De rationalisatie van het gedrag van de consument' ,Uystpruyst, Leuven, 1962.
Inleiding tot de economische wetenschap', collegenota's, twee delen, Wouters,
1965.
Micro-economische theorie', collegenota's, twee delen, Wouters, 1966.
Economie als tijdver-drijf' De Nederlandsche Boekhandel, 1969.
Uitdagingen voor een moderne universiteit', Leuven, 197O.
Van gisteren naar morgen, economisch bekeken'; DNB, Pelckmans, 1971.
Open brief aan de studenten', Lannoo, 1973.
'Ambrunetië of het Avondland in de Morgen', DNB,1974.
Bouwstenen van de gemengde Economie', twee delen, Standaard wetenschappelijke
uitgeverij, 1976.
Economie van Nu en Straks', DNB, 1977.
Ambrunise ou la quadrature du siécle', Arts et Voyages, 1977
Brief aan de Ambrunetiërs', DNB, 1978.
Eén Aarde, twee werelden', Min.Ontwikkelingssamenwerking, 1979.
'Une terre, deux mondes', Min. de la coopération au développement, 1979.
'Bron en Horizon. Het avondland uit de impasse ', Lannoo, 1985.
La source et l'Horizon. Le redressement de la société Européenne', Duculot,
1985
Economie voor iedereen', Pelckmans, 1989.
Het storende levensverhaal van Professor J.K. Mortal. Een boek over mens en
men ', Lannoo, 1989.
'Economie pour tous', Labor, 199O.
Wegwijs Geld', met R. Dillemans en W. van Gerven, eerste deel, Davidsfonds,
199O.
From detente to entente. The impact of the implosion of communism', Minaffet,
199O.
Vie et mort de J.K. Mortal, professeur extraordinaire', Albatros, Paris, 1991.
Buitenlandse zaken 1989-92. Van confrontatie naar coöperatie', Lannoo, 1992.
'Affaires Etrangères 1989-92', De la coopération à la confrontation',Créart, 1993.
Vaders Dood en Leven', in 'De Memoires van Gaston Eyskens', Lannoo, 1993.
Beleving en Belofte. Een Nieuwjaarstijding'. Toespraak van Mark Eyskens op de
voorstelling van de Memoires van Gaston Eyskens, Lannoo, 1994.
De grote verjaring, van de 2Oste eeuw naar het 3de millennium', Lannoo, 1994.
Is verandering vooruitgang ? De maatschappelijke gevolgen van de 3de
indus-triële revolutie', Davidsfonds, 1995.
Le fleuve et l'océan. Du vingtième siècle au troisième millénaire', Racine,
1995.
'
Lessen voor de 21ste eeuw', eerste hoofdstuk in collectief werk, LeuvenUP,
1995.
Gaston Eyskens tussen koning en regent', V. Dujardin, Woord Vooraf,
Meulenhoff-Kritak, 1996. 'De reis naar Dabar. Een metafysische thriller', Lannoo,1996.
L'affaire Titus. Métaroman', Racine, 1998.
De Lust der verbeelding', Lannoo, 1998
Er zijn geen economische problemen. Pleidooi voor een meta-economie',
Davidsfonds, 1999
Democratie tussen spin en web', Leuven Universitairev pers, 1999.,
Leven in tijden van Godsverduistering', Lannoo, 2001
Geloof en Hoop, Universitaire parochie, 2002
Het verdriet van het werelddorp', Davidsfonds, 2001
Het hijgen van de geschiedenis, Lannoo, 2003
De houdbaarheid van de welvaartsstaat. De onmogelijkheid van
het noodzakelijke, VKW, 2004
Omdat wij van de avond nooit genezen. Een poëtische kroniek,
Davidsfonds, 2004
De Oude Prof en de zee. Tweespraak over zin en zijn . Lannoo,
2005
Le vieux prof et la mer. le sens d'une quête de sens. Racine,
2006
°
Schreef een
duizendtal artikels in tijdschriften en kranten en bijdragen in verzamelwerken.
Hiervan kon de volledige lijst niet worden opgesteld. Een gedeeltelijke lijst kan worden
geraadpleegd in de computer-catalogus van de bibliotheek van het Parlement.
Hield 7000 à 8000
toespraken, spreekbeurten en lezingen voor verenigingen, congresen, colloquia en op
bijeenkomsten in binnen- en buitenland.
Houder, maar niet drager van BINNEN- EN BUITENLANDSE ERETEKENS EN ONDERSCHEIDINGEN.
Hobby's: schrijven, literatuur, klassieke muziek, fotografie..
Schilderen, met tentoonstellingen te Leuven, Knokke, Brussel, Antwerpen, Hasselt,
"omdat
wij van de avond nooit genezen....."
Davidsfonds 2004
PROLOOG
Lang heb ik
geaarzeld voorleer dit boek te publiceren. Het handelt immers over
de meer onzichtbare binnenkant der dingen, over de innerlijkheid van ons
mens-zijn, die iedereen op zijn manier beleeft. Indrukken uitdrukken en
vrij geven heeft iets exhibitionistisch, vooral als de auteur in een vorig
leven een publieke figuur is geweest en te kijk heeft gestaan. En in een
democratie, die wel eens tot emocratie verwordt, moet je zuinig
omspringen, niet zozeer met je gevoelens, wel met het tonen ervan, vooral
als ze geveinsd zijn of als er die verdenking op rust of als ze worden
gepercipieerd als een te doorzichtige poging om je imago te verfraaien.
Wat er mij toe gebracht heeft mijn eigen
drempelvrees te overwinnen, is mijn ervaring en overtuiging dat de meeste
mensen vroeg of laat in de loop van hun bestaan en in hun meest intieme '
ik' met hetzelfde bezig zijn: met vragen naar de zin van leven en dood,
van liefde en lijden. Deze bezigheid en betrokkenheid bieden ons de kans
het onderscheid te maken tussen het belangrijke en het bijkomstige en
reiken ons de mogelijkheid aan heel veel dagelijkse problemen en vragen te
relativeren. Een van de paradoxen van deze tijd bestaat er juist in dat we
het pietluttige verabsoluteren en het fundamentele bagatelliseren, zodat
waardenschalen op hun kop worden gezet. De post-moderne mens houdt niet
langer van grote verhalen, inspirerende idealen en hoge beginselen. Hij
dweept met de modieuze gedachte dat de geschiedenis is beëindigd en dromen
gevaarlijk zijn. Toch zijn alle zeven de kunsten op een of andere wijze,
rechtstreeks of onrechtstreeks, bewust of onbewust verwijzingen naar of
uitdrukkingen van de existentiële levensvragen, ook al wordt de
formulering ervan niet zelden tot het uiterste gebanaliseerd. Vooraleer de
literatuur, de romankunst en de poëzie vinden hun inspiratie in zins- en
zijnsvragen. De lezer zal in een goed boek of een voor hem treffend
gedicht de verwoording en uitwerking vinden van gevoelens en bevragingen,
van angsten en onzekerheden, van geloof en hoop, die ook bij hem opwellen
en leven. Het geeft hem troost en stemt hem vaak tot innerlijke vreugde in
geschriften van anderen de bevestiging te vinden van de problemen, die ook
hem kwellen maar die hij niet in staat is 'zo' te verwoorden. Hierbij
lijkt poëzie een belangrijk medium te zijn. Het heeft mij steeds
aangetrokken en gefascineerd nog tijdens mijn jeugdjaren. Felle emoties,
rake indrukken, beklijvende herinneringen vinden in een dichterlijke
vormgeving de meest geschikte uitdrukkingsvorm. De poëzie wordt dan de
spontane maar gepaste bedding voor gevoelsstromen.
