Mark Eyskens politiek economie literatuur Fran�ais
kunst politiek stel uw vraag nieuws Fran�ais
 


Actueel

Opleiding

Levensschets

Academische activiteiten

Prijzen

Politieke activiteiten

Economische activiteiten

Culturele activiteiten

Auteur en publicist

 
j0254407.gif (4431 bytes)

E-mail:  m.eyskens@skynet.be

                     

                      ***

Nieuw boek van Mark Eyskens

"Mijn levens. Een reis in de tijd." (Lannoo)

 

EYSKENS    VEERTIGSTE        BOEK

I. Leven in Leuven

De prilste jaren

            Nooit zijn we van nergens. Steeds zijn we van ergens, toen en daar. Slingerend aan een ankertje uitgeworpen in een mateloos onmetelijk heelal. Mijn eerste stek staat er nog steeds. Het was mijn geboortehuis op de hoek van de Geldenaakse Vest en de Regastraat te Leuven. Het was een tuinloos huis, zeer tot mijn retroactieve spijt. Want vandaag drie kwart eeuwen later begint mijn vaderland in mijn tuin. Daar  heb ik voeten in de aarde en ruik ik moeder aarde, begerig en bedwelmend. Soms dampt ze van het zweet van dauw en rijm. En is ze glanzend van de regenplassen als de regen pletst op haar te duistere huid. En ik mijn handen kan wassen in haar schoot. Maar niet in onschuld en in lichtheid. Want wie zijn klein stukje aarde heeft bemind, die heeft geflirt met dood en broosheid En heeft geluisterd naar het dof geluid van de schop die eens de grafkuil delven zal. De aarde is niet alleen vruchtbaar. Ze kan ook schrokkerig zijn, verraderlijk, meedogenloos. Vooral als zij tot zand verwordt en in de loper van de tijd de korrels telt van nul tot uitgeteld. Behoort de mens aan de aarde of de aarde aan de mens? Slechts Janus kan hierop antwoorden. De waarheid is tweevoudig, tegengesteld en toch optelbaar, zo leert de moderne kwantumfysica.

            Ik ben geboren in een smal hoekhuis waar mijn ouders zich hadden genesteld tijdens hun eerste huwelijksjaren. In 1933 toen ik er het levenslicht zag, nauwelijks drie maanden nadat Adolf Hitler de macht had gegrepen in zijn onzalig vaderland, lag het huis langs de Leuvense vest � vandaag de stadsring -  schuin tegenover een grote Philipsfabriek, in die tijd een monument van moderne industri�le bouwkunst. Vandaag is de fabriek gesloten, verkocht aan de stad, omgebouwd tot de zogenaamde Philipssite, een grote administratieve wijk waar stadsdiensten, overheidsadministraties en ook een schitterend sportcentrum zijn ondergebracht. De wereld is grondig veranderd, zoals de mensen en hun steden en dorpen. Mijn vaderland is in al die jaren erg veelzijdig geworden. Het is veel van zijn grenzen verloren. Mensen hebben soms grenzen; landen steeds minder. De aardrijkskunde van mijn land is ouderwets. Voor mijn kinderen is het reeds virtueel. Het is een werelddorp zonder marktplein en nauwelijks straten. Soms is het ook een droomland, als geschilderd op een surrealistisch doek, bewoond door een volk dat steeds meer een bevolking wordt. De werkelijkheid is nooit een droom maar het gebeurt wel eens dat een droom werkelijkheid wordt. Mijn kleinkinderen houden van een grenzeloos land dat eindelijk een land zou zijn om te beminnen, een land dat een wij-land zou geworden zijn, een vader- en moederland niet enkel van vrijheid en rechtvaardigheid maar ook van �wijheid�, waar iedereen voor iedereen �iemand� zou zijn of worden. Een land vol wij-gevoel.

            Geboren worden is vandaag een heel andere gebeurtenis en belevenis dan toen. Ervaringsdeskundigen die het allemaal hebben meegemaakt leren ons dat het leven een dodelijke ziekte is. En grote cynici voegen er aan toe dat het leven bovendien een seksueel overdraagbare en fatale aandoening is. Onlangs werd mij een zevende kleinkind geboren, dankzij de niet aflatende initiatieven van een van mijn dochters en schoonzonen. Mijn vrouw en ik waren zeer verheugd en gingen naar het ziekenhuis om het kleine wicht te bezoeken. Vrienden waren ons reeds vooraf gegaan met de mededeling dat de boreling sprekend op zijn moeder en stilzwijgend op zijn vader leek. Toen wij toekwamen werd de pasgeborene in een wieltjeswiegje door een overigens charmante verpleegster in de kamer binnen gerold. Onmiddellijk viel het mij op dat aan het voeteneinde van het wiegje een plaatje was bevestigd met daarop, naast een paar  medische gegevens zoals gewicht, lengte en lichaamstemperatuur, in grote hoofdletters vermeld: �BV�. Toen ik enigszins nukkig tegen de verpleegster zei dat ik deze snelle bevordering van mijn kleinzoontje tot Vlaamse Bekendheid wat voorbarig vond, antwoordde ze mij met enige neerbuigendheid: �Weet U wel wat BV betekent, meneer?� �Ja natuurlijk�, repliceerde ik, �dat betekent Bekende Vlaming�. �U is helemaal fout�, sneerde de verpleegkundige. �Hier in het ziekenhuis betekent BV: borstvoeding�. Toen drong het tot me door dat er in Vlaanderen ongetwijfeld meer borstvoedsters zijn dan bekende Vlamingen, een geruststellende gedachte. Het hele gebeuren herinnerde mij aan mijn eigen geboorte, ergens in de eerste helft van de 20e eeuw, toen moeders nog thuis plachten te bevallen. Ik ben geboren in het ouderlijke salon op een mahoniehouten tafel, die mijn moeder de dag voordien nog grondig had geboenwast. Toen het cruciale moment was aangebroken en mijn vader in allerijl een vroedvrouw had laten aanrukken, werd op het glimmende tafelblad een exemplaar open geplooid van de belangrijkste kwaliteitskrant uit de lage landen. Ik ben geboren op een hoofdartikel geschreven door een in die dagen zeer invloedrijk politiek redacteur, wiens commentaren door de politici gretig werden gelezen omdat zij er in vernamen wat zij werkelijk dachten of behoorden te denken. Op mijn geboortedag handelde het artikel over de absolute noodzaak in Belgi� een alomvattende, grondige staatshervorming door te voeren. Na bijna 80 jaar heeft dit artikel niets van zijn brandende actualiteit verloren. Hieruit blijkt andermaal hoe nuttig het is totaal onhaalbare eisen te stellen, want die blijven zeer lange tijd bruikbaar en waarborgen de werkzekerheid over de generaties heen van talloze politici, mediamensen en schrijvende journalisten. Mijn geboorte verliep melodramatisch en tragikomisch. De vroedvrouw probeerde mij eerst op de wereld te brengen door aan mijn hoofdje te rukken. Ik voel nog haar ruige handen op mijn kaal schedeltje drukken, op dezelfde manier als waarop ik vandaag bij de haarkapper word gefolterd als ik hem vraag mijn laatste twee haren een wasbeurt te geven. De vroedvrouw had een spreidstand ingenomen voor de tafel. In de politiek heet dit vandaag een �spagaat�, een atletische houding waarbij twee stijve benen in een positie worden gebracht die het mogelijk maakt haakse communautaire tegenstellingen op te tellen met de mededeling dat iedereen gelijk heeft gekregen, ook al had iedereen ongelijk. De verloskundige dame, in mijn geval ten einde raad, diepte uit haar gereedschapstas de beruchte verlostang van Palfijn � een dubbellepelig instrument -  te voorschijn en plaatste die op mijn reeds blauw uitgeslagen hoofdje, waarna ze de tang begon dicht te knijpen. Vreselijke pijnscheuten sneden door mijn hersenpan en ik zag mij reeds met een geblutst kopje en half geboren genoopt aan het aardse leven vaarwel te moeten zeggen om te gaan verblijven in het zogenaamde �voorgeborchte des hemels�, een soort opvangcentrum voor paradijselijke asielzoekers inmiddels om onbegrijpelijke redenen door zijne heiligheid de paus afgeschaft. Toen gaf de vroedvrouw plots een energieke draai aan de tang van Palfijn. Ik dacht een ogenblik dat ze mijn nek brak � gelukkig toen reeds voldoende dik � en dat mijn hoofdje eraf werd gerukt, zodat het herleid werd tot een bekende Leuvense lekkernij, �geperste kop� genaamd. Maar niets van dit alles. Ik gleed, schreeuwend van de pret, als een benjispringer bengelend aan mijn navelstreng, uit de baarmoederlijke geborgenheid en landde veilig op aarde. Ik voelde mij als een kosmonaut die van een andere planeet, wellicht uit een ander universum, was neergedaald op onze enig blauwe aardplaneet. Sedertdien heb ik van mijn sprong in het leven nog geen minuut spijt  gehad.

 

                                                   *********** 

 

Keert Karl Marx terug ?

 

De huidige ontzettende financiële crisis die over de planeet raast, heeft niets te maken met een traditionele conjunctuurinzinking. De conjunctuurcyclus, een zeer oud verschijnsel dat reeds in de bijbel wordt beschreven in het verhaal van de zeven vette en magere koeien, heeft heel andere oorzaken dan wat we vandaag beleven. De omslag van conjunctuurschommelingen wordt veroorzaakt door ritmeveranderingen in enerzijds de consumptievraag en anderzijds de investeringsvraag. Het volstaat dat de consumptie minder stijgt (maar nog niet daalt) opdat de investeringsvraag in absolute cijfers reeds begint af te nemen, waardoor uiteindelijk de conjunctuuropgang omslaat. Wat echter vandaag gebeurt is van een totaal andere aard. Het gaat om een diepe systeemcrisis van een bepaald type van Amerikaans financieel kapitalisme, dat via de globalisering en de informatie- en communicatietechnologiën (elk nieuws verspreidt zich met de snelheid van het licht over de hele planeet)  het hele werelddorp heeft aangetast. De lont aan het kruitvat bestond uit de afgeprijsde Amerikaanse hypotheekkredieten (subprime) die bij het dalen van de vastgoedprijzen en het stijgen van de rentevoeten veel bouwheren in solvabiliteitsmoeilijkheden hebben gebracht. Maar dit fenomeen zou beperkt gebleven zijn indien het kruitvat niet was volgestouwd met financiële massavernietigingswapens. Met name talrijke creatieve, zeer gesofistikeerde financiële producten, termijnoperaties, versneden en verpakte kredieten, hefboomfondsen, herverzekerde kredieten (CDS of credit default swaps ten belope van 62.000 miljard dollar). De totale waarde van de in omloop gebrachte derivatives bedraagt zo maar even 680.000 miljard dollar of 12 maal het Bruto Wereldproduct. Het gaat meestal om toxische producten die maar mogelijk zijn geworden dankzij de elektronische sturing en de computerisering van de financiële verrichtingen. De explosie van dit kruitvat heeft een vernietigend effect op de financiële en nadien op de reële  economie en zal tijdens de eerstkomende maanden  de productie en consumptie meesleuren in een diepgaande recessie. Deze rampspoedige economische tsunami verwekt bovendien bij miljarden aardbewoners, allen op een of andere manier consumenten, spaarders en werknemers, synchroon geschakelde paniekreacties via de massa-invloed van de moderne media die continu onheilspellend breaking news omroepen, dat zich verspreidt met de snelheid van het licht. De ICT-revolutie heeft in een versneld tempo de wereld één gemaakt. Op deze wereld is een onverbiddelijke competitie uitgebroken tussen steeds groter wordende ondernemingen. De markten werden oligopolistisch met grote machtsconcentraties. Thans blijkt – iets wat economen al lang weten – dat een evenwichtige marktwerking het toezicht vereist van een politieke overheid. Deze overheid kan evenwel vandaag niet langer de nationale staat zijn, maar wel de goed georganiseerde internationale gemeenschap.. 

Na de implosie van het communisme, die spectaculair is uitgebarsten met de val van de muur van Berlijn in 1989, blijkt nauwelijks 20 jaar later het neoliberale kapitalisme een dodelijke klap toegediend te krijgen. Ik denk dat beide systemen in hun grondvesten worden ondermijnd door de meest revolutionaire omwenteling aller tijden, die we thans beleven, zonder hiervan de gevolgen correct in te schatten: namelijk het ontstaan van een kennismaatschappij, op basis van ogenblikkelijk planetaire  informatie, met extreem innovatorische concurrentie voor gevolg. De twee grote ideologische maatschappij- opvattingen van de twee voorbije eeuwen, het liberale kapitalisme en het collecti- vistische communisme en socialisme, blijken volledig tekort te schieten bij elke poging om op een coherente wijze de globaal geworden wereldgemeenschap sturing te geven. De huidige crisis geeft natuurlijk op het eerste gezicht argumenten aan diegenen die zich de marxistische stellingen herinneren,  namelijk dat het kapitalisme gedoemd is om ten onder te gaan aan zijn eigen contradicties, door zelfvernietiging of autodestructie. De de facto nationalisering van tientallen grote banken in de wereld sedert een paar weken lijkt te wijzen op een overweldigende terugkeer van het collectivisme, ook al worden deze beleidsmaatregelen ironisch genoeg vaak genomen door regeringen met liberale participatie. Toch denk ik niet dat de geschiedenis zich zal herhalen en Karl Marx weer uit zijn ideologisch mausoleum zal opstaan om de weg te wijzen uit het huidige Götterdämmerung. Kennis, creativiteit, wetenschappelijk onderzoek, verheven tot de belangrijkste productiefactoren, kunnen niet worden gecollectiviseerd en genationaliseerd, zodat het marxistische receptenboek vandaag hopeloos tekort schiet. Wel is het evident dat in een globale wereld - de wereld is ons dorp - die vooral op economisch gebied onderhevig is aan wereldwijde en ogenblikkelijke contaminatie-effecten, een zo globaal mogelijk management (global governance) dankzij zeer nauwe internationale samenwerking en vormen van integratie absoluut vereist is. Er is geen nood aan een nieuw collectivisme maar wel aan collectieve besluitvorming. In Europa noemen we dit de ‘opwaartse subsidiariteit’ waarvan de vitale betekenis wordt onderschat door al diegenen die hoofdzakelijk de klemtoon leggen op de neerwaartse subsidiariteit, dit wil zeggen de decentralisering en dus vaak de verbrokkeling van de wijze van beslissen en uitvoeren. De Europese Unie was, helaas, tijdens de afgelopen weken geen al te stichtend voorbeeld van geïntegreerde aanpak, vermits vooral nationale reddingsoperaties werden aan elkaar gepraat. De huidige crisis leert dat noch de staat noch de markt moeten worden afgebroken maar dat beiden in een complementair verband moeten samenwerken. Evenwel betekent ‘staat’ vandaag een internationale overheid met grotelijks supranationale kenmerken die een ruime gemeenschap van staten schaart achter een gemeenschappelijk beleid. De ‘markt’ van haar kant is uiteraard een wereldwijde ontmoetingsplaats van vragers en aanbieders, waarvan de werking voortdurend én sociaal én maatschappelijk dient gecorrigeerd. De zo nodige, veelzijdige kwaliteiten van de politieke en de bedrijfseconomische stuurlui zijn hierbij van doorslaggevende betekenis. Het komt erop aan de overweldigende veranderingen die zich for better and for worse voltrekken in het werelddorp, om te zetten in echte menselijke vooruitgang. Dit is echter in wezen een ethische opgave. Er is nood aan een soort meta-politiek en meta-economie en aan een ethiek van de verandering, die wellicht belangrijker is dan een verandering van de ethiek.

