Actueel
Opleiding
Levensschets
Academische activiteiten
Prijzen
Politieke activiteiten
Economische activiteiten
Culturele activiteiten
Auteur en publicist
|

E-mail: m.eyskens@skynet.be
***
Naar een
communautair pact
De huidige blokkering van de
regeringsonderhandelingen kan ook heilzaam zijn indien de publieke opinie
en de schrijvende pers steeds sterker zouden betogen dat het nu stilaan
welletjes wordt met de communautaire guerrilla. De welvaart van België is
zeer kwetsbaar en grote uitdagingen komen op ons af: de vergrijzing,
problemen van immigratie, de concurrentie van de emerging countries,
delocalisaties, het klimaat, de energieproblemen… en ga zo maar door.
Communautair gehakketak is bijzonder contraproductief.
Bij nieuwe regeringsonderhandelingen - die
in feite confederaal zijn - moet aan beide gemeenschappen worden
uitgelegd dat enerzijds het land nood heeft aan een definitieve
institutionele vormgeving maar dat het anderzijds, juist om dit te
bereiken, behoefte heeft aan een grondige staatshervorming. Een omvattend
communautair pakt moet worden voorgesteld waarbij de Franstaligen de
waarborg krijgen dat met deze institutionele modernisering van het land
ook een eindpunt is bereikt (bijvoorbeeld door in de toekomst een verdere
hervorming van de instellingen nog moeilijker te maken via
supergekwalificeerde meerderheden). De Vlamingen zouden dan in deze
context moeten kunnen bogen op een ruime herschikking van de huidige
bevoegdheidsverdeling tussen gewesten en gemeenschappen. Ook een oranje-
blauwe coalitie, die in haar regeerakkoord een geloofwaardig, omvattend en
pacifiërend communautair pakt zou inschrijven maar die niet over een
grondwettelijke tweederden meerderheid beschikt, zou heel wat druk kunnen
uitoefenen op de andere partijen in het parlement om hun medewerking te
verlenen aan een grondige sanering van de instellingen en het beëindigen
van de communautaire vijandelijkheden.
De bevoegdheidsherschikking moet evenwel
aan een aantal essentiële voorwaarden voldoen:
1/ Vooreerst moet de nieuwe
bevoegdheidsverdeling geschieden vanuit een exclusieve invalshoek: streven
naar meer efficiëntie om te komen tot beter bestuur. De huidige werking
van het federale België moet aan deskundige expertise worden onderworpen
wellicht van vooral niet-politici. Het is wenselijk met dergelijke aanpak
te pogen de communautaire problemen te ‘depolitiseren’, hoe paradoxaal dit
ook moge klinken..
2/ Een herschikking van instellingen en
bevoegdheden dient te leiden tot bijkomende defederalisering, waarbij
evenwel herfederalisering van sommige beleidsdomeinen niet mag worden
uitgesloten.
3/Elke overheveling van nieuwe bevoegdheden
naar de deelstaten moet financieel neutraal worden gehouden, wat wil
zeggen dat geen enkele lidstaat mag benadeeld worden. Een ‘zero-
som-spel-situatie met winnaars en verliezers kan in België onmogelijk tot
een politiek akkoord leiden.
4/ Het is evident dat de overheveling van
sommige bevoegdheden wel nadelig kan zijn voor een of meer gewesten. Zo is
de totale splitsing van de sociale zekerheid zeker nadelig voor Wallonië,
wat onder meer zou tot uiting komen in een aanzienlijke stijging van de
armoede- voet. Volgehouden eisen van één gemeenschap met dergelijke
nefaste gevolgen kunnen dus nooit in een consensus uitmonden.
5/ Financiële en budgettaire mechanismen
dienen bijgevolg te worden uitgewerkt op dat elke overheveling van
bevoegdheden inderdaad volledig en blijvend financieel neutraal zou zijn.
Het is slechts op deze voorwaarde dat voldoende vertrouwen tussen de
gemeenschappen kan worden hersteld.
6/ Het bovenstaande mag niet beletten dat
een einde wordt gemaakt aan het zogenaamde consumptiefederalisme. Dit kan
onder meer geschieden door de federale budgettaire dotaties, die aan de
deelstaten worden toegekend, te conditioneren in functie van vooraf
bepaalde, eventueel genegotieerde objectieven en normen. Een bonus/malus-systeem,
waarbij de dotatie aan een deelstaat wordt verhoogd of verlaagd naargelang
de prestaties, zou aanzienlijk bijdragen tot het invoeren van een echt
‘federalisme van de verantwoordelijkheid’. De objectieve toepassing van
dergelijke systemen vereist natuurlijk dat een neutrale autoriteit de
verwezenlijking van de opgelegde voorwaarden zou natrekken.
7/ Belgo-Belgische pacificatie vereist dat
de taalgrens een definitief karakter krijgt maar dat deze taalgrens geen
taalmuur zou worden. In taalgrensgebieden moeten veel grotere inspanningen
worden geleverd om de tweede taal aan te leren bijvoorbeeld door het
verspreiden van taalbadscholen. Waarom kan in België geen tv-kanaal,
volgens het concept van Arte, worden opgericht waardoor de contacten
tussen beide gemeenschappen, via informatie en uitwisseling van gedachten,
aanzienlijk zouden kunnen worden verbeterd???.
8/ De electorale toestand in
Brussel-Halle-Vilvoorde, door een arrest van het arbitragehof
onverenigbaar verklaard met het gelijkheidsbeginsel, is onverenigbaar met
de federale beginselen in de mate dat Franstalige kandidaten van Brussel
in 35 Vlaamse gemeenten (waarvan weliswaar sommigen met aanzienlijke
Franstalige minderheden) er parlementaire verkiezingscampagnes kunnen
organiseren. De splitsing van BHV moet worden aangewend als een element
van pacificatie eventueel door (verbeterde) modaliteiten in te voeren,
zoals die waren uitgewerkt door de regering Verhofstadt onder de vorige
legislatuur.
9/ Een alternatief voorstel zou erin
bestaan de splitsing van BHV te combineren met de ombouw van de Senaat tot
een echte Bundesrat, zoals in Duitsland, bevoegd voor het arbitreren van
de belangenconflicten (denken we maar even aan de groteske twisten over de
nachtvluchten in Zaventem). In die optiek zou de Senaat bestaan uit
vertegenwoordigers van de gewesten en gemeenschappen maar ook uit 30
federale senatoren, als vertegenwoordigers van de federatie, gekozen in de
grote kiesomschrijving België. Dit zou voor gevolg hebben dat voor een
Senaat met uiteraard beperkte bevoegdheden Nederlandstaligen in Wallonië
en Franstaligen in Vlaanderen, als zij dat tenminste wensen, zouden kunnen
stemmen voor taal- genoten die op deze lijsten zouden kandideren.