Ondanks een druk en soms drukkend
beroepsleven heb ik in de smalle spleten van agenda's of soms tijdens al
dan niet saaie vergaderingen, ellenlange spreekbeurten, in vliegtuigen of
auto's, gepoogd emoties en indrukken neer te pennen, vluchtig en in klad,
een soort verbale schetsen, die dan op rustiger momenten konden worden
uitgewerkt. Terwijl vrienden en collega's gingen fietsen, golf of tennis
spelen, was ik doende verbale breiwerken in elkaar te haken en vaak weer
uiteen te rafelen. Bij wijze van compensatie kocht ik mij weliswaar een
kamerfiets, maar ik beken dat de kilometerwijzer sedert eeuwen nog steeds
35 km. aanwijst. Schrijven was, wat mij betreft, veel terapeutischer. Na
verloop van decennia had ik talrijke kartonnen dozen gevuld met min of
meer poëtische teksten en gedichten, die ik aan de harde schijf van mijn
PC heb toevertrouwd. Politieke 'Memoires' zal ik niet schrijven. Ik heb
immers niets te verbergen. Wel schreef ik talrijke boeken waarin ik
beleidservaringen en maatschappelijke analyses heb verwerkt en zelfs twee
romans, om mij af te reageren. Het grote oordeel van de romanvorm en dus
de fictie is dat je je romanhelden standpunten kunt laten innemen die
sterk afwijken of zelfs haaks staan op je eigen mening en overtuiging.
Wat ik nu opdelf, na een oppoetsbeurt, is
evenwel van een totaal andere aard. Het zijn emoties en expressies,
indrukken en hun uitdrukking, wat verbaal smeedwerk waar jezelf plezier
aan beleeft, woordvlechtwerk dat het zitten in de schommelstoel van het
dagelijks leven wat vergemakkelijkt. Voor mij was deze bezigheid, zoals
schilderen, helend. Een heelkunde die tot totale genezing leidt, zou -
wat mij betreft - evenwel een grondiger behandeling hebben vereist, maar,
zoals ik in dit boek ergens schrijf: 'Ik heb gen tijd. De tijd heeft
mij'.
Mijn persoonlijke omgang met poëzie is de
laatste decennia steeds critischer geworden, wat niet belet dat ik een
lotusetende poëzielezer ben gebleven. Zoals in veel kunsttakken heeft ook
in de poëzie de regulerende vormelijkheid van ritme en rijm de plaats
moeten ruimen voor de ongebreideldheid van de ongeremd creatieve
verbeelding. Op zich is dat een positieve evolutie want zonder
creativiteit is er bij bepaling nooit kunst. Het gevolg hiervan is evenwel
dat veel hedendaagse poëzie, waarvan de productie overigens onrustbarend
toeneemt begint te lijken op een verbale brij van toevallig bijeen
geharkte woorden en zinsflarden, zonder kop noch staart. Er zijn reeds
software programma's op de markt die via de PC continu 'poëzie' spuien,
zoals worst door gerobitiseerde automaten wordt aangemaakt. Veel
hedendaagse gedichten zijn voor de lezer volkomen onverstaanbaar en
ondoorgrondelijk en ontsnappen aan elke poging om er een touw aan vast te
knopen. Onverstaanbaarheid wordt geacht de diepgang te verbergen.
Sporadische duidelijkheid van het poëtisch discours is dan te wijten aan
een voorbijgaande verstrooidheid van de dichter die er niet in geslaagd is
zijn zieleroerselen hermetisch af te sluiten, ook al schrijft hij erover.
Het is juist dat dichtkunst te maken heeft met de verwoording van het
onzegbare en het onuitspreekbare en dat hierin een grote padox schuil
gaat, die de dichter mentaal, psychisch en soms fysisch ondervindt en
ondermijnt. De impasse van het 'writer's bloc' van de dichter, gezeten
voor de maagdelijk witte pagina, is hiervan de tragi-komische illustratie.
Het wereldbeeld is ok grondig gewijzigd en de wetenschap heeft hier
machtig an bijgedragen. Meest opvallend is die invloed wellicht in de
schilderkunst waar de kunstenaar soms verwijst naar elementen van de
microcosmos, die aan onze blikken ontsnappen, erger die onze zintuigen
misleiden ( zoals o.m. de quantumfysica aantoont). Komt daarbij dat het
wereldgebeuren in een wereld die ons dorp is geworden bijzonder tragisch
is, door de media wordt getoond en vaak uitvergroot. Veel levenservaringen
maken een onsamenhanhgende en verhakkelde indruk en de kunst, inclusief de
literatuur is hiervan het klankbord. De relatie tussen de kunstenaar en de
belangstellende kunstminnaar - de toeschouwer, de lezer, de toehoorder –
is ook grondig gewijzigd in de hedendagse samenleving. De kunstminnaar
krijgt een meer actieve rol toebedeeld, treedt uit de passiviteit van
iemand die ondergaat en wordt evrondesteld meer actief aan het kunstwerk
zijn medewerkuing te verlenen. Dit kan voor gevolg hebben dat met name in
de poëzie de lezer het gedicht meemaakt, in de dubbel betekenis van
meebeleven en meescheppen. Vandaar dat de interpretatie van het kunstwerk
in hoofde van de indidviduele 'kunstgebruiker' zo belangrijk wordt. De
kunsgytenaar reikt vaak verschillende mogelijke betekenissen, zingevingen,
bedoelingen, ervaringen aan waar de kunstminnaar kan uit kiezen. De
kunstenaar wordt aldus iemand die zich inschrijft in een soort
democratiserinsgproces van zijn scheppingswerk, vermits hij dit openstelt
voor anderen. Maar een zaak is zeker: elke echte kunst legt een weg -
soms kronkelig – of een laan – soms heel rechtlijnig - aan naar de
andere en het Andere. Kunst die dat n kiet doet, door extreem hermetisme
is dysfunctioneel en wordt als en zwart gat, waaruit het 'licht' niet
langer kan ontsappen.
Mijn stelling is dan ook dat alle kunsten
een relationele functie hebben, van interindividuele, vaak van
maatschappelijke aard en dat de kunstenaars, die naam waardig, daardoor en
in die zin een onontkoombare verantwoordelijkheid hebben op te nemen.
Zoniet wordt kunst steriele zelfbevrediging. Deze stelling is zeker niet
politiek. Dit is geen pleidooi voor verregaand ideologisch of
levensbeschouwelijk engagement in de kunstuitingen, ofschoon dit niet a
priori hoeft veroordeeld. De mededeelzaamheid van en in de kunstuiting
lijkt mij essentieel omdat kunst er niet alleen is voor de anderen maar
ook door de anderen. We zijn maar 'ik' voor zover we ook 'wij' zijn.
Mededeelbaarheid betekent niet noodzakelijkerwijze univoke éénzinnighied,
maar wel in elk geval meerinzinnigheid, die de kunstminnaar kan inschatten
en invullen door zijn persoonlijke inbreng.
Deze niet opdringerige
intercommunicabiliteit is een hele opgave en vaak dienen woorden om
tactische spelletjes te spelen, een loopje te nemen met de waarheid of
eigen meningen en indrukken te verhullen. Toch is de
mededeelbaarheidsvereiste levensnoodzakelijk voor het voortbestaan van
alle kunstvormen. De vervreemding van een deel van het publiek voor
'moderne' kunst, vooral in de schilderkunst en de muziek, is juist te
wijten aan vormen van hermetisme, die bovendien erg elitair overkomen
omdat ze het waarderen van het kunstwerk onmogelijk maken voor niet
ingewijden of voor snobistische kunstpromotoren.
Het bovenstaande wil natuurlijk niet
zeggen dat het publiek geen inspanning moet doen om de artistieke
boodschap te verstaan. Elk kunstwerk, die naam waardig, resulteert
uiteindelijk uit een dialectische relatie tussen de kunstenaar en de
lezer, tussen de schilder en de toeschouwer, tussen de componist en de
musiscus enerzijds en de luisteraars anderzijds. Maar die relatie moet
mogelijk worden gemaakt door de kunstenaar.
