politiek economie literatuur Français
kunst politiek stel uw vraag nieuws Français
 


Situering
   

 
POLITIEK - binnenland

j0124651.wmf (126222 bytes)

In het politieke spectrum situeer ik mij rechts van links en links van rechts. Door beide kampen word ik verworpen. Nergens ben ik thuis. Wat een heerlijk gevoel.

 

Een politiek sprookje. De belangloze bekering

 

Ergens lag een land van Nergens. Zijn naam was Utopia wat letterlijk ‘niet-plaats’ betekent, gelegen buiten tijd en ruimte. Het was een twee-stromenland, het moderne Mesopotamië, ook soms Taailand genaamd want veel taaier dan sommigen dachten, hoopten of vreesden. De stromen kruisten elkander wel eens, wat aanleiding gaf tot veel gehakketak en verbale overstromingen. In het noorden woonde een multiculturele bevolking die zich nog steeds volk noemde. Één op vier kiezers gaf er zijn stem aan een politieke partij, die was veroordeeld door een hooggerechtshof wegens racisme omdat zij predikte dat al wat vreemd was vals was en al wat vreemd was minderwaardig. De jarenlang volgehouden opruiende taal had gevolgen. Geweld brak uit en mensen werden omwille van hun huidskleur aangevallen, afgetuigd en soms vermoord. Het bloed van een zwarte Afrikaan(se) was nochtans even rood als dat van een blanke en schreeuwde even luid om gerechtigheid. Plots had een mirakel plaats en een belangloze bekering. Door doorgewinterde leider van de anti-alles-partij las de oude parabel van de barmhartige Samaritaan en begreep ze voor het eerst in zijn leven. Hij werd achter het stuur van zijn auto, zoals ooit Paulus, neergebliksemd. De volgende ochtend riep hij een grote persconferentie bijeen en las volgende tekst voor:

“Vrienden, we hebben ons gruwelijk vergist. Niet het eigen volk komt eerst, maar alle mensen komen eerst en zeker de zwaksten, waaronder vaak vreemdelingen, die wij met naastenliefde moeten benaderen. Onze partij aanvaardt ootmoedig haar veroordeling wegens racisme. Wij zullen voortaan in woord en daad niet alleen elke discriminatie, elke xenofobe oprisping achterwege laten. Wij zullen voortaan in plaats van het racisme te promoten, samen met alle mensen van goede wil het racisme bestrijden. We hebben eindelijk begrepen dat men met de bokshandschoen niet kan zaaien in de akker van de samenleving. Ons embleem wordt voortaan een handdruk van een blanke hand die de hand reikt aan een gekleurde. Ook niet- blanken zullen in de toekomst verkiesbare plaats krijgen op onze lijsten bij de volgende verkiezingen. Wij openen onze partijlokalen in het hele land voor asielzoekers en vreemdelingen. Walen beschouwen wij niet langer als profiteurs en luiaards en wij bieden  onze excuses aan aan al wie wij hebben geschoffeerd. Wij begrijpen ook waarom andere partijen niet met ons wilden noch konden samenwerken. Het ‘cordon sanitaire’ was niets anders dan zelfuitsluiting van onzentwege. Wij verbreken al onze banden en contacten met uiterst rechtse partijen in Europa die de onwelriekende boodschap verspreiden van de onverdraagzaamheid, de superioriteit van het eigen ras of volk en die een nostalgische taal voeren die verwijst naar de meest zwarte bladzijde uit de geschiedenis van Europa tijdens de tweede wereldoorlog. Ik verklaar plechtig dat wie tijdens die oorlog met het nazi-regime heeft gecollaboreerd objectief gesproken een zeer zware vergissing heeft begaan en onnoemelijke schade heeft aangericht aan de naam en faam van ons  eigen volk”.

Toen werd het de leider te machtig. Tranen welden op en zijn stem stokte. Dagenlang was in het tweestromenland deze Paulinische bekering frontpaginanieuws. Een maand later hadden parlementsverkiezingen plaats en de extreme partij van weleer, omgeturnd tot partij van de  broeder- en zusterlijkheid, verloor al haar stemmen op drie na. En dit was nu juist zeer verontrustend voor de mentaliteit die heerste in het land van Nergens. Tot een politieke commentator ontdekte dat de drie stemmen die de partij nog had behaald, afkomstig waren van de voorzitter van de partij, van diens vrouw en haar beste vriendin die ook de persoonlijke vriendin was van de voorzitter.

 

Mark Eyskens

 

Voor een coöperatief federalisme

 

 

De betreurde eerste ministerpresident van de Vlaamse regering, Gaston Geens, heeft het devies gelanceerd: ‘wat we zelf doen, doen we beter’. De pertinentie van deze uitspraak ligt voor de hand. Door een grotere verantwoordelijkheid toe te kennen aan personen, groepen, organisaties, gemeenschappen en regio's vergroot men hun verantwoordelijkheidszin en derhalve ook hun beleidsdoelmatigheid. Toch is het Geensiaanse beginsel niet absoluut. Het overhevelen van bevoegdheden inzake onderwijs en sociale woningbouw heeft in Wallonië zeker niet de kwaliteit van de dienstverlening verbeterd. Ook voor Vlaanderen is niet bewezen dat autonomie inzake wegeninfrastructuur de goede staat van het wegennet aanzienlijk heeft opgekrikt. Sedert jaren wordt door bijna alle experten geaarzeld over de wenselijkheid om de ontwikkelingssamenwerking toe te vertrouwen aan de gemeenschappen en het is evident dat er inzake wetenschapsbeleid een veel te grote versnippering heerst, trouwens niet alleen tussen de deelstaten. Indien het beleidsbeginsel van Gaston Geens steeds juist zou zijn, dan zou zoiets revolutionairs als de Europese integratie, die berust op samenwerking en soevereiniteitsoverdracht naar een hoger echelon  - de opwaartse subsidiariteit -    helemaal zinloos zijn. Quod non! Het Geens-principe moet derhalve worden geamendeerd door een regel, die als volgt zou kunnen worden geformuleerd: ‘wat we zelf beslissen samen te doen, doen we beter’. Toegepast op dit buitenissige land België houdt dit de uitbouw in van een echt en hecht coöperatief federalisme. De hedendaagse economische theorie bewijst trouwens, onder meer via de ‘Theory of Games’ dat samenwerking ook tussen rivalen en concurrenten vaak betere resultaten sorteert dan harde confrontaties. Steeds meer spreekt men van ‘coöpetitie’, een combinatie van coöperatie en competitie.

Neem nu het arbeidsmarktbeleid, waar ongetwijfeld in bepaalde deeldomeinen de autonomie van de gewesten moet worden vergroot, zodat de regio's ook financieel beloond worden als zij doelmatig de werkloosheid bestrijden (ofschoon een regio natuurlijk ook pech kan hebben als een grote onderneming een paar duizend werknemers de laan uitstuurt en men daarvoor het gewest zou gaan penaliseren). Met kracht moet worden onderstreept dat naast het deels regionaliseren van het arbeidsmarktbeleid, er ook grote nood is aan het interregionaliseren van dit beleid, zodat werklozen van de ene regio kunnen worden tewerkgesteld in de andere regio. Maar dit veronderstelt een federaal beleid dat met name de werkloosheidsvallen ( het te geringe verschil tussen de werkloosheidsuitkering en het nettoloon) efficiënt wegwerkt. Mobiliteit en investeringen kunnen ook worden vergroot door rond een nationale loonnorm aan ondernemingen - beter dan aan de regio's  -  toe te laten binnen een bepaalde marge hiervan opwaarts en neerwaarts af te wijken. Daarnaast is er ook de noodzaak om in België de arbeidsmarkt te internationaliseren en een selectief immigratiebeleid te voeren in functie van de noden van de markt.  Dit is een Belgische bevoegdheid die uiteraard Europees moet worden ingebed.

De samenwerkingssynergieën tussen gewesten en gemeenschappen (en de federatie) moeten veel efficiënter worden bevorderd. Meer overleg kan natuurlijk geen kwaad. Maar wellicht moet bij het verlenen van financiële middelen aan de deelstaten een prikkel van vermeerdering en van  korting worden ingebouwd, naarmate de deelstaten beter of minder goed of helemaal niet samenwerken. In het laatste geval  -  bijvoorbeeld inzake de geluidsnormen voor vliegtuigen -  moet worden voorzien dat de federale overheid na verloop van termijn het bevoegdheidsdomein kan evoceren en zelf de knoop kan doorhakken. Het voormalige arbitragehof, thans grondwettelijk hof, beslecht de bevoegdheidsconflicten op voortreffelijke wijze. Inzake belangenconflicten is, buiten overleg, geen echte scheidsrechterlijke procedure voorzien. Onder meer om die reden is het van essentieel belang de Senaat om te bouwen tot een ‘Bundesrat’ op zijn Duits, die uiteraard bij gekwalificeerde meerderheid belangenconflicten zou arbitreren en met het oog hierop zou moeten worden samengesteld uit senatoren als vertegenwoordigers van de gewesten, gemeenschappen maar ook van het federale niveau. Zij zouden dienen verkozen te worden in een federale kiesomschrijving, waarbij evenwel het aantal Nederlandstalige en Franstalige senatoren op voorhand zou worden vastgelegd, teneinde de taalverhoudingen tussen de gemeenschappen te behouden.

Talrijke andere initiatieven kunnen worden genomen om verdere regionalisering te integreren in structuren van doelmatige federalisering.  Zoiets heet: goed bestuur.

 

Mark Eyskens      Minister van Staat

 

Bye, bye, Blair

 

een satire

 

 

Het politieke heengaan van Tony Blair als eerste minister van het Verenigd Koninkrijk heeft iets pathetisch. Ziedaar een flamboyante, charismatische, welsprekende, briljante politieke leider die het veld ruimt voor een norse Schot, een grijze labour muis, met de meest banale naam in het koninkrijk: ‘Brown ofte bruin. Het vertrek van Blair is een verspilling van talent. Hij was een leider die niet uitriep: ik ben hun leider, dus ik volg ze. Hij had de moed van zijn overtuiging en durfde tegen de stroom van de openbare opinie in te roeien. Hij was een ik die hij leest weliswaar zonder illusies wat altijd beter is dan een illusionist zonder idealen. Boosaardige tongen wilden hem de poedel van Bush, omdat hij de Amerikaanse president gesteund had in zijn oorlog tegen Irak. Blair was helemaal geen poedel, maar een hond van een ander ras. Een Duitse scheper was hij natuurlijk evenmin, noch een Saint-Bernard of een Belgische herdershond, laat staan een rottweiler of een hazewind.  Neen, hij was een lenige terriër, een Engelse bouvier, bijwijlen een brak, een speurhond, een spitse tekkel, een labrador met een weemoedige ogen. Blair was een subliem redenaar die, telkens hij het woord nam, het Lagerhuis volledig domineerde en de daar heersende mening omkeerde als een pannekoek. De beste Belgische parlementaire brekers verbleken, in vergelijking met Blair, tot wauwelende stotteraars en verbale klungelaars. Blair zet in grote mate het beleid van de legendarische Margaret Thatcher voort. Hij was van de iron lady een mannelijke versie en dus minder agressief en veel milder op school ook onder Blair de vakbonden nauwelijks mochten piepen.

Blair had begrepen dat de burgers in onze verwende welvaartsstaat een vaak de neiging hebben te grijpen bij de uier dan vier bij de horens. De overheid moet dus ook wel optreden als de meeste in de klas Blair heeft heel zijn politieke loopbaan geweigerd een beroeps revolutionairder worden profiteert van wat wij in onze samenleving veroordeeld en geniet van de sociale onrechtvaardigheid die hij gispt, terwijl hij de eer opeist ze te bestrijden. Wel heeft blijven heel veel politieke benoemingen gedaan omdat hij voorstander was van de ‘ inhalende’ rechtvaardigheid. Als je als politicus iemand benoemd uit bijvoorbeeld een twintigtal kandidaten dan maak je een ondankbare en 19 vijanden. Dat heeft Blair te laat begrepen. Wel had hij zeer goed begrepen dat socialisten maar bruikbaar zijn in regeringen als ze vergeten dat ze socialisten zijn. Liberalen daarentegen zijn slechts geloofwaardig in de oppositie als een vergeten dat de liberalen zijn. Ooit zei Blair in het Lagerhuis: “mijn collega heeft de leeftijd bereikt waarop laattijdig infantilisme zonder enige overgang omslaat in voortijdige seniliteit’. En ook door een ander parlementslid verklaarde hij: mijn tegenstrever is een en kale dwerg en dus enkel instaat ontslagen onder de gordel toe te dienen. Ik vertrouw hem voor geen zier. Hij is instaat een onbewaakt moment zijn sigaret in je hand uit te doven. Maar ik zeg u, men moet spaarzaam omspringen met zijn misprijzen omwille van het grote aantal behoeftigen. De leden van de oppositie wil ik niet uitdagen, want ik ben tolerant. Maar sta mij toe en ervoor te waarschuwen dat ik mij door de ratten zal laten besnuffelen.  Wat ik vrees mocht de oppositie aan het bewind komen is dat een dictatuur de macht zou grijpen en met name de dictatuur van de leeghoofdigheid. Maar ik wil ook objectief zijn: de meerderheid bestaat uit idioten, de minderheid ook de Maar daar zijn ze minder talrijk”.