10/ Het land moet bovendien verlost worden
van de al te hoge frequentie van opeenvolgende verkiezingen (thans
ongeveer om de twee jaar), wat het nemen van verregaande politieke
verantwoordelijkheden, die soms op korte termijn door de kiezers niet
worden begrepen of die niet onmiddellijk positieve gevolgen sorteren,
onmogelijk maakt. Een hergroepering van verkiezingen is bijgevolg uiterst
noodzakelijk.
Alle verantwoordelijke politici kunnen zich
troosten aan het voorbeeld van Willem de Zwijger, niet alleen omdat die
heel weinig sprak maar ook omdat hij alvast één zeer wijze gevleugelde zin
heeft uitgesproken die tot nadenken stemt: “Point n’est besoin d’espérer
pour entreprendre ni de réussir (rapidement) pour persévérer”.
Mark Eyskens Minister van Staat
Nieuw en reeds
DERDE
druk
HET
boek
DE OUDE PROF ... EN DE ZEE
Samenspraak over zin en zijn
Mark EYSKENS
Lannoo


vergeet niet hieronder de poëtische kortsluitingen

Lees het nieuwe en zeer ongewone boek van Mark EYSKENS: DE OUDE PROF EN
DE ZEE. Tweespraak over Zin en Zijn’. (LANNOO)
-
Het
boek is een gedachten- en woordenstroom, zonder hoofdstukken, deels
roman, deels essay, deels dialoog.
-
Het
telt drie hoofdrolspelers, waarvan twee personen – de oude prof en de
studente – en een wonderbaarlijk ‘ding’: de zee
-
De oude prof heeft noch familie- noch voornaam.
Hij
blijft incognito.
-
Het
boek bestaat uit drie lagen in verschillende lettertypen gebracht: het
romangedeelte; het essayistisch gedeelte met hoofdstukken uit het
proefschrift van de studente en het e-mail-gedeelte met hun wederzijdse
electronische briefwisseling
-
Het
boek bevat een kantelmoment dat al wat voorafgaat in een totaal nieuw
daglicht plaatst
-
De auteur heeft de vrijheid van mening van de personages
strict geëerbiedigd.
Voor hun
opinies en stellingen draagt hij geen enkele verantwoordelijkheid
-
Elke
gelijkenis met nog in leven zijnde personen is louter toevallig, hoe
onwaarschijnlijk dit ook moge lijken
-
De volledige lectuur van het boek vergt enige inspanning.
Eigenlijk gaat het over mensbeeld, wereldbeeld en godsbeeld.
Sommige passages kunnen echter ook al bruinend op het strand worden
gelezen.
www.eyskens.com
LEESAANWIJZING
Dit is een ongewoon boek. Het is een boek
zonder inhoudstafel, zonder hoofdstukken en met een hoofdpersoon zonder
naam. Het werd gecomponeerd als een partituur en in verschillende, soms
dissonante toonaarden, voor een trio met drie uitvoerders: de zee,
de absolute zee van zijn en worden; een emeritus professor in de fysica,
die incognito wenst te blijven en een jonge vrouw, ontoelaatbaar mooi,
die een doctoraal proefschrift maakt over ‘kosmologie en theologie’.
Het boek heeft de vorm van een tweespraak tussen de prof en de doctoranda,
maar het is veel meer dan een dialoog. Het is een gedachtestroom,
geschreven op het ritme van de zee, gekenmerkt door de ebbe en de vloed
van weten en denken, aangetrokken door de monding van hopen en geloven. De
thema’s volgen elkaar op in een volgehouden bespreking van existentiële
zinsvragen, die blijken zijnsvragen te zijn. De professor staat symbool
voor de wijsheid en de zijnsverwondering. Als fysicus bestudeert hij de
dualiteit van de materie, die golf en deeltje is. Maar een vergelijkbare
dualiteit voltrekt zich aan hem, want hij is een nuchtere wetenschapper en
tevens een teder gevoelsmens. De studente belichaamt de intelligentie en
de schoonheid in haar veelzijdigheid en vergankelijkheid. Voor de prof
weerspiegelt ze ook, zoals de zee, onbereikbaarheid en onaanraakbaarheid.
Hij wordt door haar subtiele inzichten gefascineerd, die evolueren naar
een kantelmoment binnen haar eigen overtuiging. De jonge doctoranda van
haar kant voelt zich aangetrokken door de professor die zich bekeert van
de kernfysica tot de kernmetafysica en die het raadselachtige ontdekt
achter de zichtbare buiten- en binnenkant der dingen. Beiden, de prof, die
geen naam draagt ondanks zijn zeer persoonlijk engagement, en de studente,
wier stevige overtuiging haar toelaat tolerant te zijn, bevinden zich
opgenomen, zonder dit te beseffen, in een geestelijke deeltjesversneller.
Die zal hun kernvisie op mensen en dingen, op de zwaartekracht van het
bestaan en de genade van het leven, zowel tot mentale splitsing als
versmelting leiden. Een verrassend keerpunt echter scheurt de
werkelijkheid stuk.
Het boek bestaat uit dialogen, soms
ironisch en sarcastisch, vaak diepgravend en emotioneel. Het gaat in wezen
om ‘meta-dialogen’, die de haalbaarheid van elke tweespraak overtreffen en
waarbij bij wijlen stamelend of omslachtig, niet zelden benaderend en
falend, gepoogd wordt het onzegbare te verwoorden. De deskundigheid van de
gedachtewisseling wordt ondersteund door de werkstukken, studienota’s en
papers die de prof en zijn studente uitwisselen, terwijl zij hun gevoelens
en poëtische ontboezemingen uitstorten via de prozaïsche personal
computer en wederijds verzonden elektronische briefwisseling. De
professor heeft daarenboven een heel bijzondere relatie met de zee. Hij
lijdt aan thalassofilie, een zeeziekte van psychische aard, wat ook tot
uiting komt in zijn dithirambisch woordgebruik, zodra hij het over de zee
heeft.