 

Mark Eyskens         Minister van Staat   

 

 

 

 

 

Hopelijk leiden de discrete communautaire onderhandelingen tot

 een communautair pact dat stapsgewijze in de vorm van een staatshervorming moet worden gegoten

 

De huidige financi�le en economische crisis kan ook heilzaam zijn indien de publieke opinie en de schrijvende pers steeds sterker zouden betogen dat het nu stilaan welletjes wordt met de communautaire guerrilla. De welvaart van Belgi� is bovendien zeer kwetsbaar en grote uitdagingen komen op ons af: de vergrijzing, problemen van immigratie, de concurrentie van de emerging countries, delocalisaties, het klimaat, de energieproblemen� en ga zo maar door. Communautair gehakketak is bijzonder contraproductief.

Bij nieuwe regeringsonderhandelingen - die in feite confederaal zijn -  moet aan beide gemeenschappen worden uitgelegd dat enerzijds het land nood heeft aan een definitieve institutionele vormgeving maar dat het anderzijds, juist om dit te bereiken, behoefte heeft aan een grondige staatshervorming. Een omvattend communautair pakt moet worden voorgesteld waarbij de Franstaligen de waarborg krijgen dat met deze institutionele modernisering van het land ook een eindpunt is bereikt (bijvoorbeeld door in de toekomst een verdere hervorming van de instellingen nog moeilijker te maken via supergekwalificeerde meerderheden). De Vlamingen zouden dan in deze context moeten kunnen bogen op een ruime herschikking van de huidige bevoegdheidsverdeling tussen gewesten en gemeenschappen. 

De bevoegdheidsherschikking moet evenwel aan een aantal essenti�le voorwaarden voldoen:

1/ Vooreerst moet de nieuwe bevoegdheidsverdeling geschieden vanuit een exclusieve invalshoek: streven naar meer effici�ntie om te komen tot beter bestuur. De huidige werking van het federale Belgi� moet aan deskundige expertise worden onderworpen wellicht van vooral niet-politici. Het is wenselijk met dergelijke aanpak te pogen de communautaire problemen te �depolitiseren�, hoe paradoxaal dit ook moge klinken..

2/ Een herschikking van instellingen en bevoegdheden dient te leiden tot bijkomende defederalisering, waarbij evenwel herfederalisering van sommige beleidsdomeinen niet mag worden uitgesloten.

3/Elke overheveling van nieuwe bevoegdheden naar de deelstaten moet financieel neutraal worden gehouden, wat wil zeggen dat geen enkele lidstaat mag benadeeld worden.  Een �zero- som-spel-situatie met winnaars en verliezers kan in Belgi� onmogelijk tot een politiek akkoord leiden.

4/ Het is evident dat de overheveling van sommige bevoegdheden wel nadelig kan zijn voor een of meer gewesten. Zo is de totale splitsing van de sociale zekerheid zeker nadelig voor Walloni�, wat onder meer zou tot uiting komen in een aanzienlijke stijging van de armoede- voet. Volgehouden eisen van ��n gemeenschap met dergelijke nefaste gevolgen kunnen dus nooit in een consensus uitmonden.

5/ Financi�le en budgettaire mechanismen dienen bijgevolg te worden uitgewerkt op dat elke overheveling van bevoegdheden inderdaad volledig en blijvend financieel neutraal zou zijn. Het is slechts op deze voorwaarde dat voldoende vertrouwen tussen de gemeenschappen kan worden hersteld.

6/ Het bovenstaande mag niet beletten dat een einde wordt gemaakt aan het zogenaamde consumptiefederalisme. Het verlenen van een veel grotere fiscale verantwoordelijkheid aan gewesten en gemeenschappen is heilzaam, met name op het vlak van de personenbelasting. Wel moet een solidariteitssysteem worden ingebouwd zodat een armer gewest niet wordt gepenaliseerd. Belangrijk is dat de gewesten worden aangemoedigd om door een actief tewerkstellingsbeleid en een beleid van economische dynamisering hun fiscale inkomsten te verhogen. Het lijkt mij echter verkieselijk in een land met veel multinationals niet te raken aan de vennootschapsbelasting.

Ook nog op andere manieren kan de begrotingsverantwoordelijkheid van de gewesten en gemeenschappen worden verhoogd. Dit kan onder meer geschieden door de federale budgettaire dotaties, die aan de deelstaten worden toegekend, te conditioneren in functie van vooraf bepaalde, eventueel genegotieerde objectieven en normen. Een bonus/malus-systeem, waarbij de dotatie aan een deelstaat wordt verhoogd of verlaagd naargelang de prestaties, zou aanzienlijk bijdragen tot het invoeren van een echt �federalisme van de verantwoordelijkheid�. De objectieve toepassing van dergelijke systemen vereist natuurlijk dat een neutrale autoriteit de verwezenlijking van de opgelegde voorwaarden zou natrekken.

7/ Belgo-Belgische pacificatie vereist dat de taalgrens een definitief karakter krijgt maar dat deze taalgrens geen taalmuur zou worden. In taalgrensgebieden moeten veel grotere inspanningen worden geleverd om de tweede taal aan te leren bijvoorbeeld door het verspreiden van taalbadscholen. Waarom kan in Belgi� geen tv-kanaal,  volgens het concept van Arte, worden opgericht waardoor de contacten tussen beide gemeenschappen, via informatie en uitwisseling van gedachten, aanzienlijk zouden kunnen worden verbeterd???.

8/  De electorale toestand in Brussel-Halle-Vilvoorde, door een arrest van het arbitragehof onverenigbaar verklaard met het gelijkheidsbeginsel, is onverenigbaar met de federale beginselen in de mate dat Franstalige kandidaten van Brussel in 35 Vlaamse gemeenten (waarvan weliswaar sommigen met aanzienlijke Franstalige minderheden) er parlementaire verkiezingscampagnes kunnen organiseren. De splitsing van BHV moet worden aangewend als een element van pacificatie eventueel door (verbeterde) modaliteiten in te voeren, zoals die waren uitgewerkt door de regering Verhofstadt onder de vorige legislatuur.

9/ Een alternatief voorstel zou erin bestaan de splitsing van BHV te combineren met de ombouw van de Senaat tot een echte Bundesrat, zoals in Duitsland, bevoegd voor het arbitreren van de belangenconflicten (denken we maar even aan de groteske twisten over de nachtvluchten in Zaventem). In die optiek zou de Senaat bestaan uit vertegenwoordigers van de gewesten en gemeenschappen maar ook uit 30 federale senatoren, als vertegenwoordigers van de federatie, gekozen in de grote kiesomschrijving Belgi�. Dit zou voor gevolg hebben dat voor een Senaat met uiteraard beperkte bevoegdheden Nederlandstaligen in Walloni� en Franstaligen in Vlaanderen, als zij dat tenminste wensen, zouden kunnen stemmen voor taal- genoten die op deze lijsten zouden kandideren.

Een andere formule kan erin bestaan aan alle Belgen een electoraal inschrijvingsrecht et verlenen, zodat zij na inschrijving kunnen gaan kiezen waar ze willen. Dit is nu reeds het geval voor de Belgen die in het buitenland vertoeven

10/ Het land moet bovendien verlost worden van de al te hoge frequentie van opeenvolgende verkiezingen (thans ongeveer om de twee jaar), wat het nemen van verregaande politieke verantwoordelijkheden, die soms op korte termijn door de kiezers niet worden begrepen of die niet onmiddellijk positieve gevolgen sorteren, onmogelijk maakt. Een hergroepering van verkiezingen is bijgevolg uiterst noodzakelijk.

Alle verantwoordelijke politici kunnen zich troosten aan het voorbeeld van Willem de Zwijger, niet alleen omdat die heel weinig sprak maar ook omdat hij alvast ��n zeer wijze gevleugelde zin heeft uitgesproken die tot nadenken stemt: �Point n�est besoin d�esp�rer pour entreprendre ni de r�ussir (rapidement) pour pers�v�rer�.   

 

 

Mark  Eyskens    Minister van Staat

 

 

Nieuw   en reeds VIERDE druk

 

HET  boek

 

 

DE OUDE PROF ...  EN DE ZEE

          Samenspraak over zin en zijn

                Mark  EYSKENS

 

                                               Lannoo

 

vergeet niet hieronder de po�tische kortsluitingen

 

 

 

Lees het nieuwe en zeer ongewone boek van Mark EYSKENS:  DE OUDE  PROF EN DE  ZEE. Tweespraak over Zin en Zijn�.  (LANNOO)

 

  • Het boek is een gedachten- en woordenstroom,  zonder hoofdstukken, deels roman, deels essay, deels dialoog.
  • Het telt drie hoofdrolspelers, waarvan twee personen � de oude prof en de studente � en een wonderbaarlijk �ding�: de zee
  • De oude prof heeft noch familie- noch voornaam. Hij blijft incognito.
  • Het boek bestaat uit drie lagen in verschillende lettertypen gebracht: het romangedeelte; het essayistisch gedeelte met hoofdstukken uit het proefschrift van de studente en het e-mail-gedeelte met hun wederzijdse electronische briefwisseling
  • Het boek bevat een kantelmoment dat al wat voorafgaat in een totaal nieuw daglicht plaatst
  • De auteur heeft de vrijheid van mening van de personages strict ge�erbiedigd. Voor hun opinies en stellingen draagt hij geen enkele verantwoordelijkheid
  • Elke gelijkenis met nog in leven zijnde personen is louter toevallig, hoe onwaarschijnlijk dit ook moge lijken
  • De volledige lectuur van het boek vergt enige inspanning. Eigenlijk gaat het over mensbeeld, wereldbeeld en godsbeeld.  Sommige passages kunnen echter ook al bruinend op het strand worden gelezen.

www.eyskens.com

 

 

 

LEESAANWIJZING

 

Dit is een ongewoon boek. Het is een boek zonder inhoudstafel, zonder hoofdstukken en met een hoofdpersoon zonder naam. Het werd gecomponeerd als een partituur en in verschillende, soms dissonante toonaarden, voor een trio met drie uitvoerders: de zee, de absolute zee van zijn en worden; een emeritus professor in de fysica, die incognito wenst te blijven en een jonge vrouw, ontoelaatbaar mooi, die een doctoraal proefschrift maakt over �kosmologie en theologie�. Het boek heeft de vorm van een tweespraak tussen de prof en de doctoranda, maar het is veel meer dan een dialoog. Het is een gedachtestroom, geschreven op het ritme van de zee, gekenmerkt door de ebbe en de vloed van weten en denken, aangetrokken door de monding van hopen en geloven. De thema�s volgen elkaar op in een volgehouden bespreking van existenti�le zinsvragen, die blijken zijnsvragen te zijn. De professor staat symbool voor de wijsheid en de zijnsverwondering. Als fysicus bestudeert hij de dualiteit van de materie, die golf en deeltje is. Maar een vergelijkbare dualiteit voltrekt zich aan hem, want hij is een nuchtere wetenschapper en tevens een teder gevoelsmens. De studente belichaamt de intelligentie en de schoonheid in haar veelzijdigheid en vergankelijkheid. Voor de prof weerspiegelt ze ook, zoals de zee, onbereikbaarheid en onaanraakbaarheid. Hij wordt door haar subtiele inzichten gefascineerd, die evolueren naar een kantelmoment binnen haar eigen overtuiging. De jonge doctoranda van haar kant voelt zich aangetrokken door de professor die zich bekeert van de kernfysica tot de kernmetafysica en die het raadselachtige ontdekt achter de zichtbare buiten- en binnenkant der dingen. Beiden, de prof, die geen naam draagt ondanks zijn zeer persoonlijk engagement, en de studente, wier stevige overtuiging haar toelaat tolerant te zijn, bevinden zich opgenomen, zonder dit te beseffen, in een geestelijke deeltjesversneller. Die zal  hun kernvisie op mensen en dingen, op de zwaartekracht van het bestaan en de genade van het leven, zowel tot mentale splitsing als versmelting leiden. Een verrassend keerpunt echter scheurt de werkelijkheid stuk.

Het boek bestaat uit dialogen, soms ironisch en sarcastisch, vaak diepgravend en emotioneel. Het gaat in wezen om �meta-dialogen�, die de haalbaarheid van elke tweespraak overtreffen en waarbij bij wijlen stamelend of omslachtig, niet zelden benaderend en falend, gepoogd wordt het onzegbare te verwoorden. De deskundigheid van de gedachtewisseling wordt ondersteund door de werkstukken, studienota�s en papers die de prof en zijn studente uitwisselen, terwijl zij hun gevoelens en po�tische ontboezemingen uitstorten via de proza�sche personal computer en wederijds verzonden elektronische briefwisseling. De professor heeft daarenboven een heel bijzondere relatie met de zee. Hij lijdt aan thalassofilie, een zeeziekte van psychische aard, wat ook tot uiting komt in zijn dithirambisch woordgebruik, zodra hij het over de zee heeft.         

