Mark Eyskens politiek economie literatuur Français
kunst politiek stel uw vraag nieuws Français
 


Actueel

Opleiding

Levensschets

Academische activiteiten

Prijzen

Politieke activiteiten

Economische activiteiten

Culturele activiteiten

Auteur en publicist

 
AUTEUR en PUBLICIST

 

PE01443_1.wmf (18680 bytes)

  • Auteur van meer dan 38 boeken, waaronder :

  • De rationalisatie van het gedrag van de consument' ,Uystpruyst, Leuven, 1962.

  • Inleiding tot de economische wetenschap', collegenota's, twee delen, Wouters, 1965.

  • Micro-economische theorie', collegenota's, twee delen, Wouters, 1966.

  • Economie als tijdver-drijf' De Nederlandsche Boekhandel, 1969.

  • Uitdagingen voor een moderne universiteit', Leuven, 197O.

  • Van gisteren naar morgen, economisch bekeken'; DNB, Pelckmans, 1971.

  • Open brief aan de studenten', Lannoo, 1973.
  •  
  • 'Ambrunetië of het Avondland in de Morgen', DNB,1974.

  • Bouwstenen van de gemengde Economie', twee delen, Standaard wetenschappelijke uitgeverij, 1976.

  • Economie van Nu en Straks', DNB, 1977.

  • Ambrunise ou la quadrature du siécle', Arts et Voyages, 1977

  • Brief aan de Ambrunetiërs', DNB, 1978.

  • Eén Aarde, twee werelden', Min.Ontwikkelingssamenwerking, 1979.
  •  
  • 'Une terre, deux mondes', Min. de la coopération au développement, 1979.
  •  
  • 'Bron en Horizon. Het avondland uit de impasse ', Lannoo, 1985.

  • La source et l'Horizon. Le redressement de la société Européenne', Duculot, 1985

  • Economie voor iedereen', Pelckmans, 1989.

  • Het storende levensverhaal van Professor J.K. Mortal. Een boek over mens en men ', Lannoo, 1989.
  •  
  •  
  • 'Economie pour tous', Labor, 199O.

  • Wegwijs Geld', met R. Dillemans en W. van Gerven, eerste deel, Davidsfonds, 199O.

  • From detente to entente. The impact of the implosion of communism', Minaffet, 199O.

  • Vie et mort de J.K. Mortal, professeur extraordinaire', Albatros, Paris, 1991.

  • Buitenlandse zaken 1989-92. Van confrontatie naar coöperatie', Lannoo, 1992.
  •  
  • 'Affaires Etrangères 1989-92', De la coopération à la confrontation',Créart, 1993.

  • Vaders Dood en Leven', in 'De Memoires van Gaston Eyskens', Lannoo, 1993.

  • Beleving en Belofte. Een Nieuwjaarstijding'. Toespraak van Mark Eyskens op de voorstelling van de Memoires van Gaston Eyskens, Lannoo, 1994.

  • De grote verjaring, van de 2Oste eeuw naar het 3de millennium', Lannoo, 1994.

  • Is verandering vooruitgang ? De maatschappelijke gevolgen van de 3de indus-triële revolutie', Davidsfonds, 1995.

  • Le fleuve et l'océan. Du vingtième siècle au troisième millénaire', Racine, 1995.

    '
  • Lessen voor de 21ste eeuw', eerste hoofdstuk in collectief werk, LeuvenUP, 1995.

  • Gaston Eyskens tussen koning en regent', V. Dujardin, Woord Vooraf, Meulenhoff-Kritak, 1996. 'De reis naar Dabar. Een metafysische thriller', Lannoo,1996.

  • L'affaire Titus. Métaroman', Racine, 1998.

  • De Lust der verbeelding', Lannoo, 1998

  • Er zijn geen economische problemen. Pleidooi voor een meta-economie', Davidsfonds, 1999
  • Democratie tussen spin en web', Leuven Universitairev pers, 1999.,
  • Leven in tijden van Godsverduistering', Lannoo, 2001
  •  
  • Geloof en Hoop, Universitaire parochie, 2002
  •  
  • Het verdriet van het werelddorp', Davidsfonds, 2001
  • Het hijgen van de geschiedenis, Lannoo, 2003
  •  
  • De houdbaarheid van de welvaartsstaat. De onmogelijkheid van het noodzakelijke, VKW, 2004
  •  
  • Omdat wij van de avond nooit genezen. Een poëtische kroniek, Davidsfonds, 2004
  •  
  • De Oude Prof en de zee. Tweespraak over zin en zijn . Lannoo, 2005
  •  
  • Le vieux prof et la mer. le sens d'une quête de sens. Racine, 2006

 

 

°

  • Schreef een duizendtal artikels in tijdschriften en kranten en bijdragen in  verzamelwerken. Hiervan kon de volledige lijst niet worden opgesteld. Een gedeeltelijke lijst kan worden geraadpleegd in de computer-catalogus van de bibliotheek van het Parlement.

  • Columnist 'de Ondernemer', Tijdschrift VKW, 1964-71.
  • Columnist Knack-magazine, 1969-74
  • Medewerker 'De Kroonraad', Knack, sedert 1996.
  • columnist Trends Tendaces
  • Medewerker Tertio

  • Hield 7000 à 8000 toespraken, spreekbeurten en lezingen voor verenigingen, congresen, colloquia en op bijeenkomsten in binnen- en buitenland.

  • Houder, maar niet drager van BINNEN- EN BUITENLANDSE ERETEKENS EN ONDERSCHEIDINGEN.


  • Hobby's: schrijven, literatuur, klassieke muziek, fotografie..
    Schilderen, met tentoonstellingen te Leuven, Knokke, Brussel, Antwerpen, Hasselt,

BD05033_.wmf (28810 bytes)


   
"omdat wij van de avond nooit genezen....."

Davidsfonds 2004

 

 

PROLOOG

 

 Lang heb ik geaarzeld voorleer dit boek te publiceren. Het handelt immers over de meer onzichtbare binnenkant der dingen, over de innerlijkheid van ons mens-zijn, die iedereen op zijn manier beleeft. Indrukken uitdrukken en vrij geven heeft iets exhibitionistisch, vooral als de auteur in een vorig leven een publieke figuur is geweest en te kijk heeft gestaan. En in een democratie, die wel eens tot emocratie verwordt, moet je zuinig omspringen,  niet zozeer met je gevoelens, wel met het tonen ervan, vooral als ze geveinsd zijn of als er die verdenking op rust of als ze worden gepercipieerd als een te doorzichtige poging om je imago te verfraaien.

Wat er mij toe gebracht heeft mijn eigen drempelvrees te overwinnen, is mijn ervaring en overtuiging dat de meeste mensen vroeg of laat in de loop van hun bestaan en in hun meest intieme ' ik' met hetzelfde bezig zijn: met  vragen naar de zin van leven en dood, van liefde en lijden. Deze bezigheid en betrokkenheid bieden ons de kans het onderscheid te maken tussen het belangrijke en het bijkomstige en reiken ons de mogelijkheid aan heel veel dagelijkse problemen en vragen te relativeren. Een van de paradoxen van deze tijd bestaat er juist in dat we het pietluttige verabsoluteren en het fundamentele bagatelliseren, zodat waardenschalen op hun kop worden gezet. De post-moderne mens houdt niet langer van grote verhalen, inspirerende idealen en hoge beginselen. Hij dweept met de modieuze gedachte dat de geschiedenis is beëindigd en dromen gevaarlijk zijn. Toch zijn alle zeven de kunsten op een of andere wijze, rechtstreeks of onrechtstreeks, bewust of onbewust verwijzingen naar of uitdrukkingen van de existentiële levensvragen, ook al wordt de formulering ervan niet zelden tot het uiterste gebanaliseerd. Vooraleer de literatuur, de romankunst en de poëzie vinden hun inspiratie in zins- en zijnsvragen. De lezer zal in een goed boek of een voor hem treffend gedicht de verwoording en uitwerking vinden van gevoelens en bevragingen, van angsten en onzekerheden, van geloof en hoop, die ook bij hem opwellen en leven. Het geeft hem troost en stemt hem vaak tot innerlijke vreugde in geschriften van anderen de bevestiging te vinden van de problemen, die ook hem kwellen maar die hij niet in staat is 'zo' te verwoorden. Hierbij lijkt poëzie een belangrijk medium te zijn. Het heeft mij steeds aangetrokken en gefascineerd nog tijdens mijn jeugdjaren. Felle emoties, rake indrukken, beklijvende herinneringen vinden in een  dichterlijke vormgeving de meest geschikte uitdrukkingsvorm. De poëzie wordt dan de spontane maar gepaste bedding voor gevoelsstromen.

