Mark Eyskens politiek economie literatuur Français
kunst politiek stel uw vraag nieuws Français
 


Actueel

Opleiding

Levensschets

Academische activiteiten

Prijzen

Politieke activiteiten

Economische activiteiten

Culturele activiteiten

Auteur en publicist

 
j0254407.gif (4431 bytes)

E-mail:  m.eyskens@skynet.be

                     

                      ***

Naar een communautair pact

 

De huidige blokkering van de regeringsonderhandelingen kan ook heilzaam zijn indien de publieke opinie en de schrijvende pers steeds sterker zouden betogen dat het nu stilaan welletjes wordt met de communautaire guerrilla. De welvaart van België is zeer kwetsbaar en grote uitdagingen komen op ons af: de vergrijzing, problemen van immigratie, de concurrentie van de emerging countries, delocalisaties, het klimaat, de energieproblemen… en ga zo maar door. Communautair gehakketak is bijzonder contraproductief.

Bij nieuwe regeringsonderhandelingen - die in feite confederaal zijn -  moet aan beide gemeenschappen worden uitgelegd dat enerzijds het land nood heeft aan een definitieve institutionele vormgeving maar dat het anderzijds, juist om dit te bereiken, behoefte heeft aan een grondige staatshervorming. Een omvattend communautair pakt moet worden voorgesteld waarbij de Franstaligen de waarborg krijgen dat met deze institutionele modernisering van het land ook een eindpunt is bereikt (bijvoorbeeld door in de toekomst een verdere hervorming van de instellingen nog moeilijker te maken via supergekwalificeerde meerderheden). De Vlamingen zouden dan in deze context moeten kunnen bogen op een ruime herschikking van de huidige bevoegdheidsverdeling tussen gewesten en gemeenschappen. Ook een oranje- blauwe coalitie, die in haar regeerakkoord een geloofwaardig, omvattend en pacifiërend communautair pakt zou inschrijven maar die niet over een grondwettelijke tweederden meerderheid beschikt, zou heel wat druk kunnen uitoefenen op de andere partijen in het parlement om hun medewerking te verlenen aan een grondige sanering van de instellingen en het beëindigen van de communautaire vijandelijkheden.

De bevoegdheidsherschikking moet evenwel aan een aantal essentiële voorwaarden voldoen:

1/ Vooreerst moet de nieuwe bevoegdheidsverdeling geschieden vanuit een exclusieve invalshoek: streven naar meer efficiëntie om te komen tot beter bestuur. De huidige werking van het federale België moet aan deskundige expertise worden onderworpen wellicht van vooral niet-politici. Het is wenselijk met dergelijke aanpak te pogen de communautaire problemen te ‘depolitiseren’, hoe paradoxaal dit ook moge klinken..

2/ Een herschikking van instellingen en bevoegdheden dient te leiden tot bijkomende defederalisering, waarbij evenwel herfederalisering van sommige beleidsdomeinen niet mag worden uitgesloten.

3/Elke overheveling van nieuwe bevoegdheden naar de deelstaten moet financieel neutraal worden gehouden, wat wil zeggen dat geen enkele lidstaat mag benadeeld worden.  Een ‘zero- som-spel-situatie met winnaars en verliezers kan in België onmogelijk tot een politiek akkoord leiden.

4/ Het is evident dat de overheveling van sommige bevoegdheden wel nadelig kan zijn voor een of meer gewesten. Zo is de totale splitsing van de sociale zekerheid zeker nadelig voor Wallonië, wat onder meer zou tot uiting komen in een aanzienlijke stijging van de armoede- voet. Volgehouden eisen van één gemeenschap met dergelijke nefaste gevolgen kunnen dus nooit in een consensus uitmonden.

5/ Financiële en budgettaire mechanismen dienen bijgevolg te worden uitgewerkt op dat elke overheveling van bevoegdheden inderdaad volledig en blijvend financieel neutraal zou zijn. Het is slechts op deze voorwaarde dat voldoende vertrouwen tussen de gemeenschappen kan worden hersteld.

6/ Het bovenstaande mag niet beletten dat een einde wordt gemaakt aan het zogenaamde consumptiefederalisme. Dit kan onder meer geschieden door de federale budgettaire dotaties, die aan de deelstaten worden toegekend, te conditioneren in functie van vooraf bepaalde, eventueel genegotieerde objectieven en normen. Een bonus/malus-systeem, waarbij de dotatie aan een deelstaat wordt verhoogd of verlaagd naargelang de prestaties, zou aanzienlijk bijdragen tot het invoeren van een echt ‘federalisme van de verantwoordelijkheid’. De objectieve toepassing van dergelijke systemen vereist natuurlijk dat een neutrale autoriteit de verwezenlijking van de opgelegde voorwaarden zou natrekken.

7/ Belgo-Belgische pacificatie vereist dat de taalgrens een definitief karakter krijgt maar dat deze taalgrens geen taalmuur zou worden. In taalgrensgebieden moeten veel grotere inspanningen worden geleverd om de tweede taal aan te leren bijvoorbeeld door het verspreiden van taalbadscholen. Waarom kan in België geen tv-kanaal,  volgens het concept van Arte, worden opgericht waardoor de contacten tussen beide gemeenschappen, via informatie en uitwisseling van gedachten, aanzienlijk zouden kunnen worden verbeterd???.

8/  De electorale toestand in Brussel-Halle-Vilvoorde, door een arrest van het arbitragehof onverenigbaar verklaard met het gelijkheidsbeginsel, is onverenigbaar met de federale beginselen in de mate dat Franstalige kandidaten van Brussel in 35 Vlaamse gemeenten (waarvan weliswaar sommigen met aanzienlijke Franstalige minderheden) er parlementaire verkiezingscampagnes kunnen organiseren. De splitsing van BHV moet worden aangewend als een element van pacificatie eventueel door (verbeterde) modaliteiten in te voeren, zoals die waren uitgewerkt door de regering Verhofstadt onder de vorige legislatuur.

9/ Een alternatief voorstel zou erin bestaan de splitsing van BHV te combineren met de ombouw van de Senaat tot een echte Bundesrat, zoals in Duitsland, bevoegd voor het arbitreren van de belangenconflicten (denken we maar even aan de groteske twisten over de nachtvluchten in Zaventem). In die optiek zou de Senaat bestaan uit vertegenwoordigers van de gewesten en gemeenschappen maar ook uit 30 federale senatoren, als vertegenwoordigers van de federatie, gekozen in de grote kiesomschrijving België. Dit zou voor gevolg hebben dat voor een Senaat met uiteraard beperkte bevoegdheden Nederlandstaligen in Wallonië en Franstaligen in Vlaanderen, als zij dat tenminste wensen, zouden kunnen stemmen voor taal- genoten die op deze lijsten zouden kandideren.