Het lot van een professor emeritus, de speurtocht van een onderzoek(st)er, de politiek, de spanning tussen geloof en wetenschap, de maatschappelijke functie van religie, de relatie tussen monothe�sme en vooruitgang, de rol en historische betekenis van het christendom komen ter sprake. Een zijsprong wordt gemaakt naar de betekenis van de islam en de ontsporingen van fundmentalisme en terrorisme. Het hoofdthema wordt de analyse van het gewijzigde wereldbeeld onder de invloed van de moderne kosmologie, de kwantumfysica, de biogenetica, de ontwikkeling van artifici�le intelligentie, de maatschappelijke evolutie en de gewijzigde waardenschalen. De triade mensbeeld, weredlbeeld, godsbeeld lijkt grondig omgewoeld, zoniet verstoord of verbrijzeld. Er is onttovering van het wereldbeeld, onttroning van het godsbeeld, ontluistering van het mensbeeld. Wellicht zijn er onoverschrijdbare grenzen aan de menselijke kennis, die voor gevolg hebben dat de waarheid nooit helemal grijpbaar, maar enkel aanbiddelijk is. Het antropisch beginsel zou er kunnen op wijzen dat het heelal is ontstaan met de bedoeling de mens, als zelfbewust en nadenkend wezen voort te brengen. Dit is een weifelende vingerwijzing � zoals op de wandschildering van Michelangelo in de Sixtijnse kapel � in de richting van een scheppende God, auteur van een intelligent wereldontwerp. Maar als de �membrane�-theorie juist is en er een veelal bestaat met talloze heelallen, dan speelt de wet van de grote getallen in een zijnswerkelijkheid die alles mogelijk maakt. Dan wordt uiterste toeval onvermijdelijke noodzaak, inclusief zoiets wonderbaarlijks als het ontstaan van menselijk leven en het bestaan van zelfbewuste mensen die in staat zijn zich vragen te stellen over hun waarvandaan, hun waarheen, hun waarom. Niet alleen de wetenschap maar ook de filosofie heeft grote problemen met de gedachte van een goddelijke oppermachtige causaliteit van de werkelijkheid, des te meer omdat schepping uit het niets nonsensicaal lijkt te zijn. Er is geen unieke schepping; er zijn wel contnue veranderingen binnnen het zijn, leert de wetenschap en leren de professor en de studente aan elkaar. Het bestaan van een oneindig goede maar ook almachtige God botst bovendien frontaal op het probleem van lijden en kwaad in de wereld. Deze smartelijke paradox is door de kerkelijke leer nooit echt afdoend ter discussie gesteld, tenzij met de mededeling dat een goed christen bereid moet zijn een groot mysterie te aanvaarden. De wetenschap verklaart de werkelijkheid. Het geloof en de godsdienst kunnen zin aan deze werkelijkheid via de waarden die zij uitdragen. Toch kunnen wetenschap en geloofshoop elkander de hand reiken in het formuleren van een finalistisch godsconcept dat goedheid, rechtvaardigheid en schoonheid � erg gelijkend op de Platonicijnse drie-eenheid --  verheft tot de onnatuurlijke en daardoor bovennatuurlijke aspecten van de zijnswerkelijkheid. Deze goddelijke deugden �zijn�, maar ze �bestaan� slechts in de mate dat ze belichaamd worden door goede mensen, waarvan Jezus Christus een extreem voorbeeld is. Het goede-godsconcept wordt daarbij los gekoppeld van elk oorzakelijk machtsdenken. Echte schepping is schepping van een waarde waardoor de menswording uiteindelijk uitmondt in de godwording van het punt omega. Enkel Christus kan de Kerk redden. Want godsdienst is ook en vooral mensdienst. Beide protagonisten, de professor en de studente, die aanvankelijk elkander aanvaren, convergeren uiteindelijk in hun opvattingen. Hun tweespraak wordt samenspraak.

In het boek verklaart de professor zich voorstander van een �transmanente� evolutie, tegelijk transcendent en immanent, dit is een goddelijk aangetrokken evolutie die een driespan  vormt: de vitalisatie van de anorganische stof (het ontstaan van de eerste levende cel), de hominisatie van het dierlijke leven (het ontstaan van de mens) en de divinisatie van de mens. De laatste fase is de ultieme roeping van het menszijn, de synthese van een dialectisch proces van menswording van het goddelijke (in Jezus) en van godwording van de mens (door zijn ultieme opstanding en de overwinning op de dood). Dit is de blijde boodchap, die de mens onttrekt aan het dilemma tussen optimisme en pessimisme en van hem een meliorist maakt, iemand die gelooft in en hoopt op existenti�le, metafysische verbeterbaarheid.     

De professor en de doctorerende studente omhelzen aan het einde van het boek een gemeenschappelijke geloofshoop, die hen aan de keerzijde van alle weten en denken, uitzicht zal bieden op een land van zijnsvervulling.

Maar het leven, verrassend genoeg,  gaat voort, de volgende dag.

 

P.S. Dit boek is een stroom. Het stroomt als een rivier met bijrivieren via thematische  meanders naar de monding van kennen en weten die overvloeit in de delta van geloven en hopen en die zich stort in de zee �omega�. Daar wacht een oceaan, verlokkend en aantrekkend, en wenkend naar een continent van onverklaarde klaarte. Maar wie niet kan zwemmen, schuift dit boek best terzijde.

Het boek is een met opzet gedistilleerde mengvorm van allerlei literaire stijlen en genres: dialogerend, vaak ironisch, soms sarcastisch, diep gravend en verwarrend; essayistisch en didactisch-documentair over het wereldbeeld; specialistisch natuurkundig, godsdienst-wetenschappelijk, exegetisch, biologisch, kosmologisch, psychologisch, historisch, filosofisch; maar ook belijdend, bevragend, beredenerend, bezwerend, meer vraagtekens zaaiend dan uitroeptekens plantend; orthodox, oecumenisch, mystiek, kerkkritisch, godinterpellerend, betwistbaar, ketters; po�tisch en romantisch, hartstochtelijk onderkoeld en heftige gevoelens onderdrukkend of symbolisch belevend en metaforisch; barok, hyperbolisch, niet schuw van adjectieven en verbale inflatie en zakelijk, puntig, omzwachteld, elektronisch epistolair, computer gestuurd en ontboezemend, tragikomisch en pathetisch, vol golfslagen van verlangens die niet altijd stranden aandoen. Het boek is te beschouwen als een fictief meta-verhaal vol meta-dialogen, die boren naar de werkelijkheid achter de zichtbaarheid der dingen. Zoals de zee is het niet vanuit ��n haven te bevaren en in ��n ruk te bereizen. Lectuurschipbreuk is niet uit te sluiten en verwensingen geuit aan de auteur, van op een eenzaam ronddobberend geestelijk vlot, zijn waarschijnlijk. Maar veel gelezen en weinig geprezen is nu eenmaal te verkiezen boven het omgekeerde.

De gekozen lettertypen en de bladspiegelschikking zijn niet lukraak. Voor de dialogen werd een gewone courante letter geselecteerd; de e-mail-brieven zijn allen in een lijst weergegeven omwille van de intimiteit van de boodschappen, terwijl de didactisch-informatieve delen in een iets kleinere, meer collegenota-achtige letter werden gebracht.

 Elke gelijkenis met in leven zijnde personen en hun meningen en opvattingen is louter toevallig. De auteur heeft geen enkele verantwoordelijkheid wat betreft de standpunten en stellingen door de hoofdpersonages in het boek geventileerd. Na zijn dood zal dit boek evenwel beschouwd worden als zijn geestelijk testament, zonder naar zijn wilsbeschikking te hebben gevraagd.

 

 

Mark  Eyskens

 

Paasdag 2005

 

 

 Mark Eyskens herwerkte in het Frans zijn boek ' De oude Prof en de zee. Tweespraak over zin en zijn' in een nieuwe versie onder de titel: 'Le vieux prof et la mer. Le sens d'une qu�te de sens', Racine, 2006

 

 

LE VIEUX PROF ET LA MER

LE SENS D�UNE QU�TE DE SENS

 

Ce livre inhabituel, voire insolite, Mark Eyskens l�a compos� comme une partition musicale pour

un trio de trois ex�cutants : la mer, le vieux professeur et l��tudiante. La mer, absolue, m�taphore

� la fois de l��tre et du devenir, le professeur �m�rite de physique souhaitant rester incognito et

la jeune femme, d�une beaut� inconvenante, qui veut �crire une th�se de doctorat sur un sujet

quelque peu incongru : � la cosmologie et la th�ologie �.

Le livre, � la fois roman, essai et �change de vues �pistolaires par courriel entre le prof et la

doctorante, porte sur de nombreux sujets, m�me politiques. Mais principalement sur l�actuelle

vision du monde, de l�homme et de Dieu, profond�ment affect�e par les fulgurants progr�s des

sciences. Les conceptions initialement tr�s divergentes du prof et de la fascinante doctorante

concernant la tension entre foi et science, le sens de l�existence, son myst�re et son absurdit�

finissent par converger. La jeune femme se sent attir�e par ce vieux prof de physique fondamentale

qui se convertit � la m�taphysique alors qu�elle d�couvre que la v�rit� est incompr�hensible,

seulement adorable. Leur m�tadialogue les entra�ne vers un point de basculement

inattendu.

Mark Eyskens tente, de mani�re parfois ironique et sarcastique, mais �galement p�n�trante, troublante

et �motive, d�exprimer l�indicible.

 

 

Avertissement au lecteur

 

Ce livre est inhabituel, voire insolite. C'est un roman mais sans table des mati�res et sans chapitres et qui prom�ne un personnage principal n�ayant pas de nom. L�ouvrage a �t� compos� comme une partition musicale, avec des sonorit�s multiples, r�sonnantes et parfois dissonantes, pour un trio de trois ex�cutants: la mer, le vieux professeur et l��tudiante. La mer, absolue, m�taphore � la fois de l��tre et du devenir, le professeur �m�rite de physique souhaitant rester incognito et la jeune femme, d�une beaut� inconvenante, qui veut �crire une th�se de doctorat sur un sujet quelque peu incongru: �� la cosmologie et la th�ologie��.

 Le livre prend la forme d'un dialogue entre le prof et la doctorante, mais il est beaucoup plus complexe qu�une simple conversation � deux. Il rec�le une coul�e de pens�es et une avalanche d�opinions, d�crites, �crites et dites sur le rythme de la mer, que le prof aime tant. La mer, symbole de la trans-r�alit� duale caract�ris�e par le flux et le reflux du savoir et de la r�flexion, et captiv�e par l�embouchure de l�esp�rance et de la croyance. Les th�mes se succ�dent dans un d�bat ininterrompu relatif � la qu�te du sens existentiel et aux r�ponses d�risoires que l�on donne au myst�re de l��tre. Le professeur incarne la sagesse et aussi l'�merveillement. En tant que physicien il a, � l�int�rieur d�un collisionneur de particules �l�mentaires, consacr� sa vie enti�re � l��tude de la mati�re. Cette mati�re ambigu� qui s�av�re �tre � la fois ondulatoire et particulaire. Une dualit� comparable s'applique � sa personne, d�une part le scientifique r�aliste et rationnel et de l�autre le r�veur sentimental et tendre, sujet � des acc�s de ferveur mystique. L'�tudiante incarne l'intelligence parfois implacablement m�caniste et la beaut� dans sa profusion et sa fragilit�. Pour le prof la jeune femme refl�te aussi, comme la mer, l�inaccessibilit� et l�intangibilit�. Il est fascin� par ses raisonnements subtils, ses fulgurantes intuitions qui la conduisent � reformuler ses propres convictions, en leur appliquant parfois une dramatique r�vision. La jeune doctorante se sent attir�e par ce professeur beaucoup plus �g� qui s�est converti de la physique fondamentale � la m�taphysique de l�essentiel en d�couvrant qu�il n�y a qu��nigme derri�re la face visible � l'ext�rieur des choses et leur repli � l�int�rieur. Tous  deux, le prof qui ne porte pas de nom malgr� son engagement tr�s personnel, et l'�tudiante, dont les certitudes lui permettent d��tre tol�rante, sont sans s�en rendre compte enferm�s dans une sorte d�acc�l�rateur de particules spirituelles. Leurs visions de la gravit� de la vie et de la gr�ce de l�existence leur feront subir un processus � la fois de scission et de fusion mentale. Un tournant surprenant d�chirera toutefois la r�alit� de vie des deux personnages.

Le livre est �maill� de dialogues, parfois ironiques et sarcastiques, souvent profonds et �motionnels .Il s�agit en fait de m�tadialogues qui transcendent la port�e de chaque parole par lesquels les deux personnages principaux tentent de formuler l�indicible. Ils n�y parviennent qu�en balbutiant ou en compliquant les choses, par approximations et  par ratures. L'expertise intellectuelle du dialogue est soutenue par les travaux, les notes d'�tude et les papiers qu��changent le prof et son �tudiante. Entre temps, ils d�versent leurs sentiments et transports po�tiques au moyen de leur prosa�que ordinateur portable en s�envoyant r�ciproquement un fr�quent courrier �lectronique. Le professeur a en outre une relation tr�s particuli�re avec la mer. Il est atteint de thalassophilie, un mal de mer de nature mentale, qui se manifeste aussi dans son verbiage dithyrambique, d�s lors qu�il �voque ou invoque la mer. Les �changes de vue entre  les deux protagonistes portent sur beaucoup de sujets tels la fatalit� d��tre professeur �m�rite, la gageure d��tre chercheuse scientifique,la politique et ses p�rip�ties, la tension �vitable entre la foi et la science, l�utilit� sociale de la religion, la relation entre monoth�isme et progr�s scientifique, entre religion et d�veloppement �conomique, le r�le et l�importance historiques du christianisme, l�enseignement de l�ex�g�se contemporaine, l�impact de l'islam et les d�rives du fondamentalisme et du terrorisme, la crise au Moyen-Orient. Le th�me central de leurs discussions toutefois est l'analyse de l'actuelle vision du monde, profond�ment affect�e par l'influence de la cosmologie moderne, de la physique quantique, de la biog�n�tique, du d�veloppement de l'intelligence artificielle, de l'�volution tous azimuts des soci�t�s contemporaines globalis�es, de la tension entre culture et nature et le chambardement des �chelles de valeurs.

