Situering
Programma-punten
Actualiteit
|
POLITIEK - binnenland

In het politieke spectrum situeer ik mij rechts van links en
links van rechts. Door beide kampen word ik verworpen. Nergens ben ik thuis. Wat een
heerlijk gevoel.
Een politiek sprookje. De belangloze bekering
Ergens lag een land van
Nergens. Zijn naam was Utopia wat letterlijk ‘niet-plaats’ betekent,
gelegen buiten tijd en ruimte. Het was een twee-stromenland, het moderne
Mesopotamië, ook soms Taailand genaamd want veel taaier dan sommigen
dachten, hoopten of vreesden. De stromen kruisten elkander wel eens, wat
aanleiding gaf tot veel gehakketak en verbale overstromingen. In het
noorden woonde een multiculturele bevolking die zich nog steeds volk
noemde. Één op vier kiezers gaf er zijn stem aan een politieke partij, die
was veroordeeld door een hooggerechtshof wegens racisme omdat zij predikte
dat al wat vreemd was vals was en al wat vreemd was minderwaardig. De
jarenlang volgehouden opruiende taal had gevolgen. Geweld brak uit en
mensen werden omwille van hun huidskleur aangevallen, afgetuigd en soms
vermoord. Het bloed van een zwarte Afrikaan(se) was nochtans even rood als
dat van een blanke en schreeuwde even luid om gerechtigheid. Plots had een
mirakel plaats en een belangloze bekering. Door doorgewinterde leider van
de anti-alles-partij las de oude parabel van de barmhartige Samaritaan en
begreep ze voor het eerst in zijn leven. Hij werd achter het stuur van
zijn auto, zoals ooit Paulus, neergebliksemd. De volgende ochtend riep hij
een grote persconferentie bijeen en las volgende tekst voor:
“Vrienden, we hebben
ons gruwelijk vergist. Niet het eigen volk komt eerst, maar alle mensen
komen eerst en zeker de zwaksten, waaronder vaak vreemdelingen, die wij
met naastenliefde moeten benaderen. Onze partij aanvaardt ootmoedig haar
veroordeling wegens racisme. Wij zullen voortaan in woord en daad niet
alleen elke discriminatie, elke xenofobe oprisping achterwege laten. Wij
zullen voortaan in plaats van het racisme te promoten, samen met alle
mensen van goede wil het racisme bestrijden. We hebben eindelijk begrepen
dat men met de bokshandschoen niet kan zaaien in de akker van de
samenleving. Ons embleem wordt voortaan een handdruk van een blanke hand
die de hand reikt aan een gekleurde. Ook niet- blanken zullen in de
toekomst verkiesbare plaats krijgen op onze lijsten bij de volgende
verkiezingen. Wij openen onze partijlokalen in het hele land voor
asielzoekers en vreemdelingen. Walen beschouwen wij niet langer als
profiteurs en luiaards en wij bieden onze excuses aan aan al wie wij
hebben geschoffeerd. Wij begrijpen ook waarom andere partijen niet met ons
wilden noch konden samenwerken. Het ‘cordon sanitaire’ was niets anders
dan zelfuitsluiting van onzentwege. Wij verbreken al onze banden en
contacten met uiterst rechtse partijen in Europa die de onwelriekende
boodschap verspreiden van de onverdraagzaamheid, de superioriteit van het
eigen ras of volk en die een nostalgische taal voeren die verwijst naar de
meest zwarte bladzijde uit de geschiedenis van Europa tijdens de tweede
wereldoorlog. Ik verklaar plechtig dat wie tijdens die oorlog met het
nazi-regime heeft gecollaboreerd objectief gesproken een zeer zware
vergissing heeft begaan en onnoemelijke schade heeft aangericht aan de
naam en faam van ons eigen volk”.
Toen werd het de leider
te machtig. Tranen welden op en zijn stem stokte. Dagenlang was in het
tweestromenland deze Paulinische bekering frontpaginanieuws. Een maand
later hadden parlementsverkiezingen plaats en de extreme partij van
weleer, omgeturnd tot partij van de broeder- en zusterlijkheid, verloor
al haar stemmen op drie na. En dit was nu juist zeer verontrustend voor de
mentaliteit die heerste in het land van Nergens. Tot een politieke
commentator ontdekte dat de drie stemmen die de partij nog had behaald,
afkomstig waren van de voorzitter van de partij, van diens vrouw en haar
beste vriendin die ook de persoonlijke vriendin was van de voorzitter.
Mark Eyskens
Voor een coöperatief
federalisme
De betreurde eerste
ministerpresident van de Vlaamse regering, Gaston Geens, heeft het devies
gelanceerd: ‘wat we zelf doen, doen we beter’. De pertinentie van deze
uitspraak ligt voor de hand. Door een grotere verantwoordelijkheid toe te
kennen aan personen, groepen, organisaties, gemeenschappen en regio's
vergroot men hun verantwoordelijkheidszin en derhalve ook hun
beleidsdoelmatigheid. Toch is het Geensiaanse beginsel niet absoluut. Het
overhevelen van bevoegdheden inzake onderwijs en sociale woningbouw heeft
in Wallonië zeker niet de kwaliteit van de dienstverlening verbeterd. Ook
voor Vlaanderen is niet bewezen dat autonomie inzake wegeninfrastructuur
de goede staat van het wegennet aanzienlijk heeft opgekrikt. Sedert jaren
wordt door bijna alle experten geaarzeld over de wenselijkheid om de
ontwikkelingssamenwerking toe te vertrouwen aan de gemeenschappen en het
is evident dat er inzake wetenschapsbeleid een veel te grote versnippering
heerst, trouwens niet alleen tussen de deelstaten. Indien het
beleidsbeginsel van Gaston Geens steeds juist zou zijn, dan zou zoiets
revolutionairs als de Europese integratie, die berust op samenwerking en
soevereiniteitsoverdracht naar een hoger echelon - de opwaartse
subsidiariteit - helemaal zinloos zijn. Quod non! Het Geens-principe
moet derhalve worden geamendeerd door een regel, die als volgt zou kunnen
worden geformuleerd: ‘wat we zelf beslissen samen te doen, doen we beter’.
Toegepast op dit buitenissige land België houdt dit de uitbouw in van een
echt en hecht coöperatief federalisme. De hedendaagse economische theorie
bewijst trouwens, onder meer via de ‘Theory of Games’ dat samenwerking ook
tussen rivalen en concurrenten vaak betere resultaten sorteert dan harde
confrontaties. Steeds meer spreekt men van ‘coöpetitie’, een combinatie
van coöperatie en competitie.
Neem nu het
arbeidsmarktbeleid, waar ongetwijfeld in bepaalde deeldomeinen de
autonomie van de gewesten moet worden vergroot, zodat de regio's ook
financieel beloond worden als zij doelmatig de werkloosheid bestrijden
(ofschoon een regio natuurlijk ook pech kan hebben als een grote
onderneming een paar duizend werknemers de laan uitstuurt en men daarvoor
het gewest zou gaan penaliseren). Met kracht moet worden onderstreept dat
naast het deels regionaliseren van het arbeidsmarktbeleid, er ook grote
nood is aan het interregionaliseren van dit beleid, zodat werklozen van de
ene regio kunnen worden tewerkgesteld in de andere regio. Maar dit
veronderstelt een federaal beleid dat met name de werkloosheidsvallen (
het te geringe verschil tussen de werkloosheidsuitkering en het nettoloon)
efficiënt wegwerkt. Mobiliteit en investeringen kunnen ook worden vergroot
door rond een nationale loonnorm aan ondernemingen - beter dan aan de
regio's - toe te laten binnen een bepaalde marge hiervan opwaarts en
neerwaarts af te wijken. Daarnaast is er ook de noodzaak om in België de
arbeidsmarkt te internationaliseren en een selectief immigratiebeleid te
voeren in functie van de noden van de markt. Dit is een Belgische
bevoegdheid die uiteraard Europees moet worden ingebed.
De
samenwerkingssynergieën tussen gewesten en gemeenschappen (en de
federatie) moeten veel efficiënter worden bevorderd. Meer overleg kan
natuurlijk geen kwaad. Maar wellicht moet bij het verlenen van financiële
middelen aan de deelstaten een prikkel van vermeerdering en van korting
worden ingebouwd, naarmate de deelstaten beter of minder goed of helemaal
niet samenwerken. In het laatste geval - bijvoorbeeld inzake de
geluidsnormen voor vliegtuigen - moet worden voorzien dat de federale
overheid na verloop van termijn het bevoegdheidsdomein kan evoceren en
zelf de knoop kan doorhakken. Het voormalige arbitragehof, thans
grondwettelijk hof, beslecht de bevoegdheidsconflicten op voortreffelijke
wijze. Inzake belangenconflicten is, buiten overleg, geen echte
scheidsrechterlijke procedure voorzien. Onder meer om die reden is het van
essentieel belang de Senaat om te bouwen tot een ‘Bundesrat’ op zijn
Duits, die uiteraard bij gekwalificeerde meerderheid belangenconflicten
zou arbitreren en met het oog hierop zou moeten worden samengesteld uit
senatoren als vertegenwoordigers van de gewesten, gemeenschappen maar ook
van het federale niveau. Zij zouden dienen verkozen te worden in een
federale kiesomschrijving, waarbij evenwel het aantal Nederlandstalige en
Franstalige senatoren op voorhand zou worden vastgelegd, teneinde de
taalverhoudingen tussen de gemeenschappen te behouden.
Talrijke andere
initiatieven kunnen worden genomen om verdere regionalisering te
integreren in structuren van doelmatige federalisering. Zoiets heet: goed
bestuur.
Mark Eyskens Minister
van Staat
Bye, bye, Blair
een satire
Het politieke heengaan van Tony Blair als eerste
minister van het Verenigd Koninkrijk heeft iets pathetisch. Ziedaar een
flamboyante, charismatische, welsprekende, briljante politieke leider die
het veld ruimt voor een norse Schot, een grijze labour muis, met de meest
banale naam in het koninkrijk: ‘Brown ofte bruin. Het vertrek van Blair is
een verspilling van talent. Hij was een leider die niet uitriep: ik ben
hun leider, dus ik volg ze. Hij had de moed van zijn overtuiging en durfde
tegen de stroom van de openbare opinie in te roeien. Hij was een ik die
hij leest weliswaar zonder illusies wat altijd beter is dan een
illusionist zonder idealen. Boosaardige tongen wilden hem de poedel van
Bush, omdat hij de Amerikaanse president gesteund had in zijn oorlog tegen
Irak. Blair was helemaal geen poedel, maar een hond van een ander ras. Een
Duitse scheper was hij natuurlijk evenmin, noch een Saint-Bernard of een
Belgische herdershond, laat staan een rottweiler of een hazewind. Neen,
hij was een lenige terriër, een Engelse bouvier, bijwijlen een brak, een
speurhond, een spitse tekkel, een labrador met een weemoedige ogen. Blair
was een subliem redenaar die, telkens hij het woord nam, het Lagerhuis
volledig domineerde en de daar heersende mening omkeerde als een pannekoek.
De beste Belgische parlementaire brekers verbleken, in vergelijking met
Blair, tot wauwelende stotteraars en verbale klungelaars. Blair zet in
grote mate het beleid van de legendarische Margaret Thatcher voort. Hij
was van de iron lady een mannelijke versie en dus minder agressief en veel
milder op school ook onder Blair de vakbonden nauwelijks mochten piepen.
Blair had begrepen dat de burgers in onze verwende
welvaartsstaat een vaak de neiging hebben te grijpen bij de uier dan vier
bij de horens. De overheid moet dus ook wel optreden als de meeste in de
klas Blair heeft heel zijn politieke loopbaan geweigerd een beroeps
revolutionairder worden profiteert van wat wij in onze samenleving
veroordeeld en geniet van de sociale onrechtvaardigheid die hij gispt,
terwijl hij de eer opeist ze te bestrijden. Wel heeft blijven heel veel
politieke benoemingen gedaan omdat hij voorstander was van de ‘ inhalende’
rechtvaardigheid. Als je als politicus iemand benoemd uit bijvoorbeeld een
twintigtal kandidaten dan maak je een ondankbare en 19 vijanden. Dat heeft
Blair te laat begrepen. Wel had hij zeer goed begrepen dat socialisten
maar bruikbaar zijn in regeringen als ze vergeten dat ze socialisten zijn.
Liberalen daarentegen zijn slechts geloofwaardig in de oppositie als een
vergeten dat de liberalen zijn. Ooit zei Blair in het Lagerhuis: “mijn
collega heeft de leeftijd bereikt waarop laattijdig infantilisme zonder
enige overgang omslaat in voortijdige seniliteit’. En ook door een ander
parlementslid verklaarde hij: mijn tegenstrever is een en kale dwerg en
dus enkel instaat ontslagen onder de gordel toe te dienen. Ik vertrouw hem
voor geen zier. Hij is instaat een onbewaakt moment zijn sigaret in je
hand uit te doven. Maar ik zeg u, men moet spaarzaam omspringen met zijn
misprijzen omwille van het grote aantal behoeftigen. De leden van de
oppositie wil ik niet uitdagen, want ik ben tolerant. Maar sta mij toe en
ervoor te waarschuwen dat ik mij door de ratten zal laten besnuffelen.
Wat ik vrees mocht de oppositie aan het bewind komen is dat een dictatuur
de macht zou grijpen en met name de dictatuur van de leeghoofdigheid. Maar
ik wil ook objectief zijn: de meerderheid bestaat uit idioten, de
minderheid ook de Maar daar zijn ze minder talrijk”.
Het is evident dat wij er met dit soort toespraken
niet overal op gejuich werd onthaald. Ook de media lustten hem soms rauw.