Het is evident dat wij er met dit soort toespraken niet overal op gejuich werd onthaald. Ook de media lustten hem soms rauw. Maar hij had geleerd dat er geen verschil is tussen een politicus en een vlieg:  beiden kunnen door een krant worden door het gemept. Maar hij voegde er dan meestal vergoelijkend aan toe dat hij heel graag de dagbladen las omdat hij daarin kon vernemen wat hij dacht en wat hij voornemens was te doen. Blair werd er van beschuldigd steeds de waarheid te spreken. Hij wist echter dat de waarheid en schaars waar men spaarzaam moet mee omspringen. Men moet als socialist ook bereid zijn de waarheid te herverdelen zodat iedereen een stukje waarheid toebedeeld krijgt. Maar de premier voegde er onmiddellijk aan toe dat in de politiek leugens waar zijn zodra ze door de bevolking worden geloofd en hun kans om geloofd te worden neemt toe naarmate de leugens geloven zijn. In het begin van zijn carrière was Blair een van de aanvoerders van de oppositie bent in het Lagerhuis ging hij tekeer tegen de conservatieve regering van John Major onder meer met een tirade die beroemd is gebleven en die aldus luidde: “ We zitten in een politieke impasse We kunnen enkel de verkiezingen winnen als eerst de toestand verslechtert en de toestand kan slechts verslechteren als we eerst verkozen worden en het land een tijd kunnen regeren”. Het Britse Lagerhuis is een grote rechthoek, in tegenstelling tot de meeste landen van het Europese continent waar de parlementen zetelen in halfronden, een vorm die is afgekeken van de oude Romeinse Curia. De afstand tussen oppositie en meerderheid bedraagt er een driedubbele degenafstand, ingevoerd na de goedkeuring van de Magna Charta en de oprichting van het eerste parlement. De humane bedoeling was te verhinderen dat de parlementsleden, gewikkeld in de hitte van een verbale woordenstrijd, elkander zouden neer- en doodsteken. Het Britse House of Commons is ongetwijfeld de moeder van alle parlementen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Hieronder:

 

1/    toespraak van een denkbeeldig eerste minister

2/ Toespraak voor het Liberaal Vlaams verbond

 

maar eerst ernstiger

 

 

De Crisis van de Welvaartsstaat

Mark Eyskens

 

 

Steeds meer burgers van het avondland worden zich bewust van de grote kwetsbaarheid van ‘onze’ welvaartsstaat, een overigens relatief abstract begrip dat verwijst naar de grote economische en sociale verworvenheden van de  Europese samenleving. In nauwelijks een halve eeuw is de reële levensstandaard van de doorsnee (West-)Europese burger verzesvoudigd, terwijl hij tijdens zijn loopbaan één derde minder lang werkt en vijftien jaren langer leeft. De kwaliteit en de ‘nieuwigheid’ van de goederen en diensten die hij gebruikt en verbruikt is onvergelijkelijk toegenomen. Hij is omringd door de talloze zich vermenigvuldigende snufjes van de moderne technologie. Er zijn thans vier maal zoveel universiteitsstudenten als in 1950, wat wijst op een zeer aanzienlijke democratisering van het onderwijs. De gezondheidszorg is uitstekend en goedkoop. Het culturele aanbod is overvloedig. De meeste van onze steden zijn netjes onderhouden en de historische gebouwen werden keurig gerestaureerd. De levenskwaliteit is vooral in kleine contreien als België en Vlaanderen, opmerkelijk hoog. De welvaartsstaat heeft ook in grote mate een ‘welzijnssamenleving’ in het leven geroepen, ondanks een aantal tekortkomingen, zoals de toenemende mobiliteits- en leefmilieuproblemen. Veel Europeanen kunnen het zich veroorloven de planeet aarde te verkennen tot in haar verste uithoeken en hebben recht op uitgebreide vakanties en loopbaanonderbrekingen. In Europa heerst grote vrijheid op talrijke gebieden en is de gelijkheid tussen de burgers sterk toegenomen. En als kers op de taart werd het mirakel van de Pax Europea verwezenlijkt, dank zij het wonder van de Europese integratie. Sedert 1945 heerst op  het kleine West-Europese schiereiland vrede tussen de natiën, wat nooit gebeurd is sedert de tijd van Julius Caesar. Vlaanderen - ooit arm Vlaanderen -  is een van de meest welvarende regio’s van de planeet aarde geworden, derhalve van het zonnestelsel en wellicht van de melkweg. Voor andere galaxieën wil ik nog enig voorbehoud maken. Waarover klaagt men?

En toch klaagt men alom. O! paradox . Er heerst inderdaad wijd verspreide onvrede en ontevredenheid, ongenoegen en  malaise, angst en onzekerheid, verzuring en walging, individualisme en ‘ikisme’, collectief egoïsme en nationale hebberigheid, bij gebrek aan echte solidariteit en samenhorigheid. Een vreemdsoortige sociologische wet is vaardig geworden, die stelt dat de maatschappelijke vrede afneemt naarmate de welvaart toeneemt. Uiteindelijk leidt deze evolutie ertoe dat het geluk van een samenleving krimpt naarmate haar welvaart groeit. In een representatieve democratie, waarin leiders en verantwoordelijken verkozen worden door de bevolking, heeft het verschijnsel van de ‘dalende geluksbreuk’ (de bevredigingsmiddelen gedeeld door de behoeften) rampzalige gevolgen voor de werking van de democratische instellingen.

De oorzaken van de paradox van de onvrede in onze welvaartsmaatschappij zijn complex en verscheiden. In een uiterst gemediatiseerde samenleving worden, door publiciteit en reclame maar ook door de politici en politieke partijen, verwachtingspatronen gecreëerd die niet kunnen worden ingelost. Enkel slecht nieuws heeft nieuwswaarde en het negatieve wordt dankbaar uitvergroot. Een boom die omvalt, maakt groot gedruis. Een boom die groeit en bloeit, doet het in alle stilte. Bovendien produceert de zo geroemde kennismaatschappij ook veel onwetendheid. Wat de burger kent, neemt toe, maar wat hij zou kunnen of moeten kennen, neemt veel sterker toe. Aldus ontstaat een toenemende kenniskloof tussen het kenbare en het gekende. Er bestaat zoiets als de ‘wet van de afnemende relatieve kennis’. En overinformatie leidt tot desinformatie. De extreme ingewikkeldheid van een aantal economische en maatschappelijke problemen leidt tot simplistische vereenvoudigingen, waardoor oplossingen worden geëist, die onhaalbaar blijken. Het beleid in veel instellingen is abstract, technocratisch en ondoorzichtig. ‘Men’ bestuurt en beslist. Er is algemene ‘vermenning’, wat resulteert in een verregaande vervreemding van de burger tegenover maatschappelijke structuren. De politieke boodschap bestaat er vaak in aan de kiezers te verkondigen wat ze graag hebben en niet wat ze nodig hebben of wat noodzakelijk is. De huidige maatschappij mist, in haar leiding en leden, de luciditeit en koelbloedigheid om een ‘noodzakelijkheidsbeleid’ te voeren. En dit beleid is zeer vereist, gegeven de echte uitdagingen. De huidige malaise vloeit te recht voort uit het wijd verspreide intuïtieve aanvoelen van komend onheil. Er is ongetwijfeld wat aan de hand, beseft de burger.

De belangrijkste verklaring van de onvredeparadox schuilt in veelzijdige angstgevoelens, die uitmonden in ‘verliesvrees’. De vrees te verliezen wat verworven werd: werk, pensioen, leefcomfort, veiligheid, een mooie toekomst voor kinderen en kleinkinderen… De bevolking wordt verlokt door conservatisme op het ogenblik dat innovatie en creativiteit meer dan ooit dwingend zijn. Een behoudsgezindheid die ertoe aanzet te bewaren wat men heeft uit vrees het te verliezen, met als gevolg dat het verlies waarschijnlijker wordt. Zo dreigt een zichzelf vervullende profetie te ontstaan.

            Een stortvloed van veranderingen op elk gebied doet zich voor. Morgen is niet langer de projectie van vandaag of gisteren. Wat er aankomt, is fundamenteel anders en daardoor onvoorspelbaar. De loop van de gebeurtenissen is nooit meer lineair. De toekomst lijkt op een grote spin, die schrik inboezemt. Indien veel mensen beducht zijn voor spinnen dan is dit - zo leggen psychologen uit - omdat dit vernuftige diertje niet zes poten heeft, zoals een insect, maar acht. Deze twee toegevoegde poten zijn geenszins overtollig, maar stellen de spin in staat  in totaal onverwachte en onvoorspelbare richtingen te bewegen. Die mogelijkheid maakt haar gedag zo angstaanjagend voor een toeschouwer. De toekomst gedraagt zich thans op dezelfde manier en dwingt de burger van de 21ste eeuw ertoe te leven in een age of anxiety. De doorbraak van de nieuwe informatie- en communicatietechnologieën (ICT), dank zij de uitvinding van het fabeltuig dat computer heet, heeft een wereldwijde revolutie ingezet, waarvan de gevolgen nauwelijks zijn te overzien. De informatiemaatschappij geeft geboorte aan de kennismaatschappij, creatieve kennis wordt de belangrijkste productiefactor, en ideologieën en zekerheden breken stuk op de ICT. De marxistisch-communistische doctrine die ijvert voor de naasting van de productiefactoren, wordt volkomen onbruikbaar zodra informatie en kennis de economie stuwen. Exit het collectivisme, met de implosie van het communisme en de explosie van de Sovjet-Unie als klap op de vuurpijl. Maar ook het kapitalisme worstelt met de gevolgen van de ICT, waardoor de intellectuele eigendom op de helling wordt gezet en via internet - een organisch, geen structureel verschijnsel - totaal nieuwe vormen van markthandelen en zaken doen ontstaan. Er is tegelijkertijd decollectivisering en deprivatisering, wat aanleiding geeft tot veel beleidsontreddering. De landsgrenzen verdampen, de internetisering maakt van de wereld een dorp, markten worden wereldwijd, bedrijven delokaliseren, de wederzijdse afhankelijkheid neemt toe. Steeds meer wordt beseft dat een vleugelvlinderslag in Zuid-Oost-Azië een storm kan verwekken in Noord-West-Europa. China en India ontwaken en worden in een oogwenk economische grootmachten. De Europeaan beleeft het hijgen van de geschiedenis, maar kan ze niet meer volgen en geraakt buiten adem. De maatschappij waarin hij leeft wordt snel onherkenbaar. Haar waardenschalen worden grondig door elkaar geschud. Vreemde culturen, godsdiensten en talen doordringen zijn leefwereld, wat hij aanvoelt als een bedreiging voor zijn identiteit en hem verleidt tot beverige, protectionistische reacties. Het angstzweet van de bange blanke man breekt bij hem uit. Een clash of civilisations lijkt hem allesbehalve onwaarschijnlijk en de dagelijkse terroristische aanslagen op de planeet ondergaat hij met bedrieglijke gelatenheid. Een hoopvolle toekomst is niet langer een verworven recht. Instinctief voelt de burger aan dat het Europese model is bedreigd. De 20ste eeuw heeft op een onbarmhartige, genadeloze en vaak bloedige wijze een selectie gemaakt tussen zeer uiteenlopende maatschappelijke, politieke en economische systemen. Het autoritaire fascisme en nationalistisch-racistische nazisme enerzijds en het dictatoriale collectivistische communisme anderzijds gingen ten onder aan en in de puinhopen die ze hadden aangericht. Wat in Europa overblijft, niet als een restsom, evenmin als de sintels van een tot as opgebrande geschiedenis, maar als een systeem van samenleven in solidariteit is het Europese model dat geboetseerd werd door de naoorlogse generatie. Dit model lijkt evenwel vandaag niet steeds doelmatig in zijn taakvervulling - een aantal problemen geraakt niet opgelost -, is zeer complex in zijn werking en vooral kwetsbaar omwille van zijn toenemende onbetaalbaarheid in een wereld van onverbiddelijke concurrentie. Dat Europese model - soms Rijnlandmodel genoemd - stoelt, na een rijpingsproces en de ziftende invloed van de geschiedenis, vandaag op vier pijlers: 1. de pluralistische democratie; 2. de concurrentiële markteconomie; 3. de rechtsstaat en 4. de sociale welvaartsstaat met zijn uitgewerkt stelsel van sociale zekerheid en zijn  welzijnssamenleving.  Het gaat om een vierspan van krachten dat ik het tetranoom zou willen noemen. Vooral de laatste pijler - de welvaartsstaat - is typisch Europees en onderscheidt het Europese samenlevingsmodel van bijvoorbeeld het Amerikaanse, waar privé-verzekerings- systemen de doorslag geven, en uiteraard van het Aziatische en het Afrikaanse.