Ondanks een druk en soms drukkend beroepsleven heb ik in de smalle spleten van agenda's of soms tijdens al dan niet saaie vergaderingen, ellenlange spreekbeurten, in vliegtuigen of auto's,  gepoogd emoties en indrukken neer te pennen, vluchtig en in klad, een soort verbale schetsen, die dan op rustiger momenten konden worden uitgewerkt. Terwijl vrienden en collega's gingen fietsen, golf of tennis spelen, was ik doende verbale breiwerken in elkaar te haken en vaak weer uiteen te rafelen. Bij wijze van compensatie kocht ik mij weliswaar een kamerfiets, maar ik beken dat de kilometerwijzer sedert eeuwen nog steeds 35 km. aanwijst. Schrijven was, wat mij betreft, veel terapeutischer. Na verloop van decennia had ik talrijke kartonnen dozen gevuld met min of meer poëtische teksten en gedichten, die ik aan de harde schijf van mijn PC heb toevertrouwd. Politieke 'Memoires' zal ik niet schrijven. Ik heb immers niets te verbergen. Wel schreef ik talrijke boeken waarin ik beleidservaringen en maatschappelijke analyses heb verwerkt en zelfs twee romans, om mij af  te reageren. Het grote oordeel van de romanvorm en dus de fictie is dat je je romanhelden standpunten kunt laten innemen die sterk afwijken of zelfs haaks staan op je eigen mening en overtuiging.

Wat ik nu opdelf, na een oppoetsbeurt, is evenwel van een totaal andere aard. Het zijn emoties en expressies, indrukken en hun uitdrukking, wat verbaal smeedwerk waar jezelf plezier aan beleeft, woordvlechtwerk dat het zitten in de schommelstoel van het dagelijks leven wat vergemakkelijkt. Voor mij was deze bezigheid, zoals schilderen, helend. Een heelkunde die tot totale  genezing leidt, zou  -  wat mij betreft - evenwel een grondiger behandeling hebben vereist, maar, zoals ik in dit boek ergens schrijf:  'Ik heb gen tijd. De tijd heeft mij'.

Mijn persoonlijke omgang met poëzie is de laatste decennia steeds critischer geworden, wat niet belet dat ik een lotusetende poëzielezer ben gebleven. Zoals in veel kunsttakken heeft ook in de poëzie de regulerende vormelijkheid van ritme en rijm de plaats moeten ruimen voor de ongebreideldheid van de ongeremd creatieve verbeelding. Op zich is dat een positieve evolutie want zonder creativiteit is er bij bepaling nooit kunst. Het gevolg hiervan is evenwel dat veel hedendaagse poëzie, waarvan de productie overigens onrustbarend toeneemt begint te lijken op een verbale brij van toevallig bijeen geharkte woorden en zinsflarden, zonder kop noch staart. Er zijn reeds software programma's op de markt die via de PC continu 'poëzie' spuien, zoals worst door gerobitiseerde automaten wordt aangemaakt. Veel hedendaagse gedichten zijn voor de lezer volkomen onverstaanbaar en ondoorgrondelijk en ontsnappen aan elke poging om er een touw aan vast te knopen.  Onverstaanbaarheid wordt geacht de diepgang te verbergen. Sporadische duidelijkheid van het poëtisch discours is dan te wijten aan een voorbijgaande verstrooidheid van de dichter die er niet in geslaagd is zijn zieleroerselen hermetisch af te sluiten, ook al schrijft hij erover. Het is juist dat dichtkunst te maken heeft met de verwoording van het onzegbare en het onuitspreekbare en dat hierin een grote padox schuil gaat, die de dichter mentaal, psychisch en soms fysisch ondervindt en ondermijnt. De impasse van het 'writer's bloc' van de dichter, gezeten  voor de maagdelijk witte pagina, is hiervan de tragi-komische illustratie. Het wereldbeeld is ok grondig gewijzigd en de wetenschap heeft hier machtig an bijgedragen. Meest opvallend is die invloed wellicht in de schilderkunst waar de kunstenaar soms verwijst naar elementen van de microcosmos, die aan onze blikken ontsnappen, erger die onze zintuigen misleiden ( zoals o.m. de quantumfysica aantoont). Komt daarbij dat het wereldgebeuren in een wereld die ons dorp is geworden bijzonder tragisch is, door de media wordt getoond en vaak uitvergroot. Veel levenservaringen maken een onsamenhanhgende en verhakkelde indruk en de kunst, inclusief de literatuur is hiervan het klankbord. De relatie tussen de kunstenaar en de belangstellende kunstminnaar  -  de toeschouwer, de lezer, de toehoorder – is ook grondig gewijzigd in de hedendagse samenleving. De kunstminnaar krijgt een meer actieve rol toebedeeld, treedt uit de passiviteit van iemand die ondergaat en wordt evrondesteld meer actief aan het kunstwerk zijn medewerkuing te verlenen. Dit kan voor gevolg hebben dat met name in de poëzie de lezer het gedicht meemaakt, in de dubbel betekenis van meebeleven en meescheppen. Vandaar dat de interpretatie van het kunstwerk in hoofde van de indidviduele 'kunstgebruiker' zo belangrijk wordt. De kunsgytenaar reikt vaak verschillende mogelijke betekenissen, zingevingen, bedoelingen, ervaringen aan waar de kunstminnaar kan uit kiezen. De kunstenaar wordt aldus iemand die zich inschrijft in een soort democratiserinsgproces van zijn scheppingswerk, vermits hij dit  openstelt voor anderen.  Maar een zaak is zeker: elke echte kunst legt een weg  - soms kronkelig – of een laan – soms heel rechtlijnig  -  aan naar de andere en het Andere.  Kunst die dat n kiet doet, door extreem hermetisme  is dysfunctioneel  en wordt als en zwart gat, waaruit het 'licht' niet langer kan ontsappen. 

Mijn stelling is dan ook dat alle kunsten een relationele functie hebben, van interindividuele, vaak van maatschappelijke aard en dat de kunstenaars, die naam waardig, daardoor en in die zin een onontkoombare verantwoordelijkheid hebben op te nemen. Zoniet wordt kunst steriele zelfbevrediging. Deze stelling is zeker niet politiek. Dit is geen pleidooi voor verregaand ideologisch of levensbeschouwelijk engagement in de kunstuitingen, ofschoon dit niet a priori hoeft veroordeeld. De mededeelzaamheid van en in de kunstuiting lijkt mij essentieel omdat kunst er niet alleen is voor de anderen maar ook door de anderen. We zijn maar 'ik' voor zover we ook 'wij' zijn. Mededeelbaarheid betekent niet noodzakelijkerwijze univoke éénzinnighied, maar wel in elk geval meerinzinnigheid, die de kunstminnaar kan inschatten en invullen door zijn persoonlijke inbreng.

  Deze niet opdringerige intercommunicabiliteit is een hele opgave en vaak dienen woorden om tactische spelletjes te spelen, een loopje te nemen met de waarheid of eigen meningen en indrukken te verhullen. Toch is de mededeelbaarheidsvereiste levensnoodzakelijk voor het voortbestaan van alle kunstvormen. De vervreemding van een deel van het publiek voor 'moderne' kunst, vooral in de schilderkunst en de muziek,  is juist te wijten aan vormen van hermetisme, die bovendien erg elitair overkomen omdat ze het waarderen van het kunstwerk onmogelijk maken voor niet ingewijden of voor snobistische kunstpromotoren.