Maar hij had geleerd dat er geen verschil is tussen een politicus en een
vlieg: beiden kunnen door een krant worden door het gemept. Maar hij
voegde er dan meestal vergoelijkend aan toe dat hij heel graag de
dagbladen las omdat hij daarin kon vernemen wat hij dacht en wat hij
voornemens was te doen. Blair werd er van beschuldigd steeds de waarheid
te spreken. Hij wist echter dat de waarheid en schaars waar men spaarzaam
moet mee omspringen. Men moet als socialist ook bereid zijn de waarheid te
herverdelen zodat iedereen een stukje waarheid toebedeeld krijgt. Maar de
premier voegde er onmiddellijk aan toe dat in de politiek leugens waar
zijn zodra ze door de bevolking worden geloofd en hun kans om geloofd te
worden neemt toe naarmate de leugens geloven zijn. In het begin van zijn
carrière was Blair een van de aanvoerders van de oppositie bent in het
Lagerhuis ging hij tekeer tegen de conservatieve regering van John Major
onder meer met een tirade die beroemd is gebleven en die aldus luidde: “
We zitten in een politieke impasse We kunnen enkel de verkiezingen winnen
als eerst de toestand verslechtert en de toestand kan slechts
verslechteren als we eerst verkozen worden en het land een tijd kunnen
regeren”. Het Britse Lagerhuis is een grote rechthoek, in tegenstelling
tot de meeste landen van het Europese continent waar de parlementen
zetelen in halfronden, een vorm die is afgekeken van de oude Romeinse
Curia. De afstand tussen oppositie en meerderheid bedraagt er een
driedubbele degenafstand, ingevoerd na de goedkeuring van de Magna Charta
en de oprichting van het eerste parlement. De humane bedoeling was te
verhinderen dat de parlementsleden, gewikkeld in de hitte van een verbale
woordenstrijd, elkander zouden neer- en doodsteken. Het Britse House of
Commons is ongetwijfeld de moeder van alle parlementen.
Hieronder:
1/
toespraak van een denkbeeldig eerste minister
2/ Toespraak voor het Liberaal Vlaams verbond
maar eerst ernstiger
De Crisis van de Welvaartsstaat
Mark Eyskens
Steeds meer burgers van het avondland
worden zich bewust van de grote kwetsbaarheid van ‘onze’ welvaartsstaat,
een overigens relatief abstract begrip dat verwijst naar de grote
economische en sociale verworvenheden van de Europese samenleving. In
nauwelijks een halve eeuw is de reële levensstandaard van de doorsnee
(West-)Europese burger verzesvoudigd, terwijl hij tijdens zijn loopbaan
één derde minder lang werkt en vijftien jaren langer leeft. De kwaliteit
en de ‘nieuwigheid’ van de goederen en diensten die hij gebruikt en
verbruikt is onvergelijkelijk toegenomen. Hij is omringd door de talloze
zich vermenigvuldigende snufjes van de moderne technologie. Er zijn thans
vier maal zoveel universiteitsstudenten als in 1950, wat wijst op een zeer
aanzienlijke democratisering van het onderwijs. De gezondheidszorg is
uitstekend en goedkoop. Het culturele aanbod is overvloedig. De meeste van
onze steden zijn netjes onderhouden en de historische gebouwen werden
keurig gerestaureerd. De levenskwaliteit is vooral in kleine contreien als
België en Vlaanderen, opmerkelijk hoog. De welvaartsstaat heeft ook in
grote mate een ‘welzijnssamenleving’ in het leven geroepen, ondanks een
aantal tekortkomingen, zoals de toenemende mobiliteits- en
leefmilieuproblemen. Veel Europeanen kunnen het zich veroorloven de
planeet aarde te verkennen tot in haar verste uithoeken en hebben recht op
uitgebreide vakanties en loopbaanonderbrekingen. In Europa heerst grote
vrijheid op talrijke gebieden en is de gelijkheid tussen de burgers sterk
toegenomen. En als kers op de taart werd het mirakel van de Pax Europea
verwezenlijkt, dank zij het wonder van de Europese integratie. Sedert 1945
heerst op het kleine West-Europese schiereiland vrede tussen de natiën,
wat nooit gebeurd is sedert de tijd van Julius Caesar. Vlaanderen - ooit
arm Vlaanderen - is een van de meest welvarende regio’s van de planeet
aarde geworden, derhalve van het zonnestelsel en wellicht van de melkweg.
Voor andere galaxieën wil ik nog enig voorbehoud maken. Waarover klaagt
men?
En toch klaagt men alom. O! paradox . Er
heerst inderdaad wijd verspreide onvrede en ontevredenheid, ongenoegen en
malaise, angst en onzekerheid, verzuring en walging, individualisme en ‘ikisme’,
collectief egoïsme en nationale hebberigheid, bij gebrek aan echte
solidariteit en samenhorigheid. Een vreemdsoortige sociologische wet is
vaardig geworden, die stelt dat de maatschappelijke vrede afneemt naarmate
de welvaart toeneemt. Uiteindelijk leidt deze evolutie ertoe dat het geluk
van een samenleving krimpt naarmate haar welvaart groeit. In een
representatieve democratie, waarin leiders en verantwoordelijken verkozen
worden door de bevolking, heeft het verschijnsel van de ‘dalende
geluksbreuk’ (de bevredigingsmiddelen gedeeld door de behoeften)
rampzalige gevolgen voor de werking van de democratische instellingen.
De oorzaken van de paradox van de onvrede
in onze welvaartsmaatschappij zijn complex en verscheiden. In een uiterst
gemediatiseerde samenleving worden, door publiciteit en reclame maar ook
door de politici en politieke partijen, verwachtingspatronen gecreëerd die
niet kunnen worden ingelost. Enkel slecht nieuws heeft nieuwswaarde en het
negatieve wordt dankbaar uitvergroot. Een boom die omvalt, maakt groot
gedruis. Een boom die groeit en bloeit, doet het in alle stilte. Bovendien
produceert de zo geroemde kennismaatschappij ook veel onwetendheid. Wat de
burger kent, neemt toe, maar wat hij zou kunnen of moeten kennen, neemt
veel sterker toe. Aldus ontstaat een toenemende kenniskloof tussen het
kenbare en het gekende. Er bestaat zoiets als de ‘wet van de afnemende
relatieve kennis’. En overinformatie leidt tot desinformatie. De extreme
ingewikkeldheid van een aantal economische en maatschappelijke problemen
leidt tot simplistische vereenvoudigingen, waardoor oplossingen worden
geëist, die onhaalbaar blijken. Het beleid in veel instellingen is
abstract, technocratisch en ondoorzichtig. ‘Men’ bestuurt en beslist. Er
is algemene ‘vermenning’, wat resulteert in een verregaande vervreemding
van de burger tegenover maatschappelijke structuren. De politieke
boodschap bestaat er vaak in aan de kiezers te verkondigen wat ze graag
hebben en niet wat ze nodig hebben of wat noodzakelijk is. De huidige
maatschappij mist, in haar leiding en leden, de luciditeit en
koelbloedigheid om een ‘noodzakelijkheidsbeleid’ te voeren. En dit beleid
is zeer vereist, gegeven de echte uitdagingen. De huidige malaise vloeit
te recht voort uit het wijd verspreide intuïtieve aanvoelen van komend
onheil. Er is ongetwijfeld wat aan de hand, beseft de burger.
De belangrijkste verklaring van de
onvredeparadox schuilt in veelzijdige angstgevoelens, die uitmonden in
‘verliesvrees’. De vrees te verliezen wat verworven werd: werk, pensioen,
leefcomfort, veiligheid, een mooie toekomst voor kinderen en
kleinkinderen… De bevolking wordt verlokt door conservatisme op het
ogenblik dat innovatie en creativiteit meer dan ooit dwingend zijn. Een
behoudsgezindheid die ertoe aanzet te bewaren wat men heeft uit vrees het
te verliezen, met als gevolg dat het verlies waarschijnlijker wordt. Zo
dreigt een zichzelf vervullende profetie te ontstaan.
Een stortvloed van
veranderingen op elk gebied doet zich voor. Morgen is niet langer de
projectie van vandaag of gisteren. Wat er aankomt, is fundamenteel anders
en daardoor onvoorspelbaar. De loop van de gebeurtenissen is nooit meer
lineair. De toekomst lijkt op een grote spin, die schrik inboezemt. Indien
veel mensen beducht zijn voor spinnen dan is dit - zo leggen psychologen
uit - omdat dit vernuftige diertje niet zes poten heeft, zoals een insect,
maar acht. Deze twee toegevoegde poten zijn geenszins overtollig, maar
stellen de spin in staat in totaal onverwachte en onvoorspelbare
richtingen te bewegen. Die mogelijkheid maakt haar gedag zo angstaanjagend
voor een toeschouwer. De toekomst gedraagt zich thans op dezelfde manier
en dwingt de burger van de 21ste eeuw ertoe te leven in een
age of anxiety. De doorbraak van de nieuwe informatie- en
communicatietechnologieën (ICT), dank zij de uitvinding van het fabeltuig
dat computer heet, heeft een wereldwijde revolutie ingezet, waarvan de
gevolgen nauwelijks zijn te overzien. De informatiemaatschappij geeft
geboorte aan de kennismaatschappij, creatieve kennis wordt de
belangrijkste productiefactor, en ideologieën en zekerheden breken stuk op
de ICT. De marxistisch-communistische doctrine die ijvert voor de naasting
van de productiefactoren, wordt volkomen onbruikbaar zodra informatie en
kennis de economie stuwen. Exit het collectivisme, met de implosie van het
communisme en de explosie van de Sovjet-Unie als klap op de vuurpijl. Maar
ook het kapitalisme worstelt met de gevolgen van de ICT, waardoor de
intellectuele eigendom op de helling wordt gezet en via internet - een
organisch, geen structureel verschijnsel - totaal nieuwe vormen van
markthandelen en zaken doen ontstaan. Er is tegelijkertijd
decollectivisering en deprivatisering, wat aanleiding geeft tot veel
beleidsontreddering. De landsgrenzen verdampen, de internetisering maakt
van de wereld een dorp, markten worden wereldwijd, bedrijven delokaliseren,
de wederzijdse afhankelijkheid neemt toe. Steeds meer wordt beseft dat een
vleugelvlinderslag in Zuid-Oost-Azië een storm kan verwekken in
Noord-West-Europa. China en India ontwaken en worden in een oogwenk
economische grootmachten. De Europeaan beleeft het hijgen van de
geschiedenis, maar kan ze niet meer volgen en geraakt buiten adem. De
maatschappij waarin hij leeft wordt snel onherkenbaar. Haar waardenschalen
worden grondig door elkaar geschud. Vreemde culturen, godsdiensten en
talen doordringen zijn leefwereld, wat hij aanvoelt als een bedreiging
voor zijn identiteit en hem verleidt tot beverige, protectionistische
reacties. Het angstzweet van de bange blanke man breekt bij hem uit. Een
clash of civilisations lijkt hem allesbehalve onwaarschijnlijk en
de dagelijkse terroristische aanslagen op de planeet ondergaat hij met
bedrieglijke gelatenheid. Een hoopvolle toekomst is niet langer een
verworven recht. Instinctief voelt de burger aan dat het Europese model is
bedreigd. De 20ste eeuw heeft op een onbarmhartige, genadeloze en vaak
bloedige wijze een selectie gemaakt tussen zeer uiteenlopende
maatschappelijke, politieke en economische systemen. Het autoritaire
fascisme en nationalistisch-racistische nazisme enerzijds en het
dictatoriale collectivistische communisme anderzijds gingen ten onder aan
en in de puinhopen die ze hadden aangericht. Wat in Europa overblijft,
niet als een restsom, evenmin als de sintels van een tot as opgebrande
geschiedenis, maar als een systeem van samenleven in solidariteit is het
Europese model dat geboetseerd werd door de naoorlogse generatie. Dit
model lijkt evenwel vandaag niet steeds doelmatig in zijn taakvervulling -
een aantal problemen geraakt niet opgelost -, is zeer complex in zijn
werking en vooral kwetsbaar omwille van zijn toenemende onbetaalbaarheid
in een wereld van onverbiddelijke concurrentie. Dat Europese model - soms
Rijnlandmodel genoemd - stoelt, na een rijpingsproces en de ziftende
invloed van de geschiedenis, vandaag op vier pijlers: 1. de pluralistische
democratie; 2. de concurrentiële markteconomie; 3. de rechtsstaat en 4. de
sociale welvaartsstaat met zijn uitgewerkt stelsel van sociale zekerheid
en zijn welzijnssamenleving. Het gaat om een vierspan van krachten dat
ik het tetranoom zou willen noemen. Vooral de laatste pijler - de
welvaartsstaat - is typisch Europees en onderscheidt het Europese
samenlevingsmodel van bijvoorbeeld het Amerikaanse, waar
privé-verzekerings- systemen de doorslag geven, en uiteraard van het
Aziatische en het Afrikaanse.
