voorzitter van de vzw archieven en cultureel centrum Arenberg
- Lid van de raad van bestuur van de universitaire stichting.
- Voorzitter-bestuurder van de Klasse van de Menswetenschappen van de Koninklijke
Vlaamse Academie voor Wetenschappen en Kunsten (2001-2002).
- Voorzitter van de Koninklijke Academie voor
wetenschappen en kunsten.
Hier volgt
een loflied voor de KULeuven, op wiens schoot ik vaak heb gezeten, en zodoende via haar op
de sedes sapientiae. Mijn liefde voor haar is meer dan passioneel; ze is redelijk en
onredelijk.En overspelig , want ze dwong mij bij wijlen tot ontrouw aan de verschroeiende
lusten van de politiek
Onze Alma
mater,
geestelijke voedstermoeder.
Met eerbiedige genegenheid noemen wij de Katholieke Universiteit te
Leuven 'onze alma mater' niet steeds beseffend dat het woord 'alma' dezelfde stam heeft
als de woorden alimentatie en aalmoes en derhalve verwijst naar moederlijke voeding en
barmhartige gift. Sedert haar ontstaan in de 13de eeuw is de universiteit de teeltbodem en
proefbank geweest van de toen embryonaire kennismaatschappij, een instelling zonder
geestelijke grenzen, die weten en denken heeft verheven tot de hefbomen van menselijke
vooruitgang. Voor elke universiteit, die naam waardig, is vrij denken mooi. Juist denken
is nog mooier, in de wetenschap dat de vooruitgang van de menselijke kennis erin bestaat
de kennis van het verleden tot dwaling te verheffen.
Mijn eigen herinneringen aan de universiteit gaan terug tot mijn
collegejaren. Tijdens de oorlog zag ik mijn vader zijn cursus, nog archaïsch
'staathuishoudkunde' genoemd, handgeschreven voorbereiden op de tafel in de woonkamer, het
enige vertrek dat kon verwarmd worden. Ik herinner mij hoe na de bombardementen op de stad
Leuven in 1944 niet alleen het stadhuis en de Sint-Pieterskerk maar ook de
universiteitshalle en alle historische colleges van de Naamse straat de trieste aanblik
boden van puinhopen, waarin heel wat mensen waren omgekomen. Na de oorlog kwam de
toenmalige rector magnificus van de universiteit, Monseigneur H. Van Wayenbergh in de
maand juli, in het Sint Pieterscollege, tijdens de plechtige proclamatie van de
eindejaarsuitslagen, een kartonnen lauwerenkrans plaatsen op het hoofd van de primus van
elke klas, die naar huis mocht met een stapel prijsboeken. Mijn eigen studentenleven aan
de universiteit, in de jaren 50, was een grote intellectuele en inter-menselijke
ontdekkingstocht, waarvan ik als een diepzeezwemmer heb genoten.. De meeste colleges
werden door de professoren gedoceerd zonder beschikbare syllabi of cursusteksten en
dienden met de pen opgekrast. Alle examens waren mondeling, meestal af te leggen in de
maand juli, in een of twee dagen. Een intestinale ongesteldheid op die momenten had
catastrofale gevolgen voor de examinandus. Tijdens het jaar was er echter voldoende tijd
om zich mateloos in het studentenleven te storten, lid te worden van allerlei verenigingen
en studentenkringen, mee te werken aan het tijdschrift 'Ons Leven' en studentenpolitiek de
bedrijven in de schoot van faculteitskringen en Vlaamse organisaties. De opbouw van het
materieel en menselijk vernietigde Europa was voor de meeste studenten toen een zeer groot
ideaal. De wereld rondom ons was nog geen dorp maar integendeel zeer omvangrijk, Amerika
en de andere continenten waren heel ver verwijderd en reizen werd nauwelijks gedaan,
tenzij met de fiets naar de 'zoete waters' of naar Scherpenheuvel en een enkele keer naar
Parijs. In het laatste jaar van mijn rechtsstudies mocht ik naar Berlijn voor een kort
maar huiveringwekkend bezoek aan de verwoeste en door de Koude Oorlog andermaal
geteisterde voormalige Duitse hoofdstad.
Geen ogenblik twijfelden wij eraan dat wij, eens in het bezit van ons
einddiploma, een beloftevolle baan zouden gaan uitoefenen in de maatschappij. Persoonlijk
had ik het voorrecht na mijn doctoraat in de economische wetenschappen benoemd te worden
tot docent, tot gewoon en nadien, omwille van politieke perikelen, tot buitengewoon
hoogleraar aan de K.U.L. Weldra ontdekte ik een werkkring die ik gedurende mijn
professoraatjaren en nog steeds buitengewoon lief heb gehad omwille van de grote
intellectuele vrijheid die er heerst, de critische geest, de ongedwongen collegiale
omgang, de buitenlandse contacten en het aandachtig waarnemen van en dialogeren met
opeenvolgende studentengeneraties. In mijn academische loopbaan had ik het geluk wellicht
aan 30.000 studenten college te mogen geven.