Het bovenstaande wil natuurlijk niet zeggen dat het publiek geen inspanning moet doen om de artistieke boodschap te verstaan. Elk kunstwerk, die naam waardig, resulteert uiteindelijk uit een dialectische relatie tussen de kunstenaar en de lezer, tussen de schilder en de toeschouwer, tussen de componist en de musiscus enerzijds en de luisteraars anderzijds. Maar die relatie moet mogelijk worden gemaakt door de kunstenaar.

Derhalve ben ik een hardnekkig tegenstander van de 'allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie' verheven tot heilig principe van grensverleggende en creatieve kunstzinnigheid. Ik heb althans op mijn manier – my way -  een inspanning gedaan om zo begrijpelijk mogelijk te formuleren wat mijn ervaringen, emoties, indrukken en verlangens zijn geweest in de vele situaties die mij er hebben toe aangezet er te hebben.  Bij veel teksten heb ik nog eens een extraduiding neer geschreven waarbij omstandigheden of bedoelingen worden verduidelijkt

Wat de vormelijkheid van het dichten betreft ben ik de mening toegedaan dat je geen slaaf moet zijn van rijm- en ritmedwang. Wel is het zo dat versmaten en rijmen de schrijver tot een discipline dwingen die niet noodzakelijkerwijze fnuikend hoeft te zijn. De zoektocht tijdens de woordsmederij naar rijmen, alliteraties en versvoeten doet de dichter soms woordspelingen en vooral beelden en metaforen ontdekken die hij tijdens een prozaoefening nooit zou hebben gevonden. Maar ook de lezer wordt vaak op het spoor gezet door de ritmering en rijmsonorisatie van het gedicht. Waar is de tijd dat de schoolgaande jeugd  gedichten van  'grote' auteurs  van buiten diende te leren? En daar ook in slaagde, iets wat met de meeste hedendaagse poëzie totaal uitgesloten is.

Voorliggende boek is een bloemlezing van indrukken die gedurende een halve eeuw werden gezaaid, vaak aanvankelijk hortend en stotend uitgedrukt, daarnaa moeizaam verwoord en bijgewerkt. Indrukken van ontmoetingen, gewisselde blikken, belevingen, ervaringen,  bevragingen, ontboezemingen, flitsen van hoop en wanhoop.  De vormgeving is een mengvorm van proza- en dichterlijke formulering, een soort 'proëzie' of 'poëza' een sedert tientallen jaren door mij clandestien beoefende literaire stijl, die niet gemakkelijk is en waarmede paden worden bewandeld die bezaaid zijn met valkuilen en keien waarin de auteur kan terecht komen of waarmede hij kan worden bekogeld. De teneur van wat ik bij wijze van zelfreiniging en zelfgenezing heb neergeschreven is nu eens romantisch, soms belijdend, dan anecdotisch, ironisch en sarcastisch en bijwijlen tragisch en elegisch. Voor de lezer kan dit alles lijken op enigszins willekeurige reflecties en  ontladingen. Toch schuilt er samenhang in het aangeboden vlechtwerk van indrukken. Alle behandelde onderwerpen hebben op een of andere wijze te maken met de vier onontkoombare existentiële thema's, waarover hierboven sprake: 'leven, liefde, lijden en dood' en de vragen die hieruit oprijzen: wat is het leven?  Wat doen we ermee?  Moeder, waarom leven wij? Wat is de dood?  Heeft hij zin en tot wat dient hij?  Wat is de liefde?  Waarom houden we ervan?  Wat is het lijden?  Heeft het een zin?  En wat doen we er aan? 

Ik heb er een ogenblik aan gedacht de uit mijn voorraad gebloemleesde gedichten en teksten op te delen in thematische rubrieken, maar ik heb daar uiteindelijk aan verzaakt omdat dit een wat kunstmatige rangschikking zou geworden zijn. Want de teksten -  net honderd in aantal  -  die voorliggen zijn gegroeid uit flarden van woorden en zinnen die zelf zijn aangespoeld met de vloed en de ebbe van het dagelijkse leven.  Ik heb ze laten liggen als keien op het strand.

Het menselijk leven, omdat het zich voltrekt aan min of meer bewuste mensen, blijkt een vreemdsoortige en raadselachtige spanning te openbaren tussen 'zijn' en 'worden'. Zo heb ik het persoonlijk ervaren als ik al het bijkomstige wegsnoei. Ons mens-zijn is mens-worden, zowel in biologische als in geestelijke zin. Hij is niet af en in het bewustzijn van zijn onvoltooidheid put hij willens nillens veel troosteloosheid maar ook vurigheid en kracht.  Dat de mens een ex-dier is bewijst de wetenschap en bewijst de mens nog elke dag door zijn onberedeneerde, impulsieve en vaak agressieve gedragingen. De mens is een deel van de natuur maar hij ervaart ook, als hij zijn ingebouwde voelhorens uitsteekt, dat er in de mens verlangens groeien die de natuur overstijgen: zijn streven naar goedheid, liefde, rechtvaardigheid, waarheid, schoonheid, naar deugden  - om een wat verouderde formulering te gebruiken -  die in het natuurlijk dierlijke leven niet voorkomen. Bovendien ervaart hij dat zoiets als liefde, rechtvaardigheid en schoonheid niet vatbaar zijn voor verwetenschappelijking, in die zin dat er geen mathematische formule betstaat, geen algoritme of wiskundige functie die liefde, goedheid, schoonheid en rechtvaardigheid vermogen te vatten, uit te drukken, voorspelbaar en toepasbaar te maken. Het gaat om waarden van en voor de mens, die hem tevens overstijgen. De liefde, met hoofdletter 'is' maar ze 'bestaat' enkel in liefdevolle mensen. Zij roept dus om menselijke belichaming. Dan slechts wordt ze werkelijk en menselijk omdat ze wordt gesitueerd in een tijdruimtelijke situatie, onderhevig aan wording (of ontwording). En toch zendt die liefde signalen uit van transcendentie, al was het maar omdat ze ons in staat stelt tijd en ruimte te overschrijden. We zijn bekwaam iemand lief te hebben die al jaren overleden is of die als tegenvoeter leeft aan de onderkant van de aarde of – weldra – op een andere planeet.

Wij ervaren met enige inspanning het enigmatisch onderscheid tussen 'zijn' en 'bestaan' en dus tussen 'zijn' en 'worden'.  Nog meer bevreemdend is dat ons worden, dat een onvervreemdbare toekomstdimensie inhoudt, een verleden openbaart dat onomkeerbaar 'is'. Al wat we doen, ten goede en ten kwade, zullen we morgen gedaan hebben in de verleden tijd. Ons worden mondt uit in 'geworden zijn' en uiteindelijk in geweest zijn. Ons leven laat een spoor na dat onuitwisbaar is want ons dagelijks 'zijn' wordt 'geweest zijn'. Het drukt een onvergankelijk want buitentijdelijk merkteken in het zijn en heeft daardoor een tijd en ruimte draagwijdte dimensie. Geweest zijn kan niet meer worden ongedaan gemaakt noch omgekeerd.  Dit is een metafysische evidentie, die een groet invloed zou moeten hebben op het menselijk gedrag en die trouwens een echo vindt in  levensbeschouwingen en godsdiensten. 