Het lot van een professor emeritus, de
speurtocht van een onderzoek(st)er, de politiek, de spanning tussen geloof
en wetenschap, de maatschappelijke functie van religie, de relatie tussen
monotheïsme en vooruitgang, de rol en historische betekenis van het
christendom komen ter sprake. Een zijsprong wordt gemaakt naar de
betekenis van de islam en de ontsporingen van fundmentalisme en
terrorisme. Het hoofdthema wordt de analyse van het gewijzigde wereldbeeld
onder de invloed van de moderne kosmologie, de kwantumfysica, de
biogenetica, de ontwikkeling van artificiële intelligentie, de
maatschappelijke evolutie en de gewijzigde waardenschalen. De triade
mensbeeld, weredlbeeld, godsbeeld lijkt grondig omgewoeld, zoniet
verstoord of verbrijzeld. Er is onttovering van het wereldbeeld,
onttroning van het godsbeeld, ontluistering van het mensbeeld. Wellicht
zijn er onoverschrijdbare grenzen aan de menselijke kennis, die voor
gevolg hebben dat de waarheid nooit helemal grijpbaar, maar enkel
aanbiddelijk is. Het antropisch beginsel zou er kunnen op wijzen dat het
heelal is ontstaan met de bedoeling de mens, als zelfbewust en nadenkend
wezen voort te brengen. Dit is een weifelende vingerwijzing – zoals op de
wandschildering van Michelangelo in de Sixtijnse kapel – in de richting
van een scheppende God, auteur van een intelligent wereldontwerp. Maar als
de ‘membrane’-theorie juist is en er een veelal bestaat met talloze
heelallen, dan speelt de wet van de grote getallen in een
zijnswerkelijkheid die alles mogelijk maakt. Dan wordt uiterste toeval
onvermijdelijke noodzaak, inclusief zoiets wonderbaarlijks als het
ontstaan van menselijk leven en het bestaan van zelfbewuste mensen die in
staat zijn zich vragen te stellen over hun waarvandaan, hun waarheen, hun
waarom. Niet alleen de wetenschap maar ook de filosofie heeft grote
problemen met de gedachte van een goddelijke oppermachtige causaliteit van
de werkelijkheid, des te meer omdat schepping uit het niets nonsensicaal
lijkt te zijn. Er is geen unieke schepping; er zijn wel contnue
veranderingen binnnen het zijn, leert de wetenschap en leren de professor
en de studente aan elkaar. Het bestaan van een oneindig goede maar ook
almachtige God botst bovendien frontaal op het probleem van lijden en
kwaad in de wereld. Deze smartelijke paradox is door de kerkelijke leer
nooit echt afdoend ter discussie gesteld, tenzij met de mededeling dat een
goed christen bereid moet zijn een groot mysterie te aanvaarden. De
wetenschap verklaart de werkelijkheid. Het geloof en de godsdienst kunnen
zin aan deze werkelijkheid via de waarden die zij uitdragen. Toch kunnen
wetenschap en geloofshoop elkander de hand reiken in het formuleren van
een finalistisch godsconcept dat goedheid, rechtvaardigheid en schoonheid
– erg gelijkend op de Platonicijnse drie-eenheid -- verheft tot de
onnatuurlijke en daardoor bovennatuurlijke aspecten van de
zijnswerkelijkheid. Deze goddelijke deugden ‘zijn’, maar ze ‘bestaan’
slechts in de mate dat ze belichaamd worden door goede mensen, waarvan
Jezus Christus een extreem voorbeeld is. Het goede-godsconcept wordt
daarbij los gekoppeld van elk oorzakelijk machtsdenken. Echte schepping is
schepping van een waarde waardoor de menswording uiteindelijk uitmondt in
de godwording van het punt omega. Enkel Christus kan de Kerk redden. Want
godsdienst is ook en vooral mensdienst. Beide protagonisten, de professor
en de studente, die aanvankelijk elkander aanvaren, convergeren
uiteindelijk in hun opvattingen. Hun tweespraak wordt samenspraak.
In het boek verklaart de professor zich
voorstander van een ‘transmanente’ evolutie, tegelijk transcendent en
immanent, dit is een goddelijk aangetrokken evolutie die een driespan
vormt: de vitalisatie van de anorganische stof (het ontstaan van de eerste
levende cel), de hominisatie van het dierlijke leven (het ontstaan van de
mens) en de divinisatie van de mens. De laatste fase is de ultieme roeping
van het menszijn, de synthese van een dialectisch proces van menswording
van het goddelijke (in Jezus) en van godwording van de mens (door zijn
ultieme opstanding en de overwinning op de dood). Dit is de blijde
boodchap, die de mens onttrekt aan het dilemma tussen optimisme en
pessimisme en van hem een meliorist maakt, iemand die gelooft in en hoopt
op existentiële, metafysische verbeterbaarheid.
De professor en de doctorerende studente
omhelzen aan het einde van het boek een gemeenschappelijke geloofshoop,
die hen aan de keerzijde van alle weten en denken, uitzicht zal bieden op
een land van zijnsvervulling.
Maar het leven, verrassend genoeg, gaat
voort, de volgende dag.
P.S. Dit boek is een stroom. Het stroomt
als een rivier met bijrivieren via thematische meanders naar de monding
van kennen en weten die overvloeit in de delta van geloven en hopen en die
zich stort in de zee ‘omega’. Daar wacht een oceaan, verlokkend en
aantrekkend, en wenkend naar een continent van onverklaarde klaarte. Maar
wie niet kan zwemmen, schuift dit boek best terzijde.
Het boek is een met opzet gedistilleerde
mengvorm van allerlei literaire stijlen en genres: dialogerend, vaak
ironisch, soms sarcastisch, diep gravend en verwarrend; essayistisch en
didactisch-documentair over het wereldbeeld; specialistisch natuurkundig,
godsdienst-wetenschappelijk, exegetisch, biologisch, kosmologisch,
psychologisch, historisch, filosofisch; maar ook belijdend, bevragend,
beredenerend, bezwerend, meer vraagtekens zaaiend dan uitroeptekens
plantend; orthodox, oecumenisch, mystiek, kerkkritisch, godinterpellerend,
betwistbaar, ketters; poëtisch en romantisch, hartstochtelijk onderkoeld
en heftige gevoelens onderdrukkend of symbolisch belevend en metaforisch;
barok, hyperbolisch, niet schuw van adjectieven en verbale inflatie en
zakelijk, puntig, omzwachteld, elektronisch epistolair, computer gestuurd
en ontboezemend, tragikomisch en pathetisch, vol golfslagen van verlangens
die niet altijd stranden aandoen. Het boek is te beschouwen als een
fictief meta-verhaal vol meta-dialogen, die boren naar de werkelijkheid
achter de zichtbaarheid der dingen. Zoals de zee is het niet vanuit één
haven te bevaren en in één ruk te bereizen. Lectuurschipbreuk is niet uit
te sluiten en verwensingen geuit aan de auteur, van op een eenzaam
ronddobberend geestelijk vlot, zijn waarschijnlijk. Maar veel gelezen en
weinig geprezen is nu eenmaal te verkiezen boven het omgekeerde.