Ce livre �voque une image fluviale: iI poursuit son cours, comme un fleuve, parfois placide, souvent turbulent, marqu� au passage de chutes et de rapides, recueillant des affluents pour converger vers un delta s�ouvrant sur un oc�an. Soudain �merge une rive o� la foi et l�espoir ont la chance d��clore sur un continent qui s�appelle ��om�ga��. Du moins pour les personnages de cet ouvrage ; pas n�cessairement pour ses lecteurs. Qui ne peut naviguer, voire nager sur et entre les lignes, est avis� de s�abstenir. Le lecteur pourrait faire naufrage. Il s�agit d�un �crit tr�s dense pratiquant l�alchimie de plusieurs styles et genres litt�raires. Du dialogue, souvent ironique, parfois sarcastique, quelquefois sardonique et d�routant. De l�essai aussi en prenant un ton didactique, m�me documentaire ou informatif au sujet de certains aspects de la vision actuelle du monde. L�expos� devient alors sp�cialis�, versant dans la physique quantique, la cosmologie, l�ex�g�se, la biologie, la psychologie, l�histoire, la philosophie.   

 

 

 

 

L��crit ne recule pas devant confidences et confessions, esquives et exag�rations, �nervements et moments de tendresse. Tout au long de leur p�r�grination intellectuelle le prof et la doctorante pr�f�rent semer les points d'interrogation et �vitent la tentation de planter trop de points d'exclamation. Beaucoup d�id�es � connotation religieuse se t�lescopent: orthodoxes, oecum�niques, critiques � l��gard de l�Eglise, h�r�tiques, interpellant Dieu, ses noms et ses d�guisements. Les personnages parviennent � ma�triser leurs passions mais sans les r�primer ni les refouler. Ils le font en usant d�un langage souvent romantique et po�tique, charg� de m�taphores et d�hyperboles. Ce qui donne lieu parfois � un phras� baroque, affect� d�inflation verbale, particuli�rement quand le professeur avoue son engouement pour la mer. Mais mon roman est �galement topique, pointu et partisan, charriant de complexes sentiments exprim�s �pistolairement par courriel. Il est � consid�rer comme une m�tahistoire fictive, faite de m�tadialogues qui tentent de percer la face visible des choses afin de d�couvrir la vraie r�alit� et la r�alit� du vrai. Comme la mer, ce livre n'est pas navigable � partir d�un seul port au cours d�un seul voyage. Et si le lecteur fait naufrage, ce qui est envisageable, qu�il ne se garde point de couvrir l�auteur de ses mal�dictions. Mais �tre beaucoup lu et comment�, bien que peu pris�, est pr�f�rable � son contraire.

 La mise en page tient compte des s�diments qui constituent cet ouvrage. Le type des caract�res utilis�s � l�impression est diff�rent, ce qui n�est pas d� au hasard ou � de la n�gligence. Les dialogues sont imprim�s en caract�res courants ; les courriels �chang�s entre le prof et l��tudiante ont re�u une typographie voyante et se trouvent encadr�s, alors que pour les parties didactiques � les chapitres de la th�se de doctorat - une lettre distincte a �t� retenue.

Je remercie de tout c�ur Abel Prinzie, ami de longue date, intellectuel perspicace, homme de c�ur et de culture, mon premier lecteur, qui m�a prodigu� ses pr�cieux conseils et remarques. Je suis aussi redevable aux auteurs des nombreux livres que j�ai consult�s, voire �tudi�s et dont la liste est reprise en derni�re page.

Toute ressemblance du prof et de sa belle �tudiante avec des personnes encore en vie ou avec leurs opinions et conceptions est purement fortuite. Je r�cuse toute responsabilit� quant aux id�es et convictions ventil�es par les personnages qui figurent dans mon livre, car j�ai trop de respect pour la libert� d�opinion.

L�auteur du ��Vieux prof et la mer�� craint toutefois qu�apr�s sa mort cet ouvrage ne soit consid�r� comme son testament spirituel, sans qu�on lui ait  demand� son consentement.

 

 

        M.E.

 

 

 

 

 

Mark Eyskens publiceerde twee nieuwe boeken in oktober 2004.

'De houdbaarheid van de Welvaartsstaat. De onmogelijkheid van het noodzakelijke', 125 uitgegeven door de denktank van het VKW. Te bestellen: VKW. Sneeuwbeslaan 20. 2610 Antwerpen Wilrijk

 

'Omdat wij van de avond nooit genezen...' Een po�tische kroniek. Davidsfonds 148 blz. Mark Eyskens schrijfgt met enige schroom over de verborgen existenti�le binnenkant. Het gaat om gedichten en teksten over schokkende ervaringen, over geloof en hoop, liefde en lijden, ontmoetingen en gewisselde blikken...Woorden en zinnen aangespoeld met de vloed en eb van het leven, als keien op het strand...

Po�tische kortsluitingen

             I
 
Het doel van reizen
is het breken van 't gewelf
rond je versteende zelf .
 
            II
 
De tijden hebben witheid uitgedreven
en heel wat kwaliteit van 't  leven opgegeven.
Veel modder ligt op paden en op wegen;
veel tegenwind kom je er tegen.
 
               III
 
De ontdekking van het andere
is de verkenning van jezelf.
De ontdekking van de andere
is de verkenning van mij.
De reis van mij
is de reis naar ik.
 
             IV
 
De mensheid zal de volkeren ontbinden.
De eenwording van ons aller mens-zijn
komt er groots maar pijnlijk aan,
en aan het einde van de naaste eeuw
zullen meer mensen mensen vinden,
als niet het eigen volk,
maar ieder mens eerst zal zijn.
 
              V
 
De oude tederheden hebben wij begraven
en toevertrouwd, als loze gaven,
aan gronden zonder bronnen,
uitgedroogd, nooit herbegonnen.
 
Wat doet het vuur als het niet laait ?
Wat doet de wind als hij niet waait ?
 
               VI
 
Had ik tijd,
had ik maar tijd,
had ik maar even tijd,
dan zou ik anders leven.
Want het leven duurt maar even.
Maar ik heb geen tijd.
De tijd heeft mij.
 
                VII
 
De dag stierf aan te weinig licht.
De nacht veroverde de macht
en duisternis bloeide open,
als een bloem die tracht
de aandacht af te leiden
van de gestorven pracht,
die ik had zien glinsteren
in je afstandelijke ogen.
 
               VIII
 
Mijn lieve dode kat is in de tuin begraven,
in een kuil enkel bekend bij zwarte raven.
Mijn kat droomt nu dat zij leeft
en dat haar baas haar melk,
verse wiskas en spekjes geeft.
Ik ben een God in haar gedachten.
Dat troost  mij in kille nachten.
 
 
                     I
Het ergste wat met sneeuw
gebeuren kan is dat in sneeuw
een bloedspoor door een mens getrokken
bloedstollend zichtbaar blijft.
 
                        II
 
Je hebt die woorden ingesproken
en het zegel neergelegd op ons bestaan,
opdat wij nooit, zo radeloos en zo begaan,
de wegen van de leegte zouden gaan,
als ons de lieveling is ontvallen
 
                    III
 
Het scheiden, zei je, deed je pijn
maar meer het afgescheiden zijn;
en smart van snijden, schreef je,
blijft steeds bloeden in het afgesneden zijn.
 
                     IV
 
Sterf als je nog sterven kunt
bij voorkeur op de hoge zee
omdat je graag gestorven bent
daar waar het licht je wordt gegund,
de horizon steeds verder wijkt,
de schipbreuk een verlossing is,
je dood de enige belevenis
 
                        V
 
Jij bent, mijn onervaren vriend,
geboren in het mysterieuze teken
van de virtuele eeuwigheid.
Daarom juist is je tijd geteld
 
                          VI
 
'Ik heb je slechts van ver
voorbij zien gaan.
En zie, ik heb je lief,
mijn leven lang,
totdat ik sterf
en zelf zal zijn
voorbij gegaan'.
 
                        VII
 
Niets was haar vreemd,
tenzij de avond,
die steeds viel,
te vroeg, te kil, te klam
om haar verlegen schouders,
gebenedijd.
 
                      VIII
 
Het licht is weer
aan sterven toe.
De nacht grijpt langzaam
naar de macht.
Een andere staat
van zijn ontstaat :
verwachting van
de nieuwe dageraad
 
                     IX
 
Geef, wilg, gewillig,
wat late troost bij elke dageraad.
Als tussen tak en twijg
je deemsterend gelaat,
ontbladerd en ontdaan,
weerkaatst en diafaan,
jezelf in 't water gadeslaat.
 
Narcissus in het woud,
die van mij houdt.
 
                   X
 
Ik hoef niet meer te razen, razen
tegen het sterven van de zon
en het doven van de horizon
 
                   XI
 
In de ijle lucht van de hoogste top
zal hij een standaard planten, waar
voordien geen standaard heeft gestaan.
Opdat hij verder van het licht zou leven
in zijn verduisterd, dagelijks bestaan
en het aan velen door zou geven.
 
                    XII
 
Zin en zingeving hebben wij niet gevonden
maar in het zoeken naar een zin
hebben wij haast onbewust bevonden
hoezeer onze eigen menswording
met zinverkenning is verbonden
  
                      XIII
 
O, sterf niet in het zicht der zee.
Het schuim van golven is slechts schijn
en als de dromen over zijn,
is zelfs geen voetspoor in het zand te vinden.
 
                  XIV
 
De waterlelie is een wonde
van onduldbaar pijnlijk wit,
een kelk die welk verwelken
�s nachts en over dag bestrijdt?
 
                  XV
 
Heel vreemd is de belevenis
dat je  iemand kunt beminnen
die duizend mijl verwijderd is
of die al lang  gestorven is.
Alsof een stukje eeuwigheid
bereikbaar en bewaarbaar is.
 
                   XVI
 
Wij gingen naar concerten in verwenste tijden,
toen melodie en harmonie nog klonken
en onze ongewatte oren niet moesten strijden
tegen het slagwerk en het heiend bonken,
van metalliek alaam en decibel verslindend
bralgehuil, geratel en barbaars gerinkel
 
                     XVII
 
'Er ist ein Prinz' zegt Papageno statig.
'Er is mehr als ein Prinz. Er ist ein Mensch'
zegt Sarastro, op zijn troon gezeten, machtig.
 
                      XVIII
 
Zo ernstig en zo herfstig,
toen de adem van die avond laat
over je haar en je gelaat
door je herinneringen streek.
 
                         XIX
 
Het enig uur van je bestaan
besteed, beleden, opgeslagen:
een waterdruppel in de oceaan,
wat watermist vergaan,
onder een waterval van vragen.
O, ongenade van de helderheid van geest
die steeds verblindt en nooit geneest. 
 
                        XX
 
Wie ooit Frans Schubert heeft gehoord,
andante sustenuto,
een ijle klank, die door de bolster boort
van elke oppervlakte en elke buitenkant,
over de rand der dingen en nooit landt,
hij heeft een quantumgolf gehoord.
Wie ooit Frans Schubert heeft gehoord
die zal niet langer ongelovig zijn.
 
                           XI
 
Geluk is niet de duisternis
  vervloeken en verwensen,
  maar een kaars onsteken
  die de duisternis verlicht.
 
                          XII
 
Met geld koop je bloed, maar geen leven,
met geld koop je seks, maar geen liefde,
met geld koop je macht, maar geen gezag,
met geld koop je wapens, maar geen vrede.
 
                           XIII
 
Europa is niet langer land van aarde
maar steeds meer oord van waarden.
Daarom is ons Europa zo ontgrenzend,
grenzeloos het werelddorp verkennend.
 
                           XIV
 
Van alle zeven wereldzee�n,
de groene en de saffierblauwe,
de wilde en de trouwe,
de azuren en de grauwe,
de fluwelen en de rauwe,
is mijn zee, de Noordzee,
meer zee dan iedere andere zee,
gezegend, zalig, zo zeeachtig zee.
 
                        XV
 
Rozen willen leven om te leven:
de ademzucht van de ochtendbries,
om steeds herinnering te zijn
aan dodelijk verlies
 
                        XVI
 
Hoog in de blanke bergen,
hoor ik je schorre schreeuw
weerkaatsend in het dal,
waar sneeuw tot modder smelt,
in het doortrapte tranendal.
 
                          XVII
 
O! dwaasheid van het groot verlangen
gekluisterd en gevangen
tot ooit een vlinderveugelslag
in hoog besneeuwde bergen
lawines doet ontstaan
en oude werelden vergaan.
 
                          XVIII
 
De werkelijkheid heeft vele lagen
geen enkele die de hele waarheid spreekt
Ik steek verstokt de stok der blinden
in de nachten en de dagen
en hoor het klagen van de winden
in de kale takken van mijn eenzaamheid.
Is er wel leven voor de dood?
Is niet elk leven een stilleven?
En missen wij niet steeds opnieuw de boot?
 
                            XIX
 
Een twintigtal  waren gedood:
Palestijnen ook en de zoveelste Jood.
Shahid had toch zijn dodelijk werk gedaan.
Daar lag hij tussen de verkoolde doden,
versplinterd, opgebruikt, vergaan.
Een zelfmoordenaar dient slechts ��n maal.
 
                             XX
 
De oorlog was vernietigend gedaan.
Wij gingen naar een huis dat niet meer kon bestaan.
En vonden haar geblakerd op de muur gevlamd.
Zij was ontzettend mooi en elegant vergaan;
haar silhouet behouden, elk detail erop, eraan.
Haar blonde haar was nu door vuur verzengd
en zwart gebrand in oud beton gedrenkt.
Alleen haar ogen waren helemaal verzwonden,
maar blonken vochtig in de onze.
 
                                XXI
 
Hij wist dat hij niet alles wist.
Maar wel dat enkel schoonheid
onze wereld redden kan,
ook als zij sterft van lelijkheid.
 
                              XXII
 
Hij had al lang begrepen
dat men met de gebalde vuist
niet vruchtbaar zaaien kan.
 
                               XXIII
 
Geef mij een archipel van zacht opaal
doorschijnend bloedkoraal,
smaragden atollen in de oceaan
gestort, verstrooid, verdwaald,
en je zilveren hemelharen,
gewei van staartsterren in
melkwegen bewaard, gekraald.
 
                             XXIV
 
Het doel van reizen
is het breken van 't gewelf
rond je versteende zelf
en je dagelijkse oorden,
los te laten, weg te wuiven,
waar je schrale woorden
steeds als stalactieten vallen,
geruis- en hulpeloos,
tot gruis en vruchteloos.
 
                             XXV
 
 Kwets je aan de gekwetsten.
 En blijf trouw aan wie
 je ooit teder heeft gemaakt.
 
                             XXVI
 
En waarom al die lijken ?
De dageraad verdraagt hun waarheid niet.
En waarom al die doden
en tweemaal zoveel dode ogen ?
De zon verdraagt hun aanblik niet.
De gruwel heeft gegrepen naar de macht.
 