Een geleefd leven houdt op te worden, is geworden en stolt als het ware in een onveranderlijk 'zijn'. Onze toekomst is ons verleden, namelijk geweest 'zijn' en daardoor treden in het Zijn. De keien op het strand die door de ebbe en de vloed van het menselijke leven worden aangespoeld liggen er definitief. Goethe schreef: 'stirb und werde'. Deze weliswaar treffende uitspraak lijkt mij op een dichterlijke vrijheid te berusten. De mens sterft niet om te worden. Hij leeft om te worden en sterft om te zijn. De inhoud van dit boek, wat geschreven werd op en tussen de regels,  het zegbare en het onuitspreekbare draag ik op aan allen die met mij deze overtuiging willen delen en beveel ik aan bij wie een andere mening delen.            

 

            Mijn grote dankbaarheid gaat uit naar het Davidsfonds en zijn uitgeverij die andermaal een boek van mij hebben willen uitgeven. Ik dank vooral mevrouw Katrien de Vreese en haar medewerkers voor hun begrip en hun bijzondere zorgvuldigheid en toewijding.

 

                                                                                  Mark  EYSKENS

                                                                      

            Leuven, maart 2004 

 

 

 

 

 

 

    

DEMOCRATIE IN DE  KENNIS-   EN  NETWERKMAATSCHAPPIJ

al de hiermee verband houdende thema's komen aan bod in EYSKENS' boek:
'Democratie tussen spin en web'.
Universitaire Pers Leuven, 250lz.


De aan de gang zijnde post-industriële revolutie, die de kennis- en de netwerk-maatschappij in het leven roept, heeft een determinerende invloed ook op de democratie en haar functionering.

1. De kennis- en netwerkmaatschappij privilegieert de ontwikkeling van democratie en markteconomie, in een grensoverschrijdend wereldgeheel en verenigt beide in een binoom: markt+democratie of marktdemocratie. Tevens blijkt ze autoritaire politieke regimes en centraal geleide economische systemen ten gronde te richten.

2. Informatie-explosie en wereldwijde netwerkverspreiding bevorderen het paradigma van het ‘horizontalisme’ (solidariteit, internationale samenwerking, eenmaking, multiculturaliteit, een ‘wij-gevoel’), ten koste van het verticalisme en derhalve de gezagsstructuren, de overheid, de theocratie - de waarheid komt van God -, de religie, de dogma’s, de transcendentie, de autoritaire ethiek, het huwelijk, het gezin, de organisaties, de partijen ....

3. Bovenstaande evolutie, vaak op het niveau van het individuele en collectieve onderbewustzijn, verwekt angstreflexen en afstotingsverschijnselen die een bedreiging vormen voor de democratie: onverdraagzaamheid, nationalisme, economisch protectionisme, xenofobie, fundamentalisme...

4. Na de implosie van het communisme, is de democratie in de wereld nooit zo populair geweest. Maar het wegvallen van een externe bedreiging (het anti-democratische en expansieve communisme) verzwakt de democratie. Haar functioneringsgebreken worden sterker benadrukt. Bovendien blijkt de wet van de entropie, die de wet is van het verval, vaardig te worden over respectievelijk democratie (demagogie, gebrek aan verantwoordelijkheid, profitariaat, corruptie) en markteconomie (scheeftrekking van concurrentie, monopolisering, grensoverschrijdende multinationalisering van bedrijven).

5. De burger krijgt de indruk dat hij niet meetelt. Hij is een klein rad in een complex maatschappelijk raderwerk, beheerst door Men, een anonieme en ondoorzichtige bestuursmacht, die een soort cybernetica in het leven roept (de vermenning). Een algemeen gevoel van machteloosheid ondermijnt de geloofwaardigheid van het representatief karakter van de democratie (reegring en parlement). De beschermende natiestaat brokkelt af en verliest zijn soevereiniteit in een wereld die een dorp is geworden.

6. Technologische innovaties bevorderen vormen van rechtstreekse democratie: televoting, opiniepeilingen, volksraadplegingen, referenda, invloed van internet, heerschappij van de visuele media, telecratie. Dit fenomeen verzwakt de volksvertegenwoordiging (en zijn zondebok-functie) en de particratie. Het voortschrijdend individualisme heeft voor gevolg dat iedereen zijn eigen partij, zijn eigen kerk, zijn eigen vakbond wordt.

7. Een hele reeks averechtse effecten (crowding out) treedt evenwel op:

    7.1. Overinformatie leidt tot desinformatie. De visuele media tonen enkel het zichtbare gebeuren waardoor de werkelijkheid wordt gereduceerd. Deze reductie wordt versterkt door de beklemtoning van het spectaculaire en het slechte nieuws (bad news drives out good news).Het bijkomstige wordt verward met het essentiële. Er is ‘onlezing’.

    7.2. De kennismaatschappij produceert ook veel onwetendheid door het optreden van de wet van de afnemende relatieve kennis. Het gekende stijgt lineair; het kenbare stijgt exponentieel. Tussen beide ontstaat een kenniskloof, die buitengewoon frustrerend is (elke specialist is een Beotiër in alle ander domeinen) en leidt tot veel simplismen en misvattingen.

    7.3. De creatieve kennismaatschappij heeft de meest schrandere mensen nodig voor de belangrijkste taken. Het maatschappelijke selectiemechanisme neemt steeds meer de vorm aan van een verstandstest ( meerkeuze-examens in het onderwijs). Er ontstaat een soort dictatuur van het IQ, waarbij de linker staart van de distributie (the bell curve) voorbestemd is voor inferieure taken en werkloosheid (de duale maatschappij en het trechter-effect).

8. De representatieve democratie heeft af te rekenen met verregaande politieke ongeletterdheid. De burger heeft de grootste moeite met het verwerven van inzicht in de grote maatschappelijke en internationale problemen en uitdagingen. Hij is bovendien gedemotiveerd, vermits hij beseft dat hij toch ‘niets te zeggen heeft’. Hij wordt politiek indifferent, zoniet vijandig. Of geeft zich over aan de anti-politiek die een ‘ander’ systeem aanprijst (een ‘nieuwe orde’). De politicus is zelf ook slachtoffer van relatieve onkunde. Hij kent immers enkel zijn eigen vakgebied. Er is niet zozeer een kloof tussen de burger en de politicus (op menselijk vlak zijn, vooral in kleine landen, de contacten goed en intens). Er heerst wel een gapende kloof tussen de burger en de politiek. Dat vormt een bedreiging voor de representatieve democratie.

9. De democratie worstelt met het dilemma: meer gelijkheid (en dus meer sociaal gerichte herverdeling) of meer vrijheid. Of nog: meer rechtvaardigheid of meer groei en welvaart. Of: allemaal gelijker maar minder rijk of allemaal rijker maar ongelijker. Dit dilemma houdt economen en politologen sedert decennia bezig. Het wordt geanalyseerd aan de hand van de theorie van het Pareto-optimum en de speltheorie. De practische conclusie is dat vandaag de meeste democratieën blijkbaar kiezen voor gelijkheid van kansen, veeleer dan voor gelijkheid van (inkomens)-resultaten. Dus iedereen rijker met aanvaarding van min of meer grote ongelijkheden, voor zover ook de armen minder talrijk worden en minder arm. Liberalen en socialisten (van het new Labour-type) vinden zich aldus in het centrum van het politieke spectrum.

1O. De representatieve democratie wordt eveneens gehinderd in haar functionering door de ‘afnemende geluksbreuk’.
Als men het maatschappelijk geluk (welvaart+welzijn) voorstelt als een breukwaarde, met in de teller de bevredigingsmiddelen en in de noemer de behoeften, dan blijkt dat, als de middelen toenemen (dank zij economische groei en wetenschappelijke innovatie) in de teller, de behoeften in de noemer ook toenemen en vaak sneller. Aldus leiden groei en meer welvaart tot meer ontevredenheid, ofschoon de overgrote meerderheid van de bevolking het nooit zo goed heeft gehad (de paradox van onvrede en ontevredenheid). Dit fenomeen weegt sterk op de geloofwaardigheid van het beleid in onze democratieën.

