Leven in Tijden
van Godsverduistering'.
Mark EYSKENS.
De enige constante van de geschiedenis is de verandering. Het is ook de
enige zekerheid in tijden van onzekerheid, een 'age of anxiety'. De doorbraak van de
kennismaatschappij, de overrompelende informatie- en communicatietechnologieën, een
wereld die ons het dorp is geworden en verschijnselen van een interpenetratie en
multiculturalisatie van beschavingen hebben het wereld- en mensbeeld grondig door elkander
geschud. Ook het traditionele Godsbeeld, zoals sedert eeuwen gekoesterd in de christelijke
kerken, is diepgaand gewijzigd of weggedeemsterd, vooral in de Europese maatschappij
waarin God is gestorven aan overbodigheid. De primitieve mens, doordat hij ongeveer 3
miljoen jaren geleden rechtop ging lopen, ontwikkelde een verticale levensvisie. Hij
wandelde op de aarde en keek naar de hemel. Zo ontstond het paradigma van de
verticaliteit, dat alle menselijke beschavingen gedurende duizenden eeuwen heeft
geïnspireerd. Het gezag kwam van boven; er was een overheid (de droit divin), een
stamhoofd, een koning, een president, een baas, een directeur, een vader, een God en de
mens bouwde piramiden, tempels en kathedralen die naar de hemel wezen. Lange tijd was het
onderscheid tussen 'boven en onder' belangrijker dan het politieke verschil tussen 'links
en rechts'. De mens van de 21ste eeuw, die wetenschappelijke bakens verzet en
technologische grenzen immer verlegt en overschrijdt, breekt steeds vaker met het
verticalistische paradigma. De democratie deed dit reeds vanaf de 18de eeuw en de Kerk had
daar aanvankelijk heel wat moeite mee. De informatie-en netwerk maatschappij van vandaag
verwekt een veel fundamenteler vloedgolf en is druk doende het wereldbeeld in al zijn
aspecten horizontaliserend uit te tekenen. Het gaat hier om een constatering; niet om een
waardeoordeel. Er zijn geen grenzen meer, afstand en ruimte worden tot nul herleid en
ogenblikkelijkheid vervangt de tijdsduur. 'Chatten' met elke aardbewoner zal in principe
mogelijk worden. Taalbarrières worden opgeheven. Daardoor wordt, althans in de
geavanceerde maatschappijen, de samenleving meer anti-autoritair, meer democratisch, meer
open, meer beïnvloedbaar en dus meer pluralistisch en multicultureel. Deze evolutie
vertoont licht- en schaduwzijden, zoals de meeste veranderingen. In het noordelijk
halfrond wordt de mens vrijer en vaak ook welvarender. Maar er is ook de machtsgreep van
het 'ik' en de verabsolutering van het zelfbeschikkingsrecht van het individu, een
normering die in conflict kan treden met wel begrepen solidariteit en verdraagzaamheid. De
fabelachtige ontdekkingen van de biogenetica stellen de mens, voor het eerst in zijn
geschiedenis, in staat zijn eigen evolutie te bepalen en zijn omgeving naar zijn hand te
zetten. Darwin heeft uitgelegd hoe de mens, tijdens zijn evolutie, vooral door zijn
omgeving en de wet van de selectie is geboetseerd. De huidige biogenetica echter maakt de
mens tot een meester van zijn eigen fysiologische en geestelijke evolutie en tot de
overheerser van zijn omgeving op aarde, overigens met meestal kwalijke gevolgen. De
hedendaagse kosmologie en quantumfysica hebben ons wereldbeeld totaal overhoop gegooid en
verwijzen naar een werkelijkheid, die haaks staat op onze elementaire intuïties. Ons
wereldbeeld is op korte tijd onherkenbaar geworden en ons mensbeeld is verbrijzeld in heel
wat scherven, die niet makkelijk tot een nieuw geheel kunnen worden aan elkander gelijmd.