Meestal wordt niet beseft dat, ook afgezien
van externe bedreigingen zoals op dit moment, het tetranoom van binnen uit
wordt bedreigd door de wet van de entropie, die de algemene natuurwet is
van het verval, de ontbinding, de wanorde. De democratie dient steeds
opnieuw te worden verdedigd tegen demagogie, populisme, governement by
opinion poll en de neiging van sommige leiders om hun
‘onverantwoordelijkheden’ op te nemen. De markteconomie, overgelaten aan
haar eigen krachten, poogt de mededinging te vernietigen door monopolie-
en oligopolievorming en machtsconcentraties. Ook de markteconomie dient
continu begeleid en bewaakt. De rechtsstaat wordt bedreigd door brutale
en/of gesofisticeerde misdadigheid en witteboordcriminaliteit, om nog maar
te zwijgen van het huidige terrorisme. En de welvaartsstaat kan, door zijn
buitensporige financieringskost, het economisch draagvlak waarop hij
stoelt, gevaarlijk aantasten. Uitgegaan wordt bij alle decision makers
dat het Europese tetranoom dient behouden, verdedigd, verbeterd,
uitgebouwd en, zo mogelijk, buiten Europa in de wijde wereld aangeprezen
en toegepast. Het Europese maatschappelijke model, met zijn diepe
historische wortels, zijn gelukkig geheelde littekens, zijn boodschap van
samenwerking, vrede en welvaart voor iedereen, blijft een essentiële
noodzaak. Maar het is vooral de welvaartscomponent van het Europese model,
die vandaag beangstigende vragen doet rijzen, zodra de vergrijzing van de
bevolking, de demografische recessie, de stijging van de medische kosten,
de onvoldoende werkgelegenheidsgraad tijdens de eerstvolgende decennia,
het gebrek aan innovatorische slagkracht … onder ogen worden genomen. Niet
zozeer de hoogte van de totale socialezekerheidsuitgaven, maar wel hun
financieringswijze - hoofdzakelijk via het belasten van de factor arbeid
en de bedrijven - tast het concurrentievermogen van de ondernemingen aan
in een tijd van sterk verhoogde internationale
competitiviteitsgevoeligheid. En aangezien geen sociaal paradijs kan
worden in stand gehouden op een economisch kerkhof, verwijst de vraag
naar de ontwikkelings- en overlevingskansen van de welvaartsstaat ook naar
het draagvermogen, de groei en de dynamiek van de markteconomie. Op het
eerste gezicht zou men geruststellend kunnen verkondigen dat het
indrukwekkende stelsel van sociale zekerheid onverkort kan worden
gehandhaafd, ondanks de te verwachten sterke vergrijzingskosten, als onze
economie meer dynamisch en dus innoverend zou kunnen opereren. Een
offensief technologisch en economisch beleid zou aldus garant kunnen staan
voor het behoud van alle sociale verworvenheden voor steeds meer
rechthebbenden. Helaas gaat deze sofistische redenering niet op zodra
ernstig onderzoek uitwijst dat bedrijfsdynamiek sterk wordt geremd als het
huidige hoge overheidsbeslag op de aanbodzijde van de economie en de
rigide werking van markten en instellingen niet grondig worden gewijzigd.
Er is niet zozeer een gebrek aan creativiteit - vooral Vlaanderen heeft
wat onderzoek en ontwikkeling betreft een belangrijk inhaalprogramma
verwezenlijkt. Het mangelt ons vooral aan innovatie, wat betekent dat
ontdekkingen en uitvindingen nog steeds te veel voor hun realisatie naar
gunstiger horizonten uitwijken. Het moge een magere troost wezen voor
Belgische en Vlaamse beleidsverantwoordelijken dat de meeste Europese
landen evenzeer hebben af te rekenen met een aantal structurele handicaps
- met name in vergelijking met de Verenigde Staten van Amerika - wat
beangstigende vragen doet rijzen naar de houdbaarheidsdatum van de
Europese welvaartsstaat. Bij nader onderzoek blijkt echter dat wat
Vlaanderen betreft de stekelige problemenveelhoek die zich aandient, een
Vlaams, een Belgisch en een Europees aspect vertoont en dat België en
Vlaanderen verantwoordelijk zijn voor het wegwerken van een reeks
specifieke tekortkomingen en handicaps.
In allerlei
publicaties werden recentelijk heel wat suggesties gedaan. Zelf schreef ik
een monografie over ‘de houdbaarheid van de welvaartsstaat’, uitgegeven
door de VKWdenktank in oktober 2004. Veel ideeën en beleidsaanbevelingen
zijn in een fase van toenemende convergentie getreden. Zij munten vaak uit
door uiterste noodzaak maar ook door extreme onpopulariteit.
De Belgen moeten langer en meer werken.
Vandaag is 23% van de bevolking te jong om reeds te werken en 23% te oud
om nog te werken. Zonder ingreep worden deze cijfers in 2030
respectievelijk 21% en 30%, en zal dus meer dan de helft van de bevolking
niet meer werken. Derhalve zullen de financiële stimuli om minder lang te
werken moeten worden omgeturnd tot aanmoedigingen om langer te werken. De
lage werkgelegenheidsgraad is vooral dramatisch in Wallonië, maar in
Vlaanderen heeft men dan weer proportioneel veel meer bruggepensioneerden
en niet-werkenden in de leeftijdscategorie van 55 tot 65 jaar. De derde
pijler van de (privé-)pensioenopbouw moet worden aangemoedigd. De
werklozensteun moet in de tijd worden beperkt. De pensioenuitkeringen
moeten worden opgetrokken voor mensen die bereid zijn langer te werken. In
de gezondheidssector moeten de persoonlijke uitgaven voor prestaties
worden verhoogd in functie van het inkomen van de verzekerden. De
flexibiliteit op de arbeidsmarkt moet worden verbeterd door sectorale
arbeidsovereenkomsten te vervangen door bedrijfsovereenkomsten en door de
te dure want te lange vooropzegtermijnen voor bedienden te korten. De
financiering van de sociale zekerheid moet in grotere mate de vorm
aannemen van een belasting op het verbruik. De grootste bedreiging
wellicht voor de welvaartsstaat spruit voort uit de demografische implosie
van de Europese en ook van de Belgische bevolkingen. Tegen 2050 zal de
Europese bevolking, bij constante immigratie, dalen met 50 miljoen mensen.
In België zal de groep van de actieven (van 15 tot 64 jaar) afnemen met 1
miljoen personen. Een selectief immigratiebeleid (smart immigration),
liefst in een Europese context, is zeer gewenst, maar ook andere middelen
om de bevolkingsgroei en de fertiliteit op te krikken, dienen aangewend.
De demografische teruggang lijkt Vlaanderen zwaarder te treffen dan
Brussel en Wallonië, vermits het aandeel van Vlaanderen in de totale
Belgische bevolking zou dalen van 58% vandaag tot 53% in 2050.
Het is een wet van de democratie dat het
tot niets dient alleen gelijk te hebben. Beleidsverantwoordelijken moeten
ook nog gelijk krijgen, met name van de kiezers. Dit is bijzonder moeilijk
wanneer met de te nemen maatregelen heel wat ‘verworven rechten’ dienen te
worden herschikt - om het eufemistisch te formuleren. Het is sedert lang
mijn overtuiging dat ingrijpende hervormingen in het sociaal systeem in
ruime zin maar haalbaar en ook slechts ethisch verantwoord zijn als de
overheid grotere inspanningen zou doen om in ons land de armoede te
bestrijden. Thatcheriaanse gevolgen van een sociaal
herstructureringsbeleid moeten ten alle prijze worden vermeden. Daarom
lijkt het mij wenselijk dat samen met een heroriëntering van het
socialezekerheidsbeleid een efficiënt mechanisme van armoedebestrijding
zou worden uitgewerkt. De overheid zou op geregelde tijdstippen een
regionaal uitgesplitste armoede-index moeten publiceren en een
beleidsinstrument creëren (bijvoorbeeld bij kaderwet) dat de overheden in
staat stelt om snel ernstige sociale noden te lenigen, indien de
armoede-index een bepaalde grens zou overschrijden. Maar ook dergelijk
beleid - naar mijn gevoel absoluut noodzakelijk - zou weinig populair
zijn, want het betekent in concreto dat de voordelen van de
armoedebestrijding in eerste instantie te beurt zouden vallen aan
vreemdelingen en Walen. Zonder het doorbreken van bepaalde vormen van
collectief, categorieel en communautair egoïsme zullen redelijke
oplossingen niet kunnen worden doorgevoerd. De Noord-Zuid-miljardenstroom
in België - die vooral te wijten is aan het ongunstige hoofdelijke
inkomensverschil van de Waalse en Brusselse bevolkingen tegenover de
Vlaamse - werpt een grote schaduw af op elke onderhandeling over een
hervorming van de sociale zekerheid.
Evenwel worden spreekwoordelijke
Belgische compromissen steeds moeilijker omwille van de stroeve werking
van de instellingen, het onvoldragen federalisme, de onduidelijke
bevoegdheidsafbakening, de afwezigheid van een grondwettelijke regeling
van de belangenconflicten en het wederzijdse wantrouwen tussen de talrijke
federale, gewestelijke en gemeenschapsverantwoordelijken en –instanties
wegen op de doelmatigheid en de daadkracht van het beleid.
Indien beleidsverantwoordelijken uit de
diverse maatschappelijke geledingen zouden worden samengebracht om een
‘hervormingsbeleid’ uit te werken, zou onder mensen met gezond verstand en
van goede wil, vrij snel een binnenskamers akkoord mogelijk blijken. Er
zijn geen zesendertig verschillende oplossingen mogelijk en de objectieve
cijfermatige gegevens, statistieken en projecties liegen er niet om.
Evenwel zou tijdens zulk overleg er onmiddellijk worden aan toegevoegd dat
de meeste maatregelen onuitvoerbaar, want onhaalbaar zijn. Vrij lankmoedig
wordt nog steeds in beleidskringen aanvaard dat wat noodzakelijk is,
onmogelijk blijkt. De onhaalbaarheid van wat zou moeten, wordt tot
beleidsprincipe verheven. Wat moet, kan niet en wat kan, is ‘too little
and too late’. De onmogelijkheid van het noodzakelijke is een
dwangidee. Toch dringt de tijd in deze tijden van troosteloosheid en
ondankbaarheid. Want, als uiting van immanente onrechtvaardigheid,
blijkt dat de zeldzame Europese regeringen die toch de euvele moed
opbrengen om op gematigde en gedoseerde wijze in het raam van een beleid
op lange termijn bepaalde structurele hervormingen door te voeren, meestal
smadelijk door de kiezers worden afgestraft.
Indien zou blijken dat de ‘onmogelijkheid
van het noodzakelijke’ een maatschappelijk syndroom is geworden en moet
worden ondergebracht onder de chronische samenlevingsziekten, bevindt de
welvaartsstaat zich in een bijzonder onrustwekkende impasse. Als wat
noodzakelijk is onmogelijk blijft, komt het ogenblik dat het onmogelijke
onvermijdelijk, dat het onaanvaardbare werkelijkheid zal worden: een
dramatische crisis van de welvaartsstaat, die met veel onrechtvaardigheid
zal gepaard gaan en die de werking van de democratische instellingen
gevaarlijk op de proef zal stellen.
Mark EYSKENS
Minister van Staat
Denkbeeldige toespraak door een ingebeeld eerste minister gehouden voor
een imaginair parlement.
'Mijnheer de Voorzitter,
Geachte collega's,
desalniettemin goede vrienden,
Vorig jaar heb ik
aangekondigd dat wij ons op de rand van de afgrond bevonden. Sedertdien
hebben wij een belangrijke stap voorwaarts gezet. De begroting, die de
regering indient, is mooi in haar lelijkheid, zoals de meeste moderne
kunstwerken. Zij vertoont een enorm zwart gat, een deficitaire krater,
verborgen midden in een vulkaan, die op uitbarsten staat en met de lava
van zijn fiscale druk het hele land zal verpletteren. Bovendien zullen ook
grote gebieden van ons economisch landschap overstromen. Maar dit zal niet
te wijten zijn aan de stijgende wassende wateren van Maas en Schelde, van
Barak Friture tot aan Zichem-Zussen-Bolder, maar aan het wegzinken van ons
land in een diepe dieperik.
Het feit dat ik thans de
volle waarheid spreek, is niet te wijten aan een toevallige verstrooidheid
van mijnentwege, zoals dit voorkomt bij al mijn collega's. Mijn
omwentelende reconversie tot de waarheid stoelt op het syllogisme van
Parmenides, als u begrijpt wie ik bedoel. Dit syllogisme luidt als volgt:
alle politici zijn leugenaars; ik ben een politicus; dus ben ik een
leugenaar. Derhalve lieg ik als ik zeg dat ik een leugenaar ben. Bijgevolg
ben ik geen leugenaar en spreek ik de waarheid. Een politicus is
dienvolgens een wezen dat de waarheid spreekt ook als het liegt.
Niet gehinderd door enig
schuldcomplex voert de regering aldus voor het eerst in onze geschiedenis
een echte waarheidspolitiek, met bloedstollende politieke doodsverachting.
De waarheid is immers een uiterst gevaarlijk product. De waarheid is niet
makkelijk verteerbaar en moet met mondjesmaat aan de bevolking worden
toebedeeld. Veritasintoxicatie is erger dan dioxinevergiftiging en daaraan
is reeds een premier ten onder gegaan. De waarheid is bovendien ook
schaars en moet tussen de bevolking worden verdeeld en herverdeeld. Soms
moet ze worden teruggenomen en aan andere rechthebbenden worden
uitgedeeld. Onze zorg gaat in eerste instantie naar de minstbedeelden, de
waarheidarmen, de leugenverslaafden, de fanaten van verzinsel en
verdoezeling, de spindoctorale verkopers van gebakken lucht. Aan
chronische leugenaars zal een algemene eenmalige amnestie worden verleend,
mits een verklaring onder grondwettelijke meineed afgelegd. Ook zal het
staatsblad, de enige krant die de echte waarheid afdrukt, opnieuw worden
uitgegeven en gratis verspreid. De regering richt bovendien een Ministerie
van de waarheid op, bemand door één volwaardig minister (die we nog steeds
niet hebben gevonden want hij of zij moet leugenschoon zijn), die zal
waken over de federale waarheid en drie staatssecretarissen, allen
tenminste doctor in veritatieve groepstherapie, die respectievelijk de
Vlaamse, Waalse en Brusselse waarheden zullen behartigen. Duizenden
inspecteurs van de waarheid zullen worden aangeworven en gescreend door
een leugendetector. Als ze de premier niet goed vinden is bewezen dat ze
liegen.