Derhalve ben ik een hardnekkig
tegenstander van de 'allerindividueelste expressie van de
allerindividueelste emotie' verheven tot heilig principe van
grensverleggende en creatieve kunstzinnigheid. Ik heb althans op mijn
manier – my way - een inspanning gedaan om zo begrijpelijk mogelijk te
formuleren wat mijn ervaringen, emoties, indrukken en verlangens zijn
geweest in de vele situaties die mij er hebben toe aangezet er te hebben.
Bij veel teksten heb ik nog eens een extraduiding neer geschreven waarbij
omstandigheden of bedoelingen worden verduidelijkt
Wat de vormelijkheid van het dichten
betreft ben ik de mening toegedaan dat je geen slaaf moet zijn van rijm-
en ritmedwang. Wel is het zo dat versmaten en rijmen de schrijver tot een
discipline dwingen die niet noodzakelijkerwijze fnuikend hoeft te zijn. De
zoektocht tijdens de woordsmederij naar rijmen, alliteraties en versvoeten
doet de dichter soms woordspelingen en vooral beelden en metaforen
ontdekken die hij tijdens een prozaoefening nooit zou hebben gevonden.
Maar ook de lezer wordt vaak op het spoor gezet door de ritmering en
rijmsonorisatie van het gedicht. Waar is de tijd dat de schoolgaande
jeugd gedichten van 'grote' auteurs van buiten diende te leren? En daar
ook in slaagde, iets wat met de meeste hedendaagse poëzie totaal
uitgesloten is.
Voorliggende boek is een bloemlezing van
indrukken die gedurende een halve eeuw werden gezaaid, vaak aanvankelijk
hortend en stotend uitgedrukt, daarnaa moeizaam verwoord en bijgewerkt.
Indrukken van ontmoetingen, gewisselde blikken, belevingen, ervaringen,
bevragingen, ontboezemingen, flitsen van hoop en wanhoop. De vormgeving
is een mengvorm van proza- en dichterlijke formulering, een soort 'proëzie'
of 'poëza' een sedert tientallen jaren door mij clandestien beoefende
literaire stijl, die niet gemakkelijk is en waarmede paden worden
bewandeld die bezaaid zijn met valkuilen en keien waarin de auteur kan
terecht komen of waarmede hij kan worden bekogeld. De teneur van wat ik
bij wijze van zelfreiniging en zelfgenezing heb neergeschreven is nu eens
romantisch, soms belijdend, dan anecdotisch, ironisch en sarcastisch en
bijwijlen tragisch en elegisch. Voor de lezer kan dit alles lijken op
enigszins willekeurige reflecties en ontladingen. Toch schuilt er
samenhang in het aangeboden vlechtwerk van indrukken. Alle behandelde
onderwerpen hebben op een of andere wijze te maken met de vier
onontkoombare existentiële thema's, waarover hierboven sprake: 'leven,
liefde, lijden en dood' en de vragen die hieruit oprijzen: wat is het
leven? Wat doen we ermee? Moeder, waarom leven wij? Wat is de dood?
Heeft hij zin en tot wat dient hij? Wat is de liefde? Waarom houden we
ervan? Wat is het lijden? Heeft het een zin? En wat doen we er aan?
Ik heb er een ogenblik aan gedacht de uit
mijn voorraad gebloemleesde gedichten en teksten op te delen in
thematische rubrieken, maar ik heb daar uiteindelijk aan verzaakt omdat
dit een wat kunstmatige rangschikking zou geworden zijn. Want de teksten
- net honderd in aantal - die voorliggen zijn gegroeid uit flarden van
woorden en zinnen die zelf zijn aangespoeld met de vloed en de ebbe van
het dagelijkse leven. Ik heb ze laten liggen als keien op het strand.
Het menselijk leven, omdat het zich
voltrekt aan min of meer bewuste mensen, blijkt een vreemdsoortige en
raadselachtige spanning te openbaren tussen 'zijn' en 'worden'. Zo heb ik
het persoonlijk ervaren als ik al het bijkomstige wegsnoei. Ons mens-zijn
is mens-worden, zowel in biologische als in geestelijke zin. Hij is niet
af en in het bewustzijn van zijn onvoltooidheid put hij willens nillens
veel troosteloosheid maar ook vurigheid en kracht. Dat de mens een
ex-dier is bewijst de wetenschap en bewijst de mens nog elke dag door zijn
onberedeneerde, impulsieve en vaak agressieve gedragingen. De mens is een
deel van de natuur maar hij ervaart ook, als hij zijn ingebouwde
voelhorens uitsteekt, dat er in de mens verlangens groeien die de natuur
overstijgen: zijn streven naar goedheid, liefde, rechtvaardigheid,
waarheid, schoonheid, naar deugden - om een wat verouderde formulering te
gebruiken - die in het natuurlijk dierlijke leven niet voorkomen.
Bovendien ervaart hij dat zoiets als liefde, rechtvaardigheid en
schoonheid niet vatbaar zijn voor verwetenschappelijking, in die zin dat
er geen mathematische formule betstaat, geen algoritme of wiskundige
functie die liefde, goedheid, schoonheid en rechtvaardigheid vermogen te
vatten, uit te drukken, voorspelbaar en toepasbaar te maken. Het gaat om
waarden van en voor de mens, die hem tevens overstijgen. De liefde, met
hoofdletter 'is' maar ze 'bestaat' enkel in liefdevolle mensen. Zij roept
dus om menselijke belichaming. Dan slechts wordt ze werkelijk en menselijk
omdat ze wordt gesitueerd in een tijdruimtelijke situatie, onderhevig aan
wording (of ontwording). En toch zendt die liefde signalen uit van
transcendentie, al was het maar omdat ze ons in staat stelt tijd en ruimte
te overschrijden. We zijn bekwaam iemand lief te hebben die al jaren
overleden is of die als tegenvoeter leeft aan de onderkant van de aarde of
– weldra – op een andere planeet.
Wij ervaren met enige inspanning het
enigmatisch onderscheid tussen 'zijn' en 'bestaan' en dus tussen 'zijn' en
'worden'. Nog meer bevreemdend is dat ons worden, dat een onvervreemdbare
toekomstdimensie inhoudt, een verleden openbaart dat onomkeerbaar 'is'. Al
wat we doen, ten goede en ten kwade, zullen we morgen gedaan hebben in de
verleden tijd. Ons worden mondt uit in 'geworden zijn' en uiteindelijk in
geweest zijn. Ons leven laat een spoor na dat onuitwisbaar is want ons
dagelijks 'zijn' wordt 'geweest zijn'. Het drukt een onvergankelijk want
buitentijdelijk merkteken in het zijn en heeft daardoor een tijd en ruimte
draagwijdte dimensie. Geweest zijn kan niet meer worden ongedaan gemaakt
noch omgekeerd. Dit is een metafysische evidentie, die een groet invloed
zou moeten hebben op het menselijk gedrag en die trouwens een echo vindt
in levensbeschouwingen en godsdiensten.
Een geleefd leven houdt op te worden, is
geworden en stolt als het ware in een onveranderlijk 'zijn'. Onze toekomst
is ons verleden, namelijk geweest 'zijn' en daardoor treden in het Zijn.
De keien op het strand die door de ebbe en de vloed van het menselijke
leven worden aangespoeld liggen er definitief. Goethe schreef: 'stirb
und werde'. Deze weliswaar treffende uitspraak lijkt mij op een
dichterlijke vrijheid te berusten. De mens sterft niet om te worden. Hij
leeft om te worden en sterft om te zijn. De inhoud van dit boek, wat
geschreven werd op en tussen de regels, het zegbare en het
onuitspreekbare draag ik op aan allen die met mij deze overtuiging willen
delen en beveel ik aan bij wie een andere mening delen.
Mijn grote dankbaarheid gaat
uit naar het Davidsfonds en zijn uitgeverij die andermaal een boek van mij
hebben willen uitgeven. Ik dank vooral mevrouw Katrien de Vreese en haar
medewerkers voor hun begrip en hun bijzondere zorgvuldigheid en
toewijding.
