Mark Eyskens politiek economie literatuur Français
kunst politiek stel uw vraag nieuws Français
 


Actueel

Opleiding

Levensschets

Academische activiteiten

Prijzen

Politieke activiteiten

Economische activiteiten

Culturele activiteiten

Auteur en publicist

 
Academische activiteiten van
Mark EYSKENS.

 

PE03635_.wmf (14796 bytes)

  • Assistent (1961); docent (1962) aan de Faculteit Economische en Toegepaste Economische Wetenschappen, KUL; Gewoon Hoogleraar (1965), belast met de leergangen Algemene Economie, Micro-Economie, Publieke Financiën en Het Belgisch Economisch Stelsel. Buitengewoon hoogleraar sedert 1976.
  • Docent aan het Centrum voor Ziekenhuiswetenschappen van de KULeuven.
  • Lesgever in het programma 'De Volksuniversiteit' van de BRTN (1966-68).
  • Commissaris-Generaal van de KUL-UCL, voorzitter van de Raad van Beheer van de unitaire structuur, belast met het beheer en de uitvoering van de splitsing van de unitaire Katholieke Universiteit Leuven (1971-1976).
  • Voorzitter van de Hoover-stichting (1972-76).
  • Redactielid van het 'Tijdschrift voor Economie' (1964-76).
  • Lid van de Beheerraad van de Koning Boudewijn-stichting tot 1976.
  • Lid van het Belgisch comité van de Club van Rome (1972-78)
  • Lid van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten sedert 1987. Voorzitter van de Academie 2003-04
  • Lid van de Academia Europeana.
  • Voorzitter van de Raad van Bestuur van de Francqui-stichting sedert 1993.
  • Titularis van de Benelux-leerstoel 1996-97 (Benelux universitair centrum).
  • Docent Universiteit Vrije Tijd van het davidsfonds 1996-97
  • Voorzitter of lid van de Commissie belast met de publicatie van de diplomatieke documenten (Koninklijke Academie) sedert 1996.
  • Voorzitter van de Christian Academy for European Dialogue sedert 1993.
  • Voorzitter van het Centrum voor de Europese Cultuur
  • Bestuurslid van de vrienden van de Hebreeuwse universiteit van Jeruzalem.
  • Ondervoorzitter van het Koninklijk Instituut voor Internationale Betrekkingen sedert 198O
  • Voorzitter van het Instituut voor Europees beleid (KULeuven) sedert 1995.
  • Voorzitter van de Raad voor Europees Onderzoek (KULeuven) sedert 1995.
  • Voorzitter van de jury van de BACOB-prijs sedert 1974.

          Voorzitter van de jury van de Jean Bastin-prijs

  • Voorzitter van het Belgian American Educational Foundation committee at its 75th anniversary.
  • Oprichter en bestuurder aan de KULeuven van het cursusprogramma 'Lessen voor de XXIste Eeuw' (1994- ).
  • Lid van de 'Competitiveness Advisory Group' (CAG) van de Europese commissie sedert 1997.
  • Co-editor van de encyclopedie 'Intergouvernemental Organizations', Kluwer, sedert 1996.
  • Voorzitter van de raad van beheer van het Francquifonds vanaf 2002.
  •  
  • voorzitter van de vzw archieven en cultureel centrum Arenberg
  • Lid van de raad van bestuur van de universitaire stichting.
  • Voorzitter-bestuurder van de Klasse van de Menswetenschappen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen en Kunsten (2001-2002).
  •  Voorzitter van de Koninklijke Academie voor wetenschappen en kunsten.


Hier volgt een loflied voor de KULeuven, op wiens schoot ik vaak heb gezeten, en zodoende via haar op de sedes sapientiae.  Mijn liefde voor haar is meer dan passioneel; ze is redelijk en onredelijk.En overspelig , want ze dwong mij bij wijlen tot ontrouw aan de verschroeiende lusten van de politiek

Onze Alma mater,

geestelijke voedstermoeder.