Meestal wordt niet beseft dat, ook afgezien van externe bedreigingen zoals op dit moment, het tetranoom van binnen uit wordt bedreigd door de wet van de entropie, die de algemene natuurwet is van het verval, de ontbinding, de wanorde. De democratie dient steeds opnieuw te worden verdedigd tegen demagogie, populisme, governement by opinion poll en de neiging van sommige leiders om hun ‘onverantwoordelijkheden’ op te nemen. De markteconomie, overgelaten aan haar eigen krachten, poogt de mededinging te vernietigen door monopolie- en oligopolievorming en machtsconcentraties. Ook de markteconomie dient continu begeleid en bewaakt. De rechtsstaat wordt bedreigd door brutale en/of gesofisticeerde misdadigheid en witteboordcriminaliteit, om nog maar te zwijgen van het huidige terrorisme. En de welvaartsstaat kan, door zijn buitensporige financieringskost, het economisch draagvlak waarop hij stoelt, gevaarlijk aantasten. Uitgegaan wordt bij alle decision makers dat het Europese tetranoom dient behouden, verdedigd, verbeterd, uitgebouwd en, zo mogelijk, buiten Europa in de wijde wereld aangeprezen en toegepast. Het Europese maatschappelijke model, met zijn diepe historische wortels, zijn gelukkig geheelde littekens, zijn boodschap van samenwerking, vrede en welvaart voor iedereen, blijft een essentiële noodzaak. Maar het is vooral de welvaartscomponent van het Europese model, die vandaag beangstigende vragen doet rijzen, zodra de vergrijzing van de bevolking, de demografische recessie, de stijging van de medische kosten, de onvoldoende werkgelegenheidsgraad tijdens de eerstvolgende decennia, het gebrek aan innovatorische slagkracht … onder ogen worden genomen. Niet zozeer de hoogte van de totale socialezekerheidsuitgaven, maar wel hun financieringswijze - hoofdzakelijk via het belasten van de factor arbeid en de bedrijven - tast het concurrentievermogen van de ondernemingen aan in een tijd van sterk verhoogde internationale competitiviteitsgevoeligheid. En aangezien geen sociaal paradijs kan worden  in stand gehouden op een economisch kerkhof, verwijst de vraag naar de ontwikkelings- en overlevingskansen van de welvaartsstaat ook naar het draagvermogen, de groei en de dynamiek van de markteconomie. Op het eerste gezicht zou men geruststellend kunnen verkondigen dat het indrukwekkende stelsel van sociale zekerheid onverkort kan worden gehandhaafd, ondanks de te verwachten sterke vergrijzingskosten, als onze economie meer dynamisch en dus innoverend zou kunnen opereren. Een offensief technologisch en economisch beleid zou aldus garant kunnen staan voor het behoud van alle sociale verworvenheden voor steeds meer rechthebbenden. Helaas gaat deze sofistische redenering niet op zodra ernstig onderzoek uitwijst dat bedrijfsdynamiek sterk wordt geremd als het huidige hoge overheidsbeslag op de aanbodzijde van de economie en de rigide werking van markten en instellingen niet grondig worden gewijzigd. Er is niet zozeer een gebrek aan creativiteit - vooral Vlaanderen heeft wat onderzoek en ontwikkeling betreft een belangrijk inhaalprogramma verwezenlijkt. Het mangelt ons vooral aan innovatie, wat betekent dat ontdekkingen en uitvindingen nog steeds te veel voor hun realisatie naar gunstiger horizonten uitwijken. Het moge een magere troost wezen voor Belgische en Vlaamse beleidsverantwoordelijken dat de meeste Europese landen evenzeer hebben af te rekenen met een aantal structurele handicaps - met name in vergelijking met de Verenigde Staten van Amerika - wat beangstigende vragen doet rijzen naar de houdbaarheidsdatum van de Europese welvaartsstaat. Bij nader onderzoek blijkt echter dat wat Vlaanderen betreft de stekelige problemenveelhoek die zich aandient, een Vlaams, een Belgisch en een Europees aspect vertoont en dat België en Vlaanderen verantwoordelijk zijn voor het wegwerken van een reeks specifieke tekortkomingen en handicaps.

 In allerlei publicaties werden recentelijk heel wat suggesties gedaan. Zelf schreef ik een monografie over ‘de houdbaarheid van de welvaartsstaat’, uitgegeven door de VKWdenktank in oktober 2004. Veel ideeën en beleidsaanbevelingen zijn in een fase van toenemende convergentie getreden. Zij munten vaak uit door uiterste noodzaak maar ook door extreme onpopulariteit. De Belgen moeten langer en meer werken. Vandaag is 23% van de bevolking te jong om reeds te werken en 23% te oud om nog te werken. Zonder ingreep worden deze cijfers in 2030 respectievelijk 21% en 30%, en zal dus meer dan de helft van de bevolking niet meer werken. Derhalve zullen de financiële stimuli om minder lang te werken moeten worden omgeturnd tot aanmoedigingen om langer te werken. De lage werkgelegenheidsgraad is vooral dramatisch in Wallonië, maar in Vlaanderen heeft men dan weer proportioneel veel meer bruggepensioneerden en niet-werkenden in de leeftijdscategorie van 55 tot 65 jaar. De derde pijler van de (privé-)pensioenopbouw moet worden aangemoedigd. De werklozensteun moet in de tijd worden beperkt. De pensioenuitkeringen moeten worden opgetrokken voor mensen die bereid zijn langer te werken. In de gezondheidssector moeten de persoonlijke uitgaven voor prestaties worden verhoogd in functie van het inkomen van de verzekerden. De flexibiliteit op de arbeidsmarkt moet worden verbeterd door sectorale arbeidsovereenkomsten te vervangen door bedrijfsovereenkomsten en door de te dure want te lange vooropzegtermijnen voor bedienden te korten. De financiering van de sociale zekerheid moet in grotere mate de vorm aannemen van een belasting op het verbruik. De grootste bedreiging wellicht voor de welvaartsstaat spruit voort uit de demografische implosie van de Europese en ook van de Belgische bevolkingen. Tegen 2050 zal de Europese bevolking, bij constante immigratie, dalen met 50 miljoen mensen. In België zal de groep van de actieven (van 15 tot 64 jaar) afnemen met 1 miljoen personen. Een selectief immigratiebeleid (smart immigration), liefst in een Europese context, is zeer gewenst, maar ook andere middelen om de bevolkingsgroei en de fertiliteit op te krikken, dienen aangewend. De demografische teruggang lijkt Vlaanderen zwaarder te treffen dan Brussel en Wallonië, vermits het aandeel van Vlaanderen in de totale Belgische bevolking zou dalen van 58% vandaag tot 53% in 2050.

Het is een wet van de democratie dat het tot niets dient alleen gelijk te hebben. Beleidsverantwoordelijken moeten ook nog gelijk krijgen, met name van de kiezers. Dit is bijzonder moeilijk wanneer met de te nemen maatregelen heel wat ‘verworven rechten’ dienen te worden herschikt - om het eufemistisch te formuleren. Het is sedert lang mijn overtuiging dat ingrijpende hervormingen in het sociaal systeem in ruime zin maar haalbaar en ook slechts ethisch verantwoord zijn als de overheid grotere inspanningen zou doen om in ons land de armoede te bestrijden. Thatcheriaanse gevolgen van een sociaal herstructureringsbeleid moeten ten alle prijze worden vermeden. Daarom lijkt het mij wenselijk dat samen met een heroriëntering van het socialezekerheidsbeleid een efficiënt mechanisme van armoedebestrijding zou worden uitgewerkt. De overheid zou op geregelde tijdstippen een regionaal uitgesplitste armoede-index moeten publiceren en een beleidsinstrument creëren (bijvoorbeeld bij kaderwet) dat de overheden in staat stelt om snel ernstige sociale noden te lenigen, indien de armoede-index een bepaalde grens zou overschrijden. Maar ook dergelijk beleid - naar mijn gevoel absoluut noodzakelijk - zou weinig populair zijn, want het betekent in concreto dat de voordelen van de armoedebestrijding in eerste instantie te beurt zouden vallen aan vreemdelingen en Walen. Zonder het doorbreken van bepaalde vormen van collectief, categorieel en communautair egoïsme zullen redelijke oplossingen niet kunnen worden doorgevoerd. De Noord-Zuid-miljardenstroom in België - die vooral te wijten is aan het ongunstige hoofdelijke inkomensverschil van de Waalse en Brusselse bevolkingen tegenover de Vlaamse - werpt een grote schaduw af op elke onderhandeling over een hervorming van de sociale zekerheid. Evenwel worden spreekwoordelijke Belgische compromissen steeds moeilijker omwille van de stroeve werking van de instellingen, het onvoldragen federalisme, de onduidelijke bevoegdheidsafbakening, de afwezigheid van een grondwettelijke regeling van de belangenconflicten en het wederzijdse wantrouwen tussen de talrijke federale, gewestelijke en gemeenschapsverantwoordelijken en –instanties wegen op de doelmatigheid en de daadkracht van het beleid.

Indien beleidsverantwoordelijken uit de diverse maatschappelijke geledingen zouden worden samengebracht om een ‘hervormingsbeleid’ uit te werken, zou onder mensen met gezond verstand en van goede wil, vrij snel een binnenskamers akkoord mogelijk blijken. Er zijn geen zesendertig verschillende oplossingen mogelijk en de objectieve cijfermatige gegevens, statistieken en projecties liegen er niet om. Evenwel zou tijdens zulk overleg er onmiddellijk worden aan toegevoegd dat de meeste maatregelen onuitvoerbaar, want onhaalbaar zijn. Vrij lankmoedig wordt nog steeds in beleidskringen aanvaard dat wat noodzakelijk is, onmogelijk blijkt. De onhaalbaarheid van wat zou moeten, wordt tot beleidsprincipe verheven. Wat moet, kan niet en wat kan, is ‘too little and too late’. De onmogelijkheid van het noodzakelijke is een dwangidee. Toch dringt de tijd in deze tijden van troosteloosheid en ondankbaarheid. Want, als uiting van immanente onrechtvaardigheid, blijkt dat de zeldzame Europese regeringen die toch de euvele moed opbrengen om op gematigde en gedoseerde wijze in het raam van een beleid op lange termijn bepaalde structurele hervormingen door te voeren, meestal smadelijk door de kiezers worden afgestraft.

Indien zou blijken dat de ‘onmogelijkheid van het noodzakelijke’ een maatschappelijk syndroom is geworden en moet worden ondergebracht onder de chronische samenlevingsziekten, bevindt de welvaartsstaat zich in een bijzonder onrustwekkende impasse. Als wat noodzakelijk is onmogelijk blijft, komt het ogenblik dat het onmogelijke onvermijdelijk, dat het onaanvaardbare werkelijkheid zal worden: een dramatische crisis van de welvaartsstaat, die met veel onrechtvaardigheid zal gepaard gaan en die de werking van de democratische instellingen gevaarlijk op de proef zal stellen.

 

Mark EYSKENS

Minister van Staat 

 

 

 

Denkbeeldige toespraak door een ingebeeld eerste minister gehouden voor een imaginair parlement.

 

'Mijnheer de Voorzitter,

Geachte collega's, desalniettemin goede vrienden,

 

Vorig jaar heb ik aangekondigd dat wij ons op de rand van de afgrond bevonden. Sedertdien hebben wij een belangrijke stap voorwaarts gezet. De begroting, die de regering indient, is mooi in haar lelijkheid, zoals de meeste moderne kunstwerken. Zij vertoont een enorm zwart gat, een deficitaire krater, verborgen midden in een vulkaan, die op uitbarsten staat en met de lava van zijn fiscale druk het hele land zal verpletteren. Bovendien zullen ook grote gebieden van ons economisch landschap overstromen. Maar dit zal niet te wijten zijn aan de stijgende wassende wateren van Maas en Schelde, van Barak Friture tot aan Zichem-Zussen-Bolder, maar aan het wegzinken van ons land in een diepe dieperik.

Het feit dat ik thans de volle waarheid spreek, is niet te wijten aan een toevallige verstrooidheid van mijnentwege, zoals dit voorkomt bij al mijn collega's. Mijn omwentelende reconversie tot de waarheid stoelt op het syllogisme van Parmenides, als u begrijpt wie ik bedoel. Dit syllogisme luidt als volgt: alle politici zijn leugenaars; ik ben een politicus; dus ben ik een leugenaar. Derhalve lieg ik als ik zeg dat ik een leugenaar ben. Bijgevolg ben ik geen leugenaar en spreek ik de waarheid. Een politicus is dienvolgens een wezen dat de waarheid spreekt ook als het liegt.

Niet gehinderd door enig schuldcomplex voert de regering aldus voor het eerst in onze geschiedenis een echte waarheidspolitiek, met bloedstollende politieke doodsverachting. De waarheid is immers een uiterst gevaarlijk product. De waarheid is niet makkelijk verteerbaar en moet met mondjesmaat aan de bevolking worden toebedeeld. Veritasintoxicatie is erger dan dioxinevergiftiging en daaraan is reeds een premier ten onder gegaan. De waarheid is bovendien ook schaars en moet tussen de bevolking worden verdeeld en herverdeeld. Soms moet ze worden teruggenomen en aan andere rechthebbenden worden uitgedeeld. Onze zorg gaat in eerste instantie naar de minstbedeelden, de waarheidarmen, de leugenverslaafden, de fanaten van verzinsel en verdoezeling, de spindoctorale verkopers van gebakken lucht. Aan chronische leugenaars zal een algemene eenmalige amnestie worden verleend, mits een verklaring onder grondwettelijke meineed afgelegd. Ook zal het staatsblad, de enige krant die de echte waarheid afdrukt, opnieuw worden uitgegeven en gratis verspreid. De regering richt bovendien een Ministerie van de waarheid op, bemand door één volwaardig minister (die we nog steeds niet hebben gevonden want hij of zij moet leugenschoon zijn), die zal waken over de federale waarheid en drie staatssecretarissen, allen tenminste doctor in veritatieve groepstherapie, die respectievelijk de Vlaamse, Waalse en Brusselse waarheden zullen behartigen. Duizenden inspecteurs van de waarheid zullen worden aangeworven en gescreend door een leugendetector. Als ze de premier niet goed vinden is bewezen dat ze liegen.