Mark EYSKENS
Leuven, maart 2004
DEMOCRATIE IN
DE KENNIS- EN NETWERKMAATSCHAPPIJ
al de hiermee verband houdende thema's komen aan bod in EYSKENS' boek: 'Democratie
tussen spin en web'.
Universitaire Pers Leuven, 250lz.
De aan de gang zijnde post-industriële revolutie, die de kennis- en de
netwerk-maatschappij in het leven roept, heeft een determinerende invloed ook op de
democratie en haar functionering.
1. De kennis- en netwerkmaatschappij privilegieert de
ontwikkeling van democratie en markteconomie, in een grensoverschrijdend wereldgeheel en
verenigt beide in een binoom: markt+democratie of marktdemocratie. Tevens blijkt ze
autoritaire politieke regimes en centraal geleide economische systemen ten gronde te
richten.
2. Informatie-explosie en wereldwijde netwerkverspreiding
bevorderen het paradigma van het horizontalisme (solidariteit, internationale
samenwerking, eenmaking, multiculturaliteit, een wij-gevoel), ten koste van
het verticalisme en derhalve de gezagsstructuren, de overheid, de theocratie - de waarheid
komt van God -, de religie, de dogmas, de transcendentie, de autoritaire ethiek, het
huwelijk, het gezin, de organisaties, de partijen ....
3. Bovenstaande evolutie, vaak op het niveau van het individuele
en collectieve onderbewustzijn, verwekt angstreflexen en afstotingsverschijnselen die een
bedreiging vormen voor de democratie: onverdraagzaamheid, nationalisme, economisch
protectionisme, xenofobie, fundamentalisme...
4. Na de implosie van het communisme, is de democratie in de
wereld nooit zo populair geweest. Maar het wegvallen van een externe bedreiging (het
anti-democratische en expansieve communisme) verzwakt de democratie. Haar
functioneringsgebreken worden sterker benadrukt. Bovendien blijkt de wet van de entropie,
die de wet is van het verval, vaardig te worden over respectievelijk democratie
(demagogie, gebrek aan verantwoordelijkheid, profitariaat, corruptie) en markteconomie
(scheeftrekking van concurrentie, monopolisering, grensoverschrijdende
multinationalisering van bedrijven).
5. De burger krijgt de indruk dat hij niet meetelt. Hij is een
klein rad in een complex maatschappelijk raderwerk, beheerst door Men, een anonieme en
ondoorzichtige bestuursmacht, die een soort cybernetica in het leven roept (de
vermenning). Een algemeen gevoel van machteloosheid ondermijnt de geloofwaardigheid van
het representatief karakter van de democratie (reegring en parlement). De beschermende
natiestaat brokkelt af en verliest zijn soevereiniteit in een wereld die een dorp is
geworden.
6. Technologische innovaties bevorderen vormen van rechtstreekse
democratie: televoting, opiniepeilingen, volksraadplegingen, referenda, invloed van
internet, heerschappij van de visuele media, telecratie. Dit fenomeen verzwakt de
volksvertegenwoordiging (en zijn zondebok-functie) en de particratie. Het voortschrijdend
individualisme heeft voor gevolg dat iedereen zijn eigen partij, zijn eigen kerk, zijn
eigen vakbond wordt.
7. Een hele reeks averechtse effecten (crowding out) treedt evenwel op:
7.1. Overinformatie leidt tot desinformatie. De visuele media
tonen enkel het zichtbare gebeuren waardoor de werkelijkheid wordt gereduceerd. Deze
reductie wordt versterkt door de beklemtoning van het spectaculaire en het slechte nieuws
(bad news drives out good news).Het bijkomstige wordt verward met het essentiële. Er is
onlezing.
7.2. De kennismaatschappij produceert ook veel onwetendheid door
het optreden van de wet van de afnemende relatieve kennis. Het gekende stijgt lineair; het
kenbare stijgt exponentieel. Tussen beide ontstaat een kenniskloof, die buitengewoon
frustrerend is (elke specialist is een Beotiër in alle ander domeinen) en leidt tot veel
simplismen en misvattingen.
7.3. De creatieve kennismaatschappij heeft de meest schrandere
mensen nodig voor de belangrijkste taken. Het maatschappelijke selectiemechanisme neemt
steeds meer de vorm aan van een verstandstest ( meerkeuze-examens in het onderwijs). Er
ontstaat een soort dictatuur van het IQ, waarbij de linker staart van de distributie (the
bell curve) voorbestemd is voor inferieure taken en werkloosheid (de duale maatschappij en
het trechter-effect).
8. De representatieve democratie heeft af te rekenen met
verregaande politieke ongeletterdheid. De burger heeft de grootste moeite met het
verwerven van inzicht in de grote maatschappelijke en internationale problemen en
uitdagingen. Hij is bovendien gedemotiveerd, vermits hij beseft dat hij toch niets
te zeggen heeft. Hij wordt politiek indifferent, zoniet vijandig. Of geeft zich over
aan de anti-politiek die een ander systeem aanprijst (een nieuwe
orde). De politicus is zelf ook slachtoffer van relatieve onkunde. Hij kent immers
enkel zijn eigen vakgebied. Er is niet zozeer een kloof tussen de burger en de politicus
(op menselijk vlak zijn, vooral in kleine landen, de contacten goed en intens). Er heerst
wel een gapende kloof tussen de burger en de politiek. Dat vormt een bedreiging voor de
representatieve democratie.
9. De democratie worstelt met het dilemma: meer gelijkheid (en
dus meer sociaal gerichte herverdeling) of meer vrijheid. Of nog: meer rechtvaardigheid of
meer groei en welvaart. Of: allemaal gelijker maar minder rijk of allemaal rijker maar
ongelijker. Dit dilemma houdt economen en politologen sedert decennia bezig. Het wordt
geanalyseerd aan de hand van de theorie van het Pareto-optimum en de speltheorie. De
practische conclusie is dat vandaag de meeste democratieën blijkbaar kiezen voor
gelijkheid van kansen, veeleer dan voor gelijkheid van (inkomens)-resultaten. Dus iedereen
rijker met aanvaarding van min of meer grote ongelijkheden, voor zover ook de armen minder
talrijk worden en minder arm. Liberalen en socialisten (van het new Labour-type) vinden
zich aldus in het centrum van het politieke spectrum.
1O. De representatieve democratie wordt eveneens gehinderd in
haar functionering door de afnemende geluksbreuk.
Als men het maatschappelijk geluk (welvaart+welzijn) voorstelt als een breukwaarde, met in
de teller de bevredigingsmiddelen en in de noemer de behoeften, dan blijkt dat, als de
middelen toenemen (dank zij economische groei en wetenschappelijke innovatie) in de
teller, de behoeften in de noemer ook toenemen en vaak sneller. Aldus leiden groei en meer
welvaart tot meer ontevredenheid, ofschoon de overgrote meerderheid van de bevolking het
nooit zo goed heeft gehad (de paradox van onvrede en ontevredenheid). Dit fenomeen weegt
sterk op de geloofwaardigheid van het beleid in onze democratieën.
11. Ook moet worden ingegaan op de theory of choice, die wijst
op de contradicties in het keuzegedrag van de burgers-kiezers. Er is inconsistentie: een
meerderheid wil minder belastingen en meer sociale voordelen en er is niet-transitiviteit,
zodra de bevolking moet kiezen tussen meer dan twee opties. Dit leidt tot een paradoxale
voorkeurschaal die elke democratische besluitvorming onmogelijk maakt (cfr the voting
paradox van J.K. Arrow). Dergelijk gebrek lijkt inherent aan elk enkelvoudig kiesstelsel
(one man one vote), of het nu proportioneel of majoritair is.