Met eerbiedige genegenheid noemen wij de Katholieke Universiteit te Leuven 'onze alma mater' niet steeds beseffend dat het woord 'alma' dezelfde stam heeft als de woorden alimentatie en aalmoes en derhalve verwijst naar moederlijke voeding en barmhartige gift. Sedert haar ontstaan in de 13de eeuw is de universiteit de teeltbodem en proefbank geweest van de toen embryonaire kennismaatschappij, een instelling zonder geestelijke grenzen, die weten en denken heeft verheven tot de hefbomen van menselijke vooruitgang. Voor elke universiteit, die naam waardig, is vrij denken mooi. Juist denken is nog mooier, in de wetenschap dat de vooruitgang van de menselijke kennis erin bestaat de kennis van het verleden tot dwaling te verheffen.

Mijn eigen herinneringen aan de universiteit gaan terug tot mijn collegejaren. Tijdens de oorlog zag ik mijn vader zijn cursus, nog archaïsch 'staathuishoudkunde' genoemd, handgeschreven voorbereiden op de tafel in de woonkamer, het enige vertrek dat kon verwarmd worden. Ik herinner mij hoe na de bombardementen op de stad Leuven in 1944 niet alleen het stadhuis en de Sint-Pieterskerk maar ook de universiteitshalle en alle historische colleges van de Naamse straat de trieste aanblik boden van puinhopen, waarin heel wat mensen waren omgekomen. Na de oorlog kwam de toenmalige rector magnificus van de universiteit, Monseigneur H. Van Wayenbergh in de maand juli, in het Sint Pieterscollege, tijdens de plechtige proclamatie van de eindejaarsuitslagen, een kartonnen lauwerenkrans plaatsen op het hoofd van de primus van elke klas, die naar huis mocht met een stapel prijsboeken. Mijn eigen studentenleven aan de universiteit, in de jaren 50, was een grote intellectuele en inter-menselijke ontdekkingstocht, waarvan ik als een diepzeezwemmer heb genoten.. De meeste colleges werden door de professoren gedoceerd zonder beschikbare syllabi of cursusteksten en dienden met de pen opgekrast. Alle examens waren mondeling, meestal af te leggen in de maand juli, in een of twee dagen. Een intestinale ongesteldheid op die momenten had catastrofale gevolgen voor de examinandus. Tijdens het jaar was er echter voldoende tijd om zich mateloos in het studentenleven te storten, lid te worden van allerlei verenigingen en studentenkringen, mee te werken aan het tijdschrift 'Ons Leven' en studentenpolitiek de bedrijven in de schoot van faculteitskringen en Vlaamse organisaties. De opbouw van het materieel en menselijk vernietigde Europa was voor de meeste studenten toen een zeer groot ideaal. De wereld rondom ons was nog geen dorp maar integendeel zeer omvangrijk, Amerika en de andere continenten waren heel ver verwijderd en reizen werd nauwelijks gedaan, tenzij met de fiets naar de 'zoete waters' of naar Scherpenheuvel en een enkele keer naar Parijs. In het laatste jaar van mijn rechtsstudies mocht ik naar Berlijn voor een kort maar huiveringwekkend bezoek aan de verwoeste en door de Koude Oorlog andermaal geteisterde voormalige Duitse hoofdstad.

Geen ogenblik twijfelden wij eraan dat wij, eens in het bezit van ons einddiploma, een beloftevolle baan zouden gaan uitoefenen in de maatschappij. Persoonlijk had ik het voorrecht na mijn doctoraat in de economische wetenschappen benoemd te worden tot docent, tot gewoon en nadien, omwille van politieke perikelen, tot buitengewoon hoogleraar aan de K.U.L. Weldra ontdekte ik een werkkring die ik gedurende mijn professoraatjaren en nog steeds buitengewoon lief heb gehad omwille van de grote intellectuele vrijheid die er heerst, de critische geest, de ongedwongen collegiale omgang, de buitenlandse contacten en het aandachtig waarnemen van en dialogeren met opeenvolgende studentengeneraties. In mijn academische loopbaan had ik het geluk wellicht aan 30.000 studenten college te mogen geven.