De gekozen lettertypen en de
bladspiegelschikking zijn niet lukraak. Voor de dialogen werd een gewone
courante letter geselecteerd; de e-mail-brieven zijn allen in een lijst
weergegeven omwille van de intimiteit van de boodschappen, terwijl de
didactisch-informatieve delen in een iets kleinere, meer
collegenota-achtige letter werden gebracht.
Elke gelijkenis met in leven zijnde
personen en hun meningen en opvattingen is louter toevallig. De auteur
heeft geen enkele verantwoordelijkheid wat betreft de standpunten en
stellingen door de hoofdpersonages in het boek geventileerd. Na zijn dood
zal dit boek evenwel beschouwd worden als zijn geestelijk testament,
zonder naar zijn wilsbeschikking te hebben gevraagd.
Mark Eyskens
Paasdag 2005

Mark Eyskens herwerkte in het
Frans zijn boek ' De oude Prof en de zee. Tweespraak over zin en zijn' in
een nieuwe versie onder de titel: 'Le vieux prof et la mer. Le sens d'une
quête de sens', Racine, 2006


LE VIEUX PROF ET LA MER
LE SENS D’UNE QUÊTE DE SENS
-
Ce
livre inhabituel, voire insolite, Mark Eyskens l’a composé comme une
partition musicale pour
un
trio de trois exécutants : la mer, le vieux professeur et l’étudiante.
La mer, absolue, métaphore
à
la fois de l’être et du devenir, le professeur émérite de physique
souhaitant rester incognito et
la
jeune femme, d’une beauté inconvenante, qui veut écrire une thèse de
doctorat sur un sujet
quelque peu incongru : « la cosmologie et la théologie ».
Le
livre, à la fois roman, essai et échange de vues épistolaires par
courriel entre le prof et la
doctorante, porte sur de nombreux sujets, même politiques. Mais
principalement sur l’actuelle
vision du monde, de l’homme et de Dieu, profondément affectée par les
fulgurants progrès des
sciences. Les conceptions initialement très divergentes du prof et de la
fascinante doctorante
concernant la tension entre foi et science, le sens de l’existence, son
mystère et son absurdité
finissent par converger. La jeune femme se sent attirée par ce vieux
prof de physique fondamentale
qui se convertit à la métaphysique alors qu’elle découvre que la vérité
est incompréhensible,
seulement adorable. Leur métadialogue les entraîne vers un point de
basculement
inattendu.
Mark Eyskens tente, de manière parfois ironique et sarcastique, mais
également pénétrante, troublante
et
émotive, d’exprimer l’indicible.
Avertissement au lecteur
Ce livre est inhabituel, voire insolite. C'est un roman mais sans table
des matières et sans chapitres et qui promène un personnage principal
n’ayant pas de nom. L’ouvrage a été composé comme une partition musicale,
avec des sonorités multiples, résonnantes et parfois dissonantes, pour un
trio de trois exécutants: la mer, le vieux professeur et l’étudiante. La
mer, absolue, métaphore à la fois de l’être et du devenir, le professeur
émérite de physique souhaitant rester incognito et la jeune femme, d’une
beauté inconvenante, qui veut écrire une thèse de doctorat sur un sujet
quelque peu incongru: ‘‘ la cosmologie et la théologie’’.
Le livre prend la forme d'un dialogue entre le prof et la doctorante,
mais il est beaucoup plus complexe qu’une simple conversation à deux. Il
recèle une coulée de pensées et une avalanche d’opinions, décrites,
écrites et dites sur le rythme de la mer, que le prof aime tant. La mer,
symbole de la trans-réalité duale caractérisée par le flux et le reflux du
savoir et de la réflexion, et captivée par l’embouchure de l’espérance et
de la croyance. Les thèmes se succèdent dans un débat ininterrompu relatif
à la quête du sens existentiel et aux réponses dérisoires que l’on donne
au mystère de l’être. Le professeur incarne la sagesse et aussi
l'émerveillement. En tant que physicien il a, à l’intérieur d’un
collisionneur de particules élémentaires, consacré sa vie entière à
l’étude de la matière. Cette matière ambiguë qui s’avère être à la fois
ondulatoire et particulaire. Une dualité comparable s'applique à sa
personne, d’une part le scientifique réaliste et rationnel et de l’autre
le rêveur sentimental et tendre, sujet à des accès de ferveur mystique.
L'étudiante incarne l'intelligence parfois implacablement mécaniste et la
beauté dans sa profusion et sa fragilité. Pour le prof la jeune femme
reflète aussi, comme la mer, l’inaccessibilité et l’intangibilité. Il est
fasciné par ses raisonnements subtils, ses fulgurantes intuitions qui la
conduisent à reformuler ses propres convictions, en leur appliquant
parfois une dramatique révision. La jeune doctorante se sent attirée par
ce professeur beaucoup plus âgé qui s’est converti de la physique
fondamentale à la métaphysique de l’essentiel en découvrant qu’il n’y a
qu’énigme derrière la face visible à l'extérieur des choses et leur repli
à l’intérieur. Tous deux, le prof qui ne porte pas de nom malgré son
engagement très personnel, et l'étudiante, dont les certitudes lui
permettent d’être tolérante, sont sans s’en rendre compte enfermés dans
une sorte d’accélérateur de particules spirituelles. Leurs visions de la
gravité de la vie et de la grâce de l’existence leur feront subir un
processus à la fois de scission et de fusion mentale. Un tournant
surprenant déchirera toutefois la réalité de vie des deux personnages.
Le livre est émaillé de dialogues, parfois ironiques et sarcastiques,
souvent profonds et émotionnels .Il s’agit en fait de métadialogues qui
transcendent la portée de chaque parole par lesquels les deux personnages
principaux tentent de formuler l’indicible. Ils n’y parviennent qu’en
balbutiant ou en compliquant les choses, par approximations et par
ratures. L'expertise intellectuelle du dialogue est soutenue par les
travaux, les notes d'étude et les papiers qu’échangent le prof et son
étudiante. Entre temps, ils déversent leurs sentiments et transports
poétiques au moyen de leur prosaïque ordinateur portable en s’envoyant
réciproquement un fréquent courrier électronique. Le professeur a en outre
une relation très particulière avec la mer. Il est atteint de
thalassophilie, un mal de mer de nature mentale, qui se manifeste aussi
dans son verbiage dithyrambique, dès lors qu’il évoque ou invoque la mer.