Inmiddels blijft het een waarheid als een koe dat wie werkt als een paard bewijst dat hij een ezel is. Met deze stelregel zal de regering de werkloosheid oplossen. Ik voeg er aan toe dat we eindelijk de stier resoluut bij de horens moeten vatten en ophouden de koe bij de uier te grijpen, ten einde haar gesubsidieerde melk, bij voorkeur in het zwart, eurotisch af te slurpen. Zoniet komt eens de dag dat een groot 'zwarte-melk-schandaal' zal uitbreken en het land lactatiekoorts zal bezorgen, zodat alle BV's borstvoeders zullen worden.

De waarheid zal echter volledig aan het licht komen ter gelegenheid van de aanstaande olympische spelen in 21016. Aangezien Vlaanderen op dat ogenblik wel discuswerpers (uitgesproken als 'fiscuswerpers') maar geen zwemmers en Wallonië geen zwemmers maar wel steltenlopers zal hebben, zullen Belgische judoka-worstelaarsters, vlinderslag zwemmend, uitkomen tegen Russische zwemmers. De Belgen zijn gerust en de Russen zijn nu reeds gebelgd. De voorzitter van het Olympisch Comité stemt ermede in dat zilveren medailles zullen worden uitgereikt aan die Belgen die niet zullen verdronken zijn. Twee medailles zullen volstaan, want dit volk zal nooit vergaan. Dit zijn dan mijn laatste gevleugelde woorden'.

 

 

De eerste minister kreeg een oorverdovende, urenlage staande ovatie, die slechts werd beëindigd toen een lid van de Kamer een hand verloor.

 

Mark EYSKENS

 

 

Lees EYSKENS' toespraak voor het Liberaal Vlaams Verbond op 3O.11. 2OO2. Alle toehoorders verlieten de zaal, blauw en bont.

Eyskens is de enige die de VLD van de ondergang kan redden. 'VLD-ers aller contreien: 'Vorm een echte volkspartij met CD&V. Absolute meerderheid verzekerd!!!'

 

 

Toespraak door Mark Eyskens, minister van Staat, op de viering van de 75ste verjaardag van Minister van Staat Willy De Clercq, te Gent op 30 november 2002

 

 

Geen ogenblik heb ik geaarzeld toen mij gevraagd werd het woord te voeren op de viering van Willy De Clercq. Mijn hoofdmotief was vanzelfsprekend onze langdurige vriendschap en onze gemeenschappelijk gedeelde politieke ervaringen en belevenissen, decennia lang. Wij waren vaak solidair in de behartiging van wat romantici 'het algemeen welzijn ' noemen. Misschien zijn wij beiden 'idealisten zonder veel illusies', wat alvast beter is dan een 'illusionist te zijn zonder idealen'.

Een bijkomende reden om hier vandaag het woord te voeren was evenwel ook mijn grote voorkeur voor de blauwe kleur, meer bepaald voor het ultra-marijn. Ooit mocht ik Willy De Clercq verwelkomen op een tentoonstelling van mijn schilderijen, waar telkens, wat mij betreft, het aanschouwelijk onderscheid wordt gemaakt tussen 'schilderen' en 'verven,' een woordelijke distinctie die enkel in het Nederlands mogelijk is. Het ging bovendien om een tentoonstelling waarop ik andermaal verdiende opgehangen te worden in plaats van mijn schilderijen. Willy de Clercq maakte mij opmerkzaam op de dominerende blauwe toonaard van mijn probeersels. Zijn mening is correct. Ik hou van blauw. Ofschoon blauw geen basiskleur is. Het is een mengkleur van veel groen met wat geel. Ik hou vooral van de blauwe zee en dan liefst een blauwe zee overheerst door de schittering van een oranje zon. Graag beken ik dat oranje ook geen zuivere kleur is, want zij bestaat uit rood en geel. En ik besef daarenboven dat die oranje zon ook wel eens ondergaat in die blauwe zee. Maar ik weet ook, zoals u, dat die oranje zon bij de eerstvolgende dageraad weer oprijst, blozend en blakend.

Wat gebeurt er als je oranje mengt met blauwe verf of omgekeerd? Welke kleur krijg je dan? Welnu, je krijgt geen kleur. Wel een absolute meerderheid.

Dames en heren, in het beknopt verslag van deze vergadering, dat, zoals dit het geval is in alle goed functionerende politieke partijen, reeds eergisteren werd opgesteld, staat het volgende vermeld: "bij het uitspreken van de woorden 'absolute meerderheid', trad in de zaal een oorverdovende maar ijzingwekkende stilte in. Men had een speld, zelfs een regering, kunnen horen vallen. Gehaaide politici gniffelden en slikten al smekkend." Tot daar het beknopt verslag, dat mij bij het betreden van deze zaal werd overhandigd onder de hoofding 'strict vertrouwelijk', wat zijn snelle verspreiding zal ten goede komen. Maar u moet natuurlijk naar de rest van mijn verhaal luisteren dat voorkomt, niet in het beknopt, wel in het volledige verslag van deze vergadering, in de annalen of notulen van deze historische zitting, annalen die ook reeds beschikbaar zijn. Want de organisatoren, die met mij blijkbaar geen risico wilden nemen, hebben mij gevraagd deze toespraak reeds een week geleden in te spreken op een dicteercassette. Wat ik graag gedaan heb. Ik heb het helemaal niet ervaren als een voorafgaandelijke censuur, ofschoon men mij gevraagd heeft een dozijn passussen te schrappen. Ik ken partijen waar je op een partijvergadering enkel toespraken mag aflezen die door een ideologisch comité zijn opgesteld en waarbij de talrijke taalfouten, in de tekst opgenomen, dienen om te verhinderen dat je wel eens je eigen woorden zou gebruiken. Bovendien was ik mij de beroemde woorden indachtig van Pol Vanden Boeynants, die, in de mening verkerend dat hij Grieks sprak, ooit uitriep: 'Scripta volent; verba manent'

Wat lees ik dus in de voorafgaandelijke annalen van deze vergadering? Namelijk het volgende. Ik citeer: 'na de woorden 'absolute meerderheid' ging Eyskens verder met de te verwachten niets zeggende verklaring: 'En wat dan?', een kennelijk gallicisme, want de letterlijke Nederlandse vertaling van de Franse uitroep 'et alors ???', vooral door wijlen president Mitterand gepopulariseerd in een overigens totaal andere context.

'En wat dan? dames en heren. Als je de absolute meerderheid verwerft, dan bezet je alle ambten, functies, posten en kantoren in het koninkrijk van Oostende tot Arlon, op één kantoor na. Dat gelegen achter aan het koninklijk paleis, waarover ik echter niets mag vertellen, zo niet schendt ik het 'colloque singulier' met de koning, zolang onze vorst niet van het Scandinavische type is. Als U begrijpt wat ik bedoel. Ik lees ook uw partijresoluties en weet dat die nog sneller zonder gevolg worden geklasseerd dan die van de voormalige CVP. Een methode van papierverwerking, die, althans wat de CVP betreft, ons voor veel dwaasheden heeft behoed.

Met de absolute meerderheid zou alvast en eindelijk aanbreken: 'het sedert lang niet meer verwachte uur van de nieuwe politieke cultuur'. Dan zou er een homogene regering in dit twee stromenland (het moderne Mesopotamië) regeren. Gaston Eyskens heeft dit één keer moeten doen, in 1958. Die regering was vanaf de eerste dag een heuse worsteltent op een ogenblik dat de woorden 'open debatcultuur' nog niet behoorden tot de rechten van de bevrijde burger.

Het experiment liet mijn vader evenwel toe tussen zijn tanden te mompelen: "de meerderheid bestaat uit idioten, de minderheid ook. Maar daar zijn ze minder talrijk' Een uitspraak die door niemand in dank werd afgenomen.

Ik keer terug naar onze kleuren. Maar vergist U niet: het mengen van oranje en blauw kan maar volgens een heel nauwkeurig recept, dat ik u nu wil mededelen. Ten eerste: laat a.u.b. de oranje verfpot staan, waar hij staat. Neem de blauwe verfpot in de rechterhand. Niet in de linker, want daar zijn problemen mee, vooral als de vingertoppen groen verkleuren. Daarover wil ik de heilige schrift citeren, nml. de H. Paulus in zijn brief aan de VLD-ers, sorry aan de Corinthiërs (of verkiest U soms de Galaten, die zeker geen onverlaten waren, want de voorlopers van de Turken als volwaardige leden van de EU). Ik citeer evenwel liever de heilige Marcus in zijn evangelie, als hij schrijft: "als een lidmaat u hindert, hak het af. Beminde broeders en zusters, voorwaar ik zeg U: Als de vingertoppen van uw linkerhand groen uitslaan, is dit een teken van besmetting (Marcus kende nog niet het woord infectie, zeker niet in het Aramees, een soort joods Gents). En Marcus vervolgt: 'de vergroening van uw linkerhand heeft voor gevolg dat uw blauw bloed, het bloed van de edele strijders voor vrijheid en vooruitgang, rood kan worden. Welnu rood bloed is niet goed. Van rood bloed maakt men eenheidsworst en worsten zijn als wetten: 'het is beter niet te weten hoe ze worden aangemaakt en wat erin werd gestopt". Totdaar de H. Marcus over het afhakken van je linkerhand. Als ik naar onze premier kijk besef ik nu maar pas dat hij begonen is met zich te ontdoen van een van zijn armen, maar ik vrees dat het de verkeerde arm is.

Keren we terug naar het recept van de oranje-blauw-vermenging: u laat de oranje verfpot staan waar hij staat, U heft de blauwe pot op met de rechterhand en giet dan druppelsgewijs, heel traag en voorzichtig, de blauwe verf in de oranje pot tot je het blauw niet meer ziet, op misschien een klein spatje na. Dit feilloze recept draag ik op aan mijn stadsgenoot en desalniettemin goede vriend, Rik Daems, die gespecialiseerd is in het maken van reusachtige, prachtig gevlekte schilderijen die veel succes hebben op de tombola's van de VLD. Om middernacht worden de loten getrokken: eerst groot lot: één schilderij van RD; tweede prijs: twee schilderijen van RD; derde prijs: drie schilderijen van RD.

Na deze captatio malevolentiae – normaal zou de helft van de toehoorders reeds de zaal moeten verlaten hebben – keer ik terug tot het onderwerp van de dag: Willy De Clercq. De lofrede die ik vandaag met grote intensiteit en zelfs enige hartstocht afsteek ter ere van Willy de Clercq, is uiteraard een beproeving voor zijn bescheidenheid. En bescheidenheid, wil ze echt zijn, mag niet worden opgemerkt, zodat je nooit kunt bewijzen dat je bescheiden bent. Het is juist omdat wij, politici, onze grote bescheidenheid nooit kunnen en mogen tonen, vooral in deze huidige ultra-gemediatiseerde samenleving, bewoond door allerlei BV's die bekend maar daarom nog niet bekwaam zijn, dat alle politieke waarnemers denken dat we onbescheiden zijn. Maar ze verstaan er uiteraard geen fluit van. Valse bescheidenheid bestaat erin toe te geven dat men het ook niet kan helpen dat men soms gelijk heeft. Maar dat zeggen we nooit.

Ter voorbereiding van deze toespraak ben ik gaan surfen op de website van Willy de Clercq. Ik beken dat deze toespraak de enige is, die ik echt grondig heb voorbereid van de ongeveer 8000 spreekbeurten, die ik tot op heden heb gehouden, uiteraard voor minder kritische publieken. Vandaag moet ik bovendien niet alleen spreken, maar ook iets zeggen, een voor mij bijkomende moeilijkheid. Wat ik ga zeggen moet bovendien klaar en duidelijk zijn, waarbij die duidelijkheid niet mag te danken zijn aan het feit dat gedurende een moment mijn aandacht is verzwakt of dat ik vermoeid zou zijn, zoals dit bij Allen Greenspan het geval is. Het onderwerp van vandaag, WD, tevens lijdend voorwerp, is zo bijzonder veelzijdig en complex, dat het al je capaciteiten mobiliseert. Ik heb dan maar mijn toevlucht genomen tot internet en ben naar Willy's website gesurft.

De website van Willy De Clercq, waarop hij meteen verschijnt zoals hij is, rijzig, wijs en voszilvergrijs, bovendien helmboswuivend, wordt beheerst door de vlinderdas die Willy De Clercq draagt en waarmee hij blijkbaar geboren is. Wellicht zit die vlinderdas in zijn genen, wat het klonen van WD, na deze zitting, kan bemoeilijken. Zo'n vlinderdas is trouwens niet zonder gevaar. Want de moderne fysica leert ons dat de geringste vlindervleugelslag een lawine kan verwekken in het Himalaya-gebergte. Zelfs een politieke lawine, en wij weten sedert kort dat Nepal een Himalayastaat is. De website van Willy De Clercq is als een continent, dat je ontdekt na een lange zwervende surftocht. Zijn labyrintisch curriculum vitae beslaat talrijke pagina's, wat overigens beantwoordt aan de verwachtingen. Veel opmerkelijker zijn een paar uitspraken van Willy De Clercq. Zo lees ik op het sitescherm, in Willy's eigenste woorden: "ik wens u veel surfgenot. Aarzel niet mij te contacteren, langs de weg die u verkiest". Zulk voorstel vanwege een elegante, aantrekkelijke 'homme du monde'- man, als Willy de Clercq, die altijd zoveel belang heeft gehecht aan goede manieren en die een natuurlijke charme uitstraalt, is echter niet zonder gevaar in een tijd van stalking, ongewenste en vaak gewenste intimiteiten.