11. Ook moet worden ingegaan op de theory of choice, die wijst op de contradicties in het keuzegedrag van de burgers-kiezers. Er is inconsistentie: een meerderheid wil minder belastingen en meer sociale voordelen en er is niet-transitiviteit, zodra de bevolking moet kiezen tussen meer dan twee opties. Dit leidt tot een paradoxale voorkeurschaal die elke democratische besluitvorming onmogelijk maakt (cfr the voting paradox van J.K. Arrow). Dergelijk gebrek lijkt inherent aan elk enkelvoudig kiesstelsel (one man one vote), of het nu proportioneel of majoritair is.

12. Tenslotte wordt het reilen en zeilen van de democratie in grote mate overschaduwd door het post-moderne relativisme en de waarden-erosie. Er is onttovering van het wereldbeeld (God is dood). Er is onttroning van het mensbeeld ( de mens is een overeind gekropen aap zonder vrijheid). Er is ontluistering van de wetenschap (ABC-wapens) en horizontalizering zonder grenzen... Geweldcultuur, oppervlakkigheid en algemene scepsis, via ultra-mediatisering, krijgen vaak de bovenhand.

13. De remedies

  • minder particratie en ‘ontpartijpolitisering’.
  • minder politiek in de zin van regelgeving; meer verantwoordelijkheid laten aan de civil society
  • minder demagogie en meer pedagogie
  • een ander parlementarisme met meer beslissings- en raadplegingsruimte voor de bevolking
  • Wijziging van het kiesstelsel. Invoering van een meervoudig kiesstelsel (b.v. iedere kiezer krijgt 2O stemmen, die hij kan spreiden naar intensiteit van zijn voorkeur over diverse partijen en kandidaten), ten einde de niet-transitiviteit te doorbreken.
  • Minder Staat maar vooral een andere Staat, die functioneert als arbiter, niet als medespeler (zeker op economisch vlak). Interne en externe subsidiariteit
  • de democratie is niet alleen een kwestie van democratisch kiezen, parlement en regering. Ze dient ingebed in een rechtsstaat die geloofwaardig en doelmatig functioneert (hervorming van justitie en politie) en een samenleving die armoede bestrijdt en sociale solidariteit organiseert
  • meer verantwoordelijkheidsbesef bij politici en kiezers, ook via inspanning van media en onderwijs. Maatschappelijke vorming.
  • meer decentralisatie en federalisering, waardoor het beleid dichter bij de burger komt. En ook meer Europa om de grote beleidsproblemen efficiënter aan te kunnen.
  • Meer ethiek van de verandering en minder verandering van de ethiek. De politieke hamvraag wordt immers: hoe verandering omzetten in menselijke vooruitgang. Dit is een ethische vraag naar het onderscheid tussen goed en kwaad. Alles kan. Maar mag het wel? Een essentiële vraag die bovendien niet via louter democratische besluitvorming kan worden beantwoord.
  • Blijven geloven in de verbeterbaarheid van de mens: het meliorisme, dat weigert te kiezen tussen verlammend pessimisme en beaat optimisme. Onmenselijkheid is een feit. Onmenselijkheid is evenwel geen natuurramp maar een menselijk verschijnsel dat enkel door mensen kan worden gekeerd.
  •  



Mark EYSKENS

 

DE ONMOGELIJKHEID VAN HET NOODZAKELIJKE

Denktank  VKW-publicatie

Conclusies

 

1/ De welvaartsstaat hervormen en actief deelnemen en -hebben aan de vloedgolf van vernieuwing en innovatie die, dank zij de wetenschappelijke vooruitgang de wereld overspoelt, is de vitale en levensgrote uitdaging voor de oude wereld, en derhalve voor de Europese Unie, die sedert een halve eeuw bewijst dat zij wil behoren tot de vernieuwende wereld, in de mate dat zij slijtage- en vermoeidheidsverschijnselen vermag te voorkomen of tijdig weg te werken. Dit 'voorkomingsbeleid' dat ook corrigerend moet optreden, is een enorme uitdaging, hier en nu, morgen en overmorgen, ook voor België en Vlaanderen.

In de eerste plaats is er nood aan een aanpassing van de welvaartsstaat aan de vergrijzing wegens veroudering van de bevolking en aan de ontgroening, wegens te weinig geboorten en te weinig actieven. In de tweede plaats moet alles worden gezet op maatschappelijk dynamiseren, op creativiteit en innovatie. Ten derde moeten armoede en bestaansonzekerheid en de onrechtvaardigheden van allerlei fraudes en misbruiken worden teruggedrongen. Ten vierde moeten de diverse overheden binnen het Belgisch staatsverband worden omgesmeed tot veel efficiëntere beleidsinstrumenten. En tenslotte moet, omdat democratische meerderheidsconsensus zo noodzakelijk is, de desinformatie en maatschappelijke en politieke laaggeletterdheid van het publiek krachtig worden aangepakt.  Een immens, lang volgehouden reformistisch beleid is aan de orde. Een 'toekomstpact' hierover afgesloten tussen de belangrijkste democratische politieke partijen in het land zou vertrouwen wekkend zijn en een perspectief openen op herwonnen doelmatigheid.

 

2/ De alles overheersende beleidsprioriteit voor de toekomst van de economie en welvaart is het behartigen van de innovatorische concurrentie. De Schumpeteriaanse dynamiek van inventie en innovatie moet onophoudelijk worden gestimuleerd. Des te meer als blijkt dat met name in Vlaanderen heel wat menselijk en technologisch potentieel onderbenut blijft. 'L'imagination au pouvoir', zowel wat betreft nieuwe producten, diensten, productiemethoden, commerciële aanpak, design, management, marktpenetratie en verovering in binnen- en buitenland, financiering, imago. Hierboven werden in dit verband talrijke maatregelen gesuggereerd.

 

3/ De bevordering van het innovatorisch concurrentievermogen vereist een absolute prioriteit voor onderzoek en ontwikkeling, ook op organisatorisch gebied. Vlaanderen moet een 'district of creativity' worden. Samenwerking van privé en publieke research, van universiteiten, overheid met ondernemingen en bedrijfsleven is van kapitaal belang, alsmede de begeleidende inspanningen van een doelmatige Vlaamse, Belgische en Europese administratie.

Goedkopere en snellere procedures in verband met de bescherming van intellectuele eigendom zijn zeer nodig.

 

4/ De verantwoordelijkheidszin van het onderwijssysteem en van de media moet worden aangewakkerd met het oog op het promoten van wetenschappelijke en technologische roepingen en de zin voor ondernemerschap bij veel meer jonge mensen. De kennismaatschappij en het ontwikkelen van netwerken – ook grensoverschrijdend – moet maximaal worden gestimuleerd. In de Europese Unie heeft 22% van de actieve bevolking een diploma van  hoger onderwijs. In Vlaanderen is dit 30%, wat zeer goed is. Maar anderzijds telt Vlaanderen 36,1% actieven met een diploma van lager onderwijs, daar waar het EU-gemiddelde  34% bedraagt. En dit wijst op een ernstige tekortkoming.

 

5/ Nieuw ondernemerschap en loopbanen in onderzoek en ontwikkeling (ook binnen de bedrijven) moeten veel aantrekkelijker worden gemaakt, o.m. via investeringsaftrek voor onderzoek, mogelijkheid tot consolidatie van researchuitgaven in bedrijven met binnen- en buitenlandse zetels, gunstige vennootschapsfiscaliteit, fiscale rulings voor onderzoekers.  De definitieve brain drain naar de USA moet worden bestreden met een waaier van maatregelen, zoals een fiscaal gunstregime bij terugkeer. Starters moeten worden aangemoedigd. Mensen die hard werken moeten voldoende beloond worden. Vandaar de noodzaak om de fiscale druk op het arbeidsinkomen van loontrekkenden en zelfstandigen te milderen. Wie in onze stormachtig veranderende economie geen risico's neemt, maakt ook geen kansen. Het nemen van berekende en beredeneerde risico's moet worden begeleid en financieel mogelijk gemaakt.