Inmiddels blijft het een
waarheid als een koe dat wie werkt als een paard bewijst dat hij een ezel
is. Met deze stelregel zal de regering de werkloosheid oplossen. Ik voeg
er aan toe dat we eindelijk de stier resoluut bij de horens moeten vatten
en ophouden de koe bij de uier te grijpen, ten einde haar gesubsidieerde
melk, bij voorkeur in het zwart, eurotisch af te slurpen. Zoniet komt eens
de dag dat een groot 'zwarte-melk-schandaal' zal uitbreken en het land
lactatiekoorts zal bezorgen, zodat alle BV's borstvoeders zullen worden.
De waarheid zal echter
volledig aan het licht komen ter gelegenheid van de aanstaande olympische
spelen in 21016. Aangezien Vlaanderen op dat ogenblik wel discuswerpers
(uitgesproken als 'fiscuswerpers') maar geen zwemmers en Wallonië geen
zwemmers maar wel steltenlopers zal hebben, zullen Belgische
judoka-worstelaarsters, vlinderslag zwemmend, uitkomen tegen Russische
zwemmers. De Belgen zijn gerust en de Russen zijn nu reeds gebelgd. De
voorzitter van het Olympisch Comité stemt ermede in dat zilveren medailles
zullen worden uitgereikt aan die Belgen die niet zullen verdronken zijn.
Twee medailles zullen volstaan, want dit volk zal nooit vergaan. Dit zijn
dan mijn laatste gevleugelde woorden'.
De eerste minister kreeg
een oorverdovende, urenlage staande ovatie, die slechts werd beëindigd
toen een lid van de Kamer een hand verloor.
Mark EYSKENS
Lees EYSKENS' toespraak voor het Liberaal Vlaams Verbond op 3O.11. 2OO2.
Alle toehoorders verlieten de zaal, blauw en bont.
Eyskens is de enige die de VLD van de ondergang kan redden. 'VLD-ers
aller contreien: 'Vorm een echte volkspartij met CD&V. Absolute
meerderheid verzekerd!!!'
Toespraak door Mark Eyskens, minister van Staat,
op de viering van de 75ste verjaardag van Minister van Staat Willy De
Clercq, te Gent op 30 november 2002
Geen ogenblik heb ik geaarzeld toen mij gevraagd werd het woord te
voeren op de viering van Willy De Clercq. Mijn hoofdmotief was
vanzelfsprekend onze langdurige vriendschap en onze gemeenschappelijk
gedeelde politieke ervaringen en belevenissen, decennia lang. Wij waren
vaak solidair in de behartiging van wat romantici 'het algemeen welzijn
' noemen. Misschien zijn wij beiden 'idealisten zonder veel illusies',
wat alvast beter is dan een 'illusionist te zijn zonder idealen'.
Een bijkomende reden om hier vandaag het woord te
voeren was evenwel ook mijn grote voorkeur voor de blauwe kleur, meer
bepaald voor het ultra-marijn. Ooit mocht ik Willy De Clercq verwelkomen
op een tentoonstelling van mijn schilderijen, waar telkens, wat mij
betreft, het aanschouwelijk onderscheid wordt gemaakt tussen
'schilderen' en 'verven,' een woordelijke distinctie die enkel in het
Nederlands mogelijk is. Het ging bovendien om een tentoonstelling waarop
ik andermaal verdiende opgehangen te worden in plaats van mijn
schilderijen. Willy de Clercq maakte mij opmerkzaam op de dominerende
blauwe toonaard van mijn probeersels. Zijn mening is correct. Ik hou van
blauw. Ofschoon blauw geen basiskleur is. Het is een mengkleur van veel
groen met wat geel. Ik hou vooral van de blauwe zee en dan liefst een
blauwe zee overheerst door de schittering van een oranje zon. Graag
beken ik dat oranje ook geen zuivere kleur is, want zij bestaat uit rood
en geel. En ik besef daarenboven dat die oranje zon ook wel eens
ondergaat in die blauwe zee. Maar ik weet ook, zoals u, dat die oranje
zon bij de eerstvolgende dageraad weer oprijst, blozend en blakend.
Wat gebeurt er als je oranje mengt met blauwe verf of
omgekeerd? Welke kleur krijg je dan? Welnu, je krijgt geen kleur. Wel
een absolute meerderheid.
Dames en heren, in het beknopt verslag van deze
vergadering, dat, zoals dit het geval is in alle goed functionerende
politieke partijen, reeds eergisteren werd opgesteld, staat het volgende
vermeld: "bij het uitspreken van de woorden 'absolute meerderheid', trad
in de zaal een oorverdovende maar ijzingwekkende stilte in. Men had een
speld, zelfs een regering, kunnen horen vallen. Gehaaide politici
gniffelden en slikten al smekkend." Tot daar het beknopt verslag, dat
mij bij het betreden van deze zaal werd overhandigd onder de hoofding 'strict
vertrouwelijk', wat zijn snelle verspreiding zal ten goede komen. Maar u
moet natuurlijk naar de rest van mijn verhaal luisteren dat voorkomt,
niet in het beknopt, wel in het volledige verslag van deze vergadering,
in de annalen of notulen van deze historische zitting, annalen die ook
reeds beschikbaar zijn. Want de organisatoren, die met mij blijkbaar
geen risico wilden nemen, hebben mij gevraagd deze toespraak reeds een
week geleden in te spreken op een dicteercassette. Wat ik graag gedaan
heb. Ik heb het helemaal niet ervaren als een voorafgaandelijke censuur,
ofschoon men mij gevraagd heeft een dozijn passussen te schrappen. Ik
ken partijen waar je op een partijvergadering enkel toespraken mag
aflezen die door een ideologisch comité zijn opgesteld en waarbij de
talrijke taalfouten, in de tekst opgenomen, dienen om te verhinderen dat
je wel eens je eigen woorden zou gebruiken. Bovendien was ik mij de
beroemde woorden indachtig van Pol Vanden Boeynants, die, in de mening
verkerend dat hij Grieks sprak, ooit uitriep: 'Scripta volent; verba
manent'
Wat lees ik dus in de voorafgaandelijke annalen van
deze vergadering? Namelijk het volgende. Ik citeer: 'na de woorden
'absolute meerderheid' ging Eyskens verder met de te verwachten niets
zeggende verklaring: 'En wat dan?', een kennelijk gallicisme, want de
letterlijke Nederlandse vertaling van de Franse uitroep 'et alors ???',
vooral door wijlen president Mitterand gepopulariseerd in een overigens
totaal andere context.
'En wat dan? dames en heren. Als je de absolute
meerderheid verwerft, dan bezet je alle ambten, functies, posten en
kantoren in het koninkrijk van Oostende tot Arlon, op één kantoor na.
Dat gelegen achter aan het koninklijk paleis, waarover ik echter niets
mag vertellen, zo niet schendt ik het 'colloque singulier' met de
koning, zolang onze vorst niet van het Scandinavische type is. Als U
begrijpt wat ik bedoel. Ik lees ook uw partijresoluties en weet dat die
nog sneller zonder gevolg worden geklasseerd dan die van de voormalige
CVP. Een methode van papierverwerking, die, althans wat de CVP betreft,
ons voor veel dwaasheden heeft behoed.
Met de absolute meerderheid zou alvast en eindelijk
aanbreken: 'het sedert lang niet meer verwachte uur van de nieuwe
politieke cultuur'. Dan zou er een homogene regering in dit twee
stromenland (het moderne Mesopotamië) regeren. Gaston Eyskens heeft dit
één keer moeten doen, in 1958. Die regering was vanaf de eerste dag een
heuse worsteltent op een ogenblik dat de woorden 'open debatcultuur' nog
niet behoorden tot de rechten van de bevrijde burger.
Het experiment liet mijn vader evenwel toe tussen
zijn tanden te mompelen: "de meerderheid bestaat uit idioten, de
minderheid ook. Maar daar zijn ze minder talrijk' Een uitspraak die door
niemand in dank werd afgenomen.
Ik keer terug naar onze kleuren. Maar vergist U niet:
het mengen van oranje en blauw kan maar volgens een heel nauwkeurig
recept, dat ik u nu wil mededelen. Ten eerste: laat a.u.b. de oranje
verfpot staan, waar hij staat. Neem de blauwe verfpot in de rechterhand.
Niet in de linker, want daar zijn problemen mee, vooral als de
vingertoppen groen verkleuren. Daarover wil ik de heilige schrift
citeren, nml. de H. Paulus in zijn brief aan de VLD-ers, sorry aan de
Corinthiërs (of verkiest U soms de Galaten, die zeker geen onverlaten
waren, want de voorlopers van de Turken als volwaardige leden van de
EU). Ik citeer evenwel liever de heilige Marcus in zijn evangelie, als
hij schrijft: "als een lidmaat u hindert, hak het af. Beminde broeders
en zusters, voorwaar ik zeg U: Als de vingertoppen van uw linkerhand
groen uitslaan, is dit een teken van besmetting (Marcus kende nog niet
het woord infectie, zeker niet in het Aramees, een soort joods Gents).
En Marcus vervolgt: 'de vergroening van uw linkerhand heeft voor gevolg
dat uw blauw bloed, het bloed van de edele strijders voor vrijheid en
vooruitgang, rood kan worden. Welnu rood bloed is niet goed. Van rood
bloed maakt men eenheidsworst en worsten zijn als wetten: 'het is beter
niet te weten hoe ze worden aangemaakt en wat erin werd gestopt".
Totdaar de H. Marcus over het afhakken van je linkerhand. Als ik naar
onze premier kijk besef ik nu maar pas dat hij begonen is met zich te
ontdoen van een van zijn armen, maar ik vrees dat het de verkeerde arm
is.
Keren we terug naar het recept van de
oranje-blauw-vermenging: u laat de oranje verfpot staan waar hij staat,
U heft de blauwe pot op met de rechterhand en giet dan druppelsgewijs,
heel traag en voorzichtig, de blauwe verf in de oranje pot tot je het
blauw niet meer ziet, op misschien een klein spatje na. Dit feilloze
recept draag ik op aan mijn stadsgenoot en desalniettemin goede vriend,
Rik Daems, die gespecialiseerd is in het maken van reusachtige, prachtig
gevlekte schilderijen die veel succes hebben op de tombola's van de VLD.
Om middernacht worden de loten getrokken: eerst groot lot: één
schilderij van RD; tweede prijs: twee schilderijen van RD; derde prijs:
drie schilderijen van RD.
Na deze captatio malevolentiae – normaal zou de helft
van de toehoorders reeds de zaal moeten verlaten hebben – keer ik terug
tot het onderwerp van de dag: Willy De Clercq. De lofrede die ik vandaag
met grote intensiteit en zelfs enige hartstocht afsteek ter ere van
Willy de Clercq, is uiteraard een beproeving voor zijn bescheidenheid.
En bescheidenheid, wil ze echt zijn, mag niet worden opgemerkt, zodat je
nooit kunt bewijzen dat je bescheiden bent. Het is juist omdat wij,
politici, onze grote bescheidenheid nooit kunnen en mogen tonen, vooral
in deze huidige ultra-gemediatiseerde samenleving, bewoond door allerlei
BV's die bekend maar daarom nog niet bekwaam zijn, dat alle politieke
waarnemers denken dat we onbescheiden zijn. Maar ze verstaan er
uiteraard geen fluit van. Valse bescheidenheid bestaat erin toe te geven
dat men het ook niet kan helpen dat men soms gelijk heeft. Maar dat
zeggen we nooit.
Ter voorbereiding van deze toespraak ben ik gaan
surfen op de website van Willy de Clercq. Ik beken dat deze toespraak de
enige is, die ik echt grondig heb voorbereid van de ongeveer 8000
spreekbeurten, die ik tot op heden heb gehouden, uiteraard voor minder
kritische publieken. Vandaag moet ik bovendien niet alleen spreken, maar
ook iets zeggen, een voor mij bijkomende moeilijkheid. Wat ik ga zeggen
moet bovendien klaar en duidelijk zijn, waarbij die duidelijkheid niet
mag te danken zijn aan het feit dat gedurende een moment mijn aandacht
is verzwakt of dat ik vermoeid zou zijn, zoals dit bij Allen Greenspan
het geval is. Het onderwerp van vandaag, WD, tevens lijdend voorwerp, is
zo bijzonder veelzijdig en complex, dat het al je capaciteiten
mobiliseert. Ik heb dan maar mijn toevlucht genomen tot internet en ben
naar Willy's website gesurft.
De website van Willy De Clercq, waarop hij meteen
verschijnt zoals hij is, rijzig, wijs en voszilvergrijs, bovendien
helmboswuivend, wordt beheerst door de vlinderdas die Willy De Clercq
draagt en waarmee hij blijkbaar geboren is. Wellicht zit die vlinderdas
in zijn genen, wat het klonen van WD, na deze zitting, kan bemoeilijken.
Zo'n vlinderdas is trouwens niet zonder gevaar. Want de moderne fysica
leert ons dat de geringste vlindervleugelslag een lawine kan verwekken
in het Himalaya-gebergte. Zelfs een politieke lawine, en wij weten
sedert kort dat Nepal een Himalayastaat is. De website van Willy De
Clercq is als een continent, dat je ontdekt na een lange zwervende
surftocht. Zijn labyrintisch curriculum vitae beslaat talrijke pagina's,
wat overigens beantwoordt aan de verwachtingen. Veel opmerkelijker zijn
een paar uitspraken van Willy De Clercq. Zo lees ik op het sitescherm,
in Willy's eigenste woorden: "ik wens u veel surfgenot. Aarzel niet mij
te contacteren, langs de weg die u verkiest". Zulk voorstel vanwege een
elegante, aantrekkelijke 'homme du monde'- man, als Willy de Clercq, die
altijd zoveel belang heeft gehecht aan goede manieren en die een
natuurlijke charme uitstraalt, is echter niet zonder gevaar in een tijd
van stalking, ongewenste en vaak gewenste intimiteiten.