Op mijn website – w.w.w. Eyskens. com ( dank U dat ik hier ook wat publiciteit mag maken) - staan ook allerlei uitnodigende oproepen. Onlangs kreeg ik een brief van een studentin die blijkbaar mijn webstek had bezocht en die mij in een brief het volgende schreef: "Geachte professor, met tweemaal ss maar ook tweemaal ff; zij nam blijkbaar geen risico's met onze spelling in tijden van ontlezing en ongeletterdheid, waarbij de studenten nog nauwelijks het einddiploma kunnen lezen dat hen na 4 jaren studie wordt uitgereikt -: "Geachte proffessor – zo schreef mijn studente - , sedert veertien dagen probeer ik met u telefonisch betrekking te hebben, maar de tot op heden zonder bevrediging."

Op de site van Willy De Clercq staat ook nog een andere bizarre rubriek, vreemd genoeg onder de hoofding "links". En daaronder – dus onder het woord 'links' - staat VLD, gevolgd door partijbureau, fractie, arrondissementeel bestuur. Allemaal links. En verder, steeds aangeduid met links: Dirk Sterckx en Ward Beysen. Als die heren linkse jongens zijn, moeten we de rechtsen gaan zoeken op een andere planeet.

Ook komen zeer interessante vragen voor op de site van Willy. Bijvoorbeeld de vraag van de maand, die momenteel als volgt luidt: "wat vindt u van Brussel, hoofdstad van Europa?. Wat kan er beter?" Ik had mij uiteraard verwacht aan Gent. Maar neen; het gaat over Brussel. Zeer vreemd. Ik verneem trouwens dat die vraag over 'wat u vondt van Brussel' onmiddellijk na deze plechtige zitting, wordt gewijzigd in een nieuwe vraag: "Wat vindt u van Willy de Clercq, lid van het Europees Parlement. Kan hij nog beter?" Een retorische vraag waarbij het IQ van de doorsnee surfer schromelijk wordt onderschat.

Nog een andere vraag trok ten zeerste mijn belangstellende en - ik geef toe - belanghebbende aandacht. Die vraag luidt als volgt: "wie was tot nu toe nog geen lid van de Europese Commissie: Karel van Miert?, Leo Tindemans?, Willy De Clercq?, Philippe Busquin? " Het antwoord ligt voor de hand. Ph. Busquin, natuurlijk. Mag ik Willy echter vragen om na deze zitting onmiddellijk ook MIJN naam te willen toevoegen aan deze lijst? Ik ben nog steeds geen lid van de commissie. Met mijn voorbarige dank, beste Willy. Ik ben namelijk jonger dan Frits Bolkenstein, en de commissie wordt vernieuwd eind 2004. Je moet er tijdig bij zijn. Ik heb immers ervaring van hondeden commissies, waaronder de U bekende commissie voor de bevordering van het blauw in de postmoderne schilderkunst.

Andere sprekers zullen wellicht nader ingaan op de loopbaan van Willy De Clercq, die onvoorstelbaar gevuld, wat zeg, ik volgestouwd is met duizenderlei taken, verantwoordelijkheden, zendingen, ambten, functies, en activiteiten. De regering Verhofstadt poogt de activiteitsgraad van de Belgische bevolking op te krikken. Maar nu weet ik hoe het werkt en wat de betekenis is van de gepubliceerde gunstige statistieken: het is het "Willy de Clercq-effect", dat alom werkzaam is en waardoor het rijksgemiddelde zich verheft. Hij alleen - en dit is van mijnentwege geen loze bewering maar een wetenschappelijke constatering, onomstootbaar bewezen – is verantwoordelijk voor de opmerkelijke verbetering van dit statistisch gemiddelde. Ik wil onmiddellijk de eerste minister geruststellen. Aangezien wat ik zeg proefondervindelijk bewezen is, zullen wij hiervan tijdens de kiescampagne zeker geen gebruik maken. Onze argumenten putten we uit onbewijsbare beweringen en stellingen, waar we decennia lang kunnen voor ijveren, omdat ze onverwezenlijkbaar zijn.

Minister van Staat Willy De Clercq is de kampioen van het politieke 'lang laufen' en dit op de hoogste nationale en internationale toppen: Hij trad voor het eerst toe tot de regering in 1960, een regering van Gaston Eyskens – en dit op 33-jarige leeftijd, de leeftijd waarop men gekruisigd wordt ter voorbereiding van de daaropvolgende verrijzenis, waartoe zeer begaafde politici verscheidende malen in staat zijn. Hij was 12 jaren minister, waaronder een aantal keren vice-eerste minister in bijzonder moeilijke omstandigheden – die van de strijd tegen een gapend overheidstekort -, hij was 27 jaren lid van de Belgische kamer, 15 jaren lid van het Europese parlement, waar hem de hoogste verantwoordelijkheden werden en worden toevertrouwd, hij was tweemaal voorzitter van het interim-comité van het IMF, 4 jaren lid van de Europese commisie, Voorzitter van de federatie van Europese liberale partijen, Voorzitter van de PVV, fractievoorzitter in de Kamer, hij bekleedde honderden andere mandaten en was, last but not least, een schitterend universiteitsprofessor. Niet velen zullen hem dit nadoen, althans bij de liberalen.

Ik zou veel herinneringen kunnen ophalen aan de loopbaan en het optreden van Willy, die steeds met een ijzeren dossierkennis, nadat hij de belangrijkste passages in zijn nota's met een dikke gele fluorstift had onderstreept, een vergadering binnen trad met de bedoeling te winnen, dank zij overreding, handigheid en volharding. Slechts één greep uit de honderden wil ik indachtig zijn: het staaldossier in de jaren tachtig, waar we jaren aan gesleept en gesleurd hebben. Mijn eigen vluchtige regering is er over gevallen, samen met het vallen van de herfstbladeren, toen mijn beminde partij, de CVP – inmiddels ben ik van partij veranderd - mij verboden had nog één centiem (Belgisch geld) aan het Waalse staal te besteden. Na de vorming van de regering Martens V waren we het onmiddellijk eens over een schuldovername ten gunste van Cockerill Sambre, niet van 1 centiem, maar van 125 miljard BF. Nadien vroegen onze Waalse collega's in de regering nog een aanzienlijke investeringsenveloppe, een eis waarvan Willy de Clercq het erg op de heupen kreeg. In de hitte van de discussie riep hij op een bepaald ogenblik uit: 'taxing power', er op doelend dat de Walen maar een belasting moesten heffen, indien ze hun staal nog verder wilden subsidiëren. Voor onze Waalse collega's was 'taxing power' een ware oorlogsverklaring waarbij de recente stelling dat een ongezonde Waal niet meer mag kosten dan een half gezonde Vlaming – een u bekende stelling - de draagwijdte krijgt van een toepassing van de parabel van de barmhartige Samaritaan. Een Waals minister kwam toen bij mij, totaal onthutst en verslagen. Hij zei mij: "WD is toch een liberaal. Waarom wil hij nu een belasting invoeren om het Staal te financieren? Waarop ik mij veroorloofde te antwoorden: 'WD is niet alleen een liberaal. Hij is ook bijzonder verstandig. Derhalve heeft hij begrepen dat je eerst de belastingen moet verhogen om ze nadien met zekerheid te kunnen verlagen".

Dames en heren, de Belgen hebben de neiging veeleer de koe te grijpen bij haar uier dan de stier bij zijn horens. Het is een elementaire wijsheid, waarvan elke minister van financiën - en WD was talrijke malen financieminister – uit moet gaan bij zijn ambtsaanvaarding. Een andere wijsheid met dierlijke beeldspraak maakte WD tot de zijne: 'De zwijnen worden alle knorrende vet'. Ook kon WD van zichzelf zeggen, in de pijnlijke jaren van hoog torende overheidstekorten: "Ik ben minister zonder financiën". Het programma van elke gewone minister, die niet minister van financiën is, luidt cartesiaans: 'je dépense; donc je suis'. En tegen deze spendingdrift – die existentieel is voor elk regeringslid – moet de minister van financiën optornen met ware doodsverachting en talent om gehaat te worden. Van mij werd gezegd "tel père; tel fisc'. WD kreeg belangstelling onder andere vormen. Een beeldhouwer wilde van De Clercq een standbeeld te maken, ten voete uit, licht gebogen, een schijf als een boemerang weg werpend. De schijf stelde natuurlijk een belastingschijf voor. Het beeld zou als titel meekrijgen: WD, de fiscus werper", aan te brengen op de binnenkoer van het ministerie van financiën. Maar WD weigerde, niet omdat hij niet naakt wilde poseren maar wel omdat de meeste belastingbetalers de pointe van het beeld niet zouden begrepen hebben. De begrotingskrater was in Willy's tijd zo diep, dat best een vulkanoloog tot minister van financiën zou worden benoemd. Of iemand met een voorbestemde naam om begrotingsputten te vullen, zoals Robert Vandeputte. Maar het werd en het was Willy De Clercq.

WD is steeds een moedig man geweest, die weet dat leiderschap erin bestaat aan de mensen te vertellen, niet wat ze graag horen, maar wat ze moeten horen, niet wat ze graag hebben, maar wat ze nodig hebben. Maar hij weet natuurlijk ook dat je in de politiek enige voor- en omzichtigheid aan de dag moet leggen en de grenzen van de haalbaarheid geregeld af moet tasten. De waarheid, die meestal niet populair is, moet aan de bevolking met kleine doses worden toegediend, anders krijgt ze een indigestie. Een minister is bovendien een gewoon man, die zich in ongewone omstandigheden bevindt en waarvan velen, althans aanvankelijk, buitengewone dingen verwachten. Maar dit blijft niet duren, omwille van het 'pompsteen-effect' - het dagelijks neerdruppelen van ongezouten kritiek op je politieke vel vanuit talrijke mediakranen of de traag verzwerende steken door de inktsecten van de schrijvende pers in je huid geprikt. De lectuur van de dagelijkse krant is evenwel voor een minister onmisbaar want daar verneemt hij wat hij denkt. Een beproeving voor de goed menende politicus is evenwel dat goede bedoelingen in het politieke bedrijf niet tellen. Het zijn enkel de resultaten die meetellen, ook al werden die soms verwezenlijkt met onoorbare intenties en methoden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat veel politici zich wapenen met het harnas van het cynisme en verklaren dat je spaarzaam om moet springen met je misprijzen omdat er zoveel noodlijdenden zijn, die behoefte hebben aan je misprijzen. WD is zich echter nooit aan cynisme te buiten gegaan. Hij had begrip voor het onmogelijkheidsgehalte van veel noodzakelijke oplossingen en stond derhalve zeer positief tegenover een beleid dat langs wegen van geleidelijkheid vruchten afwerpt. WD weet echter ook dat in de politiek niets zozeer wordt gewaardeerd als een spectaculair gelukte mislukking, waarover men zich verkneukelt en waarbij men met esthetische verrukking binnensmonds uitroept: 'il n'a pas réussi. Comme s'est bien fait'. Goed nieuws moet je in de politiek nooit aankondigen. Want als het uitkomt is iedereen vergeten dat het jouw voorspelling was en als het goede nieuws niet uitkomt zal iedereen zich nog herinneren dat jij de onfortuinlijke geluksprofeet bent geweest. Politici voelen zich vaak schuldig aan onschuld. Dan begaan ze een onvergeeflijke vergissing. Soms verklaren ze zichzelf ook onschuldig aan schuld, een onvergeeflijke fout die bovendien een politiek misdrijf is.

Je moet in de politiek de risico's zorgvuldig inschatten, en dat deed en doet WD meesterlijk. Maar wij weten ook dat er geen politiek is zonder risico. Er bestaat wel een politiek zonder kans. De laatste kans wordt soms verkeken tijdens kiescampagnes waarbij kandidaten het niet eens nuttig vinden in de kiesbeloften te geloven, die ze zelf hebben gedaan, als maar hun kiezers er in geloven, of, erger, als kandidaten niet eens hun kiesbeloften weten te onthouden, als maar hun kiezers die beloften onthouden. Elke kiescampagne brengt een grondige politieke klimaatwijziging met zich: het aanbreken van een nieuwe ijstijd, maar dan een ijstijd geschreven met EI. Ooit had ik een student die zijn eindverhandeling wijdde aan het onderwerp: "Een critische analyse van de kiesbeloften van de politieke partijen". Hij kwam tot de vaststelling dat die beloften, ergens in de jaren negentig van de vorige eeuw, opliepen tot honderden miljarden BF. per kiescampagne. En hij besloot: 'Gelukkig voor ons land brengen enkel de betere partijen de verantwoordelijkheidszin op om na de verkiezingen hun kiesbeloften niet uit te voeren'. Ik gaf hem 19 op 20.

