Mark Eyskens

politiek economie literatuur Français
kunst politiek stel uw vraag nieuws Français
 


Het Fin de Siècle
en de Nieuwe Tijd

Indee van een
Universiteit voor
de XXIst Eeuw

 
NIEUWS

vuistslg.wmf (8758 bytes)

 Mark Eyskens' jongste publicaties:

 

'Omdat wij van de avond nooit genezen'  Gedichten. Davidsfonds

 

OMDAT WIJ VAN DE AVOND NOOIT GENEZEN...

 

 

Omdat wij van de avond nooit genezen,

de uitvaart van het licht reeds ‘s ochtends vrezen,

omdat wij leven tussen licht en duisternis

en wachten op een teken: de belevenis,

omdat wij ooit uit sterrenstof geboren zijn

en van de oneindigheid de samentrekking zijn,

omdat wij leemte zijn en openheid,

omdat wij ruimte zijn en toch geslotenheid,

omdat wij razen als geliefden sterven

en wij van hen slechts dode zielen erven,

omdat wij mogen leven voor de dood

en willen leven na de dood,

omdat wij rusteloos voor anker willen gaan

op een tijd- en bodemloze oceaan,

omdat wij levenslang verlangen,

nooit woonden in beloofde landen

en tot stof en as verbranden,

zal ik,

weer vrij en toch gevangen,

zal ik de avond en de dageraad,

zal ik de dood en de geboorte,

het dubbele verraad,

tweemaal het ongehoorde,

nooit weer verwoorden.

 

 

De Onmogelijkheid van het noodzakelijke. VKW  Denktank. 2004

 

 

De Houdbaarheid van de Welvaartsstaat

De Onmogelijkheid van het Noodzakelijke?

                                                Mark EYSKENS

 

 Inhoudstafel

                                                          

Proloog

 

De Onmogelijkheid van het noodzakelijke

Burgerlijke onvrede

Wat aan de kiezers niet werd verteld

Een schijngezonde zieke

            * België en Vlaanderen: sociaal-economische wonderkinderen

            * de ziekteverschijnselen

Immigratie: probleem en/of oplossing

De uitbreiding van de EU: kans en/of bedreiging

Delocalisaties

Een Vlaamse economie?

De arbeidsmarkt.

Het federalisme op zijn Belgisch werkt niet optimaal

De Noord-Zuid-miljardenstroom.

Te weinig kenniseconomie

Menselijk kapitaal

Energie

De superprioriteit: innovatorische concurrentie.

Doorbreken van vicieuze cirkels

Selectiever sociaal beleid en efficiëntere armoedebestrijding.

Conclusies

Epiloog

Bronnen en literatuur

 

 Proloog

 Een organisatie uit het middenveld, als het Verbond van Kristelijke Werkgevers, die haar boodschap wil uitdragen gaat door een mijnenveld. Dit geldt trouwens voor heel wat socio-economische groepen en verenigingen die opereren in het epicentrum van het maatschappelijk gebeuren. Vaak worden zij beproefd door de onontkoombare keuze tussen de ethiek van hun overtuiging en de ethiek van hun verantwoordelijkheidszin. Kwellende vragen rijzen in verband met verantwoordelijkheden, die moeten worden opgenomen voor wie en voor wat, tot verdediging van welke waarden en met welke middelen? Is ondernemerschap, een schaars goed en daardoor economisch beschouwd waardevol, te rijmen met sociaal engagement, in een wereld vaak gekenmerkt door overdadige mededinging?  Deze vraagstelling wordt nog prangender als men ze toetst aan een christelijke levensinspiratie die uitgaat van het besef dat de vermenselijking van ons mens-zijn ver van beëindigd is. Nog hachelijker worden het stellen van vragen, laat staan het geven van antwoorden vanuit een menslievende levensbeschouwelijke invalshoek, als dient geconstateerd dat stelsels van gestructureerde solidariteit, zoals de sociale zekerheid, zonder grondige hervormingen haaks zou komen te staan op welvaartscreatie en welzijnsbehartiging. Of nog als er op gewezen wordt dat Vlaanderen het beter zou doen en efficiënter zou kunnen reageren op de uitdagingen indien het minder zou besteden aan vreemdelingen of aan de andere regio's, die dit kleine land samenstellen.