Op mijn website – w.w.w. Eyskens. com ( dank U dat ik
hier ook wat publiciteit mag maken) - staan ook allerlei uitnodigende
oproepen. Onlangs kreeg ik een brief van een studentin die blijkbaar
mijn webstek had bezocht en die mij in een brief het volgende schreef:
"Geachte professor, met tweemaal ss maar ook tweemaal ff; zij nam
blijkbaar geen risico's met onze spelling in tijden van ontlezing en
ongeletterdheid, waarbij de studenten nog nauwelijks het einddiploma
kunnen lezen dat hen na 4 jaren studie wordt uitgereikt -: "Geachte
proffessor – zo schreef mijn studente - , sedert veertien dagen probeer
ik met u telefonisch betrekking te hebben, maar de tot op heden zonder
bevrediging."
Op de site van Willy De Clercq staat ook nog een
andere bizarre rubriek, vreemd genoeg onder de hoofding "links". En
daaronder – dus onder het woord 'links' - staat VLD, gevolgd door
partijbureau, fractie, arrondissementeel bestuur. Allemaal links. En
verder, steeds aangeduid met links: Dirk Sterckx en Ward Beysen. Als die
heren linkse jongens zijn, moeten we de rechtsen gaan zoeken op een
andere planeet.
Ook komen zeer interessante vragen voor op de site
van Willy. Bijvoorbeeld de vraag van de maand, die momenteel als volgt
luidt: "wat vindt u van Brussel, hoofdstad van Europa?. Wat kan er
beter?" Ik had mij uiteraard verwacht aan Gent. Maar neen; het gaat over
Brussel. Zeer vreemd. Ik verneem trouwens dat die vraag over 'wat u
vondt van Brussel' onmiddellijk na deze plechtige zitting, wordt
gewijzigd in een nieuwe vraag: "Wat vindt u van Willy de Clercq, lid van
het Europees Parlement. Kan hij nog beter?" Een retorische vraag waarbij
het IQ van de doorsnee surfer schromelijk wordt onderschat.
Nog een andere vraag trok ten zeerste mijn
belangstellende en - ik geef toe - belanghebbende aandacht. Die vraag
luidt als volgt: "wie was tot nu toe nog geen lid van de Europese
Commissie: Karel van Miert?, Leo Tindemans?, Willy De Clercq?, Philippe
Busquin? " Het antwoord ligt voor de hand. Ph. Busquin, natuurlijk. Mag
ik Willy echter vragen om na deze zitting onmiddellijk ook MIJN naam te
willen toevoegen aan deze lijst? Ik ben nog steeds geen lid van de
commissie. Met mijn voorbarige dank, beste Willy. Ik ben namelijk jonger
dan Frits Bolkenstein, en de commissie wordt vernieuwd eind 2004. Je
moet er tijdig bij zijn. Ik heb immers ervaring van hondeden commissies,
waaronder de U bekende commissie voor de bevordering van het blauw in de
postmoderne schilderkunst.
Andere sprekers zullen wellicht nader ingaan op de
loopbaan van Willy De Clercq, die onvoorstelbaar gevuld, wat zeg, ik
volgestouwd is met duizenderlei taken, verantwoordelijkheden, zendingen,
ambten, functies, en activiteiten. De regering Verhofstadt poogt de
activiteitsgraad van de Belgische bevolking op te krikken. Maar nu weet
ik hoe het werkt en wat de betekenis is van de gepubliceerde gunstige
statistieken: het is het "Willy de Clercq-effect", dat alom werkzaam is
en waardoor het rijksgemiddelde zich verheft. Hij alleen - en dit is van
mijnentwege geen loze bewering maar een wetenschappelijke constatering,
onomstootbaar bewezen – is verantwoordelijk voor de opmerkelijke
verbetering van dit statistisch gemiddelde. Ik wil onmiddellijk de
eerste minister geruststellen. Aangezien wat ik zeg proefondervindelijk
bewezen is, zullen wij hiervan tijdens de kiescampagne zeker geen
gebruik maken. Onze argumenten putten we uit onbewijsbare beweringen en
stellingen, waar we decennia lang kunnen voor ijveren, omdat ze
onverwezenlijkbaar zijn.
Minister van Staat Willy De Clercq is de kampioen van
het politieke 'lang laufen' en dit op de hoogste nationale en
internationale toppen: Hij trad voor het eerst toe tot de regering in
1960, een regering van Gaston Eyskens – en dit op 33-jarige leeftijd, de
leeftijd waarop men gekruisigd wordt ter voorbereiding van de
daaropvolgende verrijzenis, waartoe zeer begaafde politici verscheidende
malen in staat zijn. Hij was 12 jaren minister, waaronder een aantal
keren vice-eerste minister in bijzonder moeilijke omstandigheden – die
van de strijd tegen een gapend overheidstekort -, hij was 27 jaren lid
van de Belgische kamer, 15 jaren lid van het Europese parlement, waar
hem de hoogste verantwoordelijkheden werden en worden toevertrouwd, hij
was tweemaal voorzitter van het interim-comité van het IMF, 4 jaren lid
van de Europese commisie, Voorzitter van de federatie van Europese
liberale partijen, Voorzitter van de PVV, fractievoorzitter in de Kamer,
hij bekleedde honderden andere mandaten en was, last but not least, een
schitterend universiteitsprofessor. Niet velen zullen hem dit nadoen,
althans bij de liberalen.
Ik zou veel herinneringen kunnen ophalen aan de
loopbaan en het optreden van Willy, die steeds met een ijzeren
dossierkennis, nadat hij de belangrijkste passages in zijn nota's met
een dikke gele fluorstift had onderstreept, een vergadering binnen trad
met de bedoeling te winnen, dank zij overreding, handigheid en
volharding. Slechts één greep uit de honderden wil ik indachtig zijn:
het staaldossier in de jaren tachtig, waar we jaren aan gesleept en
gesleurd hebben. Mijn eigen vluchtige regering is er over gevallen,
samen met het vallen van de herfstbladeren, toen mijn beminde partij, de
CVP – inmiddels ben ik van partij veranderd - mij verboden had nog één
centiem (Belgisch geld) aan het Waalse staal te besteden. Na de vorming
van de regering Martens V waren we het onmiddellijk eens over een
schuldovername ten gunste van Cockerill Sambre, niet van 1 centiem, maar
van 125 miljard BF. Nadien vroegen onze Waalse collega's in de regering
nog een aanzienlijke investeringsenveloppe, een eis waarvan Willy de
Clercq het erg op de heupen kreeg. In de hitte van de discussie riep hij
op een bepaald ogenblik uit: 'taxing power', er op doelend dat de Walen
maar een belasting moesten heffen, indien ze hun staal nog verder wilden
subsidiëren. Voor onze Waalse collega's was 'taxing power' een ware
oorlogsverklaring waarbij de recente stelling dat een ongezonde Waal
niet meer mag kosten dan een half gezonde Vlaming – een u bekende
stelling - de draagwijdte krijgt van een toepassing van de parabel van
de barmhartige Samaritaan. Een Waals minister kwam toen bij mij, totaal
onthutst en verslagen. Hij zei mij: "WD is toch een liberaal. Waarom wil
hij nu een belasting invoeren om het Staal te financieren? Waarop ik mij
veroorloofde te antwoorden: 'WD is niet alleen een liberaal. Hij is ook
bijzonder verstandig. Derhalve heeft hij begrepen dat je eerst de
belastingen moet verhogen om ze nadien met zekerheid te kunnen
verlagen".
Dames en heren, de Belgen hebben de neiging veeleer
de koe te grijpen bij haar uier dan de stier bij zijn horens. Het is een
elementaire wijsheid, waarvan elke minister van financiën - en WD was
talrijke malen financieminister – uit moet gaan bij zijn
ambtsaanvaarding. Een andere wijsheid met dierlijke beeldspraak maakte
WD tot de zijne: 'De zwijnen worden alle knorrende vet'. Ook kon WD van
zichzelf zeggen, in de pijnlijke jaren van hoog torende
overheidstekorten: "Ik ben minister zonder financiën". Het programma van
elke gewone minister, die niet minister van financiën is, luidt
cartesiaans: 'je dépense; donc je suis'. En tegen deze spendingdrift –
die existentieel is voor elk regeringslid – moet de minister van
financiën optornen met ware doodsverachting en talent om gehaat te
worden. Van mij werd gezegd "tel père; tel fisc'. WD kreeg
belangstelling onder andere vormen. Een beeldhouwer wilde van De Clercq
een standbeeld te maken, ten voete uit, licht gebogen, een schijf als
een boemerang weg werpend. De schijf stelde natuurlijk een
belastingschijf voor. Het beeld zou als titel meekrijgen: WD, de fiscus
werper", aan te brengen op de binnenkoer van het ministerie van
financiën. Maar WD weigerde, niet omdat hij niet naakt wilde poseren
maar wel omdat de meeste belastingbetalers de pointe van het beeld niet
zouden begrepen hebben. De begrotingskrater was in Willy's tijd zo diep,
dat best een vulkanoloog tot minister van financiën zou worden benoemd.
Of iemand met een voorbestemde naam om begrotingsputten te vullen, zoals
Robert Vandeputte. Maar het werd en het was Willy De Clercq.
WD is steeds een moedig man geweest, die weet dat
leiderschap erin bestaat aan de mensen te vertellen, niet wat ze graag
horen, maar wat ze moeten horen, niet wat ze graag hebben, maar wat ze
nodig hebben. Maar hij weet natuurlijk ook dat je in de politiek enige
voor- en omzichtigheid aan de dag moet leggen en de grenzen van de
haalbaarheid geregeld af moet tasten. De waarheid, die meestal niet
populair is, moet aan de bevolking met kleine doses worden toegediend,
anders krijgt ze een indigestie. Een minister is bovendien een gewoon
man, die zich in ongewone omstandigheden bevindt en waarvan velen,
althans aanvankelijk, buitengewone dingen verwachten. Maar dit blijft
niet duren, omwille van het 'pompsteen-effect' - het dagelijks
neerdruppelen van ongezouten kritiek op je politieke vel vanuit talrijke
mediakranen of de traag verzwerende steken door de inktsecten van de
schrijvende pers in je huid geprikt. De lectuur van de dagelijkse krant
is evenwel voor een minister onmisbaar want daar verneemt hij wat hij
denkt. Een beproeving voor de goed menende politicus is evenwel dat
goede bedoelingen in het politieke bedrijf niet tellen. Het zijn enkel
de resultaten die meetellen, ook al werden die soms verwezenlijkt met
onoorbare intenties en methoden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat
veel politici zich wapenen met het harnas van het cynisme en verklaren
dat je spaarzaam om moet springen met je misprijzen omdat er zoveel
noodlijdenden zijn, die behoefte hebben aan je misprijzen. WD is zich
echter nooit aan cynisme te buiten gegaan. Hij had begrip voor het
onmogelijkheidsgehalte van veel noodzakelijke oplossingen en stond
derhalve zeer positief tegenover een beleid dat langs wegen van
geleidelijkheid vruchten afwerpt. WD weet echter ook dat in de politiek
niets zozeer wordt gewaardeerd als een spectaculair gelukte mislukking,
waarover men zich verkneukelt en waarbij men met esthetische verrukking
binnensmonds uitroept: 'il n'a pas réussi. Comme s'est bien fait'. Goed
nieuws moet je in de politiek nooit aankondigen. Want als het uitkomt is
iedereen vergeten dat het jouw voorspelling was en als het goede nieuws
niet uitkomt zal iedereen zich nog herinneren dat jij de onfortuinlijke
geluksprofeet bent geweest. Politici voelen zich vaak schuldig aan
onschuld. Dan begaan ze een onvergeeflijke vergissing. Soms verklaren ze
zichzelf ook onschuldig aan schuld, een onvergeeflijke fout die
bovendien een politiek misdrijf is.
Je moet in de politiek de risico's zorgvuldig
inschatten, en dat deed en doet WD meesterlijk. Maar wij weten ook dat
er geen politiek is zonder risico. Er bestaat wel een politiek zonder
kans. De laatste kans wordt soms verkeken tijdens kiescampagnes waarbij
kandidaten het niet eens nuttig vinden in de kiesbeloften te geloven,
die ze zelf hebben gedaan, als maar hun kiezers er in geloven, of,
erger, als kandidaten niet eens hun kiesbeloften weten te onthouden, als
maar hun kiezers die beloften onthouden. Elke kiescampagne brengt een
grondige politieke klimaatwijziging met zich: het aanbreken van een
nieuwe ijstijd, maar dan een ijstijd geschreven met EI. Ooit had ik een
student die zijn eindverhandeling wijdde aan het onderwerp: "Een
critische analyse van de kiesbeloften van de politieke partijen". Hij
kwam tot de vaststelling dat die beloften, ergens in de jaren negentig
van de vorige eeuw, opliepen tot honderden miljarden BF. per
kiescampagne. En hij besloot: 'Gelukkig voor ons land brengen enkel de
betere partijen de verantwoordelijkheidszin op om na de verkiezingen hun
kiesbeloften niet uit te voeren'. Ik gaf hem 19 op 20.
Een belangrijk kenmerk van WD is dat hij poogt te
denken als een man van de daad en te handelen als een man van reflectie.