Een belangrijk kenmerk van WD is dat hij poogt te denken als een man van de daad en te handelen als een man van reflectie. Daaruit put hij zijn realiteitszin en zijn bedachtzaamheid, die nochtans niets afdoen aan zijn daadkracht en volharding. WD beseft dat we moeten strijden, als we een overtuiging hebben, maar dat we moeten strijden zonder te slaan. Hij weet ook dat met niet kan zaaien met een gebalde vuist. Het is mij opgevallen dat vooral overtuigde mensen het zich kunnen veroorloven verdraagzaam te zijn. Onverdraagzaamheid, opgefokt nationalisme, radicalisme, extremisme, vreemdelingenhaat, antisemitisme, racisme zijn vaak de krampachtige verdedigingsreflexen van al wie twijfelen aan zichzelf en laboreren aan een minderwaardigheidscomplex, waardoor ze uiteindelijk maatschappelijk minderwaardig worden. Enkel in de verdediging van de vrijheid is extremisme geen ondeugd. Enkel in de verdediging van de rechtvaardigheid is gematigdheid geen deugd. In alle andere gevallen zijn verdraagzaamheid en gematigdheid, luisterparaatheid en samenwerkingsbereidheid en het besef dat andersdenkenden niet noodzakelijkerwijze verkeerd denkenden zijn, de bouwstenen van onze beschaving. WD heeft die kwaliteiten steeds op uitzonderlijke wijze uitgedragen. Zo werd hij niet alleen een defensor civitatis, maar ook een defensor humanitatis.

 

Er zijn veel De Clercqen in ons land, maar er is maar één Willy De Clercq. Indien hij zo uniek is en overvangbaar, heeft hij dat ook in niet geringe mate te danken aan zijn dynamische en toegewijde echtgenote, Fernande, zijn wederhelft, zijn beste advocate en veelzijdige raadgeefster, die hem in tij en ontij heeft bijgestaan. Ik zeg vaak aan mijn eigen vrouw: ik hou zozeer van jou dat ik er graag twee zoals jij zou willen hebben. Ik wil mijn geval niet extrapoleren maar in mevrouw WD schuilen zoveel kwaliteiten dat het onbegrijpelijk is hoe ze in één persoon kunnen verenigd zijn. Mevrouw De Clercq zal inmidels hebben bemerkt dat Willy een leeftijd heeft bereikt waarop de kaarsen die zijn verjaardagstaart versieren, meer kosten dan de taart zelf. Maar we nemen dat er op de koop toe bij. Willy is meer dan één kaars waard.

Dames en heren, naarmate we voortschrijden in jaren, beseffen we intenser meer dat we nooit zullen genezen van de avond die steeds valt en dat we zullen blijven razen, razen, razen tegen het sterven van het licht. En toch zullen wij, elke nacht herbegonnen, blijven geloven in de terugkeer van het licht.

Ooit vroeg men aan Jean Cocteau: ' meester , wat zou U redden uit uw huis als het in brand zou staan? Welk boek, welk voorwerp, welk souvenir zou U aan de vlammen ten allen prijze willen ontrukken?' En Cocteau antwoordde zonder enige aarzeling: 'Wat ik zou redden en slepen uit de brand? Het vuur natuurlijk."

Het vuur redden, dat is ons aller opdracht. De vlam van de creativiteit, de steekvlam van het geloof in de verbeterbaarheid van mensen en dingen. Moge deze steekvlam Willy De Clercq blijven vergezellen in lengte van dagen en jaren.

 

Mark EYSKENS

23.11.02

 

 

 

Eindelijk heeft België de regering, die het verdient".

Weest autokritisch en zegt:"de meerderheid bestaat uit idioten; de minderheid ook. Maar die zijn minder talrijk".

De regering is te klein voor de grote aangelegenheden en te groot voor de kleine.

De groene rupsen van Agalev en Ecolo zijn felle vlinders geworden die thans fladderen in de gloed van de politieke macht. Maar eens hun vleugels verbrand, kunnen ze slechts zielig zielloos sterven, want opnieuw groene rupsen worden is bio-politiek onmogelijk.  Een voorspelling gedaan in 1999, dus vorige eeuw en tijdens de 21ste eeuw bewaarheid.

Wie een trouwring draagt aan zijn linkerhand is rechts. Wie een ring laat piercen in zijn rechteroor is links.

De Belgen zijn gerust en de Russen zijn gebelgd.

 

Meta-POLITIEK

niet voor politieke dieren

Als men van een politicus zegt: 'hij is een politiek dier', dan betekent dit in de beste hypothese dat hij ooit mens is geweest; in de slechtste dat de darwinistische struggle for life in hem de evolutie heeft omgekeerd.


 

Het laatste nieuws is taalkundig fout. Het jongste nieuws is correct en sensationeel:

 

 

INHOUD  

 

  1. Hertekening van de politieke landkaart.
    quo vadis ex-CVP???????
    CD&V ????

    Een uittreksel uit Eyskens' boek: 'Het verdriet van het werelddorp', uitgegeven bij het Davidsfonds.

     2.  De val van de Berlijnse muur verjaart elk jaar. Herinneringen en  ontroeringen

     3.   Standpunten  

1/ Na de mislukte referenda. Wat nu ????

2/ Fundamentalisme in de politiek

3/ Europa: het kruipunt der wegen is bereikt

en hieronder:

 

 

 

EUROPEERS WORDEN OM VLAMINGEN TE BLIJVEN

 

 

Prof. Mark Eyskens

 

 

Ongeveer 100 jaar geleden uitte August Vermeylen de historische woorden: ' Wij moeten Vlamingen zijn om Europeërs te worden', waarmede hij bedoeld dat de Vlamingen, als volk, als gemeenschap en als individuele personen volwaardig moesten kunnen deelnemen aan de Europese cultuur in haar meest ruime zin. Voor A. Vermeylen betekende deze Europese deelname de bekroning van de Vlaamse ontvoogding.

Vandaag, één eeuw later, dient de uitspraak van Vermeylen te worden omgekeerd: 'Wij moeten Europeërs zijn om Vlamingen te blijven'. Buiten Europa geen heil.

 

 

Vlaanderens welvaart is Europees.

 

Elk nationaal of regionaal isolement op economisch, cultureel, maatschappelijke, wetenschappelijk, of politiek vlak leidt in een éénwordend Europees subcontinent en in een globale wereld tot welvaartsverlies, communicatieverschraling, culturele verarming en marginalisering. Tijdens de afgelopen halve eeuw heeft de deelname van België aan de Europese eenmaking, eerst aan de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en vervolgens aan de Europese Economische Gemeenschap, de Europese Gemeenschap en tenslotte aan de Europese Unie de reële welvaart op spectaculaire wijze verhoogd. Vooral Vlaanderen heeft hiervan geprofiteerd omwille van zijn uitstekende geografische ligging, zijn dynamische bevolking en de met Europese steun doorgevoerde omschakeling en/of sluiting van de steenkoolmijnen, de scheepswerven en verouderde bedrijven in de textielsector. De welvaart per hoofd van bevolking in Vlaanderen, uitgedrukt in koopkrachttermen, is in 50 jaren tijd zomaar even verzesvoudigd, terwijl de werktijd, gespreid over de loopbaan met één derde is verminderd. Ook de kwaliteit van het leven is onder veel aspecten spectaculair verbeterd, alsmede de gezondheidsverzorging, de culturele en sportinfrastructuur, enz. De democratisering van het hoger onderwijs blijkt uit de vervijfvoudiging van het aantal hoogstudenten. En een niet te versmaden toemaatje kwam hier bovenop onder de vorm van de verlenging van de gemiddelde levensduur met 20 jaar, van circa 60 jaar na de oorlog tot 80 jaar vandaag. Komt daarbij dat West-Europa, grotelijks dank zij de Europese solidariteit en de NAVO-paraplu, sedert 57 in vrede leeft, wat nooit was gebeurd sedert de tijd van Julius Caesar.

Een regio als Wallonië, geteisterd door de dramatische problemen van de steenkool- en staalnijverheid, heeft in veel mindere mate kunnen genieten van het Europees integratie-effect en de voordelen van de gemeenschappelijke markt. Dit moge blijken uit het feit dat het netto-inkomen per hoofd van bevolking in het Waalse landsgedeelte vandaag ongeveer 15% lager ligt dan in Vlaanderen. Wellicht hebben Waalse politieke verantwoordelijken naar het sociaal-economische beleid toe niet steeds de juiste conclusies getrokken uit de zware handicaps van de Waalse economie, ten einde een politiek van efficiënte reconversie tijdig en grondig door te zetten. Maar ook voor Wallonië was de Europese structurele en regionale steun van kapitaal belang.

De vraag wat het allemaal zou geworden zijn in België en in Vlaanderen zonder deelname aan de Europese eenmaking is zeker niet wetenschappelijk te beantwoorden. Want dit zou betekenen dat men de geschiedenis terugdraait. Vergelijken met landen die geen deel hebben uitgemaakt van de Europese Unie gaat mank. De staten van Centraal en Oost-Europa hebben jaren gezwicht onder de ondoelmatige domper van het collectivistische communisme. De Lage Landen zijn evenmin te vergelijken met Zwitserland, al was het maar omwille van het economisch impact van hun grote havens en hun enorme exportgerichtheid. Met als gevolg dat die landen ook zeer sterk afhankelijk zijn van het buitenland voor hun import en bevoorrading. Dat Brussel de feitelijke hoofdstad is van de Europese Unie en daardoor, na Washington, de tweede belangrijkste diplomatieke hoofdstad in de wereld met een aanwezigheid van 60.000 diplomaten, 15.000 lobbyisten en bovendien de zetel van 2500 internationale economisch, politieke en culturele instellingen, vergroot voor België en Vlaanderen op moeilijk kwantificeerbare wijze het uitzonderlijk hoge batige saldo van deelname aan de Europese integratie. Sedert de voleindiging van de Monetaire Unie en de invoering van de Euro is de verstrengeling zo intens, dat geen zinnig mens de 'onteuropeanisering' van Vlaanderen of België in overweging kan nemen.

 

 

Buiten de Europese Unie is de invloed van kleine landen onbestaande; binnen de Unie is die zeer gering.

 

Zelfgekozen niet- of onvoldoende deelneming aan het Europese eenmakingproces zou uitsluiting door de andere deelnemers aan de Europese opbouw voor gevolg hebben. De Britten hebben dit in het verleden verscheidene malen duidelijk aangevoeld. Dit geldt nog meer voor een land als België en evenzeer voor Vlaanderen, wat ook de toekomstige staatkundige evolutie van de Vlaamse deelstaat moge wezen. Daarbij komt dat het een illusie is te menen dat Vlaanderen in een Europese Unie van 25 à 30 lidstaten meer zou te zeggen hebben dan België.

Als belangrijke constitutionele regio is Vlaanderen momenteel lid van het Comité van de Regio's dat meer dan 200 leden telt en na de uitbreiding tot 25 lid- staten ten minste 350: een aantal dat evenwel elke beslissingswijze door de regio's, die in de plaats zou treden van de huidige besluitvorming van de volwaardig lidstaten, uitermate zou bemoeilijken, zoniet onmogelijk maken. Maar zelfs als volwaardige staatkundige deelnemer zou Vlaanderen, zoals België vandaag, deel uitmaken van een beslissingsmechanisme dat steeds meer gekenmerkt wordt door toepassing van gekwalificeerde meerderheden of een de facto vetorecht van de drie grote Europese lidstaten (Duitsland, Verenigd Koninkrijk en Duitsland). Een staatkundig erkend Vlaanderen – zonder Brussel - zou in die hypothese over ten hoogste 6 à 7 stemmen beschikken rond de tafel van de Europese ministerraad. België, na de goedkeuring van het verdrag van Nice, heeft momenteel 12 stemmen toegewezen gekregen op een totaal van 345 stemmen. Om een besluit te blokkeren zal een gekwalificeerde minderheid vereist zijn van 91 stemmen, wat betekent dat ongeveer 8 landen van het soortelijk gewicht van België nodig zullen zijn om op een beslissing te wegen. Voor een Europees autonoom optredend ( onafhankelijk) Vlaanderen of bij opsplitsing van het Belgisch stemmenaantal tussen zijn deelstaten, zou het gewogen stemmengewicht (7) van Vlaanderen gelijk zijn aan één negenenveertigste (1/49) of nauwelijks 2%. Dit kan weinig lijken - en dat is het ook - maar desalniettemin betekent dit een oververtegenwoordiging – wat logisch is in elke federale en dus ook in de Europese structuur – als wordt rekening gehouden met de bevolkingsratio: 6 miljoen Vlamingen op een Uniebevolking, na uitbreiding, van 450 miljoen of 0,13%. Met 2% van de stemmen in de Europese ministerraden en dus ook in de Europese Raad van staats- en regeringshoofden is het evident dat een Vlaamse (deel)staat nauwelijks politiek gewicht zou hebben. Een constatering die trouwens mutatis mutandis ook op België toepasselijk is, ware het niet dat de Belgische vertegenwoordigers nog voor een deel invloed putten uit de 'Europese traditie' van een founding father.

In het Europese Parlement zullen na uitbreiding 732 leden zetelen. België heeft er momenteel 25 maar moet er 3 inleveren, zodat er 22 overblijven of ongeveer 3%. Een Vlaamse staat zou het moeten stellen met 13 zetels of 1,8% . In principe heeft elke lidstaat in de ministerraden van de Europese Unie een vetorecht in materies waarvoor de unanimiteit is vereist. Maar dit is louter theoretisch in hoofde van een kleine lidstaat. In de voorbije halve eeuw heeft België in de Europese Unie nooit van zijn vetorecht gebruik gemaakt, ook omdat Brussel de hoofdstad is van de Europese Unie en de zetel van haar belangrijkste politieke instellingen, wat moet aanzetten tot Europese Bundestreue. Dit laatste argument zou eveneens gelden voor Vlaanderen in de mate dat Vlaanderen Brussel – vanzelfsprekend - zou blijven beschouwen als zijn hoofdstad.