10/ Het land moet bovendien verlost worden van de al te hoge frequentie van opeenvolgende verkiezingen (thans ongeveer om de twee jaar), wat het nemen van verregaande politieke verantwoordelijkheden, die soms op korte termijn door de kiezers niet worden begrepen of die niet onmiddellijk positieve gevolgen sorteren, onmogelijk maakt. Een hergroepering van verkiezingen is bijgevolg uiterst noodzakelijk.

Alle verantwoordelijke politici kunnen zich troosten aan het voorbeeld van Willem de Zwijger, niet alleen omdat die heel weinig sprak maar ook omdat hij alvast één zeer wijze gevleugelde zin heeft uitgesproken die tot nadenken stemt: “Point n’est besoin d’espérer pour entreprendre ni de réussir (rapidement) pour persévérer”.   

 

 

Mark  Eyskens    Minister van Staat

 

 

Nieuw   en reeds DERDE druk

 

HET  boek

 

 

DE OUDE PROF ...  EN DE ZEE

          Samenspraak over zin en zijn

                Mark  EYSKENS

 

                                               Lannoo

 

vergeet niet hieronder de poëtische kortsluitingen

 

 

 

Lees het nieuwe en zeer ongewone boek van Mark EYSKENS:  DE OUDE  PROF EN DE  ZEE. Tweespraak over Zin en Zijn’.  (LANNOO)

 

  • Het boek is een gedachten- en woordenstroom,  zonder hoofdstukken, deels roman, deels essay, deels dialoog.
  • Het telt drie hoofdrolspelers, waarvan twee personen – de oude prof en de studente – en een wonderbaarlijk ‘ding’: de zee
  • De oude prof heeft noch familie- noch voornaam. Hij blijft incognito.
  • Het boek bestaat uit drie lagen in verschillende lettertypen gebracht: het romangedeelte; het essayistisch gedeelte met hoofdstukken uit het proefschrift van de studente en het e-mail-gedeelte met hun wederzijdse electronische briefwisseling
  • Het boek bevat een kantelmoment dat al wat voorafgaat in een totaal nieuw daglicht plaatst
  • De auteur heeft de vrijheid van mening van de personages strict geëerbiedigd. Voor hun opinies en stellingen draagt hij geen enkele verantwoordelijkheid
  • Elke gelijkenis met nog in leven zijnde personen is louter toevallig, hoe onwaarschijnlijk dit ook moge lijken
  • De volledige lectuur van het boek vergt enige inspanning. Eigenlijk gaat het over mensbeeld, wereldbeeld en godsbeeld.  Sommige passages kunnen echter ook al bruinend op het strand worden gelezen.

www.eyskens.com

 

 

 

LEESAANWIJZING

 

Dit is een ongewoon boek. Het is een boek zonder inhoudstafel, zonder hoofdstukken en met een hoofdpersoon zonder naam. Het werd gecomponeerd als een partituur en in verschillende, soms dissonante toonaarden, voor een trio met drie uitvoerders: de zee, de absolute zee van zijn en worden; een emeritus professor in de fysica, die incognito wenst te blijven en een jonge vrouw, ontoelaatbaar mooi, die een doctoraal proefschrift maakt over ‘kosmologie en theologie’. Het boek heeft de vorm van een tweespraak tussen de prof en de doctoranda, maar het is veel meer dan een dialoog. Het is een gedachtestroom, geschreven op het ritme van de zee, gekenmerkt door de ebbe en de vloed van weten en denken, aangetrokken door de monding van hopen en geloven. De thema’s volgen elkaar op in een volgehouden bespreking van existentiële zinsvragen, die blijken zijnsvragen te zijn. De professor staat symbool voor de wijsheid en de zijnsverwondering. Als fysicus bestudeert hij de dualiteit van de materie, die golf en deeltje is. Maar een vergelijkbare dualiteit voltrekt zich aan hem, want hij is een nuchtere wetenschapper en tevens een teder gevoelsmens. De studente belichaamt de intelligentie en de schoonheid in haar veelzijdigheid en vergankelijkheid. Voor de prof weerspiegelt ze ook, zoals de zee, onbereikbaarheid en onaanraakbaarheid. Hij wordt door haar subtiele inzichten gefascineerd, die evolueren naar een kantelmoment binnen haar eigen overtuiging. De jonge doctoranda van haar kant voelt zich aangetrokken door de professor die zich bekeert van de kernfysica tot de kernmetafysica en die het raadselachtige ontdekt achter de zichtbare buiten- en binnenkant der dingen. Beiden, de prof, die geen naam draagt ondanks zijn zeer persoonlijk engagement, en de studente, wier stevige overtuiging haar toelaat tolerant te zijn, bevinden zich opgenomen, zonder dit te beseffen, in een geestelijke deeltjesversneller. Die zal  hun kernvisie op mensen en dingen, op de zwaartekracht van het bestaan en de genade van het leven, zowel tot mentale splitsing als versmelting leiden. Een verrassend keerpunt echter scheurt de werkelijkheid stuk.

Het boek bestaat uit dialogen, soms ironisch en sarcastisch, vaak diepgravend en emotioneel. Het gaat in wezen om ‘meta-dialogen’, die de haalbaarheid van elke tweespraak overtreffen en waarbij bij wijlen stamelend of omslachtig, niet zelden benaderend en falend, gepoogd wordt het onzegbare te verwoorden. De deskundigheid van de gedachtewisseling wordt ondersteund door de werkstukken, studienota’s en papers die de prof en zijn studente uitwisselen, terwijl zij hun gevoelens en poëtische ontboezemingen uitstorten via de prozaïsche personal computer en wederijds verzonden elektronische briefwisseling. De professor heeft daarenboven een heel bijzondere relatie met de zee. Hij lijdt aan thalassofilie, een zeeziekte van psychische aard, wat ook tot uiting komt in zijn dithirambisch woordgebruik, zodra hij het over de zee heeft.         