En instelling als de katholieke kerk ondergaat een drievoudige
crisis. Vooreerst deelt zij in de contestatie waarvan thans alle door de mens uitgebouwde
structuren het voorwerp zijn. Alle instellingen met verticale structuren in de huidige
samenleving worden betwist en beknibbeld onder de deshiërarchiserende invloed van de
netwerkmaatschappij en het verlangen naar zelfbeschikking van elk individu. Politieke
partijen, vakbonden, universiteiten, ondernemingen, ziekenhuizen en ook de kerken, in de
mate dat ze hiërarchisch zijn opgebouwd en overkomen als autoritair en ondoorzichtig,
worden niet de langer aanvaard als uitoefenaars van gezag, laat staan van macht, door de
burger van de eenentwintigste eeuw die baas is geworden van zijn eigen leven, z'n eigen
lichaam, zijn eigen geest, zijn eigen opvattingen. Macht is niet langer legitimeerbaar, a
fortiori wanneer ze zich als onfeilbaar aandient. Daarop ent zich een tweede
crisiselement, namelijk de verschuiving van de waardeschalen, waardoor meer primauteit
wordt toegekend aan het individuele zelfbeschikkingsrecht van elke mens, een tendens die
vaak breekt met traditionele waarden. Met als gevolg dat gevestigde normen en
gedragsregels wijken voor andere en nieuwe gedragspatronen, met name inzake seksualiteit,
huwelijk, gezin. Er ontstaan evenwel ook veel positieve maatschappelijke houdingen ten
aanzien van solidariteit, genereuze persoonlijke inzet, onder meer wat betreft de
ontwikkelingslanden, de toenemende zorg voor het leefmilieu, een verscherpt ethisch
bewustzijn inzake mensenrechten en in het beroepsleven en de politiek. Evenwel is
verspreidt zich ook een gewijzigde ethische inschatting van problemen in verband met de
het ongeboren leven van de mens, de beëindiging van het menselijk leven, de biogenetica,
enz . Een derde crisis in de Kerk de zwaarste betreft de om zich heen
grijpen de crisis van het geloof, die te maken heeft met het sceptisch, post-modern in
vraag stellen van de geloofsinhoud zelf, van het Godsconcept, de zin van leven en dood,
liefde, en lijden en kwaad, in een samenleving waarin godsdienstige dogma's worden
beschouwd als behorend tot de infantiele maar thans achterhaalde fase van de menselijke
evolutie. Met als bezwarende omstandigheid dat de ontankerde gelovigen niet langer
aanvaarden dat de Kerk en haar leiders ofwel de essentiële vragen uit de weg gaan ofwel
dienen te bekennen dat ze op essentiële vragen geen antwoord kunnen geven. Meteen
ontstaat bij veel gelovigen een overbodigheidsgevoel, wat het kerkelijk instituut betreft
en worden zij, zo wordt aangevoeld, aan hun lot overgelaten, geworpen in de doolhof van
persoonlijk zoeken en tasten. En dit op een ogenblik dat er wordt verlangd naar houvast en
zingeving. Tenzij voor de gemakkelijkste oplossing wordt gekozen: geen vragen stellen en
zich laten wegzinken in de intellectuele knusheid van het indifferentisme en afstandelijk
cynisme. Het is niet verwonderlijk dat God sterft in het oude Europa - en dit veel sneller
dan Friedrich Nietzsche ooit had kunnen voorspellen- en dat de priesterlijke roepingen
ophouden. Maar waarom? Veel factoren zijn aanwijsbaar. Zou het kunnen dat de
verschrikkingen van de 20ste eeuw Europa meer hebben verwond dan de andere continenten en
dat veel Europeanen het nut niet meer inzien van een goede God die het onmenselijke lijden
niet heeft weten te keren? Wellicht moet worden uitgegaan van de paradox dat de afname van
de godsdienstbeleving blijkbaar gepaard gaat met een opflakkering en vermenigvuldiging van
allerlei religieuze bewegingen. De kerken lopen leeg maar de kapellen van de individuele
religiebeleving lopen vol. De crisis van het vooral dogmatische geloof heeft ook voor een