 

6/ Innovatorisch concurrentievermogen veronderstelt ook betere kostencompetitiviteit wat betreft de loonkosten – fiscaal en parafiscaal -  maar ook  alle andere kosten zoals energie, onderzoek, financiële kosten, patenteren, formaliteiten, leefmilieubepalingen, de beschikking over industrieterreinen, enz…Verlenging van de werkweek tot 40 uren en vermindering van de opzegtermijnen en ontslagvergoedingen moeten bespreekbaar worden, waarbij moet worden uitgegaan van het draagvermogen van elke onderneming.

 

7/ De bevordering van het innovatorisch concurrentievermogen is ook van zeer groot belang voor de meer traditionele industriële setoren, waarin België en Vlaanderen sterk staan. Veel bedrijven in deze sectoren zijn arbeidsintensief en lijden onder veel te hoge arbeidskosten en een slecht werkende arbeidsmarkt, vooral wegens gebrekkige flexibiliteit. De kostenevolutie bij onze Europese buurlanden, die onze grootste klanten maar ook onze grootste concurrenten zijn, is hierbij richtinggevend. Verlaging van de fiscale en para-fiscale druk zijn hier essentieel. De alternatieve financiering van de sociale zekerheid in de kostendekkende sectoren (kinderbijslagen en gezondheid) moet worden verruimd (boven op 15 miljard euro die vandaag reeds naar de RSZ vloeien buiten de werkgevers- en werknemersbijdragen). BTW- en accijnsverhogingen, al dan niet gecombineerd met een energiebelasting en een algemene sociale bijdrage – het laatste zijnde helemaal geen first best-oplossing -  kunnen circa 5 miljard euro genereren zonder al te grote macro-economische storingen. Wel vereist dit niet-doorberekening in de index van de uit de doorgevoerde belastingverhogingen voortvloeiende prijzenverhogingen en de niet-verhoging van de lonen als gevolg van de daling van de werkgeversbijdragen. De herplafonnering van de sociale bijdragen is gewenst.

 

8/ Groei blijft een bijzonder belangrijk objectief voor de hele economie. Om die reden is het nodig de productiviteit, die wat verzwakt in Vlaanderen, op te trekken. Middelen moeten worden vrij gemaakt om meer te investeren in O&O, ook van overheidswege, om de mobiliteit, de communicatie-technologieën en de infrastructuur te verbeteren en netwerken uit te bouwen. Ook KMO's kunnen actief betrokken worden bij innovatie. Meer overheidsgelden inzetten voor welzijn en cultuur zijn ook sociaal en economisch verantwoord omdat het om sectoren gaat waarbinnen de tewerkstelling kan groeien en die de creativiteitsmentaliteit bevorderen.

Voor een klein land is de exportpromotie van wezenlijk  belang, alsmede het aantrekken van buitenlandse investeerders en het in stand houden van een klimaat dat met name multinationals gunstig gezind is. De concurrentiekracht van de regio Vlaanderen moet met alle middelen worden bevorderd, zodat Vlaanderen weer opnieuw gaat behoren tot de economisch sterkste gewesten binnen de EU. Grensoverschrijdende samenwerking tussen regio's kan ook buitengewoon dynamiserend inwerken.

 

9/ Sectorale CAO's moeten zoveel mogelijk worden vervangen door bedrijfsCAO's, waarbij de sociale partners hun verantwoordelijkheden opnemen per onderneming. De noodzaak langer te werken bij constant loon verschilt van bedrijf tot bedrijf. Algemene regels kunnen allerlei distorsies veroorzaken. Talrijke andere maatregelen met het oog op het flexibiliseren van de arbeidsmarkt moeten ernstig worden overwogen (zie supra), zoals het verkorten van de opzegtermijnen voor bedienden en het fuseren van arbeiders- en bediendenstatuten.

 

10/ De vergrijzing is een enorme bedreiging wat betreft de toenemende gezondheids- en pensioenkosten. De brugpensioenen moeten geleidelijk worden afgebouwd. De wettelijke pensionering moet optioneel worden gemaakt en cumulatie van activiteiten en bijverdiensten moeten worden vrij gemaakt. Langer loopbaanwerken moet worden aangemoedigd.

De tweede en derde pensioenpijler moeten meer worden uitgebouwd en derhalve kunnen bogen op krachtiger fiscale aanmoedigingen.

 

11/ De werkloosheid moet sterker gecontroleerd in het raam van een begeleidingsbeleid van de werklozen. Langdurige werkloosheid moet worden beëindigd. Onoplosbare gevallen moeten worden overgeheveld naar de OCMW's, waarbij leeflonen enkel worden toegekend na een onderzoek inzake de bestaansmiddelen van de belanghebbende. De beroepsopleiding moet meer worden afgestemd op de knelpuntberoepen – er zijn er momenteel 150 – waarvoor geen werkkrachten opdagen.

 

12/ Uitkeringen inzake o.m. ziekteverzekering dienen degressief te worden gemaakt in functie van het inkomen van de verzekerde. Een groter wordende franchise naar gelang van de hoogte van het belastbaar inkomen moet leiden tot een geleidelijke 'decollectivisering' van de ziekteverzekering voor de hoogste inkomens.

 

13/  Een strenger en selectiever sociaal beleid mag nooit de welvaartsstaat in zijn wezenlijke functionering aantasten. Sociale protectie voor sociale gevallen in de ruime zin blijft noodzakelijk. Vandaar de wenselijkheid om een armoede- en precariteitsindex in te voeren. Wetenschappelijke methoden maken het mogelijk om op geregelde tijdstippen in België de bestaande armoede (b.v. wanneer het beschikbaar inkomen lager uitvalt dan de helft van het mediaan inkomen) of de bestaansonzekerheid of precariteit (dit is geen onmiddellijke armoede maar grote kwetsbaarheid zodra zich een loopbaan- of gezondheidsprobleem voordoen) te meten. Die index zou op geregelde tijdstippen dienen gepubliceerd. En bij stijging van de indexwaarde zouden de federale en regionale overheden de mogelijkheid krijgen, via een kaderwet die bevoegdheden delegeert (bijzonder machten), onverwijld in  te grijpen ten einde de nodige correcties aan te brengen. Een armoede-indexbeleid kan ook  als richtlijn dienen bij het uitstippelen van een solidariteitsbeleid met en tussen de regio's. De zgn. miljardenstroom van Noord naar Zuid, getoetst aan de armoededivergentie tussen Vlaanderen en Wallonië, leidt tot een andere beeldvorming, die samenwerking bevorderend is.   

 

14/ De fiscale en sociale fraude moeten veel resoluter, hardhandiger en efficiënter worden aangepakt. Het toekennen van fiscale amnestie op het ogenblijk dat de sociale uitkeringen selectiever moeten worden toegekend, is niet verantwoord. Fiscale fraude kan worden ontmoedigd door een reeks uitgaven van particulieren inzake bouw, renovatie, onderhoudswerken en aankoop van huismaterialen fiscaal aftrekbaar te maken.

 

15/  Een beleid van selectieve officiële immigratie – smart immigration - dringt zich op, liefst in het raam van een Europese coördinatie. Het huidige zero-immigratiebeleid is onhoudbaar. Het opkrikken van de actieve bevolking via het verhogen van de fertiliteitsgraad werpt slechts resultaten af op lange termijn. De huidige clandestiene immigratie leidt tot een optelling van nadelen: zwart werk, geen bijdragen aan RSZ en belastingen, afwezigheid van sociale bescherming, discriminatie en exploitatie, aanspreekbaarheid door criminogene milieus. Zowel hooggekwalificeerde als laaggeschoolde arbeidskrachten beantwoorden aan de noden van de arbeidsmarkt. Het argument dat aldus belangrijke werkkrachten worden weggehaald uit landen van de derde wereld gaat niet op, zolang in die landen grote (meestal verdoken) werkloosheid heerst. Bovendien is de rapatriëring van de inkomens die deze mensen hier verdienen een stimulans voor de lokale economie.