Het lot van een professor emeritus, de speurtocht van een onderzoek(st)er, de politiek, de spanning tussen geloof en wetenschap, de maatschappelijke functie van religie, de relatie tussen monotheïsme en vooruitgang, de rol en historische betekenis van het christendom komen ter sprake. Een zijsprong wordt gemaakt naar de betekenis van de islam en de ontsporingen van fundmentalisme en terrorisme. Het hoofdthema wordt de analyse van het gewijzigde wereldbeeld onder de invloed van de moderne kosmologie, de kwantumfysica, de biogenetica, de ontwikkeling van artificiële intelligentie, de maatschappelijke evolutie en de gewijzigde waardenschalen. De triade mensbeeld, weredlbeeld, godsbeeld lijkt grondig omgewoeld, zoniet verstoord of verbrijzeld. Er is onttovering van het wereldbeeld, onttroning van het godsbeeld, ontluistering van het mensbeeld. Wellicht zijn er onoverschrijdbare grenzen aan de menselijke kennis, die voor gevolg hebben dat de waarheid nooit helemal grijpbaar, maar enkel aanbiddelijk is. Het antropisch beginsel zou er kunnen op wijzen dat het heelal is ontstaan met de bedoeling de mens, als zelfbewust en nadenkend wezen voort te brengen. Dit is een weifelende vingerwijzing – zoals op de wandschildering van Michelangelo in de Sixtijnse kapel – in de richting van een scheppende God, auteur van een intelligent wereldontwerp. Maar als de ‘membrane’-theorie juist is en er een veelal bestaat met talloze heelallen, dan speelt de wet van de grote getallen in een zijnswerkelijkheid die alles mogelijk maakt. Dan wordt uiterste toeval onvermijdelijke noodzaak, inclusief zoiets wonderbaarlijks als het ontstaan van menselijk leven en het bestaan van zelfbewuste mensen die in staat zijn zich vragen te stellen over hun waarvandaan, hun waarheen, hun waarom. Niet alleen de wetenschap maar ook de filosofie heeft grote problemen met de gedachte van een goddelijke oppermachtige causaliteit van de werkelijkheid, des te meer omdat schepping uit het niets nonsensicaal lijkt te zijn. Er is geen unieke schepping; er zijn wel contnue veranderingen binnnen het zijn, leert de wetenschap en leren de professor en de studente aan elkaar. Het bestaan van een oneindig goede maar ook almachtige God botst bovendien frontaal op het probleem van lijden en kwaad in de wereld. Deze smartelijke paradox is door de kerkelijke leer nooit echt afdoend ter discussie gesteld, tenzij met de mededeling dat een goed christen bereid moet zijn een groot mysterie te aanvaarden. De wetenschap verklaart de werkelijkheid. Het geloof en de godsdienst kunnen zin aan deze werkelijkheid via de waarden die zij uitdragen. Toch kunnen wetenschap en geloofshoop elkander de hand reiken in het formuleren van een finalistisch godsconcept dat goedheid, rechtvaardigheid en schoonheid – erg gelijkend op de Platonicijnse drie-eenheid --  verheft tot de onnatuurlijke en daardoor bovennatuurlijke aspecten van de zijnswerkelijkheid. Deze goddelijke deugden ‘zijn’, maar ze ‘bestaan’ slechts in de mate dat ze belichaamd worden door goede mensen, waarvan Jezus Christus een extreem voorbeeld is. Het goede-godsconcept wordt daarbij los gekoppeld van elk oorzakelijk machtsdenken. Echte schepping is schepping van een waarde waardoor de menswording uiteindelijk uitmondt in de godwording van het punt omega. Enkel Christus kan de Kerk redden. Want godsdienst is ook en vooral mensdienst. Beide protagonisten, de professor en de studente, die aanvankelijk elkander aanvaren, convergeren uiteindelijk in hun opvattingen. Hun tweespraak wordt samenspraak.

In het boek verklaart de professor zich voorstander van een ‘transmanente’ evolutie, tegelijk transcendent en immanent, dit is een goddelijk aangetrokken evolutie die een driespan  vormt: de vitalisatie van de anorganische stof (het ontstaan van de eerste levende cel), de hominisatie van het dierlijke leven (het ontstaan van de mens) en de divinisatie van de mens. De laatste fase is de ultieme roeping van het menszijn, de synthese van een dialectisch proces van menswording van het goddelijke (in Jezus) en van godwording van de mens (door zijn ultieme opstanding en de overwinning op de dood). Dit is de blijde boodchap, die de mens onttrekt aan het dilemma tussen optimisme en pessimisme en van hem een meliorist maakt, iemand die gelooft in en hoopt op existentiële, metafysische verbeterbaarheid.     

De professor en de doctorerende studente omhelzen aan het einde van het boek een gemeenschappelijke geloofshoop, die hen aan de keerzijde van alle weten en denken, uitzicht zal bieden op een land van zijnsvervulling.

Maar het leven, verrassend genoeg,  gaat voort, de volgende dag.

 

P.S. Dit boek is een stroom. Het stroomt als een rivier met bijrivieren via thematische  meanders naar de monding van kennen en weten die overvloeit in de delta van geloven en hopen en die zich stort in de zee ‘omega’. Daar wacht een oceaan, verlokkend en aantrekkend, en wenkend naar een continent van onverklaarde klaarte. Maar wie niet kan zwemmen, schuift dit boek best terzijde.

Het boek is een met opzet gedistilleerde mengvorm van allerlei literaire stijlen en genres: dialogerend, vaak ironisch, soms sarcastisch, diep gravend en verwarrend; essayistisch en didactisch-documentair over het wereldbeeld; specialistisch natuurkundig, godsdienst-wetenschappelijk, exegetisch, biologisch, kosmologisch, psychologisch, historisch, filosofisch; maar ook belijdend, bevragend, beredenerend, bezwerend, meer vraagtekens zaaiend dan uitroeptekens plantend; orthodox, oecumenisch, mystiek, kerkkritisch, godinterpellerend, betwistbaar, ketters; poëtisch en romantisch, hartstochtelijk onderkoeld en heftige gevoelens onderdrukkend of symbolisch belevend en metaforisch; barok, hyperbolisch, niet schuw van adjectieven en verbale inflatie en zakelijk, puntig, omzwachteld, elektronisch epistolair, computer gestuurd en ontboezemend, tragikomisch en pathetisch, vol golfslagen van verlangens die niet altijd stranden aandoen. Het boek is te beschouwen als een fictief meta-verhaal vol meta-dialogen, die boren naar de werkelijkheid achter de zichtbaarheid der dingen. Zoals de zee is het niet vanuit één haven te bevaren en in één ruk te bereizen. Lectuurschipbreuk is niet uit te sluiten en verwensingen geuit aan de auteur, van op een eenzaam ronddobberend geestelijk vlot, zijn waarschijnlijk. Maar veel gelezen en weinig geprezen is nu eenmaal te verkiezen boven het omgekeerde.