Daaruit put hij zijn realiteitszin en zijn bedachtzaamheid, die nochtans
niets afdoen aan zijn daadkracht en volharding. WD beseft dat we moeten
strijden, als we een overtuiging hebben, maar dat we moeten strijden
zonder te slaan. Hij weet ook dat met niet kan zaaien met een gebalde
vuist. Het is mij opgevallen dat vooral overtuigde mensen het zich
kunnen veroorloven verdraagzaam te zijn. Onverdraagzaamheid, opgefokt
nationalisme, radicalisme, extremisme, vreemdelingenhaat, antisemitisme,
racisme zijn vaak de krampachtige verdedigingsreflexen van al wie
twijfelen aan zichzelf en laboreren aan een minderwaardigheidscomplex,
waardoor ze uiteindelijk maatschappelijk minderwaardig worden. Enkel in
de verdediging van de vrijheid is extremisme geen ondeugd. Enkel in de
verdediging van de rechtvaardigheid is gematigdheid geen deugd. In alle
andere gevallen zijn verdraagzaamheid en gematigdheid, luisterparaatheid
en samenwerkingsbereidheid en het besef dat andersdenkenden niet
noodzakelijkerwijze verkeerd denkenden zijn, de bouwstenen van onze
beschaving. WD heeft die kwaliteiten steeds op uitzonderlijke wijze
uitgedragen. Zo werd hij niet alleen een defensor civitatis, maar ook
een defensor humanitatis.
Er zijn veel De Clercqen in ons land, maar er is maar één Willy De
Clercq. Indien hij zo uniek is en overvangbaar, heeft hij dat ook in niet
geringe mate te danken aan zijn dynamische en toegewijde echtgenote,
Fernande, zijn wederhelft, zijn beste advocate en veelzijdige
raadgeefster, die hem in tij en ontij heeft bijgestaan. Ik zeg vaak aan
mijn eigen vrouw: ik hou zozeer van jou dat ik er graag twee zoals jij zou
willen hebben. Ik wil mijn geval niet extrapoleren maar in mevrouw WD
schuilen zoveel kwaliteiten dat het onbegrijpelijk is hoe ze in één
persoon kunnen verenigd zijn. Mevrouw De Clercq zal inmidels hebben
bemerkt dat Willy een leeftijd heeft bereikt waarop de kaarsen die zijn
verjaardagstaart versieren, meer kosten dan de taart zelf. Maar we nemen
dat er op de koop toe bij. Willy is meer dan één kaars waard.
Dames en heren, naarmate we voortschrijden in jaren,
beseffen we intenser meer dat we nooit zullen genezen van de avond die
steeds valt en dat we zullen blijven razen, razen, razen tegen het
sterven van het licht. En toch zullen wij, elke nacht herbegonnen,
blijven geloven in de terugkeer van het licht.
Ooit vroeg men aan Jean Cocteau: ' meester , wat zou U redden uit uw
huis als het in brand zou staan? Welk boek, welk voorwerp, welk souvenir
zou U aan de vlammen ten allen prijze willen ontrukken?' En Cocteau
antwoordde zonder enige aarzeling: 'Wat ik zou redden en slepen uit de
brand? Het vuur natuurlijk."
Het vuur redden, dat is ons aller opdracht. De vlam van de
creativiteit, de steekvlam van het geloof in de verbeterbaarheid van
mensen en dingen. Moge deze steekvlam Willy De Clercq blijven
vergezellen in lengte van dagen en jaren.
Mark EYSKENS
23.11.02
Eindelijk heeft België de regering, die het verdient".
Weest autokritisch en
zegt:"de meerderheid bestaat uit idioten; de minderheid ook. Maar die zijn
minder talrijk".
De regering is te
klein voor de grote aangelegenheden en te groot voor de kleine.
De groene rupsen van Agalev en
Ecolo zijn felle vlinders geworden die thans fladderen in de gloed van de
politieke macht. Maar eens hun vleugels verbrand, kunnen ze slechts zielig
zielloos sterven, want opnieuw groene rupsen worden is bio-politiek
onmogelijk. Een voorspelling gedaan in 1999, dus vorige eeuw en
tijdens de 21ste eeuw bewaarheid.
Wie een trouwring draagt aan zijn linkerhand is
rechts. Wie een ring laat piercen in zijn rechteroor is links.
De Belgen zijn gerust en de
Russen zijn gebelgd.
Meta-POLITIEK
niet voor politieke dieren
Als men van een politicus
zegt: 'hij is een politiek dier', dan betekent dit in de beste hypothese
dat hij ooit mens is geweest; in de slechtste dat de darwinistische
struggle for life in hem de evolutie heeft omgekeerd.

Het laatste nieuws is
taalkundig fout. Het jongste nieuws is correct en sensationeel:
INHOUD
-
Hertekening van de politieke landkaart.
quo vadis ex-CVP??????? CD&V ????
Een uittreksel uit Eyskens' boek: 'Het verdriet van het werelddorp',
uitgegeven bij het Davidsfonds.
2.
De val van de Berlijnse muur verjaart elk jaar. Herinneringen
en ontroeringen
3.
Standpunten
1/ Na de mislukte referenda. Wat nu ????
2/
Fundamentalisme in de politiek
3/
Europa: het kruipunt der wegen is bereikt
en hieronder:
EUROPEERS WORDEN OM VLAMINGEN TE BLIJVEN
Prof. Mark Eyskens
Ongeveer 100 jaar geleden uitte August Vermeylen de
historische woorden: ' Wij moeten Vlamingen zijn om Europeërs te worden',
waarmede hij bedoeld dat de Vlamingen, als volk, als gemeenschap en als
individuele personen volwaardig moesten kunnen deelnemen aan de Europese
cultuur in haar meest ruime zin. Voor A. Vermeylen betekende deze Europese
deelname de bekroning van de Vlaamse ontvoogding.
Vandaag, één eeuw later, dient de uitspraak van
Vermeylen te worden omgekeerd: 'Wij moeten Europeërs zijn om Vlamingen te
blijven'. Buiten Europa geen heil.
Vlaanderens welvaart is Europees.
Elk nationaal of regionaal isolement op economisch,
cultureel, maatschappelijke, wetenschappelijk, of politiek vlak leidt in
een éénwordend Europees subcontinent en in een globale wereld tot
welvaartsverlies, communicatieverschraling, culturele verarming en
marginalisering. Tijdens de afgelopen halve eeuw heeft de deelname van
België aan de Europese eenmaking, eerst aan de Europese Gemeenschap voor
Kolen en Staal en vervolgens aan de Europese Economische Gemeenschap, de
Europese Gemeenschap en tenslotte aan de Europese Unie de reële welvaart
op spectaculaire wijze verhoogd. Vooral Vlaanderen heeft hiervan
geprofiteerd omwille van zijn uitstekende geografische ligging, zijn
dynamische bevolking en de met Europese steun doorgevoerde omschakeling
en/of sluiting van de steenkoolmijnen, de scheepswerven en verouderde
bedrijven in de textielsector. De welvaart per hoofd van bevolking in
Vlaanderen, uitgedrukt in koopkrachttermen, is in 50 jaren tijd zomaar
even verzesvoudigd, terwijl de werktijd, gespreid over de loopbaan met één
derde is verminderd. Ook de kwaliteit van het leven is onder veel aspecten
spectaculair verbeterd, alsmede de gezondheidsverzorging, de culturele en
sportinfrastructuur, enz. De democratisering van het hoger onderwijs
blijkt uit de vervijfvoudiging van het aantal hoogstudenten. En een niet
te versmaden toemaatje kwam hier bovenop onder de vorm van de verlenging
van de gemiddelde levensduur met 20 jaar, van circa 60 jaar na de oorlog
tot 80 jaar vandaag. Komt daarbij dat West-Europa, grotelijks dank zij de
Europese solidariteit en de NAVO-paraplu, sedert 57 in vrede leeft, wat
nooit was gebeurd sedert de tijd van Julius Caesar.
Een regio als Wallonië, geteisterd door de dramatische
problemen van de steenkool- en staalnijverheid, heeft in veel mindere mate
kunnen genieten van het Europees integratie-effect en de voordelen van de
gemeenschappelijke markt. Dit moge blijken uit het feit dat het
netto-inkomen per hoofd van bevolking in het Waalse landsgedeelte vandaag
ongeveer 15% lager ligt dan in Vlaanderen. Wellicht hebben Waalse
politieke verantwoordelijken naar het sociaal-economische beleid toe niet
steeds de juiste conclusies getrokken uit de zware handicaps van de Waalse
economie, ten einde een politiek van efficiënte reconversie tijdig en
grondig door te zetten. Maar ook voor Wallonië was de Europese structurele
en regionale steun van kapitaal belang.
De vraag wat het allemaal zou geworden zijn in België
en in Vlaanderen zonder deelname aan de Europese eenmaking is zeker niet
wetenschappelijk te beantwoorden. Want dit zou betekenen dat men de
geschiedenis terugdraait. Vergelijken met landen die geen deel hebben
uitgemaakt van de Europese Unie gaat mank. De staten van Centraal en
Oost-Europa hebben jaren gezwicht onder de ondoelmatige domper van het
collectivistische communisme. De Lage Landen zijn evenmin te vergelijken
met Zwitserland, al was het maar omwille van het economisch impact van hun
grote havens en hun enorme exportgerichtheid. Met als gevolg dat die
landen ook zeer sterk afhankelijk zijn van het buitenland voor hun import
en bevoorrading. Dat Brussel de feitelijke hoofdstad is van de Europese
Unie en daardoor, na Washington, de tweede belangrijkste diplomatieke
hoofdstad in de wereld met een aanwezigheid van 60.000 diplomaten, 15.000
lobbyisten en bovendien de zetel van 2500 internationale economisch,
politieke en culturele instellingen, vergroot voor België en Vlaanderen op
moeilijk kwantificeerbare wijze het uitzonderlijk hoge batige saldo van
deelname aan de Europese integratie. Sedert de voleindiging van de
Monetaire Unie en de invoering van de Euro is de verstrengeling zo intens,
dat geen zinnig mens de 'onteuropeanisering' van Vlaanderen of België in
overweging kan nemen.
Buiten de Europese Unie is de invloed van kleine landen
onbestaande; binnen de Unie is die zeer gering.
Zelfgekozen niet- of onvoldoende deelneming aan het
Europese eenmakingproces zou uitsluiting door de andere deelnemers aan de
Europese opbouw voor gevolg hebben. De Britten hebben dit in het verleden
verscheidene malen duidelijk aangevoeld. Dit geldt nog meer voor een land
als België en evenzeer voor Vlaanderen, wat ook de toekomstige
staatkundige evolutie van de Vlaamse deelstaat moge wezen. Daarbij komt
dat het een illusie is te menen dat Vlaanderen in een Europese Unie van 25
à 30 lidstaten meer zou te zeggen hebben dan België.
Als belangrijke constitutionele regio is Vlaanderen
momenteel lid van het Comité van de Regio's dat meer dan 200 leden telt en
na de uitbreiding tot 25 lid- staten ten minste 350: een aantal dat
evenwel elke beslissingswijze door de regio's, die in de plaats zou treden
van de huidige besluitvorming van de volwaardig lidstaten, uitermate zou
bemoeilijken, zoniet onmogelijk maken. Maar zelfs als volwaardige
staatkundige deelnemer zou Vlaanderen, zoals België vandaag, deel uitmaken
van een beslissingsmechanisme dat steeds meer gekenmerkt wordt door
toepassing van gekwalificeerde meerderheden of een de facto vetorecht van
de drie grote Europese lidstaten (Duitsland, Verenigd Koninkrijk en
Duitsland). Een staatkundig erkend Vlaanderen – zonder Brussel - zou in
die hypothese over ten hoogste 6 à 7 stemmen beschikken rond de tafel van
de Europese ministerraad. België, na de goedkeuring van het verdrag van
Nice, heeft momenteel 12 stemmen toegewezen gekregen op een totaal van 345
stemmen. Om een besluit te blokkeren zal een gekwalificeerde minderheid
vereist zijn van 91 stemmen, wat betekent dat ongeveer 8 landen van het
soortelijk gewicht van België nodig zullen zijn om op een beslissing te
wegen. Voor een Europees autonoom optredend ( onafhankelijk) Vlaanderen of
bij opsplitsing van het Belgisch stemmenaantal tussen zijn deelstaten, zou
het gewogen stemmengewicht (7) van Vlaanderen gelijk zijn aan één
negenenveertigste (1/49) of nauwelijks 2%. Dit kan weinig lijken - en dat
is het ook - maar desalniettemin betekent dit een oververtegenwoordiging –
wat logisch is in elke federale en dus ook in de Europese structuur – als
wordt rekening gehouden met de bevolkingsratio: 6 miljoen Vlamingen op een
Uniebevolking, na uitbreiding, van 450 miljoen of 0,13%. Met 2% van de
stemmen in de Europese ministerraden en dus ook in de Europese Raad van
staats- en regeringshoofden is het evident dat een Vlaamse (deel)staat
nauwelijks politiek gewicht zou hebben. Een constatering die trouwens
mutatis mutandis ook op België toepasselijk is, ware het niet dat de
Belgische vertegenwoordigers nog voor een deel invloed putten uit de
'Europese traditie' van een founding father.
In het Europese Parlement zullen na uitbreiding 732
leden zetelen. België heeft er momenteel 25 maar moet er 3 inleveren,
zodat er 22 overblijven of ongeveer 3%. Een Vlaamse staat zou het moeten
stellen met 13 zetels of 1,8% . In principe heeft elke lidstaat in de
ministerraden van de Europese Unie een vetorecht in materies waarvoor de
unanimiteit is vereist. Maar dit is louter theoretisch in hoofde van een
kleine lidstaat. In de voorbije halve eeuw heeft België in de Europese
Unie nooit van zijn vetorecht gebruik gemaakt, ook omdat Brussel de
hoofdstad is van de Europese Unie en de zetel van haar belangrijkste
politieke instellingen, wat moet aanzetten tot Europese Bundestreue.
Dit laatste argument zou eveneens gelden voor Vlaanderen in de mate dat
Vlaanderen Brussel – vanzelfsprekend - zou blijven beschouwen als zijn
hoofdstad.