 

De geo-economisering van de wereld, gestuwd door een vloedgolf van wetenschappelijke ontdekkingen en uitvindingen, is een fenomeen dat de bestaande ideologische modellen doorbreekt. Het communisme is eraan ten onder gegaan en het kapitalisme ondergaat diepgaande mutaties. De welvaartsstaat, zorgvuldig opgebouwd in vooral West-Europa,  kreunt onder de golfslagen van een wereldwijde economische concurrentie. Tegenover het economisch gebeuren gedraagt de hedendaagse burger in de westerse wereld zich op een wat paradoxale wijze. Enerzijds beseft hij hoezeer de economische vooruitgang een zegen is in termen van welvaart en welzijn, wanneer hij die vergelijkt met de levensstandaard van ouders en grootouders. Vooral in Vlaanderen geeft de achteruitkijkspiegel een stichtend beeld van de grote sprong voorwaarts die in deze regio werd gerealiseerd, wat welvaart en welzijn betreft. Toch ervaart de doorsnee burger anderzijds de gemondialiseerde economie als een ongrijpbare robot, die hem ongerust en angstig maakt.  Bovendien wordt hij elke dag door de media met de neus gedrukt op de grote miserie in veel landen van de Derde Wereld en op de sociale wantoestanden die ook nog in de rijke landen voorkomen, inclusief in het zijne.

Het is dan ook van groot belang duidelijk te schetsen wat de mogelijkheden maar ook wat de beperktheden zijn van een gemeenschap als de Vlaamse, onlosmakelijk ingebed in een Europese en internationale omgeving, die steeds meer elementen aanreikt van 'deterritorialisering' van het economisch gebeuren.

In onderstaand betoog heb ik gepoogd feiten en tendensen op een rij te plaatsten, met aanduiding van wat onrustwekkend is voor onze welvaartsmaatschappij en formulering van wat vanuit een normatief standpunt kan ondernomen worden, voorzover in een democratie hiertoe voldoende consensus bestaat. Tussen 'de onmogelijkheid van het noodzakelijke'  - een verlammend  berustend standpunt, dat niet zelden de ondertoon vormt van het huidige maatschappelijke debat – en 'de noodzaak van het onmogelijke'  -  een voluntaristische geloofsbelijdenis met  fundamentalistische trekjes – die heel wat maatschappelijke schade kan aanrichten, ligt een smalle grenslijn van evenwicht en bedachtzaamheid en uiteindelijke doelmatigheid. Vaak gaat het om een leidraad die door mensen van goede wil moet worden opgespannen en in stand gehouden. Het is mijn overtuiging dat het VKW hieraan aanzienlijk kan bijdragen.

Mijn persoonlijke inbreng in het debat, zoals uitgewerkt in wat volgt, kan ik nu reeds samenvatten zijn kern.

1/ De sociale welvaartsstaat dient selectiever en zuiniger te functioneren en voor een deel  anders te worden gefinancierd. Dit kan, als hierover een politieke en maatschappelijke consensus groeit maar het mag enkel indien tegelijkertijd de armoede-in-ruime-zin efficiënter wordt bestreden in Vlaanderen, sociaal en economisch,  maar ook in de andere gewesten van het land. Op dit beginsel, geconcretiseerd via een armoede-index-beleid, dienen nieuwe vormen van inter-individuele en inter-regionale solidariteit te worden gebouwd.

2/  De gewesten hebben nood aan meer armslag inzake bevoegdheden en middelen, die hen moeten toelaten het hoofd te bieden aan de toekomstige uitdagingen. Maar dit moet gebeuren in een institutioneel raam dat het coöperatieve federalisme in België meer kansen geeft.