De gekozen lettertypen en de bladspiegelschikking zijn niet lukraak. Voor de dialogen werd een gewone courante letter geselecteerd; de e-mail-brieven zijn allen in een lijst weergegeven omwille van de intimiteit van de boodschappen, terwijl de didactisch-informatieve delen in een iets kleinere, meer collegenota-achtige letter werden gebracht.

 Elke gelijkenis met in leven zijnde personen en hun meningen en opvattingen is louter toevallig. De auteur heeft geen enkele verantwoordelijkheid wat betreft de standpunten en stellingen door de hoofdpersonages in het boek geventileerd. Na zijn dood zal dit boek evenwel beschouwd worden als zijn geestelijk testament, zonder naar zijn wilsbeschikking te hebben gevraagd.

 

 

Mark  Eyskens

 

Paasdag 2005

 

 

 Mark Eyskens herwerkte in het Frans zijn boek ' De oude Prof en de zee. Tweespraak over zin en zijn' in een nieuwe versie onder de titel: 'Le vieux prof et la mer. Le sens d'une quête de sens', Racine, 2006

 

 

LE VIEUX PROF ET LA MER

LE SENS D’UNE QUÊTE DE SENS

 

Ce livre inhabituel, voire insolite, Mark Eyskens l’a composé comme une partition musicale pour

un trio de trois exécutants : la mer, le vieux professeur et l’étudiante. La mer, absolue, métaphore

à la fois de l’être et du devenir, le professeur émérite de physique souhaitant rester incognito et

la jeune femme, d’une beauté inconvenante, qui veut écrire une thèse de doctorat sur un sujet

quelque peu incongru : « la cosmologie et la théologie ».

Le livre, à la fois roman, essai et échange de vues épistolaires par courriel entre le prof et la

doctorante, porte sur de nombreux sujets, même politiques. Mais principalement sur l’actuelle

vision du monde, de l’homme et de Dieu, profondément affectée par les fulgurants progrès des

sciences. Les conceptions initialement très divergentes du prof et de la fascinante doctorante

concernant la tension entre foi et science, le sens de l’existence, son mystère et son absurdité

finissent par converger. La jeune femme se sent attirée par ce vieux prof de physique fondamentale

qui se convertit à la métaphysique alors qu’elle découvre que la vérité est incompréhensible,

seulement adorable. Leur métadialogue les entraîne vers un point de basculement

inattendu.

Mark Eyskens tente, de manière parfois ironique et sarcastique, mais également pénétrante, troublante

et émotive, d’exprimer l’indicible.

 

 

Avertissement au lecteur

 

Ce livre est inhabituel, voire insolite. C'est un roman mais sans table des matières et sans chapitres et qui promène un personnage principal n’ayant pas de nom. L’ouvrage a été composé comme une partition musicale, avec des sonorités multiples, résonnantes et parfois dissonantes, pour un trio de trois exécutants: la mer, le vieux professeur et l’étudiante. La mer, absolue, métaphore à la fois de l’être et du devenir, le professeur émérite de physique souhaitant rester incognito et la jeune femme, d’une beauté inconvenante, qui veut écrire une thèse de doctorat sur un sujet quelque peu incongru: ‘‘ la cosmologie et la théologie’’.

 Le livre prend la forme d'un dialogue entre le prof et la doctorante, mais il est beaucoup plus complexe qu’une simple conversation à deux. Il recèle une coulée de pensées et une avalanche d’opinions, décrites, écrites et dites sur le rythme de la mer, que le prof aime tant. La mer, symbole de la trans-réalité duale caractérisée par le flux et le reflux du savoir et de la réflexion, et captivée par l’embouchure de l’espérance et de la croyance. Les thèmes se succèdent dans un débat ininterrompu relatif à la quête du sens existentiel et aux réponses dérisoires que l’on donne au mystère de l’être. Le professeur incarne la sagesse et aussi l'émerveillement. En tant que physicien il a, à l’intérieur d’un collisionneur de particules élémentaires, consacré sa vie entière à l’étude de la matière. Cette matière ambiguë qui s’avère être à la fois ondulatoire et particulaire. Une dualité comparable s'applique à sa personne, d’une part le scientifique réaliste et rationnel et de l’autre le rêveur sentimental et tendre, sujet à des accès de ferveur mystique. L'étudiante incarne l'intelligence parfois implacablement mécaniste et la beauté dans sa profusion et sa fragilité. Pour le prof la jeune femme reflète aussi, comme la mer, l’inaccessibilité et l’intangibilité. Il est fasciné par ses raisonnements subtils, ses fulgurantes intuitions qui la conduisent à reformuler ses propres convictions, en leur appliquant parfois une dramatique révision. La jeune doctorante se sent attirée par ce professeur beaucoup plus âgé qui s’est converti de la physique fondamentale à la métaphysique de l’essentiel en découvrant qu’il n’y a qu’énigme derrière la face visible à l'extérieur des choses et leur repli à l’intérieur. Tous  deux, le prof qui ne porte pas de nom malgré son engagement très personnel, et l'étudiante, dont les certitudes lui permettent d’être tolérante, sont sans s’en rendre compte enfermés dans une sorte d’accélérateur de particules spirituelles. Leurs visions de la gravité de la vie et de la grâce de l’existence leur feront subir un processus à la fois de scission et de fusion mentale. Un tournant surprenant déchirera toutefois la réalité de vie des deux personnages.