Tenslotte moet worden onderstreept dat het recente verdrag van Nice, zopas goedgekeurd door het federale parlement, en demografische clausule inhoudt die bepaalt dat elk voorstel in de Europese ministerraad of in de Europese Raad van staatshoofden en regeringshoofden maar kan worden goedgekeurd als ook ten minste 62% van de Europese bevolking achter de betrokken beslissing staat. Omgekeerd betekent dit dat 38% van diezelfde Europese bevolking elke beslissing, ook indien met gekwalificeerde meerderheid aangenomen, kan verwerpen of tegenhouden (na een procedure van evocatie). Het is geen toeval dat net Duitsland, Groot-Brittannië en Frankrijk samen 41% van de Europese bevolking uitmaken, wat met zich brengt dat deze drie landen samen beschikken over een demografisch vetorecht in alle domeinen van de Europese besluitvorming. In Nice (december 2000), ondanks de triomfantelijke verklaringen van de Belgische eerste minister volgens de welke de belangen van de kleine landen werden verdedigd en veilig gesteld, werd aan het feitelijke directorium van de drie grote Europese mogendheden een begin van institutionele basis toegekend. Dit blijkt steeds meer uit het Europese zogenaamd gemeenschappelijke buitenlandse en veiligheidsbeleid. Het waren de drie groten die in ex-Joegoslavië en Afghanistan de houding van de Unie bepaalden. Ten aanzien van de crisis in het Nabije Oosten zijn de kleine EU-lidstaten politiek en diplomatiek onbestaande. En wat betreft de eerbiediging van de normen van Maastricht, zo belangrijk voor het handhaven van de Europese Monetaire Unie, is onlangs gebleken dat Duitsland, dankzij de steun van Frankrijk en Groot-Brittannië, heeft kunnen bogen op een bijzonder milde houding van de EU met betrekking tot het stilaan uit de hand lopen van het Duitse begrotingstekort.

Wil dit nu zeggen dat kleinere staten in de eerlang grote Europese Unie van tenminste 25 à 30 leden geplaatst worden voor een onmogelijk dilemma: ofwel totale gewichtloosheid buiten de Unie; ofwel pluimgewichtloosheid binnen de Unie? Reaalpolitici zullen antwoorden dat dit dilemma niet relevant is om de eenvoudige reden dat de kleine Europese lidstaten toch geen alternatief hebben en dat bovendien hun geringe politieke invloed in zeer ruime mate wordt gecompenseerd door de grote economische voordelen, die ze putten uit hun Europees lidmaatschap. Nochtans is het beoefenen van Europese minimal art aard door een kleine lidstaat geen onvermijdelijk fatum. Uiteraard zijn België en ook Vlaanderen bijzonder geprivilegieerd door het statuut van Brussel. Veel Vlamingen beseffen nog steeds niet dat Brussel vandaag, in het werelddorp dat het onze is geworden, belangrijker is dan België en dan Vlaanderen en dat vanuit Brussel officieel maar vooral officieus op de Europese besluitvorming kan worden gewogen, met name dank zij de netwerking van veel persoonlijke contacten. Ook de Benelux- solidariteit blijft van vitaal belang, met name voor Vlaanderen. Samen met de Nederlanders vormen de Vlamingen een Nederlandstalige cultuurgemeenschap van 22 miljoen inwoners. Meestal wordt onvoldoende beseft dat de Benelux, in absolute cijfers, de vierde grootste handelsmogendheid is ter wereld na de Verenigde Staten, Japan en Duitsland en dat de Benelux behoort tot een van de meeste welvarende gebieden ter wereld. De reële invloed van kleine lidstaten in de Europees Unie kan ook aan belang winnen en zelfs doorslaggevend worden dankzij de intellectuele kwaliteiten, de taalvaardigheid, de politieke verbeeldingskracht en handigheid in het voorstellen en smeden van compromissen van de vertegenwoordigers van deze lidstaten. Voor Vlamingen is hier een zeer vruchtbaar werkterrein weggelegd.

Allerbelangrijkst is de subsidiariteit, die stelt dat lidstaten bevoegd blijven voor de materies die ze zelf kunnen beredderen. Ofschoon de internationalisering en globalisering deze bevoegdheden gestaag afknaagt, zijn er nog heel wat kwesties die behoren tot het nationale beleid. Binnen elke lidstaat bepaalt de grondwet of en in welke mate interne subsidiariteit geldt ten aanzien van b.v. de deelstaten, de provinciën, de gemeenten. In het federale België hebben de deelstaten zeer verregaande bevoegdheden, waarvan sommigen van het confederale type zijn en verder strekken dan wat in een federale staat gebruikelijk is. Zo kunnen de Belgische deelstaten verdragen afsluiten met andere soevereine staten betreffende de materies waarvoor ze bevoegd zijn. Vlaanderen heeft hiervan uitvoerig gebruik gemaakt. In veel aspecten van onze relaties met Nederland treedt Vlaanderen op als een autonome partner (b.v. het havenbeleid). Als minister van Buitenlandse Zaken heb ik, tijdens de onderhandelingen over het verdrag van Maastricht (190-91) mijn collega's van de EU kunnen overtuigen van de noodzaak in het verdrag van Maastricht een bepaling op te nemen die zegt dat elke lidstaat van de EU zich in de ministerraden mag laten vertegenwoordigen door de 'personen die de regering aanwijst'. Meteen was de weg vrij gemaakt om ook gewestministers aan te duiden als vertegenwoordigers van België. Deze formule is met succes uitgeprobeerd tijdens het Belgische EU-voorzitterschap van 2001.

 

 

Maakt de Europese integratie de Vlaamse Beweging overbodig, onnuttig, achterhaald?

 

Met deze vraag wordt verwezen naar de existentiële betekenis van de Vlaamse Beweging in de 21ste eeuw, op een ogenblik dat het hele maatschappelijke gebeuren zowel nationaal als internationaal totaal wordt omgewoeld door de gevolgen van opeenvolgende wetenschappelijke en technologische revoluties, die een nieuwe wereld scheppen, de wereld omvormen tot ons dorp en tevens het wereld- en mensbeeld grondig wijzigen.

De maatschappij van morgen, onder meer onder invloed van de informatie- en communicatie-technologieën en het informatisme, dat de plaats inneemt van de grote ideologieën (liberalisme en socialisme), en van de verspreiding van kennisnetwerken, is onderhevig aan een proces van ontgrenzing op zeer veel domeinen. De nationale soevereiniteit breekt af, staatsgrenzen vervagen, collectivistische economische systemen kunnen niet langer stand houden, autoritaire structuren worden alom gecontesteerd, vormen van rechtstreekse democratie zijn aantrekkelijk, het individualisme grijpt om zich heen. Wederzijdse afhankelijkheid van landen en gemeenschappen neemt toe, ook omwille van de zich vermenigvuldigende internationale contacten (onder meer via internet). Ooit gold, met name in Vlaanderen, het beginsel 'wat we zelf doen, doen we beter'. Vandaag staat dergelijk credo haaks op vormen van onvermijdelijke en absoluut noodzakelijke internationale en Europese samenwerking. Een ander beginsel breekt door: 'wat we zelf beslissen samen te doen, doen we beter', een vuistregel die zijn nut bewijst onder meer in de relaties tussen de Belgische deelstaten en gemeenschappen.

Al deze grensoverschrijdende factoren maken daarenboven een toenemende multiculturalisering onomkeerbaar. Ook de uitbreiding van de Europese Unie zal hier aan bijdragen. De aan de gang zijnde revolutie verwekt echter ook veel angst voor verandering en heel wat aanpassingsproblemen en weerstanden, die zich uiten in oplaaiende populistische politieke bewegingen.

Historisch bekeken vertoont de Vlaamse Beweging de kenmerken van een nationalistische beweging, zoals die meestal door politologen wordt gedefinieerd: als een streven naar het samenvallen van volk en gemeenschap op cultureel vlak, in de ruimste betekenis van dit woord, en van volk en gestructureerde beleidsautonomie in een deelstaat of in een staat op politiek vlak. De geschiedenis kent talrijke voorbeelden van samenlevingen die, gekenmerkt door min of meer homogene taal-, cultuur- of godsdiensteigenschappen, zich grote inspanningen hebben getroost om een soevereine staat te vormen. Het omgekeerde is ook gebeurd ofschoon minder frequent, namelijk het evolueren van gemeenschappen met een heterogene samenstelling op cultureel en taalkundig gebied naar vormen van hechte staats- en natievorming (de VSA of Zwitserland). Veel Europese federalisten stellen dat de Europese Unie de roeping heeft alle volkeren van Europa in hun diversiteit samen te bundelen in een politieke en maatschappelijke constructie, die een mengvorm sui generis zou zijn van federalisme en confederalisme. Het Europa van morgen zal gelijken op een confederale federatie of een federatieve confederatie. Het is duidelijk dat, geprojecteerd op dit toekomstbeeld, de volwaardige staatkundige natievorming van huidige deelgebieden in een naar eenheid strevend Europa, kan beschouwd worden als door de geschiedenis achterhaald. Tevens leert diezelfde geschiedenis welke menselijke ravages bepaalde vormen van nationalisme hebben aangericht in het Europa van de 20ste eeuw en dit trouwens nog steeds doen in de wereld. Het volstaat te noteren dat de meeste hedendaagse oorlogen, interne conflicten en revoluties een nationale en/of etnische achtergrond hebben. Godsdienstig fanatisme en fundamentalisme staan vaak ten dienste van nationalisme. Men kan dan ook begrijpen dat vandaag in veel intellectuele middens het nationalisme bijzonder kritisch wordt ingeschat, in het bijzonder wanneer het wordt uitgedragen door extremistische politieke formaties, die garen spinnen van de angstreflexen veroorzaakt door een toevloed van vreemdelingen en buitenlandse invloeden. Internationalisme en kosmopolitismering worden in ruime kringen van de bevolking niet zelden beschouwd als de privilegies van een boven de werkelijke gemeenschap verheven elite. In tijden van enorme veranderingen wordt gehunkerd naar een beleid dat zekerheid verschaft en naar een politiek met een menselijk gelaat, die dichter bij de mensen staat en minder technocratisch is. De uitroep 'de wereld is ons dorp' is vandaag, zowel rechts als links van het politieke centrum, veel minder geloofwaardig en aanvaardbaar dan 20 jaren geleden en wordt niet zelden omgesmeed tot een omgekeerde uitroep, namelijk 'mijn dorp is de wereld!!!', waarmede verwezen wordt naar de intieme nestwarmte van de eigen gemeenschap, gedeeld met diegenen die er geboren zijn, een vaak onbewuste zinspeling op de etymologische betekenis van het woord 'natie'.

Hedendaagse Vlamingen moeten nochtans zonder complexen durven te stellen dat nationalisme, opgevat als het streven van een natie of een volk naar sociaal-economische en culturele verheffing, waardevol en eerbiedwaardig is en dus niet vies hoeft te wezen. Op een kleine schaal geldt eenzelfde positieve inschatting voor het behartigen van wel begrepen familie- en groepsbelangen. Uiteraard zijn er de ontaardingsverschijnselen van het nationalisme, die kunnen worden toegeschreven aan een ontsporend groepsegoïsme en de verabsolutering van het eigenbelang van de natie. En ethische inschatting van elke 'natiebehartiging' is derhalve van het grootste belang. Als stelregel dient te worden geponeerd dat natiebehartiging en natie-ontwikkeling niet mogen geschieden ten koste van andere volkeren en volksgroepen. Men zou in dit verband kunnen beroep doen op een regel die ontleend is aan het optimaliteitsprincipe van de econoom Vilfredo Pareto (1848-1923). Dit beginsel luidt dat het maatschappelijk optimum niet is bereikt, zolang men de welvaart van een persoon, meer realistisch, van een groep personen, kan verbeteren zonder die van de anderen te verslechteren. In een andere terminologie omgezet – die van de speltheorie of theory of games - zou men kunnen betogen dat natiebehartiging geen 'zero-somspel' mag worden, met andere woorden dat de ontwikkeling van een volk op talrijke domeinen niet mag geschieden ten nadele van de welvaart en/of het welzijn van andere volkeren. Een zero-somspel is immers een spel met winnaars en verliezers. In België b.v. heerst wel eens de misvatting dat de economische expansie van een gewest gebeurt de nadelen van het andere. Jarenlang was dit de opvatting van sommige Waalse leiders ten aanzien van de economische opgang in Vlaanderen. Meestal echter beantwoordt de werkelijkheid aan het omgekeerde. De economische vooruitgang van een gewest is door zijn gevolgen ook voordelig voor de andere gewesten en wordt dan een 'spel' (een beleidsstrategie) met een positief resultaat voor iedereen. Zo dient onderstreept dat de economische reconversie van Wallonië ook gunstig is voor Vlaanderen.

Natiebehartiging mag niet ontaarden in een situatie, waarbij wat de ene wint door de andere wordt verloren. In extreme situaties komt dit tot uiting in gevallen van agressie, oorlog en gebiedsverovering door een andere natie of groep. De toepassing van de speltheorie maakt het ook mogelijk 'negatieve-somspelen' te definiëren, waarbij alle deelnemers verliezen, wat bijvoorbeeld het geval zou zijn bij een atoomoorlog of een economisch protectionistisch beleid dat een wereldrecessie zou ontketenen. Anderzijds zijn er ook veel voorbeelden van 'positieve-somspelen', waarvan alle deelnemers beter worden: culturele contacten, uitwisseling van ideeën, ruilen van goederen en diensten via handel, vrij verkeer van personen, de goede werking van een concurrentiële markteconomie, allerlei vormen van samenwerking. Ook een multiculturele samenleving, die uitgroeit tot een interculturele gemeenschap, kan voor alle deelnemers verbetering van levenskwaliteit betekenen en dus uitmonden in een positief somspel. Een beleid van onthaal, gastvrijheid, integratie en samenwerkend samenleven is derhalve aanbevelenswaardig, niet alleen omwille van ethische en algemeen menselijke beschouwingen maar ook vanuit het welbegrepen eigenbelang van een gemeenschap of een volk.

