|
POLITIEK -
buitenland

Diplomacy is the art to tell people to go to hell in
such a way they are looking forward to the trip
Wat is het verschil tussen een diplomaat en een wel
opgevoede dame?
Als een diplomaat JA zegt, bedoelt hij MISSCHIEN;
als hij misschien zegt bedoelt hij NEEN en als hij NEEN zegt, is hij geen
diplomaat. Als een lichtzinnige maar beleefde dame NEEN zegt, bedoelt ze
Ja; als ze MISSCHIEN zegt, bedoelt ze Ja en als ze JA zegt, is ze geen wel
opgevoede dame.
YANKEE GO HOME. BUT PLEASE TAKE ME WITH YOU!!!!
Prioriteiten van het Belgisch buitenlands beleid
1/ De Europese grondwet lijkt klinisch dood. De
pauze die door de Europese raad van 16 juni 2005 werd ingelast betekent
kunstmatige beademing met de bedoeling het eigen Europese geweten te
sussen. euthanasie is momenteel niet aan de orde. Het stopzetten van de
behandeling behoort tot de waarschijnlijkheden. Zelfs indien nog een
aantal landen zouden ratificeren lijkt het uitgesloten Frankrijk,
Nederland en Groot-Brittannië nog over de brug te krijgen voor een
ongewijzigde tekst.
De Europese bevolking 'prefers solutions to
constitutions', zoals een commentator schreef. De Europese leiders moeten
de problemen en uitdagingen op een geloofwaardige wijze aanpakken en pogen
op te lossen: de werkloosheid, de structurele achterstand van de Europese
economie tegenover Amerika en Japan, de problemen van vergrijzing, van de
multiculturaliteit, van de globalisering en delocalisatie...
Europa heeft nood aan een krachtig
sociaal-economisch herstelbeleid. Het is slechts voor zover nodig wat
betreft de uitvoering van dit beleid dat bepaalde institutionele ingrepen
moeten worden overwogen, zoals de dubbele meerderheid in de ministerraden
(55% van de lidstaten en 65% van de bevolking), een soepele mogelijkheid
van versterkte samenwerking met het oog op de uitbouw van een Europa van
concentrische cirkels (Saturnus-model)
Gaan nadenken over welke Unie de lidstaten wensen is
tijdverlies en kan enkel de twisten hoog doen oplaaien. De belangrijke
Europese verdragen (Rome, Maastricht) zeggen dat Europa meer moet zijn dan
enkel maar een geïntegreerde markt. Europa is een confederale federatie of
een federatieve confederatie, waarbij zowel intergouvernementele als
federaal geïntegreerde vormen van besluitvorming worden gehanteerd. Europa
is een proces. De dynamiek naar meer efficiëntie moet worden
gehandhaafd in het licht van de kolossale uitdagingen die op ons continent
afkomen en die noch min noch meer te maken hebben met het 'to be or not to
be' van het Europese model.
2/ België moet opnieuw de Beneluxsamenwerking die totaal
verwaarloosd en zelfs geboycot werd opnieuw ernstig nemen en zijn buitenlands
beleid veel intenser overleggen met Nederland. In een Unie van 25 lidstaten is de Benelux
een middelgrote 'mogendheid', die gewicht en invloed in de schaal kan werpen.
3/ Met de Verenigde Staten van Amerika dient een vernieuwd en versterkt
(Europees) partnerschap te worden uitgebouwd dat beantwoordt aan de gewijzigde
wereldsituatie, na het beëindigen van de Koude Oorlog en het ontstaan van een conflict
van een 'derde type' met het internationale en vaak zelfmoordende terrorisme. Het is
België niet verboden in dit verband ideeën te ontwikkelen.
4/ België moet beseffen dat de goede relaties van Groot-Brittannië
met de VS voor Europa veeleer een troef zijn dan een verliespost. Groot-Brittannië kan
worden ingezet als bruggenbouwer tussen Amerika en de Europese Unie.
5/ De regering moet een 'Brussel-politiek' voeren, dit wil zeggen
Brussel als hoofdstad van de Europese Unie, zetel van de NAVO, zetel van 2000
internationale instellingen en bedrijven en tweede belangrijkste diplomatieke hoofdstad
van de wereld, met alle middelen promoten. Brussel is vandaag belangrijker geworden dan
België en is derhalve een niet aflatende Belgische, Vlaamse en Waalse inspanning meer dan
waard.