Le livre est émaillé de dialogues, parfois ironiques et sarcastiques, souvent profonds et émotionnels .Il s’agit en fait de métadialogues qui transcendent la portée de chaque parole par lesquels les deux personnages principaux tentent de formuler l’indicible. Ils n’y parviennent qu’en balbutiant ou en compliquant les choses, par approximations et  par ratures. L'expertise intellectuelle du dialogue est soutenue par les travaux, les notes d'étude et les papiers qu’échangent le prof et son étudiante. Entre temps, ils déversent leurs sentiments et transports poétiques au moyen de leur prosaïque ordinateur portable en s’envoyant réciproquement un fréquent courrier électronique. Le professeur a en outre une relation très particulière avec la mer. Il est atteint de thalassophilie, un mal de mer de nature mentale, qui se manifeste aussi dans son verbiage dithyrambique, dès lors qu’il évoque ou invoque la mer. Les échanges de vue entre  les deux protagonistes portent sur beaucoup de sujets tels la fatalité d’être professeur émérite, la gageure d’être chercheuse scientifique,la politique et ses péripéties, la tension évitable entre la foi et la science, l’utilité sociale de la religion, la relation entre monothéisme et progrès scientifique, entre religion et développement économique, le rôle et l’importance historiques du christianisme, l’enseignement de l’exégèse contemporaine, l’impact de l'islam et les dérives du fondamentalisme et du terrorisme, la crise au Moyen-Orient. Le thème central de leurs discussions toutefois est l'analyse de l'actuelle vision du monde, profondément affectée par l'influence de la cosmologie moderne, de la physique quantique, de la biogénétique, du développement de l'intelligence artificielle, de l'évolution tous azimuts des sociétés contemporaines globalisées, de la tension entre culture et nature et le chambardement des échelles de valeurs.

Ce livre évoque une image fluviale: iI poursuit son cours, comme un fleuve, parfois placide, souvent turbulent, marqué au passage de chutes et de rapides, recueillant des affluents pour converger vers un delta s’ouvrant sur un océan. Soudain émerge une rive où la foi et l’espoir ont la chance d’éclore sur un continent qui s’appelle ‘‘oméga’’. Du moins pour les personnages de cet ouvrage ; pas nécessairement pour ses lecteurs. Qui ne peut naviguer, voire nager sur et entre les lignes, est avisé de s’abstenir. Le lecteur pourrait faire naufrage. Il s’agit d’un écrit très dense pratiquant l’alchimie de plusieurs styles et genres littéraires. Du dialogue, souvent ironique, parfois sarcastique, quelquefois sardonique et déroutant. De l’essai aussi en prenant un ton didactique, même documentaire ou informatif au sujet de certains aspects de la vision actuelle du monde. L’exposé devient alors spécialisé, versant dans la physique quantique, la cosmologie, l’exégèse, la biologie, la psychologie, l’histoire, la philosophie.   

 

 

 

 

L’écrit ne recule pas devant confidences et confessions, esquives et exagérations, énervements et moments de tendresse. Tout au long de leur pérégrination intellectuelle le prof et la doctorante préfèrent semer les points d'interrogation et évitent la tentation de planter trop de points d'exclamation. Beaucoup d’idées à connotation religieuse se télescopent: orthodoxes, oecuméniques, critiques à l’égard de l’Eglise, hérétiques, interpellant Dieu, ses noms et ses déguisements. Les personnages parviennent à maîtriser leurs passions mais sans les réprimer ni les refouler. Ils le font en usant d’un langage souvent romantique et poétique, chargé de métaphores et d’hyperboles. Ce qui donne lieu parfois à un phrasé baroque, affecté d’inflation verbale, particulièrement quand le professeur avoue son engouement pour la mer. Mais mon roman est également topique, pointu et partisan, charriant de complexes sentiments exprimés épistolairement par courriel. Il est à considérer comme une métahistoire fictive, faite de métadialogues qui tentent de percer la face visible des choses afin de découvrir la vraie réalité et la réalité du vrai. Comme la mer, ce livre n'est pas navigable à partir d’un seul port au cours d’un seul voyage. Et si le lecteur fait naufrage, ce qui est envisageable, qu’il ne se garde point de couvrir l’auteur de ses malédictions. Mais être beaucoup lu et commenté, bien que peu prisé, est préférable à son contraire.

 La mise en page tient compte des sédiments qui constituent cet ouvrage. Le type des caractères utilisés à l’impression est différent, ce qui n’est pas dû au hasard ou à de la négligence. Les dialogues sont imprimés en caractères courants ; les courriels échangés entre le prof et l’étudiante ont reçu une typographie voyante et se trouvent encadrés, alors que pour les parties didactiques – les chapitres de la thèse de doctorat - une lettre distincte a été retenue.

Je remercie de tout cœur Abel Prinzie, ami de longue date, intellectuel perspicace, homme de cœur et de culture, mon premier lecteur, qui m’a prodigué ses précieux conseils et remarques. Je suis aussi redevable aux auteurs des nombreux livres que j’ai consultés, voire étudiés et dont la liste est reprise en dernière page.

Toute ressemblance du prof et de sa belle étudiante avec des personnes encore en vie ou avec leurs opinions et conceptions est purement fortuite. Je récuse toute responsabilité quant aux idées et convictions ventilées par les personnages qui figurent dans mon livre, car j’ai trop de respect pour la liberté d’opinion.

L’auteur du ‘‘Vieux prof et la mer’’ craint toutefois qu’après sa mort cet ouvrage ne soit considéré comme son testament spirituel, sans qu’on lui ait  demandé son consentement.

 

 

        M.E.

 

 

 

 

 

Mark Eyskens publiceerde twee nieuwe boeken in oktober 2004.

'De houdbaarheid van de Welvaartsstaat. De onmogelijkheid van het noodzakelijke', 125 uitgegeven door de denktank van het VKW. Te bestellen: VKW. Sneeuwbeslaan 20. 2610 Antwerpen Wilrijk

 

'Omdat wij van de avond nooit genezen...' Een poëtische kroniek. Davidsfonds 148 blz. Mark Eyskens schrijfgt met enige schroom over de verborgen existentiële binnenkant. Het gaat om gedichten en teksten over schokkende ervaringen, over geloof en hoop, liefde en lijden, ontmoetingen en gewisselde blikken...Woorden en zinnen aangespoeld met de vloed en eb van het leven, als keien op het strand...

Poëtische kortsluitingen

             I
 
Het doel van reizen
is het breken van 't gewelf
rond je versteende zelf .
 
            II
 
De tijden hebben witheid uitgedreven
en heel wat kwaliteit van 't  leven opgegeven.
Veel modder ligt op paden en op wegen;
veel tegenwind kom je er tegen.
 
               III
 
De ontdekking van het andere
is de verkenning van jezelf.
De ontdekking van de andere
is de verkenning van mij.
De reis van mij
is de reis naar ik.
 