                             XXVII
 
Zij zijn verwonden,
Zij zijn verbonden,
onomwonden.
Zij zijn verjaard,
Zij zijn verstreken.
Zij zijn uitgepaard
en op elkander dood gekeken.
 
Wat doet het vuur als het niet laait ?
Wat doet de wind als hij niet waait ?
 
                              XXVIII
 
Je bent de wonde,
ik ben het mes.
Je bent mijn zonde,
ik ben je les,
gegeven en geleerd,
van buiten, omgekeerd.
 
                            XXIX
 
Wij waren ballingen vol van genade,
die dag in �t vlakke land, dat onverraden
en ongeschonden raakt aan de horizon.
 
                             XXX
 
Geef stilte aan je stem.
Sticht licht en ren
je schaduw los.
Ontbind je zwaartekracht,
bevrijd, verlos
jezelf van dag en nacht.
 
                            XXXI
 
Nooit zullen wij genezen
van de avond die ons overvalt
als hij aan de einder valt,
de wolken laag ter uitvaart
van het laatste licht gereid.
 
                         XXXII
 
 
 
De toekomst is een stroom;
het verleden is een meer;
het heden is een droom,
een zeepbel, opgelost,
van zwaartekracht verlost,
een punt, een tusssenwoord,
een doorgang in de tijd geboord,
een nu-moment van bijna nul 
naar tijdloosheid, zeer koortsig
strevend, een krimp tot nul.
 

                                     *  *  *  *

 

Het jaar weze niet meer eurotisch maar electoraal en dus neurotisch.

Ent U in tegen besmettelijke kiesbeloften. De politici zijn dit reeds.

Beloften voor de verkiezingen betekenen belastingen na de verkiezingen.

*******************************************

 

 

 

Een politiek sprookje.

De belangloze bekering

 

Ergens lag een land van Nergens. Zijn naam was Utopia wat letterlijk �niet-plaats� betekent, gelegen buiten tijd en ruimte. Het was een twee-stromenland, het moderne Mesopotami�, ook soms Taailand genaamd want veel taaier dan sommigen dachten, hoopten of vreesden. De stromen kruisten elkander wel eens, wat aanleiding gaf tot veel gehakketak en verbale overstromingen. In het noorden woonde een multiculturele bevolking die zich nog steeds volk noemde. ��n op vier kiezers gaf er zijn stem aan een politieke partij, die was veroordeeld door een hooggerechtshof wegens racisme omdat zij predikte dat al wat vreemd was vals was en al wat vreemd was minderwaardig. De jarenlang volgehouden opruiende taal had gevolgen. Geweld brak uit en mensen werden omwille van hun huidskleur aangevallen, afgetuigd en soms vermoord. Het bloed van een zwarte Afrikaan(se) was nochtans even rood als dat van een blanke en schreeuwde even luid om gerechtigheid. Plots had een mirakel plaats en een belangloze bekering. Door doorgewinterde leider van de anti-alles-partij las de oude parabel van de barmhartige Samaritaan en begreep ze voor het eerst in zijn leven. Hij werd achter het stuur van zijn auto, zoals ooit Paulus, neergebliksemd. De volgende ochtend riep hij een grote persconferentie bijeen en las volgende tekst voor:

�Vrienden, we hebben ons gruwelijk vergist. Niet het eigen volk komt eerst, maar alle mensen komen eerst en zeker de zwaksten, waaronder vaak vreemdelingen, die wij met naastenliefde moeten benaderen. Onze partij aanvaardt ootmoedig haar veroordeling wegens racisme. Wij zullen voortaan in woord en daad niet alleen elke discriminatie, elke xenofobe oprisping achterwege laten. Wij zullen voortaan in plaats van het racisme te promoten, samen met alle mensen van goede wil het racisme bestrijden. We hebben eindelijk begrepen dat men met de bokshandschoen niet kan zaaien in de akker van de samenleving. Ons embleem wordt voortaan een handdruk van een blanke hand die de hand reikt aan een gekleurde. Ook niet- blanken zullen in de toekomst verkiesbare plaats krijgen op onze lijsten bij de volgende verkiezingen. Wij openen onze partijlokalen in het hele land voor asielzoekers en vreemdelingen. Walen beschouwen wij niet langer als profiteurs en luiaards en wij bieden  onze excuses aan aan al wie wij hebben geschoffeerd. Wij begrijpen ook waarom andere partijen niet met ons wilden noch konden samenwerken. Het �cordon sanitaire� was niets anders dan zelfuitsluiting van onzentwege. Wij verbreken al onze banden en contacten met uiterst rechtse partijen in Europa die de onwelriekende boodschap verspreiden van de onverdraagzaamheid, de superioriteit van het eigen ras of volk en die een nostalgische taal voeren die verwijst naar de meest zwarte bladzijde uit de geschiedenis van Europa tijdens de tweede wereldoorlog. Ik verklaar plechtig dat wie tijdens die oorlog met het nazi-regime heeft gecollaboreerd objectief gesproken een zeer zware vergissing heeft begaan en onnoemelijke schade heeft aangericht aan de naam en faam van ons  eigen volk�.

Toen werd het de leider te machtig. Tranen welden op en zijn stem stokte. Dagenlang was in het tweestromenland deze Paulinische bekering frontpaginanieuws. Een maand later hadden parlementsverkiezingen plaats en de extreme partij van weleer, omgeturnd tot partij van de  broeder- en zusterlijkheid, verloor al haar stemmen op drie na. En dit was nu juist zeer verontrustend voor de mentaliteit die heerste in het land van Nergens. Tot een politieke commentator ontdekte dat de drie stemmen die de partij nog had behaald, afkomstig waren van de voorzitter van de partij, van diens vrouw en haar beste vriendin die ook de persoonlijke vriendin was van de voorzitter.

 

Mark Eyskens

 

 

Mijn hond

 

 

Wat je niet hebt, moet je soms scheppen in je verbeelding. Gemis is vaak gewin. Ik heb geen hond.  Mijn vrouw is er allergisch aan. Zij beschikt in deze aangelegenheid over een vetorecht. Het vetorecht van een grote mogendheid, dat ik haar ooit in een onbewaakt moment, ter gelegenheid van een verjaardag van de oprichting van de Verenigde Naties, veertig jaren geleden heb toegekend. In onze familiale veiligheidsraad stuitten al mijn resoluties om een vierpotige hond aan te schaffen, op een resoluut veto. Ik poogde herhaaldelijk met een labrador, een engelse terri�r, een Duitse schaapherder, een Deense hazewind, een Franse keffer, een Argentijnse bulldog, een Schotse ridgeback, een Amerikaanse staffordshire, een fila brasiliero, een akita inu, een rottweiler, een pitbull, een Leuvense schoothond, een Brusselse schroothond, een stratton�.Niets mocht baten. Al mijn voorstellen werden verworpen. Bij wijze van troost kreeg ik wel twee stenen honden die thans onbeweeglijk kwispelstaarten voor onze voordeur.  Mij restte mij enkel aan te kloppen bij mijn fantasie en een gedicht op te dragen aan de hond, die ik niet heb.

 

 

 

Mijn hond

 
Mijn hond, die hond van mij
die halve mens,
die mij tot anderhalve maakt,
is beter dan mijn beste vriend.
Mijn hondse kameraad
is een veel ouder dier
dan de gebleekte sapiens die ik ben.
Zijn pels ruikt ruig en roestig
naar de tijd van toen, de oertijd
en zijn voorhistorisch wolfs bestaan.
Hij draagt nog steeds een muil
die ik sedert millennia heb afgelegd.
Hij heeft een kwispelende staart
die mij al lang geen zorg meer baart.
Zijn bruine blik boort
schrander in mijn ogen
en als ik luister naar zijn hijgen,
versta ik ieder van zijn woorden.
Mijn hond is steeds onmenselijk trouw
in liefde en genegenheid tot in de dood.
Begrijpen doet hij mij,
een half woord volstaat.
Hij is die enige unieke enkeling,
die mij bewondert en waardeert,
ook tegen heug en meug,
en vaak volledig onterecht,
en mij ontzettend fel bemint,
zoals ikzelf ook steeds mijzelf heb lief gehad.
Zo zijn we nu met twee�n om mijzelf
hartstochtelijk lief te hebben,
te koesteren en te beminnen.
 
Mijn hond zal waken op mijn graf
en kreunen, janken, blaffen,
huilen in de wind,
en razen, razen, razen
tegen het sterven van het licht.
En wie verstrooid voorbij zal komen
bij het vallen van de nacht,
zal denken dat ik het weer eens ben
die nog een toespraak houd,
vooraleer de winden liggen gaan.
                       
                                    Mark  EYSKENS

 

 

 

Voor de wenselijkheid

van meer menselijkheid.

 

Er is helaas geen reden tot gerustheid

"De onrustwekkende internationale toestand en de ongunstige evolutie van onze economie, met toenemende werkloosheid, fabriekssluitingen en dalend vertrouwen van de consumenten vergen een doelmatig, doortastend en bezielend beleid. Voorspoed komt er door moed. We moeten niet zozeer aan de mensen zeggen wat ze graag hebben, maar vooral wat ze nodig hebben.Dit beleid moeten de christen-democraten kunnen voeren. De dynamische krachten in onze samenleving, op alle vlakken, moeten worden aangemoedigd opdat, dank zij solidariteit, alle leden van de maatschappij het beter zouden hebben. Iedereen is immers iemand. En de wenselijkheid van medemenselijkheid stellen de christen-democraten voorop. De christen-democratie is een vaste waarde, nu veel mensen ontredderd en onzeker ronddobberen als ballingen in onze maatschappij.

 

 

Het jaar brenge geen bibbergeld

maar de kracht om alle veranderingen om te zetten in wezenlijke menselijke vooruitgang

 

 

j0227562.jpg (72532 bytes)

 

Paars geeft kou

 

Groot nieuwsj0185956.wmf (8392 bytes)

Dit is geen sluikreclame. Wel schandelijke en grove publiciteit

Van Mark Eyskens verscheen een nieuw boek, in 2003.

 'Het Hijgen van de Geschiedenis' (bij Lannoo).

Alo�s Van de Voorde, ere-secretaris-generaal van het ministerie van financi�n schreef een biografie gewijd aan Mark Eyskens onder de titel: Mark Eyskens. een politicus-professor tussen woord en daad'. Lannoo, 444 pp. (reeds tweede druk na 3 weken).

 

Mark Eyskens publiceerde in 2002 twee nieuwe boeken, geschapen,geschreven, ingetikt en -geklikt op zijn computer - dat brave huis en muisdier - , het eerste boek met de rechterhand, het tweede met de linker, terwijl de ene hand van de andere precies wist wat ze deed en omgekeerd

Boek I
'Het verdriet van het werelddorp'.  
derde druk
Davidsfonds, 224 blz.

De wereld wordt een dorp en het dorp is niet gelukkig. We beleven het hijgen van de geschiedenis. En  hijgen in de eigen stad of in het eigen dorp is ook ademen in de wereld.

Reflectie in drie delen over:
       de wereld, ons dorp,
       Europa, ons vaderland
       en de nationale staat, of wat ervan overblijft.


Boek II
'Leven in tijden van Godsverduistering'; 
reeds vierde druk
Lannoo, 248 blz.

Dit boek vloeit logisch voort uit het eerste, dat eindigt met deze conclusie: we zijn met zijn allen geworpen in een wervelstorm van veranderingen en mutaties. De maatschappelijke en politieke hamvraag is: 'hoe deze veranderingen sturen, wijzigen en omzetten in echte menselijke vooruitgang?' Het antwoordt op deze vraagstelling vergt een mensbeeld, een wereldbeeld, een levensbeschouwing, geloofshoop in een toekomst. Deze existenti�le vragen komen aan bod in dit boek.

Toen de mensaap aapmens werd, 3 miljoen jaren geleden, kroop hij overeind, maakte hij het onderscheid tusen onder en boven, tussen hemel en aarde. Hij ontwikkelde een verticale levens- en wereldvisie. Dit verticale paradigma is grondig aan het wijzigen onder de invloed van de aan de gang zijnde wetenschappelijke en technologische revoluties. Wat zijn hiervan de gevolgen op levensbeschouwing, mens- en wereldvisie?? Is God dood? Waarom sterft hij vooral in Europa? Wat met de Kerk en het christendom? Vragen genoeg. Maar zijn er ook antwoorden?

Uittreksel bij wijze van smaakmaker:

LEVEN IN TIJDEN VAN GODSVERDUISTERING

Mark EYSKENS

Lannoo

Mens- en wereldbeeld in de kennismaatschappij

PROLOOG

  1. EEN OMGEWENTELD WERELDBEELD
    1. Nieuwe kosmologische opvattingen
    2. De onttroning van de mens
    3. De demystificatie van de godsdienst
  2. DRIE NIEUWE WETENSCHAPPELIJKE REVOLUTIES
    1. Van quantumfysica tot quantumkosmologie
    2. Nieuwe computertechnologie�n en nanotechnologie
    3. De biogenetica: een goddelijke functie door de mens uitgeoefend
  3. DE GODSVERDUISTERING
    1. Een bewoner van Platland
    2. Meer religie, minder godsdienst
    3. God sterft in Europa
    4. Geloof en wetenschap
    5. De crisis van de Kerk
  4. DE TERUGKEER VAN DE ZIJNSVERWONDERING
    1. De herontdekking van de spiritualiteit
    2. Ethiek als invalshoek
    3. Tussen mysterie en absurditeit
    4. Het belang van het joods-christelijke monothe�sme
  5. WELK MENSBEELD?
    1. Een God voor de mens van het begin van de 21ste eeuw
    2. Verscheurende vragen over lijden en kwaad
    3. Geloofshoop
  6. CHRISTELIJKE PRAXIS IN DE NIEUWSTE TIJD
    1. Onbehagen omtrent het menselijke bestaan
    2. Een ware veranderingsorkaan
    3. Bonum et malum rerum novarum
    4. Alle samenlevingsproblemen vertonen een ethisch aspect
    5. Het politieke en maatschappelijke engagement van de christen

    EPILOOG

     

    j0289872.jpg (11909 bytes)

     

    PROLOOG

    De bladzijden die volgen, werden met enige aarzeling en schroom geschreven. Omdat ik het essenti�le niet heb willen noch kunnen vermijden. Of althans het stellen van vragen over het essenti�le, die zijnsvragen zijn en zinsvragen. Vragen naar het ‘waarom’ van veel dingen en naar de zin van het menselijk leven in een maatschappij die het leven grondig omwoelt. De tijd der vaste zekerheden is voorbij. En die van eeuwige waarheden, als geestelijke kathedralen oprijzend, en die een vrij eenvoudig wereldbeeld aanreikten, meer berustend op geloof dan op wetenschappelijke inzichten, is achterhaald. Eeuwenlang leefde de mens tussen hemel en aarde en bewoog zijn denken tussen ‘boven en onder’. Er was een ‘godsverlichting’ die alle onduidelijkheid uitwiste en de schaduwen des levens zin gaf en ‘oploste’ in een wereld van harmonie, heilseconomie en zaligmakende voorbestemming. Scheen het licht te fel en stak het, oogverblindend, de ogen uit? Of begreep de toenmalige mens dat te veel licht de sterren verduistert? En sterren zijn belangrijker dan goden, want de moderne kosmologie, niet de theologie, leert dat als een mens zich bukt en een bloem plukt, hij naar de sterren grijpt. Alles is immers uit sterrenstof gemaakt. In de 20ste eeuw zijn veel vaste zekerheden ont-ankerd en veel overtuigingen zijn gaan zwalpen. Dit gebeurde uiteraard ook reeds in de periode van de Verlichting en de triomftijd van het rationalisme. Mensen hebben immers steeds twijfelend nagedacht en nadenkend getwijfeld, daardoor bewijzend dat ze bestonden. Maar toen bleef de contestatie van de gevestigde waarheid nog beperkt tot een elite. Thans is de onzekerheid gedemocratiseerd en gemediatiseerd en heeft ieder burger, gehuisvest in de kennismaatschappij, recht op zijn zeer persoonlijke twijfels en meningen.