deel te maken met de onvrede van veel goed menende gelovigen wat betreft de traditionele
verwoording van de geloofswaarheden, vooral als die worden geconfronteerd met de
bevindingen van de moderne bijbelexegese. Gelovige intellectuelen hebben nog steeds moeite
met de relatie tussen geloof en wetenschap of althans met de correcte duiding hiervan. De
hedendaagse stelling luidt dat wetenschap en geloof uitgaan van totaal onderscheiden
invalshoeken, waarbij de eerste de hoe-vragen probeert op te lossen en het tweede zich
onledig houdt met de waarom-vraag, die een fundamentele vraag is naar zingeving . Deze wat
schizofrene opvatting is nochtans niet echt bevredigend omdat de menselijke persoon een
eenheid vormt waarin denken en weten, geloven en hopen wel kunnen worden onderscheiden
maar niet kunnen worden gescheiden. De conflicten tussen de Kerk en het wetenschappelijk
establishment zijn vandaag uiteraard veel geringer dan ten tijde van Galileï of Darwin,
maar wellicht heeft de Kerk veel te lang theologie verward met kosmologie en daardoor het
mensbeeld voor een deel opgeofferd aan een wereldbeeld, bepaald door een oppermachtige,
demiurgische, als beredderende God, zoals die uit de traditionele lectuur van de bijbel te
voorschijn treedt. Meteen ontwaart de hedendaagse christen het grootste struikelblok voor
het monotheïstische geloof: de paradox van lijden en kwaad geprojecteerd tegen een
wereldbeeld beheerst door een almachtige maar ook algoede, liefhebbende godsfiguur. Niet
alleen het christendom maar de meeste andere godsdiensten hebben geworsteld met het
probleem van goed en kwaad in de wereld. Divinisatie van het goede en diabolisering van
het kwade, uitgesproken manicheïsme of overwinning op het lijden door onthechting, zoals
in het boeddhisme, waren vaak de aangereikte richtingwijzers. De stelling van een de
christelijke kerken dat het kwaad door mensen is aangericht en voortvloeit uit de
menselijke vrijheid (van wie het kwaad stichten) is een minimalistisch uitleg, die zelf
schokkend overkomt wanneer men, geplaatst voor de gruwelen van Auschwitz, de genocides en
de oorlogen in de wereld, denkt aan de tientallen miljoenen onschuldige slachtoffers. De
christelijke boodschap, hertaald tijdens een nieuwe Vaticaans concilie onder het volgende
pausschap, moet meer onderstrepen het dat God liefde is en dat Hij dus niet, almachtig
maar passief, schuilt in het lijden en in het kwaad, niet in de oorlog en in de kanker en
in de dood, maar hiertegen gekant is. Hij strijdt met de goede mensen om lijden en kwaad
te overwinnen. Dat zelfs het kwaad van de dood overwinbaar is, werd en wordt geduid door
het geheim van Jezus Christus' verrijzenis. Enkel Christus kan de kerk redden. De
christelijke boodschap moet dan weliswaar tot haar wezenskern worden teruggebracht.
Vooreerst is er de boodschap van de onbaatzuchtige, maar onnatuurlijke naastenliefde of
agapè niet de natuurlijke eros-liefde - die oproept tot solidariteit,
samenwerking, vredestichting. In een wereld, zwichtend onder een arsenaal van
waterstofbommen en bacteriologische en scheikundige wapens, is de vrede brengende
boodschap van Christus vandaag nog veel actueler dan tweeduizend jaren geleden. Zij beoogt
noch min noch meer de overleving en de redding van het menselijk ras als species. En wat
de solidariteit betreft is het de verantwoordelijkheid van de christen te stellen dat men
nooit solidair genoeg is, een veeleisendheid die zelden tot uiting komt in onze
betrekkingen met b.v. de derde wereld, de vierde wereld, de mensen in onze omgeving,
andersdenkenden, anderstaligen, allochtonen, migranten en tientallen soorten sukkelaars.