Les échanges de vue entre les deux protagonistes portent sur beaucoup de
sujets tels la fatalité d’être professeur émérite, la gageure d’être
chercheuse scientifique,la politique et ses péripéties, la tension
évitable entre la foi et la science, l’utilité sociale de la religion, la
relation entre monothéisme et progrès scientifique, entre religion et
développement économique, le rôle et l’importance historiques du
christianisme, l’enseignement de l’exégèse contemporaine, l’impact de
l'islam et les dérives du fondamentalisme et du terrorisme, la crise au
Moyen-Orient. Le thème central de leurs discussions toutefois est
l'analyse de l'actuelle vision du monde, profondément affectée par
l'influence de la cosmologie moderne, de la physique quantique, de la
biogénétique, du développement de l'intelligence artificielle, de
l'évolution tous azimuts des sociétés contemporaines globalisées, de la
tension entre culture et nature et le chambardement des échelles de
valeurs.
Ce livre évoque une image fluviale: iI poursuit son cours, comme un
fleuve, parfois placide, souvent turbulent, marqué au passage de chutes et
de rapides, recueillant des affluents pour converger vers un delta
s’ouvrant sur un océan. Soudain émerge une rive où la foi et l’espoir ont
la chance d’éclore sur un continent qui s’appelle ‘‘oméga’’. Du moins pour
les personnages de cet ouvrage ; pas nécessairement pour ses lecteurs. Qui
ne peut naviguer, voire nager sur et entre les lignes, est avisé de
s’abstenir. Le lecteur pourrait faire naufrage. Il s’agit d’un écrit très
dense pratiquant l’alchimie de plusieurs styles et genres littéraires. Du
dialogue, souvent ironique, parfois sarcastique, quelquefois sardonique et
déroutant. De l’essai aussi en prenant un ton didactique, même
documentaire ou informatif au sujet de certains aspects de la vision
actuelle du monde. L’exposé devient alors spécialisé, versant dans la
physique quantique, la cosmologie, l’exégèse, la biologie, la psychologie,
l’histoire, la philosophie.
L’écrit ne recule pas devant confidences et confessions, esquives et
exagérations, énervements et moments de tendresse. Tout au long de leur
pérégrination intellectuelle le prof et la doctorante préfèrent semer les
points d'interrogation et évitent la tentation de planter trop de points
d'exclamation. Beaucoup d’idées à connotation religieuse se télescopent:
orthodoxes, oecuméniques, critiques à l’égard de l’Eglise, hérétiques,
interpellant Dieu, ses noms et ses déguisements. Les personnages
parviennent à maîtriser leurs passions mais sans les réprimer ni les
refouler. Ils le font en usant d’un langage souvent romantique et
poétique, chargé de métaphores et d’hyperboles. Ce qui donne lieu parfois
à un phrasé baroque, affecté d’inflation verbale, particulièrement quand
le professeur avoue son engouement pour la mer. Mais mon roman est
également topique, pointu et partisan, charriant de complexes sentiments
exprimés épistolairement par courriel. Il est à considérer comme une
métahistoire fictive, faite de métadialogues qui tentent de percer la face
visible des choses afin de découvrir la vraie réalité et la réalité du
vrai. Comme la mer, ce livre n'est pas navigable à partir d’un seul port
au cours d’un seul voyage. Et si le lecteur fait naufrage, ce qui est
envisageable, qu’il ne se garde point de couvrir l’auteur de ses
malédictions. Mais être beaucoup lu et commenté, bien que peu prisé, est
préférable à son contraire.
La mise en page tient compte des sédiments qui constituent cet ouvrage.
Le type des caractères utilisés à l’impression est différent, ce qui n’est
pas dû au hasard ou à de la négligence. Les dialogues sont imprimés en
caractères courants ; les courriels échangés entre le prof et l’étudiante
ont reçu une typographie voyante et se trouvent encadrés, alors que pour
les parties didactiques – les chapitres de la thèse de doctorat - une
lettre distincte a été retenue.
Je remercie de tout cœur Abel Prinzie, ami de longue date, intellectuel
perspicace, homme de cœur et de culture, mon premier lecteur, qui m’a
prodigué ses précieux conseils et remarques. Je suis aussi redevable aux
auteurs des nombreux livres que j’ai consultés, voire étudiés et dont la
liste est reprise en dernière page.
Toute ressemblance du prof et de sa belle étudiante avec des personnes
encore en vie ou avec leurs opinions et conceptions est purement fortuite.
Je récuse toute responsabilité quant aux idées et convictions ventilées
par les personnages qui figurent dans mon livre, car j’ai trop de respect
pour la liberté d’opinion.
L’auteur du ‘‘Vieux prof et la mer’’ craint toutefois qu’après sa mort cet
ouvrage ne soit considéré comme son testament spirituel, sans qu’on lui
ait demandé son consentement.
M.E.
Mark Eyskens publiceerde twee nieuwe boeken in oktober
2004.
'De houdbaarheid van de Welvaartsstaat. De
onmogelijkheid van het noodzakelijke',
125 uitgegeven door de denktank van het VKW. Te bestellen: VKW.
Sneeuwbeslaan 20. 2610 Antwerpen Wilrijk
'Omdat
wij van de avond nooit genezen...'
Een poëtische kroniek. Davidsfonds 148 blz. Mark Eyskens schrijfgt met
enige schroom over de verborgen existentiële binnenkant. Het gaat om
gedichten en teksten over schokkende ervaringen, over geloof en hoop,
liefde en lijden, ontmoetingen en gewisselde blikken...Woorden en zinnen
aangespoeld met de vloed en eb van het leven, als keien op het strand...

Poëtische
kortsluitingen
- I
-
- Het doel van reizen
- is het breken van 't gewelf
- rond je versteende zelf .
-
- II
-
- De tijden hebben witheid
uitgedreven
- en heel wat kwaliteit van 't
leven opgegeven.
- Veel modder ligt op paden en op
wegen;
- veel tegenwind kom je er tegen.
-
- III
-
- De ontdekking van het andere
- is de verkenning van jezelf.
- De ontdekking van de andere
- is de verkenning van mij.
- De reis van mij
- is de reis naar ik.
-
- IV
-
- De mensheid zal de volkeren ontbinden.
- De eenwording van ons aller mens-zijn
- komt er groots maar pijnlijk aan,
- en aan het einde van de naaste eeuw
- zullen meer mensen mensen vinden,
- als niet het eigen volk,
- maar ieder mens eerst zal zijn.
-
- V
-
- De
oude tederheden hebben wij begraven
- en
toevertrouwd, als loze gaven,
- aan
gronden zonder bronnen,
-
uitgedroogd, nooit herbegonnen.
-
- Wat
doet het vuur als het niet laait ?
- Wat
doet de wind als hij niet waait ?
-
- VI
-
- Had ik tijd,
- had ik maar tijd,
- had ik maar even tijd,
- dan zou ik anders leven.