    Aan het begin van de 21ste eeuw blijkt derhalve dat veel gekanteld is, ofschoon dit kantelen niet pas gisteren werd ingezet, maar eergisteren al werkzaam was. Al wat de mens in het verleden over ‘onder’ wist, kwam van ‘boven’. Wat hij vandaag nog over ‘boven’ wenst te weten, komt van ‘beneden’, een onderscheid dat  verdampt in de nevelen van veel spoorbijstere ongewisheid en de onzekerheid over elke onzekerheid. De kennisverwerving over wat zich beneden afspeelt, is trouwens belangrijk en ingewikkeld genoeg om er zich voltijds aan te wijden. Wat voor de meeste mensen levensbeschouwelijk telt, is het verschil tussen rechts en links, en wat maatschappelijk ijkt, is de voorkeur voor vooruit of achteruit, of beide tegelijkertijd, ge�nt op een beweeglijke polarisatie tussen conservatief en progressief. Daarbij menen poreuze nieuwlichters dat het volstaat het woord ‘conservatief’ met een ‘k’ te schrijven -- in de oude spelling -- om progressief te zijn. De inmiddels ingetreden ‘godsverduistering’ werpt een lichtgevende schaduw af die de hedendaagse mens toelaat zich vrijer, onafhankelijker en meer baas te voelen in eigen brein en geweten.

    Wat ik over dit alles te zeggen heb, is zeer subjectief gekleurd. En wat ik schrijvend wil zeggen, doe ik in eerste instantie voor mezelf en zeg ik tegen mezelf, omdat ik het niet laten kan. Al wat we doen en denken, is trouwens subjectief, want het draagt het imprimatur van ons hoogsteigen DNA. Als een schilder een banaan schildert, een ontwortelde boom zonder bladeren of een ontketende zee, schildert hij desalniettemin een zelfportret. ‘Je est un autre’, schreef Arthur Rimbaud. Dit was een wanhoopskreet, want je kunt van jezelf geen afstand nemen, laat staan afstand doen, zeker niet als je poogt na te denken, niet over het ‘hoe’, maar over het ‘waarom’, niet over de oorzaak, maar over het doel en de bestemming van wat ‘menselijk’ leven inhoudt in deze onze nieuwste tijd. Is het zinvol de ‘allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie’ mede te delen aan anderen -- c.q. aan lezers -- die daaraan geen bewegwijzerende boodschap hebben? Wellicht ondergingen zij soortgelijke ervaringen, tornen zij op tegen vergelijkbare problemen, maar formuleren zij andere vragen, komen zij tot totaal verschillende conclusies en weten zij evenmin blijf met het uitblijven van afdoende antwoorden. In de beste hypothese worstelen ook zij met de dubbelzinnige meerzinnigheid van de ondanks alles moeizaam bijeengeschraapte antwoorden.

    De schroom van de auteur wordt plankenkoorts en drempelvrees als hij beseft dat hij zichzelf te kijk zet, zodra hij het heeft, niet over wat hij weet, maar over wat zijn geloofshoop is omtrent leven en sterven, hemel en aarde, omtrent God en goden, Jezus Christus en Siddharta Boeddha, omtrent lijden en kwaad, de beproeving van veel feiten en de genade van het geloven in de hoop. Hij voelt zich een exhibitionist en rekent er wellicht onderbewust op dat de lezers zich als nieuwsgierige voyeurs zullen weten te gedragen.

    Geschriften en woorden van mensen dienen bovendien vaak om aan het fundamentele te ontsnappen, want dit ligt in de diepte en heeft een grote zuigkracht. En het is steeds verademend op te stijgen naar de oppervlakte van de bijkomstigheid en de dagelijksheid, die overigens ook eerbiedwaardig en niet zelden zorgelijk zijn. Aan de oppervlakte doen zich de schuimende evidenties voor met grote vanzelfsprekendheid, de trivialiteiten over mensen en muizen en muizenissen, geuit met gespierde overtuigingskracht. Vaak dienen zogenaamde evidenties, onderbouwd met bewijsvoeringen en gestut door cijfers en statistieken allerhande, om de essentie verborgen te houden. Als iemand beweert: ‘Het is evident dat ...’, wees er dan van verzekerd dat de kern van de zaak zal worden verdoezeld en toegedekt met het drijfzand van wat voor de hand ligt. Deze tijd is er een van proclamaties, declaraties, insinuaties, speculaties en beweringen die doorgaan voor waarheden. Geruchten vervangen berichten. Er worden veel meer uitroeptekens geplant dan bomen (ondanks de inspanningen van de overheid wat het laatste betreft!). Op langdurige en verhitte vergaderingen en bijeenkomsten zou er steeds een onverlaat aanwezig dienen te zijn die, gezeten op de achterste rij, na uren van discussie zijn hand opsteekt en uitroept: ‘Maar mijnheer de voorzitter, wat was ook weer de vraag?’

    Het stellen van vragen over het essenti�le, over het Shakespeariaanse ‘To be or not to be’, over het ‘Moeder, waarom leven wij?’, betekent nog niet dat we antwoorden krijgen of te verwachten hebben. Het is het soms gruwelijke privilege van de mens vragend na te denkend, ook als blijkt dat er geen antwoord komt en hij geen antwoord te goed heeft. Dan dient echter met de moed der wanhoop een nieuwe vraag aan de orde gesteld, namelijk waarom er vragen zijn waarop nooit antwoorden komen en of dit zinvol is? Deze vraag van de tweede orde is nieuw voer voor intellectuelen. De moderne intellectueel is niet goed in gelukkig-zijn. Maar hij is wel verslaafd aan denken en vragen bedenken. Heeft hij niet de ambitie een nieuwe tak te worden aan de evolutieboom van het menselijk ras: die van de homo interrogans, waarvan evenwel nog geen fossielen zijn ontdekt? Toch moet ook door intellectuelen gestreden worden tegen betweterigheid en moet intellectuele bescheidenheid met volharding worden volgehouden als het erop aankomt waarheidsvragen te stellen. In het besef dat de mensen in het heelal leven zoals de vogels op een telefoondraad: die beseffen ook niet wat er door de draad gaat. Het kennen van de hubris beschermt tegen de hubris van het kennen. Dit wist reeds Socrates.

    Wellicht kan troost worden geboden door volgende soort waarheid: het is omdat het ‘zijn’ van mens en wereld zijn geheim aan ons nooit echt prijsgeeft, dat het zijn diepe waarheid openbaart. Het gaat om een waarheid die niet te verklaren en evenmin te begrijpen valt. Hoogstens is die Waarheid met hoofdletter W te grijpen, met het pathetische gebaar van de drenkeling. De Waarheid overstijgt immers de menselijke rede. In die zin is ze onredelijk. Ze is slechts aanbiddelijk. De mens is een deel van de Waarheid. Niet omgekeerd. Maar hij is aan haar deelachtig. De zijnswaarheid is zijnsmysterie. De Waarheid is een transcendente immanentie, die zich van buitenaf in de binnenste kern der dingen nestelt en vanuit de kern de buitenste rand der dingen overstijgt. De waarheid is geen natuurverschijnsel en ontsnapt, zoals de schoonheid, aan wetenschappelijke observatie en verificatie. Wijsheidshalve evenwel wordt het bovenstaande onder het voorbehoud geplaatst dat niets wellicht helemaal waar is, ook deze laatste uitspraak niet.

    Het geloof begint met het twijfelen aan eigen twijfels. Zou dan geloof kunnen worden gehecht aan deze onzekerheid: de mens geeft slechts zin aan zijn mens-zijn voor zover hij de zin zoekt van zijn mens-zijn? Een niet-zinzoekende mens is een onmens, weliswaar met de verzachtende omstandigheid dat hij dit meestal niet beseft. Stel dat dit waar is -- ‘Il n’y a pas de v�rit� sans point de vue’, schreef Merleau-Ponty -- dan gaat het om een waarheid die van alle tijden is, maar die een onbarmhartige hardheid vertoont in de huidige tijd, die een tijd is van verbluffende, duizelingwekkende menselijke scheppingskracht. De vraag naar de zin en de waarde van het nieuwe wordt nu juist levensbelangrijk, for better and for worse, op leven en dood. Veel mensen, waaronder veel economen, kennen de prijs van alles en de waarde van niets. De mens -- een abstract begrip dat staat voor een relatief beperkt aantal wetenschapslui en innoverende techneuten -- stelt een nieuw spectaculair Genesisverhaal samen. Genesis II wordt gepubliceerd, een nieuw bijbelboek, dagelijks bijgewerkt en herschreven, verspreid en in afleveringen te lezen in de krant van het werelddorp, dat global village. Die krant, 'De Laatste Kennis', uitgegeven door het internet, kondigt de schepping aan van een nieuw mens- en wereldbeeld, voorbode van een nieuwe mens en een nieuwe wereld, niet ‘geboren uit zonnegloren en een zucht van de ziedende zee’, maar uit creatieve destructie en destructieve creatie, die elkaar wederzijds ondersteunen in een ��n-wordende planeet, waar alles alles en iedereen be�nvloedt. En veel sneller en feller dan we denken. Zo meldde de krant dat naargelang de president van de Amerikaanse Federal Reserve zijn linker- of rechterwenkbrauw fronst, hij of een wereldwijde financi�le crisis of een ongehoorde beursboom verwekt. En het is al langer bekend hoe een iets te felle intellectuele vlindervleugelslag in de Dijlevallei een sneeuwlawine kan verwekken in het Himalayagebergte van de gevestigde leer ...


    Het is zonneklaar dat we in deze nieuwe eeuw leven in een tijdsgewricht van kolossale veranderingen en ongekende omwentelingen, die niet alleen ons dagelijks leven, ons welzijn en onwelzijn, ons denken en doen be�nvloeden, maar ook een andere mens- en wereldvisie boetseren. Omdat de mens en zijn wereld ook fundamenteel aan verandering zijn blootgesteld en onderworpen. Hoe deze veranderingen omzetten in echte menselijke vooruitgang? Dit is de wezenlijke politieke en maatschappelijke hamvraag en een halszaak voor het voortbestaan van de beschaving. Het stellen van deze vraag is benard en onprettig, omdat ze ons verplicht na te denken over wat menselijke vooruitgang is, over wat de mens is en hoort te zijn, over zijn korte leven en zijn eeuwige dood, over vragen die verwijzen naar ‘zijn’ en ‘zin’ en over de procedurele vraag wie gemachtigd is deze vragen te stellen in onze pluralistische samenleving. Er is zo weinig tijd voor een vragenuurtje over het essenti�le, gegeven de maatschappelijke drukte en het gedrang der scharen. Wij, lezers en schrijver dezes, hebben immers geen tijd. Het is de tijd die ons in zijn macht heeft, ook al zijn we ‘chronofagen’, mateloze tijdverslinders. Vroeger behoorden we tot een godvrezend volk, thans zijn we leden van een tijdvrezende bevolking ... Soms hapert de tijd, maar niet zoals een vliegtuigmotor die sputtert. Die blijft supersonisch doordraaien. Het zijn de veranderingen die sprongsgewijs verlopen en de tijd doen horten. Wat niet belet dat de geschiedenis hijgt en we haar als in een melopee horen snakken, haar hete adem in onze nekken. Wat ons rest, is de geschiedenis achterna te lopen, helemaal buiten adem, wetend dat de tijdrit onbegonnen werk is en we te laat zullen toekomen op de eindmeet, voor zover er een eindmeet is.

    Er wordt immers veelal getwijfeld aan de mogelijkheid om al die veranderingen om te zetten in menselijke vooruitgang. Het is geweten dat we door de poort van de verandering moeten transiteren, soms zoals de bijbelse kameel door het oog van de naald. Het gaat daarenboven om een poort die we van binnen uit open moeten maken, op onze eigen verantwoordelijkheid en rillend van ons koude zweet, verergerd door de ons zo eigen koudwatervrees. Wij zijn immers allen voorstanders van vooruitgang, maar we hebben de pest aan verandering. De burger van de 21ste eeuw is graag een pessimist, die graag leeft in de slechtste van alle mogelijke werelden, ofschoon hij het op het Europese schiereiland nog nooit zo goed heeft gehad. Het kan en mag niet goed gaan. De media hebben het goede nieuws definitief weggecensureerd en verboden. ‘Apocalypse now’ verkoopt. Er lopen nog slechts een paar zonderlinge optimisten rond in de exotische plantentuin van de samenleving. Pessimisten verklaren echter met groot gezag dat optimisten vermomde pessimisten zijn die niet beseffen hoe slecht het wel gaat, omdat ze slecht ge�nformeerd zijn. Sombere geestdrijvers en apocalyptici zien in een nachtmerrie de toekomst verschijnen als een grote wurgslang, een boa constrictor. Die legt een ei dat er op het eerste gezicht mooi en aantrekkelijk uitziet. Hoop op een nieuwe toekomst. Maar door het witte en tedere vlies ontwaart de beklemde mens van vandaag het nog zachte bewegen van het groeiende reptiel.