             IV
 
De mensheid zal de volkeren ontbinden.
De eenwording van ons aller mens-zijn
komt er groots maar pijnlijk aan,
en aan het einde van de naaste eeuw
zullen meer mensen mensen vinden,
als niet het eigen volk,
maar ieder mens eerst zal zijn.
 
              V
 
De oude tederheden hebben wij begraven
en toevertrouwd, als loze gaven,
aan gronden zonder bronnen,
uitgedroogd, nooit herbegonnen.
 
Wat doet het vuur als het niet laait ?
Wat doet de wind als hij niet waait ?
 
               VI
 
Had ik tijd,
had ik maar tijd,
had ik maar even tijd,
dan zou ik anders leven.
Want het leven duurt maar even.
Maar ik heb geen tijd.
De tijd heeft mij.
 
                VII
 
De dag stierf aan te weinig licht.
De nacht veroverde de macht
en duisternis bloeide open,
als een bloem die tracht
de aandacht af te leiden
van de gestorven pracht,
die ik had zien glinsteren
in je afstandelijke ogen.
 
               VIII
 
Mijn lieve dode kat is in de tuin begraven,
in een kuil enkel bekend bij zwarte raven.
Mijn kat droomt nu dat zij leeft
en dat haar baas haar melk,
verse wiskas en spekjes geeft.
Ik ben een God in haar gedachten.
Dat troost  mij in kille nachten.
 
 
                     I
Het ergste wat met sneeuw
gebeuren kan is dat in sneeuw
een bloedspoor door een mens getrokken
bloedstollend zichtbaar blijft.
 
                        II
 
Je hebt die woorden ingesproken
en het zegel neergelegd op ons bestaan,
opdat wij nooit, zo radeloos en zo begaan,
de wegen van de leegte zouden gaan,
als ons de lieveling is ontvallen
 
                    III
 
Het scheiden, zei je, deed je pijn
maar meer het afgescheiden zijn;
en smart van snijden, schreef je,
blijft steeds bloeden in het afgesneden zijn.
 
                     IV
 
Sterf als je nog sterven kunt
bij voorkeur op de hoge zee
omdat je graag gestorven bent
daar waar het licht je wordt gegund,
de horizon steeds verder wijkt,
de schipbreuk een verlossing is,
je dood de enige belevenis
 
                        V
 
Jij bent, mijn onervaren vriend,
geboren in het mysterieuze teken
van de virtuele eeuwigheid.
Daarom juist is je tijd geteld
 
                          VI
 
'Ik heb je slechts van ver
voorbij zien gaan.
En zie, ik heb je lief,
mijn leven lang,
totdat ik sterf
en zelf zal zijn
voorbij gegaan'.
 
                        VII
 
Niets was haar vreemd,
tenzij de avond,
die steeds viel,
te vroeg, te kil, te klam
om haar verlegen schouders,
gebenedijd.
 
                      VIII
 
Het licht is weer
aan sterven toe.
De nacht grijpt langzaam
naar de macht.
Een andere staat
van zijn ontstaat :
verwachting van
de nieuwe dageraad
 
                     IX
 
Geef, wilg, gewillig,
wat late troost bij elke dageraad.
Als tussen tak en twijg
je deemsterend gelaat,
ontbladerd en ontdaan,
weerkaatst en diafaan,
jezelf in 't water gadeslaat.
 
Narcissus in het woud,
die van mij houdt.
 
                   X
 
Ik hoef niet meer te razen, razen
tegen het sterven van de zon
en het doven van de horizon
 
                   XI
 
In de ijle lucht van de hoogste top
zal hij een standaard planten, waar
voordien geen standaard heeft gestaan.
Opdat hij verder van het licht zou leven
in zijn verduisterd, dagelijks bestaan
en het aan velen door zou geven.
 
                    XII
 
Zin en zingeving hebben wij niet gevonden
maar in het zoeken naar een zin
hebben wij haast onbewust bevonden
hoezeer onze eigen menswording
met zinverkenning is verbonden
  
                      XIII
 
O, sterf niet in het zicht der zee.
Het schuim van golven is slechts schijn
en als de dromen over zijn,
is zelfs geen voetspoor in het zand te vinden.
 
                  XIV
 
De waterlelie is een wonde
van onduldbaar pijnlijk wit,
een kelk die welk verwelken
‘s nachts en over dag bestrijdt?
 
                  XV
 
Heel vreemd is de belevenis
dat je  iemand kunt beminnen
die duizend mijl verwijderd is
of die al lang  gestorven is.
Alsof een stukje eeuwigheid
bereikbaar en bewaarbaar is.
 
                   XVI
 
Wij gingen naar concerten in verwenste tijden,
toen melodie en harmonie nog klonken
en onze ongewatte oren niet moesten strijden
tegen het slagwerk en het heiend bonken,
van metalliek alaam en decibel verslindend
bralgehuil, geratel en barbaars gerinkel
 
                     XVII
 
'Er ist ein Prinz' zegt Papageno statig.
'Er is mehr als ein Prinz. Er ist ein Mensch'
zegt Sarastro, op zijn troon gezeten, machtig.
 
                      XVIII
 
Zo ernstig en zo herfstig,
toen de adem van die avond laat
over je haar en je gelaat
door je herinneringen streek.
 
                         XIX
 
Het enig uur van je bestaan
besteed, beleden, opgeslagen:
een waterdruppel in de oceaan,
wat watermist vergaan,
onder een waterval van vragen.
O, ongenade van de helderheid van geest
die steeds verblindt en nooit geneest. 
 
                        XX
 
Wie ooit Frans Schubert heeft gehoord,
andante sustenuto,
een ijle klank, die door de bolster boort
van elke oppervlakte en elke buitenkant,
over de rand der dingen en nooit landt,
hij heeft een quantumgolf gehoord.
Wie ooit Frans Schubert heeft gehoord
die zal niet langer ongelovig zijn.
 
                           XI
 
Geluk is niet de duisternis
  vervloeken en verwensen,
  maar een kaars onsteken
  die de duisternis verlicht.
 
                          XII
 
Met geld koop je bloed, maar geen leven,
met geld koop je seks, maar geen liefde,
met geld koop je macht, maar geen gezag,
met geld koop je wapens, maar geen vrede.
 
                           XIII
 
Europa is niet langer land van aarde
maar steeds meer oord van waarden.
Daarom is ons Europa zo ontgrenzend,
grenzeloos het werelddorp verkennend.
 