Banaal is de vaststelling dat de Katholieke Universiteit te Leuven, in
al haar aspecten en uitingen, adembenemend is veranderd. Ik herinner mij nog hoe wij, als
student, een dag vrij af hebben gekregen omdat de tienduizendste student was ingeschreven,
Vlamingen en Franstaligen samen. Vandaag de dag bedraagt het aantal studenten aan de K.U.
Leuven en in Louvain-la-Neuve, opgeteld, meer dan 45 000 jonge mannen en vrouwen, wat de
maat aangeeft van de enorme democratisering die zich inmiddels heeft voorgedaan. Mei 68
was een intens chaotische tijd, vol ontroerende wereldvreemdheid, waar de
partiticipatiegedachte is gegroeid en het linkse denken voor een deel groen is gaan
kleuren. Alvast is toen gebleken dat in een maatschappij, die veel te verliezen heeft,
contestatie een vorm van intellectuele brandstichting is, die meestal wordt gepleegd met
vochtige lucifers. De verandering is de enige constante van de geschiedenis, ook van de
geschiedenis van de universiteit. Een tiental jaren geleden werd door de faculteit
economische en toegepaste economische wetenschappen een eredoctoraat verleend aan een
Amerikaans professor waarvan ik de naam vergeten ben , maar niet de gevleugelde woorden
die hij toen, bij wijze van dankzegging uitspraak: 'I remember the time when the air was
clean and sex was dirty. To day it is the reverse'.
Op de arbeidsmarkt is de toestand voor veel afgestudeerden onzeker
geworden. De internationalisering vergroot de kansen van de meest begaafden en de best
geschoolden en verheftigt de concurrentie. Levenslange bijscholing is levensnoodzakelijk
geworden. Het exact wetenschappelijk onderzoek is niet langer het glorievolle monopolie
van universiteiten, maar verplaatst zich steeds meer naar de grote laboratoria van
multinationale ondernemingen. De informatie-en communicatie-revolutie delokaliseert en
deterritorialiseert de universiteit. De universiteit wordt een plaats van nergens en
overal, dus, in de letterlijke betekenis, een Utopia. Studie-curricula worden
geëuropeaniseerd, met een sterke inbreng van de Angelsaksische opvatting van 'the idea of
a university'. De virtuele universiteit is in aantocht; wettelijke en academische
diploma's zullen zwichten voor persoonlijk samengestelde studiepakketten die dank zij het
wereldwijde aanbod door elke student zullen kunnen worden samen gesprokkeld.
Taalbarrières worden opgeheven dankzij systemen van computergestuurde simultaanvertaling.
Maar ook de universiteit ervaart dat de kennismaatschappij ook veel onwetendheid
produceert en dat het vooral onze onwetendheid is die encyclopedisch is geworden. We
lijden allemaal onder de wet van de afnemende relatieve kennis, want het kenbare neemt
veel sneller toen dan het gekende.
De universiteit moet meer dan ooit worden ingebed in de maatschappij en
haar mensen, die zij verondersteld is te vormen en dus te dienen. Deze maatschappij is
steeds meer multidimensioneel, multinationaal en multicultureel. De universiteit kan zich
niet langer beperken tot de wetenschappelijke verklaring van het 'hoe' van dingen en
mensen. Ook zij wordt geconfronteerd met existentiële en fundamentele zinsvragen, die te
maken hebben met het 'waarom' van menselijke daden, menselijk streven en verlangen. De
grote hamvraag voor de maatschappij van morgen luidt hoe de wervelwind van veranderingen
kan worden omgezet, zonodig omgebogen tot echte menselijke vooruitgang. De universiteit
kan deze vraagstelling, die meta-wetenschappelijk is, niet zomaar naast zich neerleggen.
Of een afdoend antwoord op deze vraagstelling mogelijk is, is zelf voorwerp van reflectie.
Maar alvast moet de morele moed worden opgebracht om deze vraag te stellen. Elementen van
antwoord kunnen enkel worden aangereikt dankzij het boetseren van een mensbeeld, dat
enerzijds groeit uit het steeds nieuwere wereldbeeld maar anderzijds moet blijven
verwijzen naar onze ideale opvatting van het mens-zijn. Meer mens worden om meer mens te
zijn is een opgave die een christelijk geïnspireerde universiteit op het eerste gezicht
niet totaal onvoorbereid aanspreekt. Zo blijft de Alma Mater een bron en tekent zij de
horizon.
Prof.em. Mark Eyskens