12. Tenslotte wordt het reilen en zeilen van de democratie in
grote mate overschaduwd door het post-moderne relativisme en de waarden-erosie. Er is
onttovering van het wereldbeeld (God is dood). Er is onttroning van het mensbeeld ( de
mens is een overeind gekropen aap zonder vrijheid). Er is ontluistering van de wetenschap
(ABC-wapens) en horizontalizering zonder grenzen... Geweldcultuur, oppervlakkigheid en
algemene scepsis, via ultra-mediatisering, krijgen vaak de bovenhand.
13. De remedies
minder particratie en ontpartijpolitisering.
minder politiek in de zin van regelgeving; meer verantwoordelijkheid laten aan de civil
society
minder demagogie en meer pedagogie
een ander parlementarisme met meer beslissings- en raadplegingsruimte voor de bevolking
Wijziging van het kiesstelsel. Invoering van een meervoudig kiesstelsel (b.v. iedere
kiezer krijgt 2O stemmen, die hij kan spreiden naar intensiteit van zijn voorkeur over
diverse partijen en kandidaten), ten einde de niet-transitiviteit te doorbreken.
Minder Staat maar vooral een andere Staat, die functioneert als arbiter, niet als
medespeler (zeker op economisch vlak). Interne en externe subsidiariteit
de democratie is niet alleen een kwestie van democratisch kiezen, parlement en regering.
Ze dient ingebed in een rechtsstaat die geloofwaardig en doelmatig functioneert
(hervorming van justitie en politie) en een samenleving die armoede bestrijdt en sociale
solidariteit organiseert
meer verantwoordelijkheidsbesef bij politici en kiezers, ook via inspanning van media en
onderwijs. Maatschappelijke vorming.
meer decentralisatie en federalisering, waardoor het beleid dichter bij de burger komt.
En ook meer Europa om de grote beleidsproblemen efficiënter aan te kunnen.
Meer ethiek van de verandering en minder verandering van de ethiek. De politieke
hamvraag wordt immers: hoe verandering omzetten in menselijke vooruitgang. Dit is een
ethische vraag naar het onderscheid tussen goed en kwaad. Alles kan. Maar mag het wel? Een
essentiële vraag die bovendien niet via louter democratische besluitvorming kan worden
beantwoord.
Blijven geloven in de verbeterbaarheid van de mens: het meliorisme, dat weigert te
kiezen tussen verlammend pessimisme en beaat optimisme. Onmenselijkheid is een feit.
Onmenselijkheid is evenwel geen natuurramp maar een menselijk verschijnsel dat enkel door
mensen kan worden gekeerd.
Mark EYSKENS
DE ONMOGELIJKHEID VAN HET NOODZAKELIJKE
Denktank VKW-publicatie
Conclusies
1/ De welvaartsstaat hervormen en actief
deelnemen en -hebben aan de vloedgolf van vernieuwing en innovatie die,
dank zij de wetenschappelijke vooruitgang de wereld overspoelt, is de
vitale en levensgrote uitdaging voor de oude wereld, en derhalve voor de
Europese Unie, die sedert een halve eeuw bewijst dat zij wil behoren tot
de vernieuwende wereld, in de mate dat zij slijtage- en
vermoeidheidsverschijnselen vermag te voorkomen of tijdig weg te werken.
Dit 'voorkomingsbeleid' dat ook corrigerend moet optreden, is een enorme
uitdaging, hier en nu, morgen en overmorgen, ook voor België en
Vlaanderen.
In de eerste plaats is er nood aan een
aanpassing van de welvaartsstaat aan de vergrijzing wegens veroudering van
de bevolking en aan de ontgroening, wegens te weinig geboorten en te
weinig actieven. In de tweede plaats moet alles worden gezet op
maatschappelijk dynamiseren, op creativiteit en innovatie. Ten derde
moeten armoede en bestaansonzekerheid en de onrechtvaardigheden van
allerlei fraudes en misbruiken worden teruggedrongen. Ten vierde moeten de
diverse overheden binnen het Belgisch staatsverband worden omgesmeed tot
veel efficiëntere beleidsinstrumenten. En tenslotte moet, omdat
democratische meerderheidsconsensus zo noodzakelijk is, de desinformatie
en maatschappelijke en politieke laaggeletterdheid van het publiek
krachtig worden aangepakt. Een immens, lang volgehouden reformistisch
beleid is aan de orde. Een 'toekomstpact' hierover afgesloten tussen de
belangrijkste democratische politieke partijen in het land zou vertrouwen
wekkend zijn en een perspectief openen op herwonnen doelmatigheid.
2/ De alles overheersende
beleidsprioriteit voor de toekomst van de economie en welvaart is het
behartigen van de innovatorische concurrentie. De Schumpeteriaanse
dynamiek van inventie en innovatie moet onophoudelijk worden gestimuleerd.
Des te meer als blijkt dat met name in Vlaanderen heel wat menselijk en
technologisch potentieel onderbenut blijft. 'L'imagination au pouvoir',
zowel wat betreft nieuwe producten, diensten, productiemethoden,
commerciële aanpak, design, management, marktpenetratie en verovering in
binnen- en buitenland, financiering, imago. Hierboven werden in dit
verband talrijke maatregelen gesuggereerd.
3/ De bevordering van het innovatorisch
concurrentievermogen vereist een absolute prioriteit voor onderzoek en
ontwikkeling, ook op organisatorisch gebied. Vlaanderen moet een 'district
of creativity' worden. Samenwerking van privé en publieke research,
van universiteiten, overheid met ondernemingen en bedrijfsleven is van
kapitaal belang, alsmede de begeleidende inspanningen van een doelmatige
Vlaamse, Belgische en Europese administratie.
Goedkopere en snellere procedures in
verband met de bescherming van intellectuele eigendom zijn zeer nodig.
4/ De verantwoordelijkheidszin van het
onderwijssysteem en van de media moet worden aangewakkerd met het oog op
het promoten van wetenschappelijke en technologische roepingen en de zin
voor ondernemerschap bij veel meer jonge mensen. De kennismaatschappij en
het ontwikkelen van netwerken – ook grensoverschrijdend – moet maximaal
worden gestimuleerd. In de Europese Unie heeft 22% van de actieve
bevolking een diploma van hoger onderwijs. In Vlaanderen is dit 30%, wat
zeer goed is. Maar anderzijds telt Vlaanderen 36,1% actieven met een
diploma van lager onderwijs, daar waar het EU-gemiddelde 34% bedraagt. En
dit wijst op een ernstige tekortkoming.
5/ Nieuw ondernemerschap en loopbanen in
onderzoek en ontwikkeling (ook binnen de bedrijven) moeten veel
aantrekkelijker worden gemaakt, o.m. via investeringsaftrek voor
onderzoek, mogelijkheid tot consolidatie van researchuitgaven in bedrijven
met binnen- en buitenlandse zetels, gunstige vennootschapsfiscaliteit,
fiscale rulings voor onderzoekers. De definitieve brain drain naar de USA
moet worden bestreden met een waaier van maatregelen, zoals een fiscaal
gunstregime bij terugkeer. Starters moeten worden aangemoedigd. Mensen die
hard werken moeten voldoende beloond worden. Vandaar de noodzaak om de
fiscale druk op het arbeidsinkomen van loontrekkenden en zelfstandigen te
milderen. Wie in onze stormachtig veranderende economie geen risico's
neemt, maakt ook geen kansen. Het nemen van berekende en beredeneerde
risico's moet worden begeleid en financieel mogelijk gemaakt.
6/ Innovatorisch concurrentievermogen
veronderstelt ook betere kostencompetitiviteit wat betreft de loonkosten –
fiscaal en parafiscaal - maar ook alle andere kosten zoals energie,
onderzoek, financiële kosten, patenteren, formaliteiten,
leefmilieubepalingen, de beschikking over industrieterreinen,
enz…Verlenging van de werkweek tot 40 uren en vermindering van de
opzegtermijnen en ontslagvergoedingen moeten bespreekbaar worden, waarbij
moet worden uitgegaan van het draagvermogen van elke onderneming.