 

16/  Recente wetenschappelijke studies wijzen uit hoezeer een doelmatige overheid op politiek en administratief vlak essentieel is bij het uitstippelen van een afdoend beleid. Depolitisering van de overheidsbenoemingen, deskundigheid van het personeel (te beginnen met het politieke), lange termijnvisies, enz… zijn van levensbelang.

Administratieve vereenvoudiging en deregulering zijn absoluut vereist. Vooral inzake ruimtelijke ordening en milieubeleid dient een bedrijfsvriendelijker houding aangenomen. Dit geldt uiteraard ook voor de landbouwbedrijven. 'Minder Staat' is een slogan. Wat wel moet is een 'andere staat', die op een afdoende wijze het 'economisch verkeer regelt, steeds meer in een Europees kader, maar niet 'achter het stuur' van de ondernemingen plaats neemt en aldus het privé initiatief in de weg staat.

 

17/  De Belgische staatsstructuren, resultante van conflictpreventie en conflicteliminatie

dragen de kenmerken sedert 1970 van opeenvolgende staatshervormingen die via noodzakelijke maar niet steeds logische en doelmatige compromissen tot  kolossaal ingewikkelde structuren hebben geleid. Zes regeringen, evenveel parlementen, 57 ministers en staatssecretarissen, politici die jo-jo-spelen met de diverse beleidsniveaus waartoe ze kunnen verkozen worden, gebrek aan doorzichtigheid en de facto concurrerende bevoegdheden maken een 'ultieme staatshervorming' hoogst gewenst, die het 'deelstatenfederalisme' van het land vaste vorm geeft. Homogene bevoegdheidspakketten inzake tewerkstelling, gezondheidszorg, gezinsbeleid en aspecten van het politioneel beleid samen met de nodige fiscale verantwoordelijkheid moeten naar de gewesten worden overgeheveld. Voorwaarde is wel dat rekening wordt gehouden met het behoud van de nodige economische coherentie binnen de Belgische economische ruimte. Distorsies o.m. inzake vennootschapsfiscaliteit tussen Noord en Zuid kunnen zeer kwalijke gevolgen hebben voor heel wat Belgische bedrijven die 'multiregionals' zijn. Bovendien moet men oog hebben voor de specifieke Brusselse problemen waar het maken van een onderscheid tussen Vlamingen en Franstaligen, met het oog op de toekenning van (verschillende) sociale voordelen, een hachelijke zaak is, die allerlei morele en juridische vragen doet rijzen. De techniciteit maar ook de sereniteit van het debat hierover maakt het wenselijk een voorstel te laten uitwerken door een commissie van experten. Hierbij dient na tientallen jaren van opeenvolgende grondwetsherzieningen een stringent publiekrechtelijk kader te worden gecreëerd voor een echt, hecht coöperatief federalisme: het enige dat kan werken in een  binair land als België en dat van het federale België  in het buitenland een positief en betrouwbaar imago vermag te geven. Communautaire onderhandelingen moeten aanvangen, willen ze doelmatig verlopen, met een aantal 'confidence building' gebaren tussen Vlamingen, Walen en Brusselaars. Aan Vlaamse kant is het belangrijk te verklaren dat de communautaire onderhandelaars geenszins de bedoeling hebben met een nieuwe  staatshervorming België op te blazen of langs wegen van geleidelijkheid af te breken. En van Waalse kant is een intentieverklaring vereist waarin de Walen erkennen dat de verdeling van de bevoegdheden tussen de gewesten en het federale niveau om redenen van efficiëntie aan een ernstige herziening toe zijn en dat wat betreft de Noord-Zuid miljardenstroom een stelsel van meer objectieve en doorzichtige solidariteit dient uitgewerkt. De wil moet bestaan om eindelijk een definitieve staatshervorming te realiseren. 

Naast de overheveling van belangrijke bevoegdheidspakketten naar de gewesten, onder meer inzake tewerkstelling en bijkomende aspecten van het gezondheids- en gezinsbeleid, moeten gedefederaliseerde materies als landbouw, buitenlandse handel, openbare werken en eerlang ontwikkelingssamenwerking door de federale regering worden gecoördineerd naar Europa en de internationale instellingen toe, samen met de gewesten. Overwogen moet worden om in de federale regering één minister uit elk gewest op te nemen, met een coördinerende taak. De federale cohesie zou worden bevorderd door 10 senatoren te laten verkiezen in een (nationale) kieskring gelijk aan België. 

Wat hier wordt voorgesteld veronderstelt maximale symmetrie en minimale asymmetrie tussen de gewestregeringen en het federale kabinet. Bovendien blijkt dat er in België teveel verkiezingen plaats vinden, wat  bijdraagt aan electoralisme, regeringsinstabiliteit en anti-politiek. Indien een wijziging van de samenstelling van de huidige federale regering in 2005 gepaard zou gaan met federale parlementsverkiezingen, zou  men vanaf 2009 opnieuw de federale en gewestverkiezingen kunnen laten samenvallen.

  

18/ Vlaanderen moet een veel krachtiger Brussel-beleid' voeren. Brussel wordt een van de belangrijkste politieke en diplomatieke hoofdsteden in de wereld, onder meer als hoofdstad van een Europese Unie die weldra tenminste 30 lidstaten zal tellen. Ook economisch, financieel en cultureel is Brussel steeds meer een wereldcentrum. The place to be. Een aanwezigheidspolitiek van Vlaanderen op alle domeinen is van het allergrootste belang, onder meer omdat 250.000 Vlamingen alle dagen vanuit Vlaanderen te Brussel hun brood gaan verdienen. Bovendien is Brussel voor de Vlaamse gemeenschap een uitstalraam en een doorgeefluik naar de wereld toe. Franstaligen en Walen voeren een 'Bruxelles-Wallonie'-politiek met een veelzijdige en algehele solidariteit als objectief. Een beleid bedoeld als mogelijk antwoord op een separatistische Vlaamse 'verzelfstandiging'. Want dan zou Bruxelles-Wallonie, inclusief de ruime rand rond Brussel, zich zelf uitroepen tot het (Franstalige) Nieuwe België, hoofdstedelijk gebied van het Grote Europa, met een aantrekkelijk hinterland tot in de Ardennen. Brussel uitbouwen tot een wereldwijd financieel en dienstencentrum is voor de Vlaamse economie uitermate belangrijk. Het verliezen van  Brussel zou Vlaanderen opzadelen met een bijzonder zware handicap en dodelijk verminken. . .

 

19/ De uitdagingen voor Vlaanderen en België zijn enorm en wellicht groter dan voor veel andere EU-landen en -gewesten, omwille van onze grotere kwetsbaarheid. Een  lange termijn 'moderniseringspact' of 'toekomstpact', afgesloten tussen de grote politieke strekkingen in het land dringt zich op. In die context en om redenen van coherentie ligt hierin een  bijkomende reden om symmetrische coalitievormingen in de federale en de gewestregeringen te overwegen. De noodzak om snel in te grijpen en weerstand te bieden aan allerlei drukkingroepen vereist eveneens dat de uivoerende macht(en) in het land zouden beschikken over bevoegdheidsdelegaties  -  bijzondere machten  -  hen toegekend door hun respectieve parlementen.

 

20/ Diepgaand ingrijpen in de werking van de welvaartsstaat en het dynamiseren van de maatschappelijke creativiteit vergen zeer grote inspanningen en zijn een beproeving voor de politieke leiders, in een maatschappij die uitmunt door scepsis, wantrouwen, desinformatie en politieke ongeletterdheid. In een democratie dient het tot niets gelijk te hebben met weinigen. Maatschappelijke leiders, hoe lucide en verantwoordelijk ook, moeten gelijk krijgen van een democratische meerderheid. Realiseren wat noodzakelijk is voor het algemeen welzijn lijkt niet zelden onhaalbaar. De onhaalbaarheid wordt bovendien vaak ingeroepen als voorwendsel voor uitstel, lankmoedigheid, passiviteit, verantwoordelijkheidsvlucht. De huidige, weliswaar wat schuchtere, conjunctuurverbetering  kan aanzetten om resoluut het zo nodige hervormingsbeleid uit te werken en gefaseerd te verwezenlijken.