- Want het leven duurt maar
even.
- Maar ik heb geen tijd.
- De tijd heeft mij.
-
- VII
-
- De dag stierf aan
te weinig licht.
- De nacht
veroverde de macht
- en duisternis
bloeide open,
- als een bloem die
tracht
- de aandacht af te
leiden
- van de gestorven
pracht,
- die ik had zien
glinsteren
- in je
afstandelijke ogen.
-
- VIII
-
- Mijn lieve dode kat is in de tuin
begraven,
- in een kuil enkel bekend bij
zwarte raven.
- Mijn kat droomt nu dat zij leeft
- en dat haar baas haar melk,
- verse wiskas en spekjes geeft.
- Ik ben een God in haar gedachten.
- Dat troost mij in kille nachten.
-
-
- I
- Het ergste wat met sneeuw
- gebeuren kan is dat in sneeuw
- een bloedspoor door een mens getrokken
- bloedstollend zichtbaar blijft.
-
- II
-
- Je hebt
die woorden ingesproken
- en het
zegel neergelegd op ons bestaan,
- opdat wij
nooit, zo radeloos en zo begaan,
- de wegen
van de leegte zouden gaan,
- als ons de lieveling is ontvallen
-
- III
-
- Het
scheiden, zei je, deed je pijn
- maar
meer het afgescheiden zijn;
- en
smart van snijden, schreef je,
- blijft
steeds bloeden in het afgesneden zijn.
-
-
IV
-
- Sterf
als je nog sterven kunt
- bij
voorkeur op de hoge zee
- omdat
je graag gestorven bent
- daar
waar het licht je wordt gegund,
- de
horizon steeds verder wijkt,
- de
schipbreuk een verlossing is,
- je
dood de enige belevenis
-
-
V
-
- Jij
bent, mijn onervaren vriend,
-
geboren in het mysterieuze teken
- van de
virtuele eeuwigheid.
- Daarom
juist is je tijd geteld
-
-
VI
-
- 'Ik
heb je slechts van ver
-
voorbij zien gaan.
- En
zie, ik heb je lief,
- mijn
leven lang,
-
totdat ik sterf
- en
zelf zal zijn
-
voorbij gegaan'.
-
-
VII
-
- Niets
was haar vreemd,
- tenzij
de avond,
- die
steeds viel,
- te
vroeg, te kil, te klam
- om
haar verlegen schouders,
-
gebenedijd.
-
-
VIII
-
- Het licht is weer
- aan sterven toe.
- De nacht grijpt
langzaam
- naar de macht.
- Een andere staat
- van zijn ontstaat :
- verwachting van
- de nieuwe dageraad
-
-
IX
-
- Geef, wilg, gewillig,
- wat late troost bij elke dageraad.
- Als tussen tak en twijg
- je deemsterend gelaat,
- ontbladerd en ontdaan,
- weerkaatst en diafaan,
- jezelf in 't water gadeslaat.
-
- Narcissus
in het woud,
- die van mij houdt.
-
- X
-
- Ik hoef niet meer te razen, razen
- tegen het sterven van de zon
- en het
doven van de horizon
-
- XI
-
- In de ijle lucht van de hoogste
top
- zal hij een standaard planten,
waar
- voordien geen standaard heeft
gestaan.
- Opdat hij verder van het licht zou
leven
- in zijn verduisterd, dagelijks
bestaan
- en het aan velen door zou geven.
-
- XII
-
- Zin en
zingeving hebben wij niet gevonden
- maar in
het zoeken naar een zin
- hebben
wij haast onbewust bevonden
- hoezeer
onze eigen menswording
- met zinverkenning is verbonden
-
- XIII
-
-
O, sterf niet in
het zicht der zee.
-
Het schuim van
golven is slechts schijn
-
en als de dromen
over zijn,
-
is zelfs geen
voetspoor in het zand te vinden.
-
- XIV
-
- De waterlelie is een
wonde
- van onduldbaar
pijnlijk wit,
- een kelk die welk
verwelken
- ‘s nachts en over dag bestrijdt?
-
- XV
-
- Heel vreemd is
de belevenis
- dat je iemand
kunt beminnen
- die duizend
mijl verwijderd is
- of die al
lang gestorven is.
- Alsof een
stukje eeuwigheid
- bereikbaar en
bewaarbaar is.
-
- XVI
-
- Wij gingen naar concerten in verwenste tijden,
- toen melodie en harmonie nog klonken
- en onze ongewatte oren niet moesten strijden
- tegen het slagwerk en het heiend bonken,
- van metalliek alaam en decibel verslindend
- bralgehuil, geratel en barbaars gerinkel
-
- XVII
-
- 'Er ist ein Prinz' zegt Papageno
statig.
- 'Er is mehr als ein Prinz. Er ist
ein Mensch'
- zegt Sarastro, op zijn troon
gezeten, machtig.
-
- XVIII
-
- Zo
ernstig en zo herfstig,
- toen de
adem van die avond laat
- over je
haar en je gelaat
- door je
herinneringen streek.
-
-
XIX
-
-
Het enig uur
van je bestaan
-
besteed,
beleden, opgeslagen:
-
een
waterdruppel in de oceaan,
-
wat watermist
vergaan,
-
onder een
waterval van vragen.
-
O, ongenade van
de helderheid van geest
-
die steeds
verblindt en nooit geneest.
-
-
XX
-
- Wie
ooit Frans Schubert heeft gehoord,
-
andante sustenuto,
- een
ijle klank, die door de bolster boort
- van
elke oppervlakte en elke buitenkant,
- over
de rand der dingen en nooit landt,
- hij
heeft een quantumgolf gehoord.
- Wie
ooit Frans Schubert heeft gehoord
- die
zal niet langer ongelovig zijn.
-
-
XI
-
- Geluk
is niet de duisternis
-
vervloeken en verwensen,
- maar
een kaars onsteken
- die
de duisternis verlicht.
-
-
XII
-
- Met geld koop je
bloed, maar geen leven,
- met geld koop je seks,
maar geen liefde,
- met geld koop je
macht, maar geen gezag,
- met geld koop je
wapens, maar geen vrede.
-
-
XIII
-
- Europa
is niet langer land van aarde
- maar
steeds meer oord van waarden.
- Daarom
is ons Europa zo ontgrenzend,
-
grenzeloos het werelddorp verkennend.
-
-
XIV
-
- Van alle zeven
wereldzeeën,
- de groene en de
saffierblauwe,
- de wilde en de
trouwe,
- de azuren en de
grauwe,
- de fluwelen en de
rauwe,
- is mijn zee, de
Noordzee,
- meer zee dan iedere
andere zee,
- gezegend, zalig, zo
zeeachtig zee.