7/ De bevordering van het innovatorisch
concurrentievermogen is ook van zeer groot belang voor de meer
traditionele industriële setoren, waarin België en Vlaanderen sterk staan.
Veel bedrijven in deze sectoren zijn arbeidsintensief en lijden onder veel
te hoge arbeidskosten en een slecht werkende arbeidsmarkt, vooral wegens
gebrekkige flexibiliteit. De kostenevolutie bij onze Europese buurlanden,
die onze grootste klanten maar ook onze grootste concurrenten zijn, is
hierbij richtinggevend. Verlaging van de fiscale en para-fiscale druk zijn
hier essentieel. De alternatieve financiering van de sociale zekerheid in
de kostendekkende sectoren (kinderbijslagen en gezondheid) moet worden
verruimd (boven op 15 miljard euro die vandaag reeds naar de RSZ vloeien
buiten de werkgevers- en werknemersbijdragen). BTW- en accijnsverhogingen,
al dan niet gecombineerd met een energiebelasting en een algemene sociale
bijdrage – het laatste zijnde helemaal geen first best-oplossing - kunnen
circa 5 miljard euro genereren zonder al te grote macro-economische
storingen. Wel vereist dit niet-doorberekening in de index van de uit de
doorgevoerde belastingverhogingen voortvloeiende prijzenverhogingen en de
niet-verhoging van de lonen als gevolg van de daling van de
werkgeversbijdragen. De herplafonnering van de sociale bijdragen is
gewenst.
8/ Groei blijft een bijzonder belangrijk
objectief voor de hele economie. Om die reden is het nodig de
productiviteit, die wat verzwakt in Vlaanderen, op te trekken. Middelen
moeten worden vrij gemaakt om meer te investeren in O&O, ook van
overheidswege, om de mobiliteit, de communicatie-technologieën en de
infrastructuur te verbeteren en netwerken uit te bouwen. Ook KMO's kunnen
actief betrokken worden bij innovatie. Meer overheidsgelden inzetten voor
welzijn en cultuur zijn ook sociaal en economisch verantwoord omdat het om
sectoren gaat waarbinnen de tewerkstelling kan groeien en die de
creativiteitsmentaliteit bevorderen.
Voor een klein land is de exportpromotie
van wezenlijk belang, alsmede het aantrekken van buitenlandse
investeerders en het in stand houden van een klimaat dat met name
multinationals gunstig gezind is. De concurrentiekracht van de regio
Vlaanderen moet met alle middelen worden bevorderd, zodat Vlaanderen weer
opnieuw gaat behoren tot de economisch sterkste gewesten binnen de EU.
Grensoverschrijdende samenwerking tussen regio's kan ook buitengewoon
dynamiserend inwerken.
9/ Sectorale CAO's moeten zoveel mogelijk
worden vervangen door bedrijfsCAO's, waarbij de sociale partners hun
verantwoordelijkheden opnemen per onderneming. De noodzaak langer te
werken bij constant loon verschilt van bedrijf tot bedrijf. Algemene
regels kunnen allerlei distorsies veroorzaken. Talrijke andere maatregelen
met het oog op het flexibiliseren van de arbeidsmarkt moeten ernstig
worden overwogen (zie supra), zoals het verkorten van de opzegtermijnen
voor bedienden en het fuseren van arbeiders- en bediendenstatuten.
10/ De vergrijzing is een enorme
bedreiging wat betreft de toenemende gezondheids- en pensioenkosten. De
brugpensioenen moeten geleidelijk worden afgebouwd. De wettelijke
pensionering moet optioneel worden gemaakt en cumulatie van activiteiten
en bijverdiensten moeten worden vrij gemaakt. Langer loopbaanwerken moet
worden aangemoedigd.
De tweede en derde pensioenpijler moeten
meer worden uitgebouwd en derhalve kunnen bogen op krachtiger fiscale
aanmoedigingen.
11/ De werkloosheid moet sterker
gecontroleerd in het raam van een begeleidingsbeleid van de werklozen.
Langdurige werkloosheid moet worden beëindigd. Onoplosbare gevallen moeten
worden overgeheveld naar de OCMW's, waarbij leeflonen enkel worden
toegekend na een onderzoek inzake de bestaansmiddelen van de
belanghebbende. De beroepsopleiding moet meer worden afgestemd op de
knelpuntberoepen – er zijn er momenteel 150 – waarvoor geen werkkrachten
opdagen.
12/ Uitkeringen inzake o.m.
ziekteverzekering dienen degressief te worden gemaakt in functie van het
inkomen van de verzekerde. Een groter wordende franchise naar gelang van
de hoogte van het belastbaar inkomen moet leiden tot een geleidelijke
'decollectivisering' van de ziekteverzekering voor de hoogste inkomens.
13/ Een strenger en selectiever sociaal
beleid mag nooit de welvaartsstaat in zijn wezenlijke functionering
aantasten. Sociale protectie voor sociale gevallen in de ruime zin blijft
noodzakelijk. Vandaar de wenselijkheid om een armoede- en
precariteitsindex in te voeren. Wetenschappelijke methoden maken het
mogelijk om op geregelde tijdstippen in België de bestaande armoede (b.v.
wanneer het beschikbaar inkomen lager uitvalt dan de helft van het mediaan
inkomen) of de bestaansonzekerheid of precariteit (dit is geen
onmiddellijke armoede maar grote kwetsbaarheid zodra zich een loopbaan- of
gezondheidsprobleem voordoen) te meten. Die index zou op geregelde
tijdstippen dienen gepubliceerd. En bij stijging van de indexwaarde zouden
de federale en regionale overheden de mogelijkheid krijgen, via een
kaderwet die bevoegdheden delegeert (bijzonder machten), onverwijld in te
grijpen ten einde de nodige correcties aan te brengen. Een
armoede-indexbeleid kan ook als richtlijn dienen bij het uitstippelen van
een solidariteitsbeleid met en tussen de regio's. De zgn. miljardenstroom
van Noord naar Zuid, getoetst aan de armoededivergentie tussen Vlaanderen
en Wallonië, leidt tot een andere beeldvorming, die samenwerking
bevorderend is.
14/ De fiscale en sociale fraude moeten
veel resoluter, hardhandiger en efficiënter worden aangepakt. Het
toekennen van fiscale amnestie op het ogenblijk dat de sociale uitkeringen
selectiever moeten worden toegekend, is niet verantwoord. Fiscale fraude
kan worden ontmoedigd door een reeks uitgaven van particulieren inzake
bouw, renovatie, onderhoudswerken en aankoop van huismaterialen fiscaal
aftrekbaar te maken.
15/ Een beleid van selectieve officiële
immigratie – smart immigration - dringt zich op, liefst in het raam
van een Europese coördinatie. Het huidige zero-immigratiebeleid is
onhoudbaar. Het opkrikken van de actieve bevolking via het verhogen van de
fertiliteitsgraad werpt slechts resultaten af op lange termijn. De huidige
clandestiene immigratie leidt tot een optelling van nadelen: zwart werk,
geen bijdragen aan RSZ en belastingen, afwezigheid van sociale
bescherming, discriminatie en exploitatie, aanspreekbaarheid door
criminogene milieus. Zowel hooggekwalificeerde als laaggeschoolde
arbeidskrachten beantwoorden aan de noden van de arbeidsmarkt. Het
argument dat aldus belangrijke werkkrachten worden weggehaald uit landen
van de derde wereld gaat niet op, zolang in die landen grote (meestal
verdoken) werkloosheid heerst. Bovendien is de rapatriëring van de
inkomens die deze mensen hier verdienen een stimulans voor de lokale
economie.
16/ Recente wetenschappelijke studies
wijzen uit hoezeer een doelmatige overheid op politiek en administratief
vlak essentieel is bij het uitstippelen van een afdoend beleid.
Depolitisering van de overheidsbenoemingen, deskundigheid van het
personeel (te beginnen met het politieke), lange termijnvisies, enz… zijn
van levensbelang.