Banaal is de vaststelling dat de Katholieke Universiteit te Leuven, in al haar aspecten en uitingen, adembenemend is veranderd. Ik herinner mij nog hoe wij, als student, een dag vrij af hebben gekregen omdat de tienduizendste student was ingeschreven, Vlamingen en Franstaligen samen. Vandaag de dag bedraagt het aantal studenten aan de K.U. Leuven en in Louvain-la-Neuve, opgeteld, meer dan 45 000 jonge mannen en vrouwen, wat de maat aangeeft van de enorme democratisering die zich inmiddels heeft voorgedaan. Mei 68 was een intens chaotische tijd, vol ontroerende wereldvreemdheid, waar de partiticipatiegedachte is gegroeid en het linkse denken voor een deel groen is gaan kleuren. Alvast is toen gebleken dat in een maatschappij, die veel te verliezen heeft, contestatie een vorm van intellectuele brandstichting is, die meestal wordt gepleegd met vochtige lucifers. De verandering is de enige constante van de geschiedenis, ook van de geschiedenis van de universiteit. Een tiental jaren geleden werd door de faculteit economische en toegepaste economische wetenschappen een eredoctoraat verleend aan een Amerikaans professor waarvan ik de naam vergeten ben , maar niet de gevleugelde woorden die hij toen, bij wijze van dankzegging uitspraak: 'I remember the time when the air was clean and sex was dirty. To day it is the reverse'.

Op de arbeidsmarkt is de toestand voor veel afgestudeerden onzeker geworden. De internationalisering vergroot de kansen van de meest begaafden en de best geschoolden en verheftigt de concurrentie. Levenslange bijscholing is levensnoodzakelijk geworden. Het exact wetenschappelijk onderzoek is niet langer het glorievolle monopolie van universiteiten, maar verplaatst zich steeds meer naar de grote laboratoria van multinationale ondernemingen. De informatie-en communicatie-revolutie delokaliseert en deterritorialiseert de universiteit. De universiteit wordt een plaats van nergens en overal, dus, in de letterlijke betekenis, een Utopia. Studie-curricula worden geëuropeaniseerd, met een sterke inbreng van de Angelsaksische opvatting van 'the idea of a university'. De virtuele universiteit is in aantocht; wettelijke en academische diploma's zullen zwichten voor persoonlijk samengestelde studiepakketten die dank zij het wereldwijde aanbod door elke student zullen kunnen worden samen gesprokkeld. Taalbarrières worden opgeheven dankzij systemen van computergestuurde simultaanvertaling. Maar ook de universiteit ervaart dat de kennismaatschappij ook veel onwetendheid produceert en dat het vooral onze onwetendheid is die encyclopedisch is geworden. We lijden allemaal onder de wet van de afnemende relatieve kennis, want het kenbare neemt veel sneller toen dan het gekende.

De universiteit moet meer dan ooit worden ingebed in de maatschappij en haar mensen, die zij verondersteld is te vormen en dus te dienen. Deze maatschappij is steeds meer multidimensioneel, multinationaal en multicultureel. De universiteit kan zich niet langer beperken tot de wetenschappelijke verklaring van het 'hoe' van dingen en mensen. Ook zij wordt geconfronteerd met existentiële en fundamentele zinsvragen, die te maken hebben met het 'waarom' van menselijke daden, menselijk streven en verlangen. De grote hamvraag voor de maatschappij van morgen luidt hoe de wervelwind van veranderingen kan worden omgezet, zonodig omgebogen tot echte menselijke vooruitgang. De universiteit kan deze vraagstelling, die meta-wetenschappelijk is, niet zomaar naast zich neerleggen. Of een afdoend antwoord op deze vraagstelling mogelijk is, is zelf voorwerp van reflectie. Maar alvast moet de morele moed worden opgebracht om deze vraag te stellen. Elementen van antwoord kunnen enkel worden aangereikt dankzij het boetseren van een mensbeeld, dat enerzijds groeit uit het steeds nieuwere wereldbeeld maar anderzijds moet blijven verwijzen naar onze ideale opvatting van het mens-zijn. Meer mens worden om meer mens te zijn is een opgave die een christelijk geïnspireerde universiteit op het eerste gezicht niet totaal onvoorbereid aanspreekt. Zo blijft de Alma Mater een bron en tekent zij de horizon.

Prof.em. Mark Eyskens


top