                           XIV
 
Van alle zeven wereldzeeën,
de groene en de saffierblauwe,
de wilde en de trouwe,
de azuren en de grauwe,
de fluwelen en de rauwe,
is mijn zee, de Noordzee,
meer zee dan iedere andere zee,
gezegend, zalig, zo zeeachtig zee.
 
                        XV
 
Rozen willen leven om te leven:
de ademzucht van de ochtendbries,
om steeds herinnering te zijn
aan dodelijk verlies
 
                        XVI
 
Hoog in de blanke bergen,
hoor ik je schorre schreeuw
weerkaatsend in het dal,
waar sneeuw tot modder smelt,
in het doortrapte tranendal.
 
                          XVII
 
O! dwaasheid van het groot verlangen
gekluisterd en gevangen
tot ooit een vlinderveugelslag
in hoog besneeuwde bergen
lawines doet ontstaan
en oude werelden vergaan.
 
                          XVIII
 
De werkelijkheid heeft vele lagen
geen enkele die de hele waarheid spreekt
Ik steek verstokt de stok der blinden
in de nachten en de dagen
en hoor het klagen van de winden
in de kale takken van mijn eenzaamheid.
Is er wel leven voor de dood?
Is niet elk leven een stilleven?
En missen wij niet steeds opnieuw de boot?
 
                            XIX
 
Een twintigtal  waren gedood:
Palestijnen ook en de zoveelste Jood.
Shahid had toch zijn dodelijk werk gedaan.
Daar lag hij tussen de verkoolde doden,
versplinterd, opgebruikt, vergaan.
Een zelfmoordenaar dient slechts één maal.
 
                             XX
 
De oorlog was vernietigend gedaan.
Wij gingen naar een huis dat niet meer kon bestaan.
En vonden haar geblakerd op de muur gevlamd.
Zij was ontzettend mooi en elegant vergaan;
haar silhouet behouden, elk detail erop, eraan.
Haar blonde haar was nu door vuur verzengd
en zwart gebrand in oud beton gedrenkt.
Alleen haar ogen waren helemaal verzwonden,
maar blonken vochtig in de onze.
 
                                XXI
 
Hij wist dat hij niet alles wist.
Maar wel dat enkel schoonheid
onze wereld redden kan,
ook als zij sterft van lelijkheid.
 
                              XXII
 
Hij had al lang begrepen
dat men met de gebalde vuist
niet vruchtbaar zaaien kan.
 
                               XXIII
 
Geef mij een archipel van zacht opaal
doorschijnend bloedkoraal,
smaragden atollen in de oceaan
gestort, verstrooid, verdwaald,
en je zilveren hemelharen,
gewei van staartsterren in
melkwegen bewaard, gekraald.
 
                             XXIV
 
Het doel van reizen
is het breken van 't gewelf
rond je versteende zelf
en je dagelijkse oorden,
los te laten, weg te wuiven,
waar je schrale woorden
steeds als stalactieten vallen,
geruis- en hulpeloos,
tot gruis en vruchteloos.
 
                             XXV
 
 Kwets je aan de gekwetsten.
 En blijf trouw aan wie
 je ooit teder heeft gemaakt.
 
                             XXVI
 
En waarom al die lijken ?
De dageraad verdraagt hun waarheid niet.
En waarom al die doden
en tweemaal zoveel dode ogen ?
De zon verdraagt hun aanblik niet.
De gruwel heeft gegrepen naar de macht.
 
                             XXVII
 
Zij zijn verwonden,
Zij zijn verbonden,
onomwonden.
Zij zijn verjaard,
Zij zijn verstreken.
Zij zijn uitgepaard
en op elkander dood gekeken.
 
Wat doet het vuur als het niet laait ?
Wat doet de wind als hij niet waait ?
 
                              XXVIII
 
Je bent de wonde,
ik ben het mes.
Je bent mijn zonde,
ik ben je les,
gegeven en geleerd,
van buiten, omgekeerd.
 
                            XXIX
 
Wij waren ballingen vol van genade,
die dag in ‘t vlakke land, dat onverraden
en ongeschonden raakt aan de horizon.
 
                             XXX
 
Geef stilte aan je stem.
Sticht licht en ren
je schaduw los.
Ontbind je zwaartekracht,
bevrijd, verlos
jezelf van dag en nacht.
 
                            XXXI
 
Nooit zullen wij genezen
van de avond die ons overvalt
als hij aan de einder valt,
de wolken laag ter uitvaart
van het laatste licht gereid.
 
                         XXXII
 
 
 
De toekomst is een stroom;
het verleden is een meer;
het heden is een droom,
een zeepbel, opgelost,
van zwaartekracht verlost,
een punt, een tusssenwoord,
een doorgang in de tijd geboord,
een nu-moment van bijna nul 
naar tijdloosheid, zeer koortsig
strevend, een krimp tot nul.
 

                                     *  *  *  *

 

Het jaar weze niet meer eurotisch maar electoraal en dus neurotisch.

Ent U in tegen besmettelijke kiesbeloften. De politici zijn dit reeds.

Beloften voor de verkiezingen betekenen belastingen na de verkiezingen.

*******************************************

 

 

 

Een politiek sprookje.

De belangloze bekering

 

Ergens lag een land van Nergens. Zijn naam was Utopia wat letterlijk ‘niet-plaats’ betekent, gelegen buiten tijd en ruimte. Het was een twee-stromenland, het moderne Mesopotamië, ook soms Taailand genaamd want veel taaier dan sommigen dachten, hoopten of vreesden. De stromen kruisten elkander wel eens, wat aanleiding gaf tot veel gehakketak en verbale overstromingen. In het noorden woonde een multiculturele bevolking die zich nog steeds volk noemde. Één op vier kiezers gaf er zijn stem aan een politieke partij, die was veroordeeld door een hooggerechtshof wegens racisme omdat zij predikte dat al wat vreemd was vals was en al wat vreemd was minderwaardig. De jarenlang volgehouden opruiende taal had gevolgen. Geweld brak uit en mensen werden omwille van hun huidskleur aangevallen, afgetuigd en soms vermoord. Het bloed van een zwarte Afrikaan(se) was nochtans even rood als dat van een blanke en schreeuwde even luid om gerechtigheid. Plots had een mirakel plaats en een belangloze bekering. Door doorgewinterde leider van de anti-alles-partij las de oude parabel van de barmhartige Samaritaan en begreep ze voor het eerst in zijn leven. Hij werd achter het stuur van zijn auto, zoals ooit Paulus, neergebliksemd. De volgende ochtend riep hij een grote persconferentie bijeen en las volgende tekst voor:

“Vrienden, we hebben ons gruwelijk vergist. Niet het eigen volk komt eerst, maar alle mensen komen eerst en zeker de zwaksten, waaronder vaak vreemdelingen, die wij met naastenliefde moeten benaderen. Onze partij aanvaardt ootmoedig haar veroordeling wegens racisme. Wij zullen voortaan in woord en daad niet alleen elke discriminatie, elke xenofobe oprisping achterwege laten. Wij zullen voortaan in plaats van het racisme te promoten, samen met alle mensen van goede wil het racisme bestrijden. We hebben eindelijk begrepen dat men met de bokshandschoen niet kan zaaien in de akker van de samenleving. Ons embleem wordt voortaan een handdruk van een blanke hand die de hand reikt aan een gekleurde. Ook niet- blanken zullen in de toekomst verkiesbare plaats krijgen op onze lijsten bij de volgende verkiezingen. Wij openen onze partijlokalen in het hele land voor asielzoekers en vreemdelingen. Walen beschouwen wij niet langer als profiteurs en luiaards en wij bieden  onze excuses aan aan al wie wij hebben geschoffeerd. Wij begrijpen ook waarom andere partijen niet met ons wilden noch konden samenwerken. Het ‘cordon sanitaire’ was niets anders dan zelfuitsluiting van onzentwege. Wij verbreken al onze banden en contacten met uiterst rechtse partijen in Europa die de onwelriekende boodschap verspreiden van de onverdraagzaamheid, de superioriteit van het eigen ras of volk en die een nostalgische taal voeren die verwijst naar de meest zwarte bladzijde uit de geschiedenis van Europa tijdens de tweede wereldoorlog. Ik verklaar plechtig dat wie tijdens die oorlog met het nazi-regime heeft gecollaboreerd objectief gesproken een zeer zware vergissing heeft begaan en onnoemelijke schade heeft aangericht aan de naam en faam van ons  eigen volk”.

Toen werd het de leider te machtig. Tranen welden op en zijn stem stokte. Dagenlang was in het tweestromenland deze Paulinische bekering frontpaginanieuws. Een maand later hadden parlementsverkiezingen plaats en de extreme partij van weleer, omgeturnd tot partij van de  broeder- en zusterlijkheid, verloor al haar stemmen op drie na. En dit was nu juist zeer verontrustend voor de mentaliteit die heerste in het land van Nergens. Tot een politieke commentator ontdekte dat de drie stemmen die de partij nog had behaald, afkomstig waren van de voorzitter van de partij, van diens vrouw en haar beste vriendin die ook de persoonlijke vriendin was van de voorzitter.

 

Mark Eyskens

 

 

Mijn hond

 

 

Wat je niet hebt, moet je soms scheppen in je verbeelding. Gemis is vaak gewin. Ik heb geen hond.  Mijn vrouw is er allergisch aan. Zij beschikt in deze aangelegenheid over een vetorecht. Het vetorecht van een grote mogendheid, dat ik haar ooit in een onbewaakt moment, ter gelegenheid van een verjaardag van de oprichting van de Verenigde Naties, veertig jaren geleden heb toegekend. In onze familiale veiligheidsraad stuitten al mijn resoluties om een vierpotige hond aan te schaffen, op een resoluut veto. Ik poogde herhaaldelijk met een labrador, een engelse terriër, een Duitse schaapherder, een Deense hazewind, een Franse keffer, een Argentijnse bulldog, een Schotse ridgeback, een Amerikaanse staffordshire, een fila brasiliero, een akita inu, een rottweiler, een pitbull, een Leuvense schoothond, een Brusselse schroothond, een stratton….Niets mocht baten. Al mijn voorstellen werden verworpen. Bij wijze van troost kreeg ik wel twee stenen honden die thans onbeweeglijk kwispelstaarten voor onze voordeur.  Mij restte mij enkel aan te kloppen bij mijn fantasie en een gedicht op te dragen aan de hond, die ik niet heb.

 

 

 

Mijn hond

 
Mijn hond, die hond van mij
die halve mens,
die mij tot anderhalve maakt,
is beter dan mijn beste vriend.
Mijn hondse kameraad
is een veel ouder dier
dan de gebleekte sapiens die ik ben.
Zijn pels ruikt ruig en roestig
naar de tijd van toen, de oertijd
en zijn voorhistorisch wolfs bestaan.
Hij draagt nog steeds een muil
die ik sedert millennia heb afgelegd.
Hij heeft een kwispelende staart
die mij al lang geen zorg meer baart.
Zijn bruine blik boort
schrander in mijn ogen
en als ik luister naar zijn hijgen,
versta ik ieder van zijn woorden.
Mijn hond is steeds onmenselijk trouw
in liefde en genegenheid tot in de dood.
Begrijpen doet hij mij,
een half woord volstaat.
Hij is die enige unieke enkeling,
die mij bewondert en waardeert,
ook tegen heug en meug,
en vaak volledig onterecht,
en mij ontzettend fel bemint,
zoals ikzelf ook steeds mijzelf heb lief gehad.
Zo zijn we nu met tweeën om mijzelf
hartstochtelijk lief te hebben,
te koesteren en te beminnen.
 
Mijn hond zal waken op mijn graf
en kreunen, janken, blaffen,
huilen in de wind,
en razen, razen, razen
tegen het sterven van het licht.
En wie verstrooid voorbij zal komen
bij het vallen van de nacht,
zal denken dat ik het weer eens ben
die nog een toespraak houd,
vooraleer de winden liggen gaan.
                       
                                    Mark  EYSKENS

 

 

 

Voor de wenselijkheid

van meer menselijkheid.

 

Er is helaas geen reden tot gerustheid

"De onrustwekkende internationale toestand en de ongunstige evolutie van onze economie, met toenemende werkloosheid, fabriekssluitingen en dalend vertrouwen van de consumenten vergen een doelmatig, doortastend en bezielend beleid. Voorspoed komt er door moed. We moeten niet zozeer aan de mensen zeggen wat ze graag hebben, maar vooral wat ze nodig hebben.Dit beleid moeten de christen-democraten kunnen voeren. De dynamische krachten in onze samenleving, op alle vlakken, moeten worden aangemoedigd opdat, dank zij solidariteit, alle leden van de maatschappij het beter zouden hebben. Iedereen is immers iemand. En de wenselijkheid van medemenselijkheid