Administratieve vereenvoudiging en
deregulering zijn absoluut vereist. Vooral inzake ruimtelijke ordening en
milieubeleid dient een bedrijfsvriendelijker houding aangenomen. Dit geldt
uiteraard ook voor de landbouwbedrijven. 'Minder Staat' is een slogan. Wat
wel moet is een 'andere staat', die op een afdoende wijze het 'economisch
verkeer regelt, steeds meer in een Europees kader, maar niet 'achter het
stuur' van de ondernemingen plaats neemt en aldus het privé initiatief in
de weg staat.
17/ De Belgische staatsstructuren,
resultante van conflictpreventie en conflicteliminatie
dragen de kenmerken sedert 1970 van
opeenvolgende staatshervormingen die via noodzakelijke maar niet steeds
logische en doelmatige compromissen tot kolossaal ingewikkelde structuren
hebben geleid. Zes regeringen, evenveel parlementen, 57 ministers en
staatssecretarissen, politici die jo-jo-spelen met de diverse
beleidsniveaus waartoe ze kunnen verkozen worden, gebrek aan
doorzichtigheid en de facto concurrerende bevoegdheden maken een
'ultieme staatshervorming' hoogst gewenst, die het 'deelstatenfederalisme'
van het land vaste vorm geeft. Homogene bevoegdheidspakketten inzake
tewerkstelling, gezondheidszorg, gezinsbeleid en aspecten van het
politioneel beleid samen met de nodige fiscale verantwoordelijkheid moeten
naar de gewesten worden overgeheveld. Voorwaarde is wel dat rekening wordt
gehouden met het behoud van de nodige economische coherentie binnen de
Belgische economische ruimte. Distorsies o.m. inzake
vennootschapsfiscaliteit tussen Noord en Zuid kunnen zeer kwalijke
gevolgen hebben voor heel wat Belgische bedrijven die 'multiregionals'
zijn. Bovendien moet men oog hebben voor de specifieke Brusselse problemen
waar het maken van een onderscheid tussen Vlamingen en Franstaligen, met
het oog op de toekenning van (verschillende) sociale voordelen, een
hachelijke zaak is, die allerlei morele en juridische vragen doet rijzen.
De techniciteit maar ook de sereniteit van het debat hierover maakt het
wenselijk een voorstel te laten uitwerken door een commissie van experten.
Hierbij dient na tientallen jaren van opeenvolgende grondwetsherzieningen
een stringent publiekrechtelijk kader te worden gecreëerd voor een echt,
hecht coöperatief federalisme: het enige dat kan werken in een binair
land als België en dat van het federale België in het buitenland een
positief en betrouwbaar imago vermag te geven. Communautaire
onderhandelingen moeten aanvangen, willen ze doelmatig verlopen, met een
aantal 'confidence building' gebaren tussen Vlamingen, Walen en
Brusselaars. Aan Vlaamse kant is het belangrijk te verklaren dat de
communautaire onderhandelaars geenszins de bedoeling hebben met een
nieuwe staatshervorming België op te blazen of langs wegen van
geleidelijkheid af te breken. En van Waalse kant is een intentieverklaring
vereist waarin de Walen erkennen dat de verdeling van de bevoegdheden
tussen de gewesten en het federale niveau om redenen van efficiëntie aan
een ernstige herziening toe zijn en dat wat betreft de Noord-Zuid
miljardenstroom een stelsel van meer objectieve en doorzichtige
solidariteit dient uitgewerkt. De wil moet bestaan om eindelijk een
definitieve staatshervorming te realiseren.
Naast de overheveling van belangrijke
bevoegdheidspakketten naar de gewesten, onder meer inzake tewerkstelling
en bijkomende aspecten van het gezondheids- en gezinsbeleid, moeten
gedefederaliseerde materies als landbouw, buitenlandse handel, openbare
werken en eerlang ontwikkelingssamenwerking door de federale regering
worden gecoördineerd naar Europa en de internationale instellingen toe,
samen met de gewesten. Overwogen moet worden om in de federale regering
één minister uit elk gewest op te nemen, met een coördinerende taak. De
federale cohesie zou worden bevorderd door 10 senatoren te laten verkiezen
in een (nationale) kieskring gelijk aan België.
Wat hier wordt voorgesteld veronderstelt
maximale symmetrie en minimale asymmetrie tussen de gewestregeringen en
het federale kabinet. Bovendien blijkt dat er in België teveel
verkiezingen plaats vinden, wat bijdraagt aan electoralisme,
regeringsinstabiliteit en anti-politiek. Indien een wijziging van de
samenstelling van de huidige federale regering in 2005 gepaard zou gaan
met federale parlementsverkiezingen, zou men vanaf 2009 opnieuw de
federale en gewestverkiezingen kunnen laten samenvallen.
18/ Vlaanderen moet een veel krachtiger
Brussel-beleid' voeren. Brussel wordt een van de belangrijkste politieke
en diplomatieke hoofdsteden in de wereld, onder meer als hoofdstad van een
Europese Unie die weldra tenminste 30 lidstaten zal tellen. Ook
economisch, financieel en cultureel is Brussel steeds meer een
wereldcentrum. The place to be. Een aanwezigheidspolitiek van Vlaanderen
op alle domeinen is van het allergrootste belang, onder meer omdat 250.000
Vlamingen alle dagen vanuit Vlaanderen te Brussel hun brood gaan
verdienen. Bovendien is Brussel voor de Vlaamse gemeenschap een
uitstalraam en een doorgeefluik naar de wereld toe. Franstaligen en Walen
voeren een 'Bruxelles-Wallonie'-politiek met een veelzijdige en algehele
solidariteit als objectief. Een beleid bedoeld als mogelijk antwoord op
een separatistische Vlaamse 'verzelfstandiging'. Want dan zou
Bruxelles-Wallonie, inclusief de ruime rand rond Brussel, zich zelf
uitroepen tot het (Franstalige) Nieuwe België, hoofdstedelijk gebied van
het Grote Europa, met een aantrekkelijk hinterland tot in de Ardennen.
Brussel uitbouwen tot een wereldwijd financieel en dienstencentrum is voor
de Vlaamse economie uitermate belangrijk. Het verliezen van Brussel zou
Vlaanderen opzadelen met een bijzonder zware handicap en dodelijk
verminken. . .
19/ De uitdagingen voor Vlaanderen en
België zijn enorm en wellicht groter dan voor veel andere EU-landen en
-gewesten, omwille van onze grotere kwetsbaarheid. Een lange termijn
'moderniseringspact' of 'toekomstpact', afgesloten tussen de grote
politieke strekkingen in het land dringt zich op. In die context en om
redenen van coherentie ligt hierin een bijkomende reden om symmetrische
coalitievormingen in de federale en de gewestregeringen te overwegen. De
noodzak om snel in te grijpen en weerstand te bieden aan allerlei
drukkingroepen vereist eveneens dat de uivoerende macht(en) in het land
zouden beschikken over bevoegdheidsdelegaties - bijzondere machten -
hen toegekend door hun respectieve parlementen.
20/ Diepgaand ingrijpen in de werking van
de welvaartsstaat en het dynamiseren van de maatschappelijke creativiteit
vergen zeer grote inspanningen en zijn een beproeving voor de politieke
leiders, in een maatschappij die uitmunt door scepsis, wantrouwen,
desinformatie en politieke ongeletterdheid. In een democratie dient het
tot niets gelijk te hebben met weinigen. Maatschappelijke leiders, hoe
lucide en verantwoordelijk ook, moeten gelijk krijgen van een
democratische meerderheid. Realiseren wat noodzakelijk is voor het
algemeen welzijn lijkt niet zelden onhaalbaar. De onhaalbaarheid wordt
bovendien vaak ingeroepen als voorwendsel voor uitstel, lankmoedigheid,
passiviteit, verantwoordelijkheidsvlucht. De huidige, weliswaar wat
schuchtere, conjunctuurverbetering kan aanzetten om resoluut het zo
nodige hervormingsbeleid uit te werken
en gefaseerd te verwezenlijken.