-
- XV
-
- Rozen willen leven om te leven:
- de ademzucht van de ochtendbries,
- om steeds herinnering te zijn
- aan dodelijk verlies
-
- XVI
-
- Hoog in de blanke bergen,
- hoor ik je schorre schreeuw
- weerkaatsend in het dal,
- waar sneeuw tot modder smelt,
- in het doortrapte tranendal.
-
- XVII
-
- O! dwaasheid van het groot verlangen
- gekluisterd en gevangen
- tot ooit een vlinderveugelslag
- in hoog besneeuwde bergen
- lawines doet ontstaan
- en oude werelden vergaan.
-
- XVIII
-
- De werkelijkheid heeft vele lagen
- geen enkele die de hele waarheid spreekt
- Ik steek verstokt de stok der blinden
- in de nachten en de dagen
- en hoor het klagen van de winden
- in de kale takken van mijn eenzaamheid.
- Is er wel leven voor de dood?
- Is niet elk leven een stilleven?
- En missen wij niet steeds opnieuw de boot?
-
- XIX
-
- Een twintigtal waren gedood:
- Palestijnen ook en de zoveelste
Jood.
- Shahid had toch zijn dodelijk werk
gedaan.
- Daar lag hij tussen de verkoolde
doden,
- versplinterd, opgebruikt, vergaan.
- Een zelfmoordenaar dient slechts
één maal.
-
- XX
-
- De
oorlog was vernietigend gedaan.
- Wij
gingen naar een huis dat niet meer kon bestaan.
- En
vonden haar geblakerd op de muur gevlamd.
- Zij
was ontzettend mooi en elegant vergaan;
-
haar silhouet behouden, elk detail erop, eraan.
-
Haar blonde haar was nu door vuur verzengd
- en
zwart gebrand in oud beton gedrenkt.
-
Alleen haar ogen waren helemaal verzwonden,
-
maar blonken vochtig in de onze.
-
-
XXI
-
- Hij wist dat hij niet alles wist.
- Maar wel dat enkel schoonheid
- onze wereld redden kan,
- ook als zij sterft van lelijkheid.
-
- XXII
-
- Hij had al lang begrepen
- dat men met de gebalde vuist
- niet vruchtbaar zaaien kan.
-
- XXIII
-
- Geef mij een archipel van zacht opaal
- doorschijnend bloedkoraal,
- smaragden atollen in de oceaan
- gestort, verstrooid, verdwaald,
- en je zilveren hemelharen,
- gewei van staartsterren in
- melkwegen bewaard, gekraald.
-
- XXIV
-
- Het doel van reizen
- is het breken van
't gewelf
- rond je versteende
zelf
- en je dagelijkse
oorden,
- los te laten, weg
te wuiven,
- waar je schrale
woorden
- steeds als
stalactieten vallen,
- geruis- en
hulpeloos,
- tot gruis en
vruchteloos.
-
- XXV
-
- Kwets je aan de
gekwetsten.
- En blijf trouw aan
wie
- je ooit teder heeft gemaakt.
-
- XXVI
-
- En
waarom al die lijken ?
- De
dageraad verdraagt hun waarheid niet.
- En
waarom al die doden
- en
tweemaal zoveel dode ogen ?
- De zon
verdraagt hun aanblik niet.
- De gruwel heeft gegrepen naar de
macht.
-
- XXVII
-
- Zij zijn verwonden,
- Zij zijn verbonden,
- onomwonden.
- Zij zijn verjaard,
- Zij zijn verstreken.
- Zij zijn uitgepaard
- en op elkander dood
gekeken.
-
- Wat doet het vuur als
het niet laait ?
- Wat doet de wind als
hij niet waait ?
-
-
XXVIII
-
-
Je bent de wonde,
-
ik ben het mes.
-
Je bent mijn zonde,
-
ik ben je les,
-
gegeven en geleerd,
-
van buiten, omgekeerd.
-
-
XXIX
-
- Wij waren ballingen
vol van genade,
- die dag in ‘t vlakke
land, dat onverraden
- en ongeschonden raakt
aan de horizon.
-
-
XXX
-
-
Geef stilte aan je stem.
-
Sticht licht en ren
-
je schaduw los.
-
Ontbind je zwaartekracht,
-
bevrijd, verlos
-
jezelf van dag en nacht.
-
-
XXXI
-
- Nooit zullen wij genezen
- van de avond die ons overvalt
- als hij aan de einder valt,
- de wolken laag ter uitvaart
- van het laatste licht gereid.
-
-
XXXII
-
-
-
- De toekomst is een stroom;
- het verleden is een meer;
- het heden is een droom,
- een zeepbel, opgelost,
- van zwaartekracht verlost,
- een punt, een tusssenwoord,
- een doorgang in de tijd geboord,
- een nu-moment van bijna nul
- naar tijdloosheid, zeer koortsig
- strevend, een krimp tot nul.
-
* * * *
Het
jaar weze niet meer eurotisch maar electoraal en dus neurotisch.
Ent
U in tegen besmettelijke kiesbeloften. De politici zijn dit reeds.
Beloften
voor de verkiezingen betekenen belastingen na de verkiezingen.
*******************************************

Een politiek sprookje.