    Dit boek is geschreven door een Europeaan met een verleden, die veel heeft zien gebeuren en veel heeft weten geschieden met de geschiedenis. Die aldus nare jeugdherinneringen heeft overgehouden aan de eerste weken van de Tweede Wereldoorlog, toen hij met zijn ouders, opgejaagd door de nazi-invallers, rondzwierf op Frankrijks overbevolkte wegen, onder de bommen van Duitse stuka’s. Maar die met dankbaarheid terugdenkt aan die Franse gezinnen die de vluchtelingen van toen menselijk hebben onthaald. Een les van medemenselijkheid en een voorbeeld die schril afsteken tegen de eigen-volk-eerstmentaliteit van vandaag. Dit boek is geschreven door iemand die als knaap had gehoord van de oorlogsverschrikkingen, de gaskamers van de holocaust, de vuurstormen in Dresden en Hamburg, de asvlakten van Hiroshima en Nagasaki. En die nog steeds in zijn binnenoor de echo meedraagt van het gieren van de V1- en de V2-bommen. Maar die na de oorlog, reeds tijdens de eerste kille winters van wederopbouw, vurig de wederopstanding heeft mogen beleven van het Europese ideaal en zijn wonderbaarlijke, vredestichtende verwezenlijking, ook al ging en gaat het nog vandaag met horten en stoten. Maar wie toen niet geloofde in mirakels, bleek geen realist te zijn.

    De bladzijden die volgen, zijn ook het geschrift van iemand die vijfenveertig jaar lang de koude oorlog heeft meegemaakt en die achteraf beschouwd de indruk heeft dat hij aan een nucleaire near-death-experience is ontsnapt. Want gedurende al die tijd, haast elke avond, turend in de duisternis van de slaapkamer vooraleer in te dutten, vroeg hij zich af of en zoja wanneer de thermonucleaire paddestoel van het laatste Oordeel zou neerdalen over de mensheid en haar mensen, en het menselijke avontuur zou worden afgeblazen.

    Dit boek is geschreven door een bevoorrechte en ge�ngageerde universitaire waarnemer van het reilen en zeilen van een maatschappij die, gestort in de zilveren jaren vijftig en de golden sixties, haar welvaart weergaloos zag toenemen en daarover niet verwonderd was. Dit boek werd bijeengetikt op het computerklavier door een politicus die jarenlang het bestuur van de polis met trial and error heeft mogen meemaken en, mede wegens familiale omstandigheden, meer dan een halve eeuw de politiek van binnen uit heeft kunnen beschouwen en beleven, en erover verwonderd was -- en is -- hoe in de politiek hoogspanning heerst tussen de ethiek van de overtuiging en de ethiek van de verantwoordelijkheid. Tenslotte werd dit boek gepleegd -- wellicht voor sommigen als een misdrijf -- door een christen die gepoogd heeft christen te zijn his own way, die de vragen die in deze pagina’s aan bod komen, tientallen jaren voor zich uit heeft gewenteld, en die vaak getroffen werd door de waardevolheid en de waardigheid van het christendom en de waardeloosheid en de onwaardigheid van vele christenen, daarbij zelf in de spiegel kijkend.

    Al die gedaanteverwisselingen en de buitenkans om veel meer levens te leven dan hier werden opgesomd, hebben de schrijver van dit boek ��n grote wijsheid bijgebracht: mensen en dingen zijn verbeterbaar, ondanks het falen bijwijlen van elkeen, van hen, van ons, van mij en jou en van de anderen, soms v��r de haan eenmaal heeft gekraaid. Want opstanding door de mens is steeds opnieuw mogelijk, ook omdat mensen mensen over de generaties opvolgen in de lange stoet van geschiedenis en evolutie. De mens is immers niet alleen een nadenkende rietstengel, maar ook een onkruid dat niet vergaat, omdat hij niet w�l vergaan.

    Dit boek werd aldus geschreven op de gelittekende huid van de 20ste eeuw, die reeds tot perkament is geworden, want die eeuw is onomkeerbaar voorbij, oud en out. Morgen is vandaag immers al gisteren. Het verleden is evenwel de proloog van het heden. De omwentelingen van nu werden gisteren reeds voortgewenteld. De voorbije eeuw was de smartelijkste eeuw aller eeuwen, zeker tijdens haar eerste helft. Zij liet een smaak na van as en een walm van verschroeide aarde. En de kruisigende herinnering aan tientallen miljoenen doden. Maar naar haar einde toe lichtte de hoop weer op in het Avondland. Laat ons van het verleden niet de as nemen, wel het vuur. We moeten bereid zijn het vuur te slepen uit de brand en het licht te behoeden voor oogverblinding. Tijdens de beginnende 21ste eeuw.


    Tijdens deze 21ste eeuw zal de mens meer wijzigen aan alle aspecten van zijn bestaan dan tijdens de drie � vier miljoen jaren die hij reeds op de planeet heeft doorgebracht. De vraag is of hij beseffen zal dat zijn menswording niet af is en dat hij de verantwoordelijkheid verworven heeft om zijn evolutie voortaan zelf te sturen. Wat is er menselijk aan de mens van de nieuwste tijd? Een vraag, te vervolledigen met de vraag wat die vraag naar menselijkheid betekent, nu blijkt dat de wenselijkheid van meer menselijkheid groter is dan ooit voor de mens die zich bevindt in het oog van de veranderingsorkaan.

    Wat gebeurt er met de menselijkheid van een mens die soms op zijn ziel wordt getrapt, wiens waardigheid wordt vergald, wiens laatste hoop wordt ontworteld zoals een verzworen kies die zonder verdoving uit wordt gerukt? Zal dan zijn zweet niet veranderen in tranen? En zijn onbezorgde neuri�n in tandengeknars? En is het dan verwonderlijk dat het doortrapte werelddorp meer lichamen telt dan zielen?

    Toch is onmenselijkheid geen natuurramp. Onmenselijkheid is menselijk en kan derhalve door mensen worden gekeerd dankzij verbetering, bekering van mensen door mensen, dankzij het stichten van goedheid, van waarheid en van schoonheid. Hierin schuilt de hoop op en het geloof in de mogelijkheid van herstel en wederopbouw, van opstanding en verrijzenis.

    De mens van vandaag -- voor zover hij wat verder kijkt dan zijn neus lang is -- beseft dat er een bron is en een horizon, die beide kunnen beantwoorden aan zijn verlangen naar verbondenheid en vervulling. Zo wordt de zwaartekracht van de dingen verheven tot de genade van het licht.

    De mens is geen teerling, lukraak geworpen op het tapijt van tijd en ruimte, aldus troost hij zich. Ook al heeft hij vaak wel de indruk een dobbelsteen te zijn, door blinde krachten gegooid in het rad der onfortuinlijkheid. De grote luchtballon, transcendentie genaamd, is immers lek geslagen -- volgens sommigen werd hij neergeschoten -- en is geheel verfrommeld uit de hemel neergestort. Veel mensen zijn geboren onder een gunstig gesternte, maar zij kijken niet langer naar de hemel. Er was een tijd dat zij geloofden dat de kusten van de aarde raakten aan de oevers van de hemel. Een vreemdsoortige geografie! Maar de hemel is sedert een paar decennia in duisternis gehuld en zijn Eigenaar is volgens de enen verhuisd, volgens de anderen gestorven. Hoe te leven in een tijd van godsverduistering? En hoe te sterven? Want het ene gaat niet zonder het andere. Niets is zo verknocht aan het leven als de dood.

    De mens weet inmiddels immers dat je van leven doodgaat, want het leven is een dodelijke ziekte. Ofschoon hij aanvoelt dat hij niet geboren is voor de dood. De tragiek van de dood ligt in zijn onomkeerbare belangrijkheid. De dood verandert het leven in een lot voor de gelatenen, in een noodlot voor de zwartgalligen, in een bestemming voor de gelovigen. De dood die, volgens Sartre, de menselijke persoon, onderwerp van alles, herleidt tot een koud voorwerp van niets. Dit kwellende gevoel maakt hem misselijk, ook al is een dode mens een voorwerp dat niet meer lijdend is … Dat leven dodelijk is, ervaart hij als een levende ongerijmdheid, wat hem met een delirium existentiale vervult. Hij moet dus sneller leven, want het leven duurt maar even. In premoderne tijden werd het eeuwige leven aangeprezen en zelfs beloofd en aangekondigd. De mens was toen niet onsterfelijk maar wel eeuwig. Maar in het postmoderne tijdperk van nu is hij sterfelijk, eindig en afbreekbaar want een natuurproduct. Hij beleeft daarenboven het einde van de geschiedenis, het einde van de grote verhalen en van de mooie verhalen, inclusief dat over de hemel. En als je niet datgene kunt hebben waarvan je houdt, moet je leren houden van wat je hebt. Het eigen leven is dus de grootste schat, waaraan alles ondergeschikt dient gemaakt en waarvoor alles moet wijken.

    Alle mensen leiden hun leven op hun manier. Sommigen lijden aan het leven. Slechts weinigen zien het leven als een gave en een opgave, waarvan de bestemming het leven zelf overstijgt. Voor velen blijft de dood te absurd om waar te zijn. Het leven derhalve ook, en toch moet het geleefd worden for better and for worse. ‘Life is made up of marble and of mud’, schreef Nathaniel Hawthorne. Voor zeldzamen is de dood de enige echte belevenis, als ze de hoop koesteren dat ze op een of andere wijze, in God weet welke dimensie, hoe dan ook zullen participeren aan de fundamentele kwaliteit van het ‘zijn’, zelfs als het bestaan heeft opgehouden. Voor de meest gevoelige ziel tenslotte is het verlies van het eigen leven niets, vergeleken bij het verlies van het leven van de andere, de andere geliefde. Uiteindelijk is het enkel de dood van die andere die bestaat. ‘Mijn eigen dood bestaat niet’, troost hij zich. ‘Mijn eigen lijfelijke dood kom ik nooit tegen; hij komt mij tegen, maar dan is het voor mezelf al te laat. Wel ga ik geestelijk dood als er met jou, die ik bemin, met jouw lichaam wat gebeurt. Jouw dood heeft geen ander lichaam dan het mijne. Eros et thanatos. Enkel de dood van de andere bestaat. Leed gaat voorbij, maar geleden hebben blijft.’

    De dood wordt vaak verdrongen. De stervende overlijdt ontheemd achter een wit ziekenhuisscherm, een soort schaamlap, in het geroezemoes van andere zaalpati�nten, die liever niet denken aan wat in de hoek van het vertrek te gebeuren staat. Ofschoon aan het begin van de nieuwe eeuw de belangstelling voor palliatieve zorg en stervensbegeleiding een bijzonder positieve opleving is van de vermenselijking van de dood. In afwachting van de vermenselijking van het leven.

    Ooit schreef Johann Wolfgang von Goethe in een van zijn meest aangrijpende en diepzinnige verzen:

    Und so lang du das nicht hast,

    Dieses: Stirb und werde!

    Bist du nur ein tr�ber Gast

    Auf der dunklen Erde.

     

        Zolang je dit niet hebt begrepen:
        dat je moet sterven om te worden,
        ben je slechts een trieste gast
        op deze donkere aarde.

    Hopelijk begrijpt de mens van de 21ste eeuw dat er ook leven is v��r de dood en dat hij vooral moet leven om te worden, om meer mens te worden in het ‘hiernumaals’, omdat de vermenselijking van de mens niet voltooid is. Verder in dit boek wordt betoogd dat slechts drie gebeurtenissen essentieel zijn voor de aardse mensheid: de ‘vitalisatie’ van de anorganische stof (het begin van het leven); de ‘hominisatie’ van het dierlijke leven (het ontstaan van de mens) en de finaliteit van dit proces: de ‘divinisatie’ van de goede mens, als sluitstuk van een soort hyperexistenti�le evolutie. Wellicht wordt de mens verraden als hem niet meer dan de mens wordt geboden, omdat hij geroepen is, met alle anderen van goede wil, zichzelf te overstijgen. Inmiddels is meer menselijkheid meer dan ooit noodzakelijk, al dient er een prijs voor betaald. Dankzij deze overtuiging en dit geloof is de mens, net over de drempel van de nieuwe eeuw, niet langer een treurige gast op een duistere planeet, maar een medeschepper van een wereld van hoop.

    * * *

    Toen de primitieve mens in wording rechtop ging lopen, ergens in de Afrikaanse Olduvaivallei, ten minste drie miljoen jaar geleden, keek hij van de aarde op naar de hemel. Met zijn blik speurde hij van het ondermaanse naar het bovenaardse. Hij kreeg een andere kijk op de wereld, nu hij met zijn hoofd uitsteeg boven de savanne. Sedert die oertijd is de verticale dimensie in het denkraam van de mens binnengetreden. Een denkraam, een baken, een stapsteen voor elk verder denken van de mens over de mens en de wereld waarin hij zich geworpen voelt. Een aanknopingspunt ook voor existenti�le vragen en essenti�le antwoorden, vandaag door wetenschapsfilosofen ‘paradigma’ genoemd. Het paradigma van de verticaliteit werd en was een referentie voor de mens, sedert miljoenen jaren, telkens als hij poogde een mensbeeld en een wereldbeeld te boetseren. De goden woonden ‘boven’, in of achter het firmament, en toonden hun macht als ze de sterren in beweging brachten en hun slecht humeur als ze de bliksem lieten neerslaan. Hun goed humeur lieten ze blijken als ze de regens deden gutsen over de dorre velden of de winden gunstig lieten blazen in de zeilen van de schepen. De piramiden van de Egyptenaren, de ziggurats van de Sumeri�rs, de altaartempels van de Maya’s, de pagodes van de oosterse godsdiensten en de kathedralen van de christenen, met hun hoge torens en ranke spitsbogen, wijzen naar de hemel. Verticaliteit werd -- vooral onderbewust -- het richtsnoer voor het bovennatuurlijke en het transcendente, voor religie en mystiek, voor macht en hi�rarchie, voor opvattingen over recht en ethiek met geopenbaarde geboden en verboden, voor structuren en instellingen, voor autoritair denken en doen in maatschappij, politiek en onderneming en zelfs in het gezin. Mozes is de tien geboden, door God geopenbaard en in stenen tafelen gebeiteld, gaan halen op de top van de Sina�berg. De Griekse goden woonden op de Olympos. Het goede bevindt zich ‘boven’ en met name in de hemel en het paradijs. Het slechte daarentegen bevindt zich ‘onder’, in de onderwereld, zoals de hel. Het is geen toeval dat farao’s, keizers en koningen hoog op tronen werden verheven en triomferende generaals op het schild werden gehesen. Standbeelden van volkshelden reikten uit boven de massa. De absolute vorsten van het Ancien R�gime putten hun macht uit ‘le droit divin’, door de hemel neergestraald. Kerkleiders beweerden het monopolie van de waarheid te bezitten. Pausen werden op het Sint-Pietersplein hoog boven de schare van gelovigen rondgedragen in de sedes gestatoria, van waarop zij eeuwige waarheden verkondigden. Het grote gelijk van de enen en de anderen leidde tot conflicten en oorlogen zonder einde. Veel mensen hadden evenwel een sterk houvast aan een wereld waarin waarheid vanuit ‘den hoge’ was geopenbaard en wereldlijk gezag en sociale ordening een verlengstuk waren van goddelijke beschikking. Het paradigma van de verticaliteit maakte van ‘boven’ ook een ontsnappingsroute, de ladder van Jacob naar de wolken, de ‘hemelvaart’, het beeld van de verheffing en de verlossing. Verticaliteit betekent ook de noodzaak om de zwaartekracht te overwinnen, de natuur te temmen, uit te stijgen boven de alledaagsheid en de banaliteit. Zij roept op tot verheffing, opbouw, idealisme.