VKW-directeur Johan Van Overtveldt, die de denktank van het VKW leidt en uitbouwt tot een kritisch klankbord van wat opklinkt uit de samenleving maar ook tot een klokkenluider van wat anders moet en kan, ben ik dankbaar. Hij vroeg mij na te denken over hoe met name Vlaanderen  dient om te gaan met de groeiende onverenigbaarheid tussen sociale bescherming en verzekering voor iedereen enerzijds en economische vooruitgang anderzijds die moet mogelijk maken dat de kerntaken van de welvaartsstaat behouden kunnen blijven. Op zijn uitdagend voorstel in te gaan op de 'Wat nu?'-vraag, bleek ik niet in staat niet in te gaan. Met heel wat collateral damage voor mijn zomervakantie.

 

 

 

                                                                 Mark EYSKENS

                                                                 Minister van Staat

                                                                

Augustus 2004 

 

 

 

 

 

 

 

 

De Onmogelijkheid van het noodzakelijke

 

De Welvaartsstaat is een samenleving waarin ongeveer alle burgers dankzij onderlinge solidariteit tegen de belangrijkste  bestaansrisico's zijn verzekerd en beschermd en waarin door belastingen en sociale bijdragen de inkomens worden herverdeeld. Het woord 'welvaartsstaat' lijkt de letterlijke vertaling van de Engelse uitdrukking Welfare State, die afkomstig is van het verslag van Lord Beveridge van 1942. Evenwel is het Engelse concept 'welfare state' veel enger want strikt beperkt tot hoofdzakelijk gezondheids- en  welzijnszorg. De welvaartsstaat zoals wij die op het Europese continent kennen – en die accurater de 'verzorgingsstaat', soms zelfs de voorzienigheidsstaat  (l'état providence) wordt genoemd -  is het unieke maatschappelijk stelsel dat vooral in West-Europa werd uitgebouwd na de tweede wereldoorlog en dat schatplichtig is aan  Jean-Jacques Rousseaux, maar ook aan kanselier von Bismarck in een ver verleden, aan Lord Beveridge en aan zeer veel politieke en sociale denkers, idealisten en voormannen. Het uitgebreide stelsel van sociale zekerheid is uitgegroeid tot een van de typische karakteristieken van de West-Europese samenleving.  Vandaag, na  de opeenvolgende uitbreidingen van de Europese Unie, gaat het om een wezenskenmerk van het Europese model, ook soms  Rijnlandmodel genoemd.

Het begrip is bovendien uitgebreid door toevoeging van allerlei elementen die bepalend zijn voor de levenskwaliteit en de ontwikkelingskansen van de menselijke persoon. Vandaar dat vooral onder christen-democraten het  - volgens hen -  wat te enge begrip welvaartsstaat best wordt vervangen door de 'welzijnssamenleving'.

De twintigste eeuw heeft op een onbarmhartige, genadeloze en vaak bloedige wijze een selectie gemaakt tussen zeer uiteenlopende maatschappelijke, politieke en economische systemen.  Het autoritaire fascisme en nationalistisch-racistische nazisme enerzijds en het dictatoriale collectivistische communisme anderzijds gingen ten onder aan en in de puinhopen die ze hadden aangericht.  Wat in Europa overblijft,  niet als een restsom, evenmin als de sintels van een tot as opgebrande geschiedenis, maar als een systeem van samenleven in solidariteit,  geboetseerd door de naoorlogse generatie, onder de vorm van de verzorginsstaat, lijkt evenwel vandaag niet steeds doelmatig in zijn taakvervulling  -  er is nog steeds armoede van diverse aard  - zeer complex in zijn werking en vooral kwetsbaar omwille van zijn toenemende onbetaalbaarheid in een wereld van onverbiddelijke concurrentie. Die wereld is inmiddels ons dorp geworden. Het Europese model stoelt na een rijpingsproces en de ziftende invloed van de geschiedenis, naar mijn opvatting, vandaag op vier pijlers: 1/ de pluralistische democratie; 2/ de concurrentiële markteconomie; 3/de rechtsstaat en 4/ de sociale welvaartsstaat met zijn uitgewerkt stelsel van sociale zekerheid of welzijnssamenleving.  Het gaat om een vierspan van krachten dat ik, in verscheidene publicaties, het tetranoom heb genoemd. Vooral de laatste pijler – de welvaartsstaat - is typisch Europees en onderscheidt het Europese samenlevingsmodel van bijvoorbeeld het Amerikaanse, waar privé verzekeringssystemen en veel minder collectieve voorzieningen de doorslag geven, en uiteraard het Aziatische en het Afrikaanse.

Uitgegaan wordt door alle decision makers dat het Europese tetranoom dient behouden, verdedigd, verbeterd, uitgebouwd en, zo mogelijk, buiten Europa in de wijde wereld aangeprezen en toegepast. Het Europese maatschappelijke model, met zijn diepe historische wortels, zijn gelukkig geheelde littekens, zijn boodschap van samenwerking, vrede en welvaart voor iedereen, blijft een essentiële noodzaak. Maar in het licht van een wereld die nooit zo snel is veranderd, rijzen steeds meer twijfels over de houdbaarheid van dat Europese model, vooral dan in zijn welvaartscomponent, wat in concreto verwijst naar de haalbaarheid van onze stelsels van sociale zekerheid en uitgebreide collectieve voorzieningen. En aangezien de welvaartsstaat wordt geschraagd door zijn economisch draagvlak – 'men kan geen sociaal paradijs in stand houden op een economisch kerkhof' – verwijst de vraag naar de ontwikkelings- en overlevingskansen van de welvaartsstaat ook naar het draagvermogen, de groei en de dynamiek van de markteconomie. Althans impliciet wordt in deze vraagstelling bovendien ook de politieke en zo nodig de justitiële doelmatigheid van onze samenleving aan de orde gesteld, zodat het tetranoom in zijn geheel aan een critische inschatting en mogelijkerwijs aan een herstructurering toe is. Inderdaad, een aantal structurele handicaps, waarmede Europa en de lidstaten van de Europese Unie hebben af te rekenen en die in mindere mate of helemaal niet voorkomen in andere segmenten van de wereldeconomie – onze concurrenten - doen angstige vragen rijzen naar de houdbaarheidsdatum van de Europese welzijnsstaat, ingebed in de Europese democratie en de markteconomie, zoals toegepast in de diverse lidstaten van de EU. En dan blijkt snel dat wat Vlaanderen betreft de stekelige problemenveelhoek, die zich aandient, een Vlaams, een Belgisch en een Europees aspect vertoont.

De analyse van de sterktes, de zwakheden, de mogelijkheden en de bedreigingen  - de zogenaamde S(trenghts)W(eaknesses)O(pportunities)T(hreats) of SWOT-analyse - van het Europese tetranoom  is door veel instanties op alle mogelijke vlakken en niveaus van beleid en reflectie recentelijk gemaakt, gepubliceerd en uitgeschreven. De diagnose van de Europese aandoeningen is grondig verricht en de mogelijke therapieën zijn zorgvuldig ontleed.  Treffend is dat hierbij een spectaculaire paradox oprijst in de Europese samenleving. Die paradox roept bij mij het beeld op van een reusachtige onbeweeglijke stenen Kaba waar omheen miljoenen Europese pelgrims, bewuste en onbewuste aanbidders van het Europese model, aanroepend,  smekend en soms bezwerend rond cirkelen, in de hoop dat alles bij het vertrouwde oude moge blijven. Zij belichamen het Europese conservatisme dat uitmunt door wat het te bewaren heeft en beeft voor wat het te verliezen heeft. Zij zijn de pelgrims van de paradox, waarover dit geschrift in grote mate handelt. Een paradox die te maken heeft met het feit dat veel burgers enerzijds met het onwennige gevoelen leven dat hun comfortabele levenswijze is bedreigd door wereldwijde en onvatbare veranderingen en gevaren en anderzijds met lede ogen constateren dat MEN er niets kan of wil aan doen om het onheil te keren. Maar als diezelfde burgers als kiezers worden opgeroepen om zich uit te spreken over beleidsprogramma's, die soms wel een aantal oplossingen aanreiken, ook al zijn die meestal onvoldoende, reageren zij als angsthazen of toornige kefhonden en geven zij niet zelden hun stem aan die politieke leiders die de echte problemen wegpraten, gratis de maan blijven beloven of hun verantwoordelijkheid afwentelen op onschuldige zondebokken. De meeste sociaal-economische en politieke leiders zijn zich, zelfs cijfermatig, bewust van de kwetsbaarheid van onze welvaart en derhalve van onze welvaartsstaat, maar zij durven nauwelijks de ware toedracht  aan te kaarten bij een publieke opinie die men liever vergast op  politiek theater, demagogisch vendelzwaaien of polemisch gekibbel. Zij lijken de mening toegedaan dat het verkondigen van de waarheid gevaarlijk is voor de volksgezondheid. Zij besturen vaak volgens de beginselen van het governement by opinion poll en roepen binnenkamers uit: 'ik ben hun leider, dus ik volg ze'. Een aantal levensgrote problemen en hun mogelijke oplossingen zijn taboe verklaard. Ik maak hierbij niet in de eerste plaats het proces van de Belgsiche of Vlaamse beleidsklasse, want de koudwatervrees om de problemen zonder franjes bij de bevolking aan te kaarten is algemeen verspreid in de meeste Europese landen. Alle lucide besluitvormers, beslissers en leiders weten wat ongeveer dient te geschieden om het ergste te voorkomen. Zij begrijpen eveneens dat er uiteraard geen 36 verschillende oplossingen mogelijk zijn voor onze problemen en dat ideologische scherpslijperij zelden vaste aarde aan de dijk brengt. Maar ondanks die aanzienlijke scherpzinnigheid, op vaak vertrouwelijke colloquia of half besloten bijeenkomsten opgebracht en in allerlei publicaties of krantenartikels, weliswaar onderhevig aan ontlezing, uitgeschreven, wordt vrij lankmoedig aanvaard dat wat noodzakelijk is onmogelijk blijkt. Er is veel luciditeit bij het stellen van de diagnose maar weinig besluitvaardigheid wanneer het erop aankomt de medicatie aan de patiënt voor te schrijven en toe te dienen. De onhaalbaarheid van wat zou moeten, wordt tot beleidsprincipe verheven. Komt daarbij dat de zeldzame regeringen die toch de euvele moed opbrengen om op gematigde en gedoseerde wijze in het raam van een beleid van lange adem bepaalde structurele hervormingen door te voeren, meestal smadelijk door de kiezers worden afgestraft. De daadkracht van de leiders wordt in een klimaat van electoralistisch populisme ook ondermijnd door de indruk dat de overgrote meerderheid van de bevolking het nooit zo goed heeft gehad – wat ook juist is -  en dat het wel zo geen vaart zal lopen. 'We hebben voor heter vuren gestaan,' luidt een geruststellende boodschap. En daarbij wordt o.m. gealludeerd op de oliecrisis van het begin van de jaren 70 en de periode van stagflatie van de Europese economie (een samengang van economische stagnatie en hoge inflatie in de jaren 80), die we ook ondanks het toenmalige pessimisme met zijn allen te boven zijn gekomen..

            De zeer hoge welvaart van het overgrote deel van de bevolking heeft een verdovend effect op het reactievermogen van burgers en leiders. Steeds meer doemt een  maatschappelijke blokkering op, een existentieel gevaarlijk syndroom, dat in de encyclopedie van de samenlevingsziektes ' de onmogelijkheid van het noodzakelijke' kan worden genoemd.

Die paradox – de onmogelijkheid van het noodzakelijke - leidt naar een impasse op relatief korte termijn. Een perspectief dat wel eens kan eindigen op een afgrond die volgen dieptepsychologen  een fascinerende aantrekkingskracht uitoefent op het politiek-sociale economische establishment, vergelijkbaar met wat zich voltrekt aan de lemmings  - overigens sympathieke diertjes -  als die fataal worden aangezogen  door de gapende dieperik, waarin zij zich met overtuiging storten.

De gewenning aan het mirakel van de schijnbaar moeiteloze welvaartscreatie versluiert het onzichtbare fatum van mogelijke welvaartsvernietiging.

Levensbedreigend voor de democratie wordt de maatschappelijke impasse als de onmogelijkheid van wat noodzakelijk is ontaardt in de noodzaak van wat onmogelijk is.

 

 

 

 'Het verdriet van het werelddorp', Davidsfonds.

 Leven in tijden van Godsverduistering', Lannoo. Dit boek is na 3 maanden reeds aan zijn derde druk toe.

Einde mei 1999 is bij het Davidsfonds een nieuw boek van Mark Eyskens verschenen onder de titel:

'Er zijn geen economische problemen'
114 blz.

In het tijdschrift 'TRENDS' van 15 juli 1999 schreef Luc De Decker hierover wat volgt:

"In een subliem essay waarschuwt Mark Eyskens dat markteconomie en democratie beschermd moeten worden tegen zelfvernietiging..... Waarschijnlijk moet dit ronduit briljant essay, dat ingaat op fundamentele maatschappelijke keuzes omtrent economie, politiek stelsel en ethisch richtsnoer, opboksen tegen enkele hardnekkige vooroordelen...."

Dixit      Mark EYSKENS:

Niet de selectie van de intellectueel sterksten, maar wel de selectie van de moreel besten waarborgt de overleving van de menselijke soort.

De hedendaagse mens voelt zich als een balling in de maatschappij en een wees van God.

De financieel-economische crisis in sommige delen van de wereld is niet te wijten aan te veel markteconomie,  maar veeleer aan te weinig markteconomie.

*   *  *  *

NOG EEN NIEUW BOEK VAN MARK EYSKENS

die andermaal zijn vacantie opofferde, terwijl zijn collega's, desalniettemein goede vrienden, zich vermijdden in tennis-, biljart, voetbal en andere lichtvoetige of handige spelen en spellen, inmiddels knipoogjes werpend naar meerminnen en aanverwante wezens op stranden, in baaien en bikini-archipels.

Het nieuwe boek heet:

Democratie tussen spin en web.

Democratisch samenleven in de kennis- en netwerkmaatschappij.

In dit boek spint Mark Eyskens een web van originele gedachten en indringende inzichten, daarbij een eigen terminologie ijkend, rond het reilen en zeilen van de democratie. Een democratie die, in onze post-industriële samenleving, wordt omgewoeld door de aan de gang zijnde informatica- en communicatie-revolutie. Eyskens gaat uit van de verkiezingen van 13 juni 1999, waarvan de bevreemdende uitslag aan veel meer te wijten is dan alleen maar aan een scheut dioxine in onze wekelijkse kippebout, hoe onrustwekkend ook voor de eetgrage landgenoot, die overigens, en steeds meer, muitgraag door zijn dagelijks leven surft. Volgens Eyskens is de democratie nooit zo populair geweest maar beleven we een crisis van de representatieve democratie, vooral omdat het beleid erg onpersoonlijk, ingewikkeld en ondoorzichtig is geworden. MEN bestuurt. De kennis- en netwerkmaatschappij heeft evenwel een muterende invloed op het bestuur van de maatschappij van morgen. Eyskens onderzoekt hoe we verder democratisch kunnen samenleven in die kennis- en netwerkmaatschappij, die van de wereld steeds meer ons dorp maakt. Wat sommigen ertoe aanzet er voor te ijveren dat ons dorp onze enige wereld zou zijn. Dit boek is ook een welsprekende boodschap, gericht aan de talloze spoorbijstere burgers en nog meer aan de studerende jeugd, die de inspanning wil op- brengen om na te denken over de verantwoordelijkheid die zij morgen zal dienen op te nemen voor de maatschappij van overmorgen.

Mark EYSKENS is em.-professor economie aan de KULeuven, lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschap en Kunst van België en o.m.voorzitter van het Centrum voor Europese Cultuur, van het Instituut voor Europees Beleid en van het Festival van Vlaanderen. Hij schreef een dertigtal boeken over economische, filosofische en maatschappelijke onderwerpen. Hij is minister van Staat en voormalig Eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken, Financiën, Economische Zaken (1976-92), en momenteel lid van de federale Kamer en van de Raad van Europa.



top




top