Tenslotte moet worden onderstreept dat het recente
verdrag van Nice, zopas goedgekeurd door het federale parlement, en
demografische clausule inhoudt die bepaalt dat elk voorstel in de Europese
ministerraad of in de Europese Raad van staatshoofden en regeringshoofden
maar kan worden goedgekeurd als ook ten minste 62% van de Europese
bevolking achter de betrokken beslissing staat. Omgekeerd betekent dit dat
38% van diezelfde Europese bevolking elke beslissing, ook indien met
gekwalificeerde meerderheid aangenomen, kan verwerpen of tegenhouden (na
een procedure van evocatie). Het is geen toeval dat net Duitsland,
Groot-Brittannië en Frankrijk samen 41% van de Europese bevolking
uitmaken, wat met zich brengt dat deze drie landen samen beschikken over
een demografisch vetorecht in alle domeinen van de Europese
besluitvorming. In Nice (december 2000), ondanks de triomfantelijke
verklaringen van de Belgische eerste minister volgens de welke de belangen
van de kleine landen werden verdedigd en veilig gesteld, werd aan het
feitelijke directorium van de drie grote Europese mogendheden een begin
van institutionele basis toegekend. Dit blijkt steeds meer uit het
Europese zogenaamd gemeenschappelijke buitenlandse en veiligheidsbeleid.
Het waren de drie groten die in ex-Joegoslavië en Afghanistan de houding
van de Unie bepaalden. Ten aanzien van de crisis in het Nabije Oosten zijn
de kleine EU-lidstaten politiek en diplomatiek onbestaande. En wat betreft
de eerbiediging van de normen van Maastricht, zo belangrijk voor het
handhaven van de Europese Monetaire Unie, is onlangs gebleken dat
Duitsland, dankzij de steun van Frankrijk en Groot-Brittannië, heeft
kunnen bogen op een bijzonder milde houding van de EU met betrekking tot
het stilaan uit de hand lopen van het Duitse begrotingstekort.
Wil dit nu zeggen dat kleinere staten in de eerlang
grote Europese Unie van tenminste 25 à 30 leden geplaatst worden voor een
onmogelijk dilemma: ofwel totale gewichtloosheid buiten de Unie; ofwel
pluimgewichtloosheid binnen de Unie? Reaalpolitici zullen antwoorden dat
dit dilemma niet relevant is om de eenvoudige reden dat de kleine Europese
lidstaten toch geen alternatief hebben en dat bovendien hun geringe
politieke invloed in zeer ruime mate wordt gecompenseerd door de grote
economische voordelen, die ze putten uit hun Europees lidmaatschap.
Nochtans is het beoefenen van Europese minimal art aard door een
kleine lidstaat geen onvermijdelijk fatum. Uiteraard zijn België en ook
Vlaanderen bijzonder geprivilegieerd door het statuut van Brussel. Veel
Vlamingen beseffen nog steeds niet dat Brussel vandaag, in het werelddorp
dat het onze is geworden, belangrijker is dan België en dan Vlaanderen en
dat vanuit Brussel officieel maar vooral officieus op de Europese
besluitvorming kan worden gewogen, met name dank zij de netwerking van
veel persoonlijke contacten. Ook de Benelux- solidariteit blijft van
vitaal belang, met name voor Vlaanderen. Samen met de Nederlanders vormen
de Vlamingen een Nederlandstalige cultuurgemeenschap van 22 miljoen
inwoners. Meestal wordt onvoldoende beseft dat de Benelux, in absolute
cijfers, de vierde grootste handelsmogendheid is ter wereld na de
Verenigde Staten, Japan en Duitsland en dat de Benelux behoort tot een van
de meeste welvarende gebieden ter wereld. De reële invloed van kleine
lidstaten in de Europees Unie kan ook aan belang winnen en zelfs
doorslaggevend worden dankzij de intellectuele kwaliteiten, de
taalvaardigheid, de politieke verbeeldingskracht en handigheid in het
voorstellen en smeden van compromissen van de vertegenwoordigers van deze
lidstaten. Voor Vlamingen is hier een zeer vruchtbaar werkterrein
weggelegd.
Allerbelangrijkst is de subsidiariteit, die stelt dat
lidstaten bevoegd blijven voor de materies die ze zelf kunnen beredderen.
Ofschoon de internationalisering en globalisering deze bevoegdheden
gestaag afknaagt, zijn er nog heel wat kwesties die behoren tot het
nationale beleid. Binnen elke lidstaat bepaalt de grondwet of en in welke
mate interne subsidiariteit geldt ten aanzien van b.v. de deelstaten, de
provinciën, de gemeenten. In het federale België hebben de deelstaten zeer
verregaande bevoegdheden, waarvan sommigen van het confederale type zijn
en verder strekken dan wat in een federale staat gebruikelijk is. Zo
kunnen de Belgische deelstaten verdragen afsluiten met andere soevereine
staten betreffende de materies waarvoor ze bevoegd zijn. Vlaanderen heeft
hiervan uitvoerig gebruik gemaakt. In veel aspecten van onze relaties met
Nederland treedt Vlaanderen op als een autonome partner (b.v. het
havenbeleid). Als minister van Buitenlandse Zaken heb ik, tijdens de
onderhandelingen over het verdrag van Maastricht (190-91) mijn collega's
van de EU kunnen overtuigen van de noodzaak in het verdrag van Maastricht
een bepaling op te nemen die zegt dat elke lidstaat van de EU zich in de
ministerraden mag laten vertegenwoordigen door de 'personen die de
regering aanwijst'. Meteen was de weg vrij gemaakt om ook gewestministers
aan te duiden als vertegenwoordigers van België. Deze formule is met
succes uitgeprobeerd tijdens het Belgische EU-voorzitterschap van 2001.
Maakt de Europese integratie de Vlaamse Beweging
overbodig, onnuttig, achterhaald?
Met deze vraag wordt verwezen naar de existentiële
betekenis van de Vlaamse Beweging in de 21ste eeuw, op een ogenblik dat
het hele maatschappelijke gebeuren zowel nationaal als internationaal
totaal wordt omgewoeld door de gevolgen van opeenvolgende
wetenschappelijke en technologische revoluties, die een nieuwe wereld
scheppen, de wereld omvormen tot ons dorp en tevens het wereld- en
mensbeeld grondig wijzigen.
De maatschappij van morgen, onder meer onder invloed
van de informatie- en communicatie-technologieën en het informatisme,
dat de plaats inneemt van de grote ideologieën (liberalisme en
socialisme), en van de verspreiding van kennisnetwerken, is onderhevig aan
een proces van ontgrenzing op zeer veel domeinen. De nationale
soevereiniteit breekt af, staatsgrenzen vervagen, collectivistische
economische systemen kunnen niet langer stand houden, autoritaire
structuren worden alom gecontesteerd, vormen van rechtstreekse democratie
zijn aantrekkelijk, het individualisme grijpt om zich heen. Wederzijdse
afhankelijkheid van landen en gemeenschappen neemt toe, ook omwille van de
zich vermenigvuldigende internationale contacten (onder meer via
internet). Ooit gold, met name in Vlaanderen, het beginsel 'wat we zelf
doen, doen we beter'. Vandaag staat dergelijk credo haaks op vormen van
onvermijdelijke en absoluut noodzakelijke internationale en Europese
samenwerking. Een ander beginsel breekt door: 'wat we zelf beslissen samen
te doen, doen we beter', een vuistregel die zijn nut bewijst onder meer in
de relaties tussen de Belgische deelstaten en gemeenschappen.
Al deze grensoverschrijdende factoren maken daarenboven
een toenemende multiculturalisering onomkeerbaar. Ook de uitbreiding van
de Europese Unie zal hier aan bijdragen. De aan de gang zijnde revolutie
verwekt echter ook veel angst voor verandering en heel wat
aanpassingsproblemen en weerstanden, die zich uiten in oplaaiende
populistische politieke bewegingen.
Historisch bekeken vertoont de Vlaamse Beweging de
kenmerken van een nationalistische beweging, zoals die meestal door
politologen wordt gedefinieerd: als een streven naar het samenvallen van
volk en gemeenschap op cultureel vlak, in de ruimste betekenis van dit
woord, en van volk en gestructureerde beleidsautonomie in een deelstaat of
in een staat op politiek vlak. De geschiedenis kent talrijke voorbeelden
van samenlevingen die, gekenmerkt door min of meer homogene taal-,
cultuur- of godsdiensteigenschappen, zich grote inspanningen hebben
getroost om een soevereine staat te vormen. Het omgekeerde is ook gebeurd
ofschoon minder frequent, namelijk het evolueren van gemeenschappen met
een heterogene samenstelling op cultureel en taalkundig gebied naar vormen
van hechte staats- en natievorming (de VSA of Zwitserland). Veel Europese
federalisten stellen dat de Europese Unie de roeping heeft alle volkeren
van Europa in hun diversiteit samen te bundelen in een politieke en
maatschappelijke constructie, die een mengvorm sui generis zou zijn
van federalisme en confederalisme. Het Europa van morgen zal gelijken op
een confederale federatie of een federatieve confederatie. Het is
duidelijk dat, geprojecteerd op dit toekomstbeeld, de volwaardige
staatkundige natievorming van huidige deelgebieden in een naar eenheid
strevend Europa, kan beschouwd worden als door de geschiedenis
achterhaald. Tevens leert diezelfde geschiedenis welke menselijke ravages
bepaalde vormen van nationalisme hebben aangericht in het Europa van de
20ste eeuw en dit trouwens nog steeds doen in de wereld. Het volstaat te
noteren dat de meeste hedendaagse oorlogen, interne conflicten en
revoluties een nationale en/of etnische achtergrond hebben. Godsdienstig
fanatisme en fundamentalisme staan vaak ten dienste van nationalisme. Men
kan dan ook begrijpen dat vandaag in veel intellectuele middens het
nationalisme bijzonder kritisch wordt ingeschat, in het bijzonder wanneer
het wordt uitgedragen door extremistische politieke formaties, die garen
spinnen van de angstreflexen veroorzaakt door een toevloed van
vreemdelingen en buitenlandse invloeden. Internationalisme en
kosmopolitismering worden in ruime kringen van de bevolking niet zelden
beschouwd als de privilegies van een boven de werkelijke gemeenschap
verheven elite. In tijden van enorme veranderingen wordt gehunkerd naar
een beleid dat zekerheid verschaft en naar een politiek met een menselijk
gelaat, die dichter bij de mensen staat en minder technocratisch is. De
uitroep 'de wereld is ons dorp' is vandaag, zowel rechts als links van het
politieke centrum, veel minder geloofwaardig en aanvaardbaar dan 20 jaren
geleden en wordt niet zelden omgesmeed tot een omgekeerde uitroep,
namelijk 'mijn dorp is de wereld!!!', waarmede verwezen wordt naar de
intieme nestwarmte van de eigen gemeenschap, gedeeld met diegenen die er
geboren zijn, een vaak onbewuste zinspeling op de etymologische betekenis
van het woord 'natie'.
Hedendaagse Vlamingen moeten nochtans zonder complexen
durven te stellen dat nationalisme, opgevat als het streven van een natie
of een volk naar sociaal-economische en culturele verheffing, waardevol en
eerbiedwaardig is en dus niet vies hoeft te wezen. Op een kleine schaal
geldt eenzelfde positieve inschatting voor het behartigen van wel begrepen
familie- en groepsbelangen. Uiteraard zijn er de ontaardingsverschijnselen
van het nationalisme, die kunnen worden toegeschreven aan een ontsporend
groepsegoïsme en de verabsolutering van het eigenbelang van de natie. En
ethische inschatting van elke 'natiebehartiging' is derhalve van het
grootste belang. Als stelregel dient te worden geponeerd dat
natiebehartiging en natie-ontwikkeling niet mogen geschieden ten koste van
andere volkeren en volksgroepen. Men zou in dit verband kunnen beroep doen
op een regel die ontleend is aan het optimaliteitsprincipe van de econoom
Vilfredo Pareto (1848-1923). Dit beginsel luidt dat het maatschappelijk
optimum niet is bereikt, zolang men de welvaart van een persoon,
meer realistisch, van een groep personen, kan verbeteren zonder die
van de anderen te verslechteren. In een andere terminologie omgezet – die
van de speltheorie of theory of games - zou men kunnen betogen dat
natiebehartiging geen 'zero-somspel' mag worden, met andere woorden dat de
ontwikkeling van een volk op talrijke domeinen niet mag geschieden ten
nadele van de welvaart en/of het welzijn van andere volkeren. Een
zero-somspel is immers een spel met winnaars en verliezers. In België b.v.
heerst wel eens de misvatting dat de economische expansie van een gewest
gebeurt de nadelen van het andere. Jarenlang was dit de opvatting van
sommige Waalse leiders ten aanzien van de economische opgang in
Vlaanderen. Meestal echter beantwoordt de werkelijkheid aan het
omgekeerde. De economische vooruitgang van een gewest is door zijn
gevolgen ook voordelig voor de andere gewesten en wordt dan een 'spel'
(een beleidsstrategie) met een positief resultaat voor iedereen. Zo dient
onderstreept dat de economische reconversie van Wallonië ook gunstig is
voor Vlaanderen.
Natiebehartiging mag niet ontaarden in een situatie,
waarbij wat de ene wint door de andere wordt verloren. In extreme
situaties komt dit tot uiting in gevallen van agressie, oorlog en
gebiedsverovering door een andere natie of groep. De toepassing van de
speltheorie maakt het ook mogelijk 'negatieve-somspelen' te definiëren,
waarbij alle deelnemers verliezen, wat bijvoorbeeld het geval zou zijn bij
een atoomoorlog of een economisch protectionistisch beleid dat een
wereldrecessie zou ontketenen. Anderzijds zijn er ook veel voorbeelden van
'positieve-somspelen', waarvan alle deelnemers beter worden: culturele
contacten, uitwisseling van ideeën, ruilen van goederen en diensten via
handel, vrij verkeer van personen, de goede werking van een concurrentiële
markteconomie, allerlei vormen van samenwerking. Ook een multiculturele
samenleving, die uitgroeit tot een interculturele gemeenschap, kan voor
alle deelnemers verbetering van levenskwaliteit betekenen en dus uitmonden
in een positief somspel. Een beleid van onthaal, gastvrijheid, integratie
en samenwerkend samenleven is derhalve aanbevelenswaardig, niet alleen
omwille van ethische en algemeen menselijke beschouwingen maar ook vanuit
het welbegrepen eigenbelang van een gemeenschap of een volk.