 

 

Epiloog

 

 

 

De doorbraak van de creatieve kennis als belangrijkste productiefactor is een recent grensoverschrijdend fenomeen, dat wereldwijd kennis-elites in het leven roept. De markteconomie, door haar eigen transnationale, competitieve en antiautoritaire kenmerken, wordt het wereldwijde vehikel van de ICT. Zo wordt de wereld ons dorp. Een nieuw maatschappelijk systeem is groeiende: het informatisme, dat de plaats inneemt van alle andere systemen van de XXste eeuw. Het informatisme is onverenigbaar met communistische en fascistische dictaturen enerzijds maar heeft ook anderzijds verreikende gevolgen voor het liberale kapitalisme en de werking van de markteconomie. Het informatisme decollectiviseert en deprivatiseert tegelijkertijd. Dit ondervindt het oude Europa, zo dierbaar want zo vertrouwd, alle dagen opnieuw. Met de post-industriële ICT-revolutie en het ontstaan van de netwerkmaatschappij levert onze samenleving een belangrijke bijdrage aan wat Pierre Teilhard de Chardin de creatie van een mondiale noösfeer heeft genoemd, een  wereldwijde gemeenschap van kennis en gedachten en verwerking van informatie. Onbetwistbaar is dit fundamentele gebeuren tevens bevorderlijk voor de democratie. Nooit was de vrijheid van mening zo groot onder invloed van de ongeremde uitwisseling van gedachten en ideeën wereldwijd. Via internet wordt de wereld één grote winkelzaak, maar ook een oceaan van inlichtingen en kennis. De informatierevolutie doet de nationale soevereiniteit van de staten weglekken. Nationale regeringen zijn te klein voor de grote aangelegenheden, want die worden internationaal en zelfs supranationaal beslecht; en tegelijkertijd zijn de regeringen te groot voor de kleine aangelegenheden, want die worden toevertrouwd aan gedecentraliseerde autoriteiten. In een dusdanig technologisch muterende omgeving worden ook ondernemingen grensoverschrijdend en dus multinationaal. Velen leiden een nomadisch bestaan; sommigen zijn haast virtueel. Nieuwe vormen van samenwerking tussen bedrijven,  fusies en overnames zijn niet van de lucht. De regeringen en overheidsinstanties op allerlei niveau's zoeken op hun beurt naar samenwerkingsverbanden ten einde greep te krijgen op internationale krachten die for better and for worse de leefwereld van staten, volkeren en personen omwoelen. Daarbij dient gesteld dat mensen niet nomadisch, niet volatiel en niet virtueel zijn en niet mogen herleid worden tot een klein kamwiel in een grote cybernetische machine, maar wel geroepen zijn om samen te leven ten einde samen te werken en aldus meer mens te worden. Een gemeenschap als de Vlaamse en een multicultureel land als België kunnen hierbij een belangrijke zinvolle laboratoriumfunctie vervullen.

De politieke en de economische macht bestaat steeds minder uit macht over een territorium en steeds meer  uit de controle over een netwerk. Zo wordt de macht  ‘gedeterritorialiseerd’ en worden de productieprocessen ‘gedematerialiseerd’. De mondialisering van de technologische vooruitgang, van de economische activiteiten en financiële transacties, reduceert geleidelijk aan de invloed van het blanke Westen – en dit wordt even wennen voor het blanke ras - in het voordeel van andere continenten en beschavingen, die zich volop inschakelen in een nieuwe wereld van communicatie, kennisoverdracht en vindingrijkheid (serendipity zeggen de Britten met een onvertaalbaar woord). De wereld wordt één dorp maar is steeds meer gedecentraliseerd.  Het gaat bovendien om een dorp met 6 miljard inwoners, die het allen materieel even goed willen hebben, aangezien zij weten dat sommigen in de wereld het veel beter hebben.  Dit leidt tot wereldwijde spanningen en misverstanden, weerstand tegen de onvermijdelijke multiculturalisatie, tot moeizame en te trage aanpassingsinspanningen, maar ook tot vormen van internationale klassenstrijd, acuut nationalisme, religieus fundamentalisme, tot afstotingsverschijnselen ten aanzien van wetenschap en technologie en in veel landen tot het ontstaan van een duale maatschappij. De worsteling van nationalisme en internationalisme en van universalisme en particularisme breekt weer door in samenlevingen en werelddelen, wat tot op zekere hoogte de echo is van de tragische geschiedenis van de XXste eeuw en een terugkeer kan inhouden van het verleden. Dit alles voltrekt zich in de zo geroemde kennismaatschappij die ook veel onwetendheid afscheidt en vervalt in extreme simplismen omwille van de complexiteit van de problemen, zodra die door de media als fast news worden aangereikt. Veel scherpzinnigheid en generositeit gaan gepaard met veel ontgeestelijking en individualisme. Een wereld  overweldigd door paradoxen. 

De enige constante van de geschiedenis is de verandering. Alles verandert steeds meer, maar niet alle veranderingen zijn goed. Niet elke verandering is vooruitgang. De ICT-revolutie  is noch ethisch noch on­ethisch. Zij is veel­eer amoreel. De hamvraag is waartoe ze wordt aangewend. De belangrijkste en meest wezenlijke samenle­vingsvraag van de volgende jaren heeft te maken met de ethiek van de verandering. De meest fundamentele opdracht voor de toekomst is een ant­woord te verschaffen op volgende vraag: ‘Hoe de veranderingen die ons overspoelen, omzetten in ware menselijke vooruitgang?’ Er blijkt meer nood te zijn aan een ethiek van de verandering dan aan een verandering van de ethiek. De vraag naar wat ‘menselijke vooruitgang’ betekent aan het begin van de XXIste eeuw, situeert zich op het kruispunt van geloven en hopen, maar ook van weten en denken.

 Meteen  stuit men op de  meta-politieke en  meta-economische vraag naar wat mag en  niet mag, ook als het kan. Een torenhoge ethische vraagstelling rijst op, midden in de moderne samenleving, vaak gekenmerkt door veel samenloosheid en die hierop onwennig reageert.

 

In een tijd van post-modern scepticisme kan dergelijke ethische opgave voor de aankomende generatie van verantwoordelijken en leiders gniffelend worden afgedaan als naïef idealistisch of zelfs hypocriet. Uitzichtloos pessimisme is nochtans verlammend en daardoor ook tot op zekere hoogte niet moreel verantwoord. België en Vlaanderen in het bijzonder behoren nog steeds tot een uitermate geprivilegieerd 'kleinoord' op de wereldkaart. Een constatering die onze verantwoordelijkheid des te groter maakt. Beaat optimisme van zijn kant is onverantwoord, want lichtzinnig en roekeloos. Maar een soort volgehouden meliorisme, met name het geloof in de verbeterbaarheid van mensen en dingen, ondanks ontgoocheling en mislukking, kan de haast spontane wankelmoedigheid van de zuivere intellectuele analyse bijsturen. De Europese eenmaking, de welvaartsrevolutie in West-Europa tot stand gebracht, de vrede die er nu reeds sedert meer dan een halve eeuw heerst in een klimaat van democratische samenwerking, is een historisch voorbeeld dat ‘het kan’, ook als het vaak moeilijk is en soms totaal onhaalbaar lijkt. In dit meliorisme schuilt de kracht om ervoor te ijveren dat wat nodig is voor het algemeen welzijn ook realiseerbaar zou worden. Dan wordt de 'onmogelijkheid van het noodzakelijke' herleid tot een boutade of tenminste tot een onbillijk intentieproces aangedaan aan zoveel mensen van goede wil.

 

 

 

 


top