6/ De Noord-Atlantische Alliantie moet worden omgebouwd tot een
Euro-Atlantisch pact waardoor Europa, binnen en met de alliantie, een veel grotere rol
dient te spelen. Grotere verantwoordelijkheid van Europa gaat echter ook gepaard met een
noodzakelijk grotere militaire inspanning. Het voorstel om te komen tot een
Euro-Atlantisch Verbond zou best uitgaan van de Verenigde Staten van Amerikaan, omdat vaak
Europese pogingen om een Europese veiligheids- en defensiebeleid uit te werken in Amerika
worden beschouwd als een uiting van anti-Amerikanisme. Maar de Amerikaanse regering kan
dergelijk initiatief maar nemen als de garantie wordt gegeven dat een doelmatig Europees
defensiebeleid niet wordt losgekoppeld van de NAVO. Onlangs ontmoette ik de nieuwe
Amerikaanse ambassadeur bij de Europese Unie, dhr Rockwell Schnabel, een voormalig
staatssecretaris voor buitenlandse handel. Hij is een man met grote ervaring en zonder
enige vooringenomenheid, die een belangrijke rol kan spelen in het effenen van nieuwe
wegen van samenwerking. Belgische voorstellen zijn zeker welkom. Die moeten uitgaan van de
vaststelling dat de militaire en politieke overmacht van de VS immers ook voor een deel
het spiegelbeeld is van de militaire onmacht en de politieke verdeeldheid van de Europese
Unie.
7/ Een versterkt partnerschap met de VS zou aan geloofwaardigheid
winnen wanneer begeesterende lange-termijndoelstellingen zouden worden geponeerd. De
Europese Unie vandaag is de belichaming van een verwezenlijkte 'grand dessein',
nadat meer dan 50 jaren geleden het Schumanplan werd gelanceerd en 25 jaren terug werd
gestart met de opbouw van een Monetaire Unie.
8/ Een partnerschap met de VS moet niet alleen politiek en militair
worden bekeken maar ook en misschien vooral economisch.
Waarom kan België niet voorstellen dat de samenwerking tussen Amerika
en Europa uiteindelijk zou moeten leiden, langs wegen van geleidelijkheid, tot het
ontstaan van een grote Atlantische vrijhandelszone? De obstakels mogen niet worden
onderschat, meer bepaald op het vlak van het landbouwbeleid. Maar akkoorden tussen Europa
en de VS, onder meer over het liberaliseren van de respectieve landbouwmarkten, zouden ook
de relaties met de Derde Wereld in een totaal nieuw daglicht plaatsen. Het spreekt vanzelf
dat de uitbouw van een grote vrijhandelszone tussen beide oevers van de Atlantische Oceaan
ook de oprichting vereist van een aantal instellingen die moeten waken over de spelregels.
De Europese Unie heeft evenwel op dit vlak grote ervaring verworven tijdens de voorbije 50
jaren.
9/ En tenslotte dient een vrijhandelszone tussen Amerika en Europa uit
te monden in een steeds meer intens wordende monetaire samenwerking, waarbij geleidelijk
aan grote wisselkoersschommelingen en verschillen tussen de euro en de dollar zouden
worden weggewerkt, door een beleid van interventie op de wisselmarkten door de centrale
banken. In het verleden, meer bepaald in de periode 1985-88, zijn een paar experimenten in
die zin uitgeprobeerd met de zogenaamde akkoorden van Plaza en het Louvre. Nieuwe pogingen
kunnen worden ondernomen die, zoals in Europa, kunnen leiden tot het uitwerken van een
monetaire slang, vervolgens een monetaire tunnel, een Atlantisch monetair systeem (AMS) en
uiteindelijk een monetaire unie tussen de VS en Europa. De eindfase zou dan uiteraard
betekenen dat tussen de euro en de dollar vaste pariteiten zouden worden ingevoerd en
eventueel beide munten zouden worden versmolten tot een enige euro-dollarmunt.