Naast het beginsel van de onbaatzuchtige naastenliefde, poneert de christelijke boodschap
dat het recht van de zwakken de plicht is van de sterken, een beginsel, zelden op deze
manier geformuleerd, dat bepalend is voor de christelijke sociale leer en het
maatschappelijke en politieke engagement van de christen in de gemeenschap. En tenslotte
is er een laatste kernelement in de christelijke leer: het mysterie van de verrijzenis,
niet reduceerbaar tot een fysisch fenomeen, maar waarvan de duiding 'schittert ' in de
existentiële duisternis. Van de goede mens blijft de essentiële kwaliteit bewaard in een
dimensie, die contra-intuïtief is maar ook niet totaal onredelijk zoals o.m. de moderne
quantumfysica aanduidt. Er is opstanding, niets is definitief hopeloos verloren. Een
christen is nooit een zwartgallig pessimist; evenmin een beaat optimist. Hij is een
meliorist, iemand die gelooft in de verbeterbaarheid van mensen en dingen. Dood, kwaad en
lijden hebben niet het laatste woord. Goedheid liefde, rechtvaardigheid, erbarmen,
waarheidsbetrachting vindt men als dusdanig niet terug in de natuur. In die zin zijn zij
bovennatuurlijke deugden (te vermenselijken goddelijke zijnskwaliteiten), die de weg open
naar de divinisatie van de mens en zijn opname in de goddelijke geest. De hedendaagse
wetenschap ontwaart steeds meer het grote mysterie van de werkelijkheid: een heelal dat
een veelal is en elf dimensies telt, de tegen-intuïtieve gevolgen van de quantumfysica,
een wereld van realiteit en virtualiteit, het niet-zijn (en dus de onmogelijkheid) van het
niets, het wonder van het ont- en bestaan van de mens. Een 'transcendente'
ontwikkelingsgeschiedenis, althans wat de mens op aarde betreft, is denkbaar: de
vitalisatie van de anorganische materie (het ontstaan van de eerste levende cel, 3,5
miljard jaren geleden); de hominisatie van levende wezens (de mensaap die mensaap wordt 3
à 4 miljoen jaren terug) en de divinisatie van de mens (in een toekomst van goddelijke
zingeving; de onverklaarde klaarte).
Er zijn tekenen van hoop in een maatschappij die
geconfronteerd wordt met deze hamvraag: 'hoe de wervelstorm van veranderingen omzetten in
echte menselijke vooruitgang?' Die vraag beantwoorden veronderstelt dat men menselijke
vooruitgang kan ijken met verwijzing naar een mensbeeld en dus naar zingeving voor het
menselijk leven. Er is ongetwijfeld vandaag de dag herontdekking van vormen van
spiritualiteit, ook en vooral bij de jeugd. De ethiek is als invalshoek van
maatschappelijke actie niet meer weg te denken in talrijke domeinen, tot en met in het
zakenleven. Alle samenlevingsproblemen vertonen een ethisch aspect en daar is een enorm
werkterrein weggelegd voor het maatschappelijk engagement van de christen in samenwerking
met alle andere mensen van goede wil. Het christelijke personalisme gaat uit van een
onvervangbare mensopvatting die én het individualisme én het collectivisme overstijgt,
niet door er een compromis van te maken maar door zich te situeren aan hun overkant.
Steeds meer mensen worden er zich bewust van dat hun verantwoordelijkheid nooit zo groot
is geweest, nu de mens in staat is zijn eigen evolutie te sturen maar ook het menselijke
ras te verdelgen en uit te roeien. Vanzelfsprekend is er veel absurditeit maar ook veel
mysterie en als moet gekozen worden tussen het mysterie en het absurde, waarom dan niet
kiezen voor het mysterie?
Het bovenstaande is slechts een schematische en
dus ongenuanceerde samenvatting van wat ik heb uitgewerkt in mijn recente boek 'Leven in
Tijden van Godsverduistering' (Lannoo, 248 blz.), en waarvan ik de thema's jaren lang
worstelend mee heb gedragen. Dit geschrift, waarin ik gepoogd heb de meest wezenlijke
bestaansvragen niet uit de weg te gaan en dat ik met enige aarzelende schroom heb
gepubliceerd, eindigt met een pleidooi voor wat ik 'geloofshoop' noem, zeer nodig in de
hedendaagse wereld van technocratie, conflicten, onverdraagzaamheid, ontpersoonlijking,
'vermenning' en wan- en mistoestanden allerhande. De geloofshoop dat aan de keerzijde van
wat wij weten en niet weten een land van onverklaarde klaarte ligt. Dit boek heb ik
opgedragen 'aan de bewoners van Platland die blijven geloven in Hoogland, die weten dat
het mens-zijn niet af is en daarom beseffen dat mens-zijn onvermijdelijk meer mens-worden
is. Hoogland is geen droomland, maar een Doelland, dat vreemd genoeg de reis verheft tot
doel van de reis. Een reis met-anderen-in-de-wereld, die een wereld kan zijn van
verbeterbaarheid van mensen en dingen, een reis waarvan wij hopen dat ze ooit uitmondt in
het Land der Onverklaarde Klaarte''.
Mark EYSKENS
|
|
|
|