De belangloze bekering
Ergens lag een land van
Nergens. Zijn naam was Utopia wat letterlijk ‘niet-plaats’ betekent,
gelegen buiten tijd en ruimte. Het was een twee-stromenland, het moderne
Mesopotamië, ook soms Taailand genaamd want veel taaier dan sommigen
dachten, hoopten of vreesden. De stromen kruisten elkander wel eens, wat
aanleiding gaf tot veel gehakketak en verbale overstromingen. In het
noorden woonde een multiculturele bevolking die zich nog steeds volk
noemde. Één op vier kiezers gaf er zijn stem aan een politieke partij, die
was veroordeeld door een hooggerechtshof wegens racisme omdat zij predikte
dat al wat vreemd was vals was en al wat vreemd was minderwaardig. De
jarenlang volgehouden opruiende taal had gevolgen. Geweld brak uit en
mensen werden omwille van hun huidskleur aangevallen, afgetuigd en soms
vermoord. Het bloed van een zwarte Afrikaan(se) was nochtans even rood als
dat van een blanke en schreeuwde even luid om gerechtigheid. Plots had een
mirakel plaats en een belangloze bekering. Door doorgewinterde leider van
de anti-alles-partij las de oude parabel van de barmhartige Samaritaan en
begreep ze voor het eerst in zijn leven. Hij werd achter het stuur van
zijn auto, zoals ooit Paulus, neergebliksemd. De volgende ochtend riep hij
een grote persconferentie bijeen en las volgende tekst voor:
“Vrienden, we hebben ons
gruwelijk vergist. Niet het eigen volk komt eerst, maar alle mensen komen
eerst en zeker de zwaksten, waaronder vaak vreemdelingen, die wij met
naastenliefde moeten benaderen. Onze partij aanvaardt ootmoedig haar
veroordeling wegens racisme. Wij zullen voortaan in woord en daad niet
alleen elke discriminatie, elke xenofobe oprisping achterwege laten. Wij
zullen voortaan in plaats van het racisme te promoten, samen met alle
mensen van goede wil het racisme bestrijden. We hebben eindelijk begrepen
dat men met de bokshandschoen niet kan zaaien in de akker van de
samenleving. Ons embleem wordt voortaan een handdruk van een blanke hand
die de hand reikt aan een gekleurde. Ook niet- blanken zullen in de
toekomst verkiesbare plaats krijgen op onze lijsten bij de volgende
verkiezingen. Wij openen onze partijlokalen in het hele land voor
asielzoekers en vreemdelingen. Walen beschouwen wij niet langer als
profiteurs en luiaards en wij bieden onze excuses aan aan al wie wij
hebben geschoffeerd. Wij begrijpen ook waarom andere partijen niet met ons
wilden noch konden samenwerken. Het ‘cordon sanitaire’ was niets anders
dan zelfuitsluiting van onzentwege. Wij verbreken al onze banden en
contacten met uiterst rechtse partijen in Europa die de onwelriekende
boodschap verspreiden van de onverdraagzaamheid, de superioriteit van het
eigen ras of volk en die een nostalgische taal voeren die verwijst naar de
meest zwarte bladzijde uit de geschiedenis van Europa tijdens de tweede
wereldoorlog. Ik verklaar plechtig dat wie tijdens die oorlog met het
nazi-regime heeft gecollaboreerd objectief gesproken een zeer zware
vergissing heeft begaan en onnoemelijke schade heeft aangericht aan de
naam en faam van ons eigen volk”.
Toen werd het de leider te
machtig. Tranen welden op en zijn stem stokte. Dagenlang was in het
tweestromenland deze Paulinische bekering frontpaginanieuws. Een maand
later hadden parlementsverkiezingen plaats en de extreme partij van
weleer, omgeturnd tot partij van de broeder- en zusterlijkheid, verloor
al haar stemmen op drie na. En dit was nu juist zeer verontrustend voor de
mentaliteit die heerste in het land van Nergens. Tot een politieke
commentator ontdekte dat de drie stemmen die de partij nog had behaald,
afkomstig waren van de voorzitter van de partij, van diens vrouw en haar
beste vriendin die ook de persoonlijke vriendin was van de voorzitter.
Mark Eyskens
Mijn hond
Wat je niet hebt, moet je soms scheppen in
je verbeelding. Gemis is vaak gewin. Ik heb geen hond. Mijn vrouw is er
allergisch aan. Zij beschikt in deze aangelegenheid over een vetorecht.
Het vetorecht van een grote mogendheid, dat ik haar ooit in een onbewaakt
moment, ter gelegenheid van een verjaardag van de oprichting van de
Verenigde Naties, veertig jaren geleden heb toegekend. In onze familiale
veiligheidsraad stuitten al mijn resoluties om een vierpotige hond aan te
schaffen, op een resoluut veto. Ik poogde herhaaldelijk met een labrador,
een engelse terriër, een Duitse schaapherder, een Deense hazewind, een
Franse keffer, een Argentijnse bulldog, een Schotse ridgeback, een
Amerikaanse staffordshire, een fila brasiliero, een akita inu, een
rottweiler, een pitbull, een Leuvense schoothond, een Brusselse
schroothond, een stratton….Niets mocht baten. Al mijn voorstellen werden
verworpen. Bij wijze van troost kreeg ik wel twee stenen honden die thans
onbeweeglijk kwispelstaarten voor onze voordeur. Mij restte mij enkel aan
te kloppen bij mijn fantasie en een gedicht op te dragen aan de hond, die
ik niet heb.
Mijn hond
-
- Mijn
hond, die hond van mij
- die
halve mens,
- die
mij tot anderhalve maakt,
- is
beter dan mijn beste vriend.
- Mijn
hondse kameraad
- is
een veel ouder dier
- dan
de gebleekte sapiens die ik ben.
- Zijn
pels ruikt ruig en roestig
- naar
de tijd van toen, de oertijd
- en
zijn voorhistorisch wolfs bestaan.
- Hij
draagt nog steeds een muil
- die
ik sedert millennia heb afgelegd.
- Hij
heeft een kwispelende staart
- die
mij al lang geen zorg meer baart.
- Zijn
bruine blik boort
-
schrander in mijn ogen
- en
als ik luister naar zijn hijgen,
-
versta ik ieder van zijn woorden.
- Mijn
hond is steeds onmenselijk trouw
- in
liefde en genegenheid tot in de dood.
-
Begrijpen doet hij mij,
- een
half woord volstaat.
- Hij
is die enige unieke enkeling,
- die
mij bewondert en waardeert,
- ook
tegen heug en meug,
- en
vaak volledig onterecht,
- en
mij ontzettend fel bemint,
- zoals
ikzelf ook steeds mijzelf heb lief gehad.
- Zo
zijn we nu met tweeën om mijzelf
-
hartstochtelijk lief te hebben,
- te
koesteren en te beminnen.
-
- Mijn
hond zal waken op mijn graf
- en
kreunen, janken, blaffen,
-
huilen in de wind,
- en
razen, razen, razen
- tegen
het sterven van het licht.
- En
wie verstrooid voorbij zal komen
- bij
het vallen van de nacht,
- zal
denken dat ik het weer eens ben
- die
nog een toespraak houd,
-
vooraleer de winden liggen gaan.
-
-
Mark EYSKENS

Voor de wenselijkheid
van
meer menselijkheid.
Er is
helaas geen reden tot gerustheid
"De onrustwekkende
internationale toestand en de ongunstige evolutie van onze economie, met toenemende
werkloosheid, fabriekssluitingen en dalend vertrouwen van de consumenten vergen een
doelmatig, doortastend en bezielend beleid. Voorspoed komt er door moed. We moeten niet zozeer aan de mensen zeggen wat ze
graag hebben, maar vooral wat ze nodig hebben.Dit beleid moeten de christen-democraten kunnen voeren. De dynamische
krachten in onze samenleving, op alle vlakken, moeten worden aangemoedigd opdat, dank zij
solidariteit, alle leden van de maatschappij het beter zouden hebben. Iedereen is immers iemand. En de
wenselijkheid van medemenselijkheid |