Vandaag lijkt dit allemaal wishfull thinking. Maar dat was het
ook in de beginperiode van de Europese integratie. Toen speelde België een sleutelrol
dankzij de verstandige verbeeldingskracht, de handigheid, de omzichtigheid maar ook soms
de gedurfde toekomstgerichtheid van zijn voorstellen. Of de nieuwe regering hiertoe zal in
staat zijn is een wijd gapende, open vraag. De hoop is alvast groter dan het geloof.
Mark Eyskens
Minister van Staat
|
|
|
|
B
Choisir l’Europe de l’avenir
La décision du Conseil des ministres européen d’ouvrir des
négociations d’accession avec la Turquie et la Croatie est de nature
à placer l'Europe, ses dirigeants et sa population devant un choix
difficile entre l'Europe du passé et celle de l'avenir. Celle du
passé, à partir du plan Schuman jusqu'à la fin de la guerre froide,
a grandi d’une manière inédite grâce à une méthodologie totalement
nouvelle (l'intégration économique et la méthode communautaire de
Jean Monnet utilisées afin de rendre toute guerre intra-européenne
définitivement impossible et de fonder la Pax Europea. Mais depuis
l'implosion du communisme et l'explosion de l'Union soviétique, la
situation internationale et continentale de l'Europe a été
fondamentalement bouleversée. Une attitude défensive à l’intérieur
de frontières bien protégées s’efface devant un esprit d’ouverture
et une attitude offensive qui déplace les anciennes démarcations. Au
point que l’Europe de demain se définira moins en des termes
purement géographiques mais davantage à la lumière de valeurs
partagées et assumées ensemble. La vocation historique du continent
Européen au cours du 21ème siècle est d’être le levier d’une
convergence intercontinentale, s’articulant autour d’une communauté
de prospérité et basée sur l’établissement d’une communauté
internationale de droit. Le renforcement de l'Europe est aujourd'hui
et demain une condition essentielle à la réalisation de cet idéal.
Mais cette Europe là, il faudra la réinventer.
Les citoyens de l'Union Européenne attendent des solutions aux
problèmes qui les préoccupent et inquiètent: les delocalisations, le
chômage, l’insécurité, les défis posés par le vieillissement de la
population et l’évolution défavorable de la démographie, les atteintes
à la qualité de la vie… L’approbation d’une constitution européenne
n’est pas leur première priorité. Le redressement de la crédibilité
des décideurs européens passe aujourd’hui par l’annonce et la
réalisation progressive d’un vaste plan de relance – un plan de
croissance économique et sociale – s’articulant autour de la
stratégie de Lisbonne – faire de l’UE l’ensemble le plus moderne - et
proposant des mesures tendant à accompagner et à humaniser les grandes
mutations socio-économiques en cours. L'UE sera de plus en plus
confrontée aux conséquences de la globalisation et de la concurrence
des nouveaux états industriels dont la Chine et l'Inde sont les porte-
étendards. Un nombre de handicaps structurels en Europe menacent la
durabilité de l'état de providence européen et le financement de la
sécurité sociale, par ailleurs typique pour le modèle de société
européen. La conservation des composantes essentielles de ce modèle
exige toutefois un réajustement approfondi et il est évident que
chaque politique de réforme sociale est facilitée dès lors que les
instances européennes la recommandent et la coordonnent.
Ce n’est que dans le contexte d’un plan de relance qu’il faudra
examiner si certaines améliorations institutionnelles doivent être
apportées au fonctionnement actuel de l'UE. Il semble donc appropriée
d’inverser la séquence: d'abord définir une nouvelle stratégie,
faite de politiques, et ensuite, si nécessaire, adapter les méthodes
de travail de l'Union. Peut-être faudra-t-il en premier lieu se
pencher sur les lacunes du projet de Constitution. En effet aucune
voie institutionnelle n’a été ouverte afin de permettre au Parlement
européen de lever un impôt (indirect) européen, bien entendu sous des
conditions très restrictives, afin de financer le budget de l’Union,
lequel budget aujourd’hui est tributaire de l’approbation (difficile
et douloureuse) de chacun des 25 pays membres. Une autre nécessité
institutionnelle est de simplifier la ratification des nouveaux
traités et là aussi de remplacer l’unanimité par une majorité
qualifiée des membres du parlement européen et des états membres. Si
un plan de relance ne faisait pas l’unanimité l’on pourrait dans le
cadre des traités d'Amsterdam et de Nice faire appel à la coopération
renforcée entre les états membres qui voudraient agir ensemble et qui
constitueraient de fait une espèce d’avant-garde.