In de 21ste eeuw zal evenwel steeds meer de klemtoon
worden gelegd op de supra- nationale dimensie van de relatie tussen
volkeren, naties en staten. Zo is het overduidelijk dat de eerbiediging
van de mensenrechten niet zo maar aan de arbitraire invulling van
soevereine staten kan worden overgelaten. Geleidelijk zal een
'internationale rechtsgemeenschap' worden uitgebouwd - naar het voorbeeld
van de rechtsstaat die in de schoot van de soevereine staten is ontstaan
in de loop van de 19de en 20ste eeuw - die zal arbitreren in
grensoverschrijdende conflicten en oordelen over de rechtmatigheid van
bepaalde nationale belangen. Hieruit volgt dat elk natiebeleid steeds meer
zal worden ingebed in een hiërarchie van normen die meer en meer
supranationaal zal zijn, maar daarbinnen ruimte open dient te laten om de
belangen van de kleinere gemeenschappen (staten, deelstaten, regio's,
belangengroepen, het middenveld…) te behartigen. De verzoening van
universalisme - doelmatig grensoverschrijdend - en particularisme -
levenskwaliteit bevestigend - is een van de grote opgaven van de Europese
eenmaking. 'Think global; act local'. In dit debat moet de
politieke en maatschappelijke stem van de Vlaamse gemeenschap en vooral
van de jonge generatie duidelijk doorklinken. Hier ook is opwaartse en
neerwaartse subsidiariteit de oplossing voor potentieel conflicterende
eigen-, groeps-, gemeenschaps-, regionale en nationale belangen. De
deelname van de Vlaamse minister-president aan de huidige Europese
Conventie is op dit stuk hoopgevend en vertrouwen wekkend.
De taal is gans het volk.
Het 'arme Vlaanderen' van de 19de en de eerste helft
van de 20ste eeuw is vandaag uitgegroeid tot een van de meest welvarende
gebieden ter wereld. Het is maar al te duidelijk dat economische
ontwikkeling en financiële machtsopbouw zeer sterk hebben bijgedragen aan
de opmars van het Vlaamse land. Ook de Vlaamse cultuur kan heden bogen op
een nationale en internationale uitstraling die ondersteund wordt door de
moderne communicatie- en mediamiddelen. Het denderend succes van 'Brugge,
culturele hoofdstad van Europa' was decennia terug volkomen ondenkbaar.
Een schaduw versombert evenwel het aantrekkelijke
Vlaamse landschap: de onzekere toekomst van de Nederlandse taal in een
Europa van 30 lidstaten. En in een wereld, steeds meer gedomineerd door
het Engels, dat de status heeft verworven van lingua franca of, in
een meer moderne terminologie, van worldish.
Wat de Europese instellingen betreft kan de toestand
van het Nederlands vrij bevredigend worden geacht. Sedert het Verdrag van
Rome in 1958 is het Nederlands een van de officiële talen van de Europese
Unie, wat betekent dat de Vlamingen zich in de schoot van alle Europese
instellingen in het Nederlands kunnen uitdrukken en alle uitgesproken
woorden en geschreven teksten in het Nederlands worden vertaald en
gepubliceerd. Het Nederlands is veel beter beschermd binnen de EU dan er
buiten. In de NAVO gelden slechts twee officiële talen: het Engels en het
Frans maar de facto is de NAVO Engelstalig. In de Verenigde Naties is het
Nederlands geen officiële taal. In de Raad van Europa te Straatsburg is
het Nederlands evenmin een officiële taal. Evenwel kunnen Nederlanders en
Vlamingen zich in de plenaire zittingen in het Nederlands uitdrukken, als
voor de tolken bijkomend wordt betaald (wat ook geschiedt). In de
commissievergadering wordt echter niet naar het Nederlands getolkt.
Sinds het Verdrag van Amsterdam 1997 heeft elke burger
het recht om de EU-instellingen, namelijk het Europees Parlement, de
Ministerraad, de Commissie, het Hof van Justitie, de Rekenkamer, het
Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's aan te schrijven
in een van de officiële talen van de Unie - dus ook in het Nederlands - en
in die taal een antwoord te krijgen. Zestien jaar lang heb ik allerlei
Europese ministerraden bijgewoond en ik heb er steeds in mijn
tussenkomsten Nederlands gesproken. Wel is het zo dat tijdens informele
bijeenkomsten, lunches of kleinere werkvergaderingen werd en wordt
overgeschakeld naar een van de grote Europese talen, meestal het Engels of
het Frans. In de schoot van de Europese Commissie blijken Engels en Frans
de werktalen te zijn. In het Europese Hof van Justitie is dit het Frans
omdat de rechters moeten vergaderen, omwille van het vertrouwelijke
karakter van hun deliberaties, in afwezigheid van derden, wat dus tolken
uitsluit. De jongste jaren echter, naarmate het aantal lidstaten is
toegenomen, is in sommige gespecialiseerde instellingen van de Europese
Unie - zoals bijvoorbeeld het Merkenbureau - het aantal officiële talen
beperkt. Het Nederlands, samen met talrijke andere Europese talen, wordt
zodoende gediscrimineerd, wat onaanvaardbaar is. Het gaat immers meestal
om instellingen die door de burgers moeten kunnen worden aangeschreven of
aangesproken in hun eigen taal. Wat de toekomst betreft - die van een
Europese Unie met 30 lidstaten - moeten de Vlamingen en de Nederlanders
samen één front vormen ter verdediging van het behoud van het Nederlands
als officiële taal. Het gerucht gaat dat aan het taalregime niets zal
worden gewijzigd, wat betekent dat alle talen van alle lidstaten als
officiële talen van de Unie zullen erkend worden en blijven. Een reeks
administratieve en technische maatregelen is in voorbereiding om de 'toren
van Babel', die de Europese Unie aan het worden is, doelmatiger te laten
functioneren, zonder te raken aan de gelijkberechtiging van elk taal.
Bij dit alles mag de technologische vooruitgang, wat
betreft onmiddellijke vertaling van het gesproken en geschreven woord,
niet worden onderschat. Nieuwe computers, met een veel groter vermogen,
gebruik makend van onder meer de nanotechnologie, zijn in voorbereiding en
zullen aanzienlijk bijdragen aan het neerhalen van de laatste
scheidingslijn tussen individuen en groepen personen: met name de
taalbarrière. Het grote voordeel van de aankomende technologische
doorbraak op het stuk van de taaltechnologie bestaat hierin dat de meeste
talen vlot en simultaan zullen vertaald worden in de meeste andere talen,
terwijl tegelijkertijd de eigen taal in haar bestaan en ontwikkeling zal
behouden blijven. De toekomstige taaltechnologie zal op een
wonderbaarlijke wijze universalisme - iedereen verstaat iedereen -
verzoenen met particularisme - iedereen spreekt zijn eigen taal. Aangezien
het verleden heeft bewezen hoezeer de werkelijkheid de fictie overtreft,
is het sceptisch fronsen van de wenkbrauwen wellicht misplaatst bij het
lezen van bovenstaand optimistisch perspectief, dat het aantreden van
generaties gecomputeriseerde Pinksterpolyglotten in het vooruitzicht
stelt.
Nu reeds kan men via internet beroep doen op vrij
behoorlijke vertaalprogramma's in talrijke talen. Het Nederlands is
hierbij echter meestal stiefmoederlijk behandeld, ongetwijfeld een
aangelegenheid waar de Vlaamse regering zou kunnen tussen beide komen.
Vlaanderen moet met veel meer middelen en slagkracht investeren in moderne
taaltechnologie. De lamentabele ondergang van L&H mag geen reden zijn om
te vervallen in passiviteit en defaitisme. Wie de taaltechnologische trein
mist - wel degelijk een HST – zal zijn achterstand nooit meer inhalen.
Inmiddels is het maar al te evident dat de Vlamingen
zelf in grote mate verantwoordelijk zijn voor de eerbied, de waardering en
de invloed die de door hen gesproken taal verdient. Op de kwaliteit van de
taalcultuur is in Vlaanderen evenwel heel wat aan te merken.
- Allerlei micro-particularisten prijzen het gebruik
aan van streektalen of volks- klinkende dialecten – zoals men ook doet met
streekbieren - waarmede men geacht wordt te protesteren tegen de elitetaal
van de asociale zeldzamen die het zogenaamde algemene Nederlands
beoefenen.
- De televisie heeft een zeer grote en positieve
invloed op de eenvormigheid van het Nederlands. De wijze waarop de
nieuwslezers zich van hun taken kwijten, zowel op VRT als VTM, verdient
alle lof. Daarentegen worden allerlei feuilletons van Vlaamse makelij in
mekaar geknutseld met acteurs die 'algemeen onbeschaafd vloms' praten, met
als gevolg dat deze programma's enkel met ondertitels aan Nederland kunnen
worden gesleten, terwijl de Franstaligen, die zulk een uitzendingen
toevallig bekijken, gesterkt worden in hun overtuiging dat het tot niets
dient correct Nederlands te leren.
- Nog erger is het met het Nederlands gesteld, zodra
er, tegen grof geld, reclamespots op radio of televisie worden
uitgezonden. De taal die dan meestal wordt uitgebrald teneinde achteloze
consumenten te strikken is vaak van een onwaarschijnlijke vulgariteit,
waarbij de luisteraar bovendien, als het op de inhoud van de boodschap
aankomt, wordt behandeld als een achterlijke debiel. Het invoeren van
regels en normen van taal- en geestelijke hygiëne is hier zeer gewenst.
- Het kreupele Nederlands, dat nog al te veel in
Vlaanderen wordt gebruikt – en dit geldt niet in eerste instantie het
accent maar wel de woordkeuze, de zinsbouw en -wendingen en de grammatica
- heeft voor gevolg dat in het buitenland, voor zover bekend dat België
een tweetalig land is, en in Franstalig België steevast gewag wordt
gemaakt van 'Flamand' of ' Flemish' en zelden van Dutch. De
tekstverwerkende computerprogramma's van o.m. Microsoft maken, bij het
aanklikken van de spellingfunctie en het bepalen van de taalkeuze, het
onderscheid tussen Standaard Nederlands en Belgisch Nederlands, wat niet
alleen wijst op grote verwarring maar ook op de perceptie van een
feitelijke toestand.
- Marnix Gijsen had geen ongelijk toen hij zei dat de
Vlamingen, taalkundig gesproken, nog steeds vuil ondergoed dragen. Ook in
Nederland laat de taalzuiverheid veel te wensen over. Deze uitspraak is
zeker toepasselijk op allerlei gezagdragers, vooral in de politiek, die
oneer aandoen aan het Nederlands, de taal van Multatuli, een van de
mooiste talen ter wereld. Een taal die, mits enige inspanning, correct
door 22 miljoen Vlamingen en Nederlanders zou kunnen gesproken worden. Het
is bovendien een bedroevende constatering dat de culturele samenwerking
met Nederland nog steeds op een laag pitje brandt en ik weet uiteraard dat
de schuld hiervoor niet alleen aan de Vlamingen is te wijten. Maar het is
niet omdat de Vlamingen meestal het grote dictee van de Nederlandse taal
winnen, dat ze moeten denken dat hun talenkennis en taalgebruik door de
beugel kunnen. De treurige waarheid luidt dat naarmate de staatsgrens
tussen Nederland en België en dus ook Vlaanderen wordt afgebouwd, een
taalgrens tussen Nederland en Vlaanderen wordt opgericht. Dit is een
schandelijke anti-historische trend, gevoed door sofismen, achterlijk
anti-hollandisme, demagogisch taalpopulisme en gemakzucht, die bijzonder
schadelijk is, niet alleen voor het prestige maar ook voor de toekomst van
de Vlaamse Gemeenschap. Is het dan verwonderlijk dat veel Vlaamse
intellectuelen, die geen boodschap hebben aan Vlaams koeterwaals, open
staan voor het wereldveroverend dynamisme van het Engels en de
verlokkingen van de verengelsing?
Nochtans is het Nederlands geen kleine taal. Met 22
miljoen Nederlands sprekenden is onze taal in de Europese Unie van 15
leden vandaag de zesde belangrijkste taal. In een Unie van 30 landen zal
het Nederlands op de zevende plaats post vatten, na het Pools.
Minderwaardigheidscomplexen zijn derhalve onterecht, tenzij men zich
minderwaardig zou opstellen door een schabouwelijke taalgebruik, dat elke
communicatieve taalvaardigheid bemoeilijkt. Een socio-psychologische wet
bevestigt evenwel dat wie langdurig laboreert aan een
minderwaardigheidscomplex, ook uiteindelijk minderwaardig wordt. Aan
grootheidswaanzin zijn intelligente Vlamingen zich gelukkig nooit te
buiten gegaan; de tijd breekt aan om ook misplaatste kleinheidswaanzin af
te leggen.
De Bologna-verklaring, ondertekend door 29 rectoren van
de belangrijkste Europese Universiteiten, krijgt eerlang uitvoering. Zij
leidt tot een nooit geziene revolutie in het hoger onderwijs. De bedoeling
is het continentaal Europese hoger onderwijs internationaal te
harmoniseren, de intellectuele en fysische mobiliteit van professoren,
onderzoekers en studenten te bevorderen en de 'teaching society' te
vervangen door de 'learning society'. Het hoger onderwijs, gestoeld
op een zeer intense samenwerking tussen universitair en niet- universitair
|