Epiloog
De
doorbraak van de creatieve kennis als belangrijkste productiefactor is een
recent grensoverschrijdend fenomeen, dat wereldwijd kennis-elites in het
leven roept. De markteconomie, door haar eigen transnationale,
competitieve en antiautoritaire kenmerken, wordt het wereldwijde vehikel
van de ICT. Zo wordt de wereld ons dorp. Een nieuw maatschappelijk
systeem is groeiende: het informatisme, dat de plaats inneemt van
alle andere systemen van de XXste eeuw. Het informatisme is onverenigbaar
met communistische en fascistische dictaturen enerzijds maar heeft ook
anderzijds verreikende gevolgen voor het liberale kapitalisme en de
werking van de markteconomie. Het informatisme decollectiviseert en
deprivatiseert tegelijkertijd. Dit ondervindt het oude Europa, zo dierbaar
want zo vertrouwd, alle dagen opnieuw. Met de post-industriële
ICT-revolutie en het ontstaan van de netwerkmaatschappij levert onze
samenleving een belangrijke bijdrage aan wat Pierre Teilhard de Chardin de
creatie van een mondiale noösfeer heeft genoemd, een wereldwijde
gemeenschap van kennis en gedachten en verwerking van informatie.
Onbetwistbaar is dit fundamentele gebeuren tevens bevorderlijk voor de
democratie. Nooit was de vrijheid van mening zo groot onder invloed van de
ongeremde uitwisseling van gedachten en ideeën wereldwijd. Via internet
wordt de wereld één grote winkelzaak, maar ook een oceaan van inlichtingen
en kennis. De informatierevolutie doet de nationale soevereiniteit van de
staten weglekken. Nationale regeringen zijn te klein voor de grote
aangelegenheden, want die worden internationaal en zelfs supranationaal
beslecht; en tegelijkertijd zijn de regeringen te groot voor de kleine
aangelegenheden, want die worden toevertrouwd aan gedecentraliseerde
autoriteiten. In een dusdanig technologisch muterende omgeving worden ook
ondernemingen grensoverschrijdend en dus multinationaal. Velen leiden een
nomadisch bestaan; sommigen zijn haast virtueel. Nieuwe vormen van
samenwerking tussen bedrijven, fusies en overnames zijn niet van de
lucht. De regeringen en overheidsinstanties op allerlei niveau's zoeken op
hun beurt naar samenwerkingsverbanden ten einde greep te krijgen op
internationale krachten die for better and for worse de leefwereld
van staten, volkeren en personen omwoelen. Daarbij dient gesteld dat
mensen niet nomadisch, niet volatiel en niet virtueel zijn en niet mogen
herleid worden tot een klein kamwiel in een grote cybernetische machine,
maar wel geroepen zijn om samen te leven ten einde samen te werken en
aldus meer mens te worden. Een gemeenschap als de Vlaamse en een
multicultureel land als België kunnen hierbij een belangrijke zinvolle
laboratoriumfunctie vervullen.
De
politieke en de economische macht bestaat steeds minder uit macht over een
territorium en steeds meer uit de controle over een netwerk. Zo wordt de
macht ‘gedeterritorialiseerd’ en worden de productieprocessen ‘gedematerialiseerd’.
De mondialisering van de technologische vooruitgang, van de economische
activiteiten en financiële transacties, reduceert geleidelijk aan de
invloed van het blanke Westen – en dit wordt even wennen voor het blanke
ras - in het voordeel van andere continenten en beschavingen, die zich
volop inschakelen in een nieuwe wereld van communicatie, kennisoverdracht
en vindingrijkheid (serendipity zeggen de Britten met een
onvertaalbaar woord). De wereld wordt één dorp maar is steeds meer
gedecentraliseerd. Het gaat bovendien om een dorp met 6 miljard inwoners,
die het allen materieel even goed willen hebben, aangezien zij weten dat
sommigen in de wereld het veel beter hebben. Dit leidt tot wereldwijde
spanningen en misverstanden, weerstand tegen de onvermijdelijke
multiculturalisatie, tot moeizame en te trage aanpassingsinspanningen,
maar ook tot vormen van internationale klassenstrijd, acuut nationalisme,
religieus fundamentalisme, tot afstotingsverschijnselen ten aanzien van
wetenschap en technologie en in veel landen tot het ontstaan van een duale
maatschappij. De worsteling van nationalisme en internationalisme en van
universalisme en particularisme breekt weer door in samenlevingen en
werelddelen, wat tot op zekere hoogte de echo is van de tragische
geschiedenis van de XXste eeuw en een terugkeer kan inhouden van het
verleden. Dit alles voltrekt zich in de zo geroemde kennismaatschappij die
ook veel onwetendheid afscheidt en vervalt in extreme simplismen omwille
van de complexiteit van de problemen, zodra die door de media als fast
news worden aangereikt. Veel scherpzinnigheid en generositeit gaan
gepaard met veel ontgeestelijking en individualisme. Een wereld
overweldigd door paradoxen.
De enige constante van de geschiedenis is
de verandering. Alles verandert steeds meer, maar niet alle veranderingen
zijn goed. Niet elke verandering is vooruitgang. De ICT-revolutie is noch
ethisch noch onethisch. Zij is veeleer amoreel. De hamvraag is waartoe
ze wordt aangewend. De belangrijkste en meest wezenlijke
samenlevingsvraag van de volgende jaren heeft te maken met de ethiek van
de verandering. De meest fundamentele opdracht voor de toekomst is een
antwoord te verschaffen op volgende vraag: ‘Hoe de veranderingen die
ons overspoelen, omzetten in ware menselijke vooruitgang?’ Er blijkt meer
nood te zijn aan een ethiek van de verandering dan aan een verandering van
de ethiek. De vraag naar wat ‘menselijke vooruitgang’ betekent aan het
begin van de XXIste eeuw, situeert zich op het kruispunt van geloven en
hopen, maar ook van weten en denken.
Meteen stuit men op de meta-politieke en meta-economische vraag naar
wat mag en niet mag, ook als het kan. Een torenhoge ethische
vraagstelling rijst op, midden in de moderne samenleving, vaak gekenmerkt
door veel samenloosheid en die hierop onwennig reageert.
In een tijd van post-modern scepticisme
kan dergelijke ethische opgave voor de aankomende generatie van
verantwoordelijken en leiders gniffelend worden afgedaan als naïef
idealistisch of zelfs hypocriet. Uitzichtloos pessimisme is nochtans
verlammend en daardoor ook tot op zekere hoogte niet moreel verantwoord.
België en Vlaanderen in het bijzonder behoren nog steeds tot een uitermate
geprivilegieerd 'kleinoord' op de wereldkaart. Een constatering die onze
verantwoordelijkheid des te groter maakt. Beaat optimisme van zijn kant is
onverantwoord, want lichtzinnig en roekeloos. Maar een soort volgehouden
meliorisme, met name het geloof in de verbeterbaarheid van mensen en
dingen, ondanks ontgoocheling en mislukking, kan de haast spontane
wankelmoedigheid van de zuivere intellectuele analyse bijsturen. De
Europese eenmaking, de welvaartsrevolutie in West-Europa tot stand
gebracht, de vrede die er nu reeds sedert meer dan een halve eeuw heerst
in een klimaat van democratische samenwerking, is een historisch voorbeeld
dat ‘het kan’, ook als het vaak moeilijk is en soms totaal onhaalbaar
lijkt. In dit meliorisme schuilt de kracht om ervoor te ijveren dat wat
nodig is voor het algemeen welzijn ook realiseerbaar zou worden. Dan wordt
de 'onmogelijkheid van het noodzakelijke' herleid tot een boutade of
tenminste tot een onbillijk intentieproces aangedaan aan zoveel mensen van
goede wil.