vrienden overleven niet
- Zij trekken sporen in het niet
- en schuilen doods onder verdorde blaren
- Zij worden dood en doder met de jaren
- Een laatste vriend werd zelfs doodst
- en dan naar onbekende oorden weg geloodst.
- Waar is hij nu gebleven?
- Egidius, uit het werelddorp verdreven?
-
- Zij hadden ooit en met verglaasde blikken
- een middag in de zon onder het lustig likken
- van ijsjes en granaten
- gelezen op de wijzerplaten
- van weggesmolten kathedralen
- vol van romeinse cijfer-etsen
- dat alle uren kwetsen
- en het laatste doodt
- dat één minuut verwondt
- en ooit een laatste stond
- de ogen sluit: een degensteek
- in de hartestreek
-
- Herinneringen zullen niet beklijven
- en heftigheden niet lang verblijven
- bij wie ze heeft gekend, bemind
- gekoesterd, vriend tot vriend
- nog even voor de vlam steeds doffer dimt
- en net de laatste genster dooft
- het laatste licht geroofd.
-
-
- En dat van elke tederheid
- de laatste ook de liefste is geweest
- dat zij voor mij, als van een boom in mei,
- op mij is neer gedauwd,
- van mijn bestaan en mijn verstaan
- de lichtheid andermaal geneest
- heeft mij in mei met mij verzoend
- ik hoef niet meer te razen, razen
- tegen het sterven van de zon
- en het doven van de horizon.
-
-
- Komt dan in late uren, als de dag vergaat,
- de twijfel aan je neocortex knagen
- met horden honderden verlegen vragen,
- alsof de waarheid niet meer in de boeken staat
-
- Ik hoor in de verdachte gangen
- van het paleis vol slangen,
- het ruige ruisen van de vleugels
- van de engel van de dood.
- De engel wacht en lacht,
- grijpt dan de macht
- Hij wurgt zeer zacht
- en vestigt voor altijd zijn macht
-
-
- Pessoa's spiegelzalen,
-
- Vol van Pessoa's 76 heteroniemen,
- gelaat en masker, pseudoniemen,
- profiel en aangezicht van homoniemen,
- gespleten zwaargewicht van mij,
- van ego, ik, mezelf, het spiegelbeeld,
- mijn eigen zusterziel geflitst,
- in spiegelzalen opgesplitst,
- gekloond, gevierendeeld literatuur_iedereen.html
- en mateloos vermenigvuldigd
- te schaamteloos gehuldigd,
- aan scherven neer geschreven,
- totdat slechts splinters bleven,
- heb ik me laten striemen,
- onstil, onrustig lusteloos
- door vlagen rusteloze
- lusitaanse dageraden
- als regenvlagen, zegenvlagen
- uitgestort in mijn gelaat,
- tot ooit één ochtend laat,
- genadig en gewond,
- vertederd en verstomd,
- zijn stem weer spreken laat.
-
Economie voor iedereen |