    De organisatie van de Staat, de onderneming, de universiteit, de vakbond, de kerken … vertoonde en vertoont nog hi�rarchische bestuurslagen top-down. De boven-onder/hoog-laag-tegenstelling is maatschappelijk veel ouder dan de rechts-links-antinomie, die slechts teruggaat tot de Franse Revolutie. Uiteraard is de politieke geschiedenis van ongeveer alle volkeren sedert mensenheugenis gekenmerkt door interne en externe conflicten, de strijd om de macht en ook pogingen om machtsmisbruik te temperen. Reeds in het Oude Testament treden de profeten vaak op als de criticasters van de willekeur van de koningen. De democratische beweging en de sociale en culturele ontvoogding in wat men thans de westerse wereld noemt, hebben geleidelijk aan de absolute macht van vorsers, heersers en autocratische regeringsvormen afgebouwd en de uitoefening van het bestuur over de polis onderworpen aan de electorale uitspraken van het soevereine volk en aan democratische controle. Maar de gezagsstructuren van en in de instellingen in deze democratie�n zijn steeds in grote mate verticaal gebleven. Democratische hi�rarchie�n hielden stand en wellicht was dit overigens de enige methode om het bestuur van de civitas effici�nt te laten verlopen.

    Daarin komt nu echter grote verandering, ingevolge de informatie- en communicatie- revolutie of ICR. De ICR is destructurerend, antihi�rarchiserend en antiautoritair, zoals verder in dit boek zal worden aangetoond. Het informatienetwerk, dat de wereld overwoekert, groeit spontaan, haast organisch, en is dus niet het gevolg van een of andere wetgeving of decreet van boven af opgelegd, laat staan van een beslissing van de VN-veiligheidsraad. De kennismaatschappij maakt de burger, die van haar voordelen volop kan genieten, veel zelfstandiger en leidt hem op tot vormen van persoonlijk zelfbestuur of self management in talrijke domeinen. Ook neemt de zogenaamde civil society de fakkel over van de overheidsinstellingen en -structuren. Er ontstaat een soort privatisering van staatsfuncties, die zelf door de mondialisering van de markteconomie nog eens worden uitgehold. De wereldwijde markteconomie lijkt, als een tweelingzus, het globale netwerk te begeleiden, want ook de markt is een verschijnsel van spontane generatie en het ge�igende vehikel om vandaag de ruil van informatie op grote schaal te organiseren.

    Een nieuwe gemeenschap groeit, grensoverschrijdend, aanvankelijk beperkt tot een elite voor wie de wereld inderdaad ‘ons dorp’ is geworden. Het is een wereld met nog slechts weinig verticaliteit, vol contacten en contracten, veel samenwerking, confrontatie van idee�n en dus ook van relativering van standpunten. Het hij-gevoel van de machtsstructuren wordt vervangen door het vrije wij-gevoel van de samenhorigheid, gestoeld op autonome besluitvorming. ‘Wat we zelf beslissen samen te doen, doen we beter.’ Het postmoderne scepticisme tempert de opwaartse stuwing van grote idealen en wereldhervormende doctrines. Deze evolutie doorbreekt de traditioneel geworden ideologie�n van de 20ste en de 19de eeuw, rekent af met de nationale soevereiniteit en met instellingen die onvoldoende transparant en democratisch zijn. Het spreekt vanzelf dat een dergelijke gang van zaken op heel wat gebieden een crisis van de bestaande organisaties, instituten en instellingen verwekt, die grote problemen krijgen met hun eigen geloofwaardigheid in een samenleving, die anders gaat denken en leven.

    Men kan dus gerust stellen dat het aloude paradigma van de verticaliteit in versneld tempo wordt neergehaald en vervangen door een paradigma van horizontaliteit. Deze paradigmawissel verzwakt uiteraard het theocratische wereldbeeld dat in veel beschavingen, gekenmerkt door het monothe�sme, zijn invloed heeft laten gelden. Een meer horizontaliserende wereldbeschouwing mondt uit in een maatschappijbeeld dat kleeft op een condition humaine die zich, bewust of onbewust, steeds meer afspeelt binnen het werelddorp. De global village is een wereldwijde leefgemeenschap die zich vooral mentaal in- en uitleeft in een wereld van grensverlegging en ont-grenzing. Het gaat om een wereld waarvan de horizon steeds sneller wijkt, omdat, onder invloed van de wervelwind van wetenschappelijke ontdekkingen en technologische innovaties, alsmaar door grondiger veranderingen optreden in ongeveer alle aspecten van het menselijke bestaan. Een veel horizontaler wereldbeeld cre�ert een intellectueel landschap dat erg gelijkt op ‘Platland’, een benaming ontleend aan een van de meest originele boeken ooit geschreven. De auteur was een zekere Edwin Abbott, die in 1884 een werk publiceerde onder de titel Flatland. Hierin beschrijft hij een denkbeeldige wereld waarin de hoogtedimensie zou zijn verdwenen en menselijke wezens verplicht zouden worden te leven in een omgeving die enkel zou bestaan uit lengte en breedte. Het woord ‘Platland’ hoeft niet meteen een pejoratieve betekenis te krijgen. Het verwijst niet noodzakelijk naar verregaand materialisme of culturele, intellectuele of morele vervlakking. Ik ben er niet van overtuigd dat de hedendaagse wereld veel materialistischer zou zijn dan in het verleden, toen de mens moest zorgen voor zijn dagelijkse overleving. Wel zijn de materi�le mogelijkheden waarover de mens beschikt in termen van welvaart en koopkracht kolossaal toegenomen, althans in de geavanceerde welvaartsstaten, zodat hij veel meer kan realiseren, onder meer op cultureel gebied, maar ook veel meer te verliezen heeft dan toen hij -- net als de meeste van zijn soortgenoten -- een dompelaar was in de 19de eeuw. In de ontwikkelingslanden evenwel, waar dagelijks door honderden miljoenen mensen wordt gestreden tegen honger, dorst en ziekte, is het ‘materialisme van de overleving’ dagelijkse kost. Platland is nochtans voor niemand verwijtend maar voor allen waarschuwend! De benaming van dit wat vreemde land onderstreept enkel hoezeer in de hedendaagse maatschappij de belangstelling voor het aardse, voor het ‘hiernumaals’, voor de dagelijkse belangen van de bewoners van het werelddorp, voor hun culturele belangstelling en spirituele noden dringend primeert. De hedendaagse westerling beseft bovendien dat in het verleden misbruik is gemaakt van de beloningsethiek -- braaf zijn om in de hemel te geraken -- waardoor de aandacht werd afgewend van de schrijnende noodzaak de onherbergzame aarde te veranderen in een betere wereld.

    De Franse filosoof en paleontoloog P. Teilhard de Chardin voorspelde reeds een halve eeuw terug het ontstaan van een wereldomspannende sfeer van informatie en kennis, door hem ‘no�ssfeer’ genaamd. Dit fenomeen is thans in niet-aflatende opmars. Daardoor ontstaat een andere existenti�le situatie die ook de diepste overtuigingen van de mens en met name zijn levensbeschouwing, zijn kijk op de wereld en op zijn omgeving, zijn opvattingen over zijn medemensen en de inhoud van zijn geloof omvormt. Enigszins ironisch kan men stellen dat de wereld zo vlak en de samenleving zo plat zijn geworden omdat de vorige generaties een geloof hebben gehad dat bergen heeft verzet. Maar die bergen zijn geslecht, ook omdat ze hinderlijk en daardoor niet langer nodig werden geacht. Het terrein wordt schoongeveegd voor de bouw van een nieuwe maatschappij, zelfs zonder aflevering van een bodemattest …

    Het is derhalve niet de bedoeling met termen als ‘horizontalisering’ en ‘Platland’ een per se ongunstig licht te werpen op de huidige maatschappelijke evolutie van de westerse samenleving, als zou blijken dat hoop voor velen kan gedijen in een door veelvuldige veranderingen omgewoeld vlak landschap, waarin veel is afgebroken maar ook veel bouwwerven zijn geopend. Het toespitsen van de aandacht op de aardse horizon, op de gemeenschap van de mensen, in het kielzog van nieuwe technologie�n en haast onbeperkte mogelijkheden, opent voor de mens het perspectief van een veel effici�nter samenwerking en generositeit. Op termijn groeit de mogelijkheid van de oplosbaarheid van een aantal tragische problemen in de wereld van morgen, als daar zijn: ondervoeding, onderontwikkeling, energieschaarste, dodelijke ziekten, analfabetisme, taal- en culturele barri�res, onderdrukking en geweld. De Verenigde Naties hebben aangekondigd dat ze tegen het volgende decennium de armoede in de wereld willen halveren. Alvast is niemand openlijk gekant tegen de wenselijkheid van meer menselijkheid. Ook al ligt de huidige maatschappij in Platland, het gaat om een land waarvan de horizon wijkt en waarin, samen met talrijke uitdagingen, ook enorme kansen worden geboden. Hierbij worden vandaag de dag heel wat risico’s genomen, maar wie geen risico’s neemt maakt ook geen kans.

    Met dit boek belijdt de auteur zijn geloof in de verbeterbaarheid van mensen en dingen. Om die reden stel ik graag dat Platland ook tot een ‘Platland van belofte’ kan worden omgevormd, wat verwijst naar de mogelijkheid om de nieuwe maatschappij-in-wording, ondanks verglijdingen, valkuilen, waarde-erosie, vervlakking en intellectuele droogte, om te turnen tot een samenleving die de moeite loont dat men erin en ervoor leeft. Dit veronderstelt evenwel dat fundamentele zijns- en zinsvragen niet uit de weg worden gegaan. Dat hoe-vragen ondergeschikt worden gemaakt aan waarom-vragen. En het is niet uit te sluiten dat bij het zoeken naar antwoorden de horizon van Platland steeds wijkt, om tenslotte uit te geven op een vergezicht dat toch weer noopt omhoog te kijken.

    De postindustri�le maatschappij, met haar maalstroom van wetenschappelijke en technologische ontdekkingen en uitvindingen, heeft een enorme invloed op het mens- en wereldbeeld van de ‘bewoner van de 21ste eeuw’. De hedendaagse mens in de westerse samenlevingen is steeds meer meester gaan worden over zijn eigen lot en toekomst, zelfs biogenetisch. De informatie- en communicatierevolutie, waardoor de planeet ��n groot werelddorp wordt, ontgrenst en ontregelt, verenigt en vervreemdt, fascineert en frustreert en spint een wereldwijd net van interindividuele intimiteit. De kennis wordt de belangrijkste productiefactor en de overheersende hefboom van maatschappelijke ontwikkeling. Nieuwe generaties van computers, met steeds hogere vermogens, volgen elkaar in versneld tempo op en steken bepaalde kundigheden van de menselijke geest naar de kroon. De miniaturisatie of ‘nanotechnologie’ opent onvermoede en nog onvoorstelbare toepassingsgebieden. De biogenetica en de ontcijfering van het menselijke genoom openen het toekomstbeeld van een spectaculaire verlenging van het menselijk leven en de genezing van talrijke ziekten, maar ook van een aantal mogelijke experimentele ontsporingen, die -- zoals het klonen van mensen -- torenhoge ethische vragen doen rijzen over de zin en de waarde van het menselijke bestaan. Biogenetische manipulatie, toegepast op planten en dieren, heeft verreikende gevolgen voor de bestrijding van honger en ondervoeding in de wereld. Atomen kunnen worden uit elkaar genomen en hun microdeeltjes herschikt, zodat totaal nieuwe materialen kunnen worden ontworpen, die zich ‘intelligent’ zullen weten te gedragen. Toepassingen van de quantumfysica zorgen ervoor dat de werkelijkheid de sciencefiction honderdvoudig overtreft en de totaal contra-intu�tieve aspecten van de ons omringende werkelijkheid worden onthuld. De duizelingwekkende ontdekkingen van de moderne kosmologie woelen de traditionele opvattingen over tijd en ruimte, begin en einde, schepping en oorzakelijkheid volledig om. Het heelal wordt een ‘veelal’, dat zich ontplooit in talrijke dimensies. Het zijnswonder wordt steeds groter, terwijl in onze zakelijke samenleving het aantal verwonderden blijkbaar afneemt.

    Veranderingen alom overspoelen de hedendaagse mens. E�n constante kenmerkt de geschiedenis: de verandering. Veranderingsangst bekruipt de burger. De oude verhalen waaraan hij, meestal in zijn jeugd, geloof heeft gehecht, doen het niet meer, omdat zij steeds meer haaks komen te staan op het huidige, omwentelende en verbrokkelde wereldbeeld. De moderne mens ondergaat, soms met spijt in het hart, de onttovering van de hem vertrouwde maar thans mythisch aandoende visie op de wereld. En de hertovering van de wereld en de werkelijkheid, hem aangereikt door de hedendaagse wetenschap, lijkt zo surrealistisch dat ze hem met nog meer ongeloof vervult. Postmodern scepticisme doet hem twijfelen aan het primaat van rede en redelijkheid en dus aan de magie van wetenschap en de begeestering van grote idealen en e