Quant à l’élargissement de l’Union je propose depuis longtemps de
structurer la nouvelle Europe selon un modèle ‘Saturnien’, avec un
noyau centripète d’états entouré de cercles de pays en transition vers
une plus grande convergence. La planète Saturne étant constituée dans
un premier temps par les ou certains membres de l’Union Monétaire
Européenne. Une telle formule aurait le grand avantage de rendre plus
phasée et progressive l’adhésion de nouveaux membres (bientôt la
Bulgarie et la Roumanie; par après les pays issus de l’ex-Yougoslavie
et en cas de négociations réussies la Turquie). Ainsi l’élargissement
deviendrait plus un processus qu’une soudaine mutation.
En ce qui concerne l’Union Monétaire, force motrice de l’Union,
appelée à prendre également des initiatives en matière de politique
étrangère et de défense, il est
évident que l’adhésion du Royaume-Uni est plus que souhaitable, voire
d’une extrême nécessité. Il est temps de reprendre le débat avec la
Grande Bretagne, particulièrement dans le cadre d’une relance
européenne. Les Britanniques, grands partisans d’un marché européen
unique, doivent comprendre qu’ à terme des fluctuations de change
entre la livre et l’euro sont de nature à perturber le bon
fonctionnement de ce marché. Du côté continental il serait judicieux
d’exprimer une certaine compréhension pour le désir des Anglais de
maintenir la livre dans le cadre de leurs relations avec les pays du
commonwealth et le rôle que joue la place de Londres au niveau
mondial. Pourquoi ne pas envisager une politique de change
conjointement gérée qui conduise à la fixation d’un parité irrévocable
entre l’euro et la livre ? Dès ce moment le Royaume-Uni deviendrait
membre à part entière de la Banque Centrale Européenne et des
instances de l’Union Monétaire, tout en conservant la livre.
L'Europe est depuis l’implosion du communisme et la fin de la
guerre froide un exemple de coopération et de gestion continentale,
depuis le récent élargissement. Progressivement, suite surtout au
flux continu de multiples développements scientifiques et
technologiques, une coopération et une intégration intercontinentale
plus intense s’imposera. Au fur et à mesure que les négociations
commerciales et le fonctionnement plus efficace de l’Organisation
Mondial du Commerce produiront des résultats probants, la
possibilité, voire la nécessité, augmentera de mettre en place pas à
pas une zone de libre-échange entre l'UE et les Etats-Unis. Cela
conduira inévitablement, comme ce fut le cas en Europe, à la
création d’une union douanière afin d’éviter un détournement des
flux commerciaux. L’étape suivante étant l’élaboration d’une intense
coopération économique, débouchant sur une communauté économique,
avec les caractéristiques d’un marché unique. Mais un tel marché ne
pourrait fonctionner que si l’on mettait fin aux fluctuations des
cours de changes entre les monnaies concernées, en l’occurrence
l’euro et le dollar. L’aboutissement logique de ce processus serait
l’établissement d’une union monétaire atlantique ou AMU. Il s'agit
indubitablement d'un grand dessein à long terme mais dont l’effet
mobilisateur sur les relations transatlantiques et sur l’économie
planétaire serait très considérables.
Mark EYSKENS
Ministre d’Etat
|
|
|
|
|
| |
|
Après le Non, Oui au
redressement socio-économique
Il est évident que le rejet du traité constitutionnel par la
France et les Pays-Bas, inévitablemement par la Grande-Bretagne et
probablement par la République Tchèque, la Pologne et le Danemark mettra
fin à l’entreprise constitutionnelle, lancée sous présidence belge de l’UE
il y a quatre ans.
Beaucoup
d’analyses furent consacrées aux causes des verdicts référendaires
négatifs. Le ras-le-bol des populations, en premier lieu de leurs propres
gouvernements, a trouvé abusivement un exutoire dans les référenda
européens qui furent ainsi détournés de leur objectif. Le référendum en
France se transforma en Raffarindum. L’opinion public a le droit de
sanctionner ses gouvernants mais ce sont les élections nationales qui y
sont destinées. Ce n’est pas tellement une constitution qui manque