In de 21ste eeuw zal evenwel steeds meer de klemtoon worden gelegd op de supra- nationale dimensie van de relatie tussen volkeren, naties en staten. Zo is het overduidelijk dat de eerbiediging van de mensenrechten niet zo maar aan de arbitraire invulling van soevereine staten kan worden overgelaten. Geleidelijk zal een 'internationale rechtsgemeenschap' worden uitgebouwd - naar het voorbeeld van de rechtsstaat die in de schoot van de soevereine staten is ontstaan in de loop van de 19de en 20ste eeuw - die zal arbitreren in grensoverschrijdende conflicten en oordelen over de rechtmatigheid van bepaalde nationale belangen. Hieruit volgt dat elk natiebeleid steeds meer zal worden ingebed in een hiërarchie van normen die meer en meer supranationaal zal zijn, maar daarbinnen ruimte open dient te laten om de belangen van de kleinere gemeenschappen (staten, deelstaten, regio's, belangengroepen, het middenveld…) te behartigen. De verzoening van universalisme - doelmatig grensoverschrijdend - en particularisme - levenskwaliteit bevestigend - is een van de grote opgaven van de Europese eenmaking. 'Think global; act local'. In dit debat moet de politieke en maatschappelijke stem van de Vlaamse gemeenschap en vooral van de jonge generatie duidelijk doorklinken. Hier ook is opwaartse en neerwaartse subsidiariteit de oplossing voor potentieel conflicterende eigen-, groeps-, gemeenschaps-, regionale en nationale belangen. De deelname van de Vlaamse minister-president aan de huidige Europese Conventie is op dit stuk hoopgevend en vertrouwen wekkend.

 

 

De taal is gans het volk.

 

Het 'arme Vlaanderen' van de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw is vandaag uitgegroeid tot een van de meest welvarende gebieden ter wereld. Het is maar al te duidelijk dat economische ontwikkeling en financiële machtsopbouw zeer sterk hebben bijgedragen aan de opmars van het Vlaamse land. Ook de Vlaamse cultuur kan heden bogen op een nationale en internationale uitstraling die ondersteund wordt door de moderne communicatie- en mediamiddelen. Het denderend succes van 'Brugge, culturele hoofdstad van Europa' was decennia terug volkomen ondenkbaar.

Een schaduw versombert evenwel het aantrekkelijke Vlaamse landschap: de onzekere toekomst van de Nederlandse taal in een Europa van 30 lidstaten. En in een wereld, steeds meer gedomineerd door het Engels, dat de status heeft verworven van lingua franca of, in een meer moderne terminologie, van worldish.

Wat de Europese instellingen betreft kan de toestand van het Nederlands vrij bevredigend worden geacht. Sedert het Verdrag van Rome in 1958 is het Nederlands een van de officiële talen van de Europese Unie, wat betekent dat de Vlamingen zich in de schoot van alle Europese instellingen in het Nederlands kunnen uitdrukken en alle uitgesproken woorden en geschreven teksten in het Nederlands worden vertaald en gepubliceerd. Het Nederlands is veel beter beschermd binnen de EU dan er buiten. In de NAVO gelden slechts twee officiële talen: het Engels en het Frans maar de facto is de NAVO Engelstalig. In de Verenigde Naties is het Nederlands geen officiële taal. In de Raad van Europa te Straatsburg is het Nederlands evenmin een officiële taal. Evenwel kunnen Nederlanders en Vlamingen zich in de plenaire zittingen in het Nederlands uitdrukken, als voor de tolken bijkomend wordt betaald (wat ook geschiedt). In de commissievergadering wordt echter niet naar het Nederlands getolkt.

Sinds het Verdrag van Amsterdam 1997 heeft elke burger het recht om de EU-instellingen, namelijk het Europees Parlement, de Ministerraad, de Commissie, het Hof van Justitie, de Rekenkamer, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's aan te schrijven in een van de officiële talen van de Unie - dus ook in het Nederlands - en in die taal een antwoord te krijgen. Zestien jaar lang heb ik allerlei Europese ministerraden bijgewoond en ik heb er steeds in mijn tussenkomsten Nederlands gesproken. Wel is het zo dat tijdens informele bijeenkomsten, lunches of kleinere werkvergaderingen werd en wordt overgeschakeld naar een van de grote Europese talen, meestal het Engels of het Frans. In de schoot van de Europese Commissie blijken Engels en Frans de werktalen te zijn. In het Europese Hof van Justitie is dit het Frans omdat de rechters moeten vergaderen, omwille van het vertrouwelijke karakter van hun deliberaties, in afwezigheid van derden, wat dus tolken uitsluit. De jongste jaren echter, naarmate het aantal lidstaten is toegenomen, is in sommige gespecialiseerde instellingen van de Europese Unie - zoals bijvoorbeeld het Merkenbureau - het aantal officiële talen beperkt. Het Nederlands, samen met talrijke andere Europese talen, wordt zodoende gediscrimineerd, wat onaanvaardbaar is. Het gaat immers meestal om instellingen die door de burgers moeten kunnen worden aangeschreven of aangesproken in hun eigen taal. Wat de toekomst betreft - die van een Europese Unie met 30 lidstaten - moeten de Vlamingen en de Nederlanders samen één front vormen ter verdediging van het behoud van het Nederlands als officiële taal. Het gerucht gaat dat aan het taalregime niets zal worden gewijzigd, wat betekent dat alle talen van alle lidstaten als officiële talen van de Unie zullen erkend worden en blijven. Een reeks administratieve en technische maatregelen is in voorbereiding om de 'toren van Babel', die de Europese Unie aan het worden is, doelmatiger te laten functioneren, zonder te raken aan de gelijkberechtiging van elk taal.

Bij dit alles mag de technologische vooruitgang, wat betreft onmiddellijke vertaling van het gesproken en geschreven woord, niet worden onderschat. Nieuwe computers, met een veel groter vermogen, gebruik makend van onder meer de nanotechnologie, zijn in voorbereiding en zullen aanzienlijk bijdragen aan het neerhalen van de laatste scheidingslijn tussen individuen en groepen personen: met name de taalbarrière. Het grote voordeel van de aankomende technologische doorbraak op het stuk van de taaltechnologie bestaat hierin dat de meeste talen vlot en simultaan zullen vertaald worden in de meeste andere talen, terwijl tegelijkertijd de eigen taal in haar bestaan en ontwikkeling zal behouden blijven. De toekomstige taaltechnologie zal op een wonderbaarlijke wijze universalisme - iedereen verstaat iedereen - verzoenen met particularisme - iedereen spreekt zijn eigen taal. Aangezien het verleden heeft bewezen hoezeer de werkelijkheid de fictie overtreft, is het sceptisch fronsen van de wenkbrauwen wellicht misplaatst bij het lezen van bovenstaand optimistisch perspectief, dat het aantreden van generaties gecomputeriseerde Pinksterpolyglotten in het vooruitzicht stelt.

Nu reeds kan men via internet beroep doen op vrij behoorlijke vertaalprogramma's in talrijke talen. Het Nederlands is hierbij echter meestal stiefmoederlijk behandeld, ongetwijfeld een aangelegenheid waar de Vlaamse regering zou kunnen tussen beide komen. Vlaanderen moet met veel meer middelen en slagkracht investeren in moderne taaltechnologie. De lamentabele ondergang van L&H mag geen reden zijn om te vervallen in passiviteit en defaitisme. Wie de taaltechnologische trein mist - wel degelijk een HST – zal zijn achterstand nooit meer inhalen.

Inmiddels is het maar al te evident dat de Vlamingen zelf in grote mate verantwoordelijk zijn voor de eerbied, de waardering en de invloed die de door hen gesproken taal verdient. Op de kwaliteit van de taalcultuur is in Vlaanderen evenwel heel wat aan te merken.

- Allerlei micro-particularisten prijzen het gebruik aan van streektalen of volks- klinkende dialecten – zoals men ook doet met streekbieren - waarmede men geacht wordt te protesteren tegen de elitetaal van de asociale zeldzamen die het zogenaamde algemene Nederlands beoefenen.

- De televisie heeft een zeer grote en positieve invloed op de eenvormigheid van het Nederlands. De wijze waarop de nieuwslezers zich van hun taken kwijten, zowel op VRT als VTM, verdient alle lof. Daarentegen worden allerlei feuilletons van Vlaamse makelij in mekaar geknutseld met acteurs die 'algemeen onbeschaafd vloms' praten, met als gevolg dat deze programma's enkel met ondertitels aan Nederland kunnen worden gesleten, terwijl de Franstaligen, die zulk een uitzendingen toevallig bekijken, gesterkt worden in hun overtuiging dat het tot niets dient correct Nederlands te leren.

- Nog erger is het met het Nederlands gesteld, zodra er, tegen grof geld, reclamespots op radio of televisie worden uitgezonden. De taal die dan meestal wordt uitgebrald teneinde achteloze consumenten te strikken is vaak van een onwaarschijnlijke vulgariteit, waarbij de luisteraar bovendien, als het op de inhoud van de boodschap aankomt, wordt behandeld als een achterlijke debiel. Het invoeren van regels en normen van taal- en geestelijke hygiëne is hier zeer gewenst.

- Het kreupele Nederlands, dat nog al te veel in Vlaanderen wordt gebruikt – en dit geldt niet in eerste instantie het accent maar wel de woordkeuze, de zinsbouw en -wendingen en de grammatica - heeft voor gevolg dat in het buitenland, voor zover bekend dat België een tweetalig land is, en in Franstalig België steevast gewag wordt gemaakt van 'Flamand' of ' Flemish' en zelden van Dutch. De tekstverwerkende computerprogramma's van o.m. Microsoft maken, bij het aanklikken van de spellingfunctie en het bepalen van de taalkeuze, het onderscheid tussen Standaard Nederlands en Belgisch Nederlands, wat niet alleen wijst op grote verwarring maar ook op de perceptie van een feitelijke toestand.

- Marnix Gijsen had geen ongelijk toen hij zei dat de Vlamingen, taalkundig gesproken, nog steeds vuil ondergoed dragen. Ook in Nederland laat de taalzuiverheid veel te wensen over. Deze uitspraak is zeker toepasselijk op allerlei gezagdragers, vooral in de politiek, die oneer aandoen aan het Nederlands, de taal van Multatuli, een van de mooiste talen ter wereld. Een taal die, mits enige inspanning, correct door 22 miljoen Vlamingen en Nederlanders zou kunnen gesproken worden. Het is bovendien een bedroevende constatering dat de culturele samenwerking met Nederland nog steeds op een laag pitje brandt en ik weet uiteraard dat de schuld hiervoor niet alleen aan de Vlamingen is te wijten. Maar het is niet omdat de Vlamingen meestal het grote dictee van de Nederlandse taal winnen, dat ze moeten denken dat hun talenkennis en taalgebruik door de beugel kunnen. De treurige waarheid luidt dat naarmate de staatsgrens tussen Nederland en België en dus ook Vlaanderen wordt afgebouwd, een taalgrens tussen Nederland en Vlaanderen wordt opgericht. Dit is een schandelijke anti-historische trend, gevoed door sofismen, achterlijk anti-hollandisme, demagogisch taalpopulisme en gemakzucht, die bijzonder schadelijk is, niet alleen voor het prestige maar ook voor de toekomst van de Vlaamse Gemeenschap. Is het dan verwonderlijk dat veel Vlaamse intellectuelen, die geen boodschap hebben aan Vlaams koeterwaals, open staan voor het wereldveroverend dynamisme van het Engels en de verlokkingen van de verengelsing?

Nochtans is het Nederlands geen kleine taal. Met 22 miljoen Nederlands sprekenden is onze taal in de Europese Unie van 15 leden vandaag de zesde belangrijkste taal. In een Unie van 30 landen zal het Nederlands op de zevende plaats post vatten, na het Pools. Minderwaardigheidscomplexen zijn derhalve onterecht, tenzij men zich minderwaardig zou opstellen door een schabouwelijke taalgebruik, dat elke communicatieve taalvaardigheid bemoeilijkt. Een socio-psychologische wet bevestigt evenwel dat wie langdurig laboreert aan een minderwaardigheidscomplex, ook uiteindelijk minderwaardig wordt. Aan grootheidswaanzin zijn intelligente Vlamingen zich gelukkig nooit te buiten gegaan; de tijd breekt aan om ook misplaatste kleinheidswaanzin af te leggen.

De Bologna-verklaring, ondertekend door 29 rectoren van de belangrijkste Europese Universiteiten, krijgt eerlang uitvoering. Zij leidt tot een nooit geziene revolutie in het hoger onderwijs. De bedoeling is het continentaal Europese hoger onderwijs internationaal te harmoniseren, de intellectuele en fysische mobiliteit van professoren, onderzoekers en studenten te bevorderen en de 'teaching society' te vervangen door de 'learning society'. Het hoger onderwijs, gestoeld op een zeer intense samenwerking tussen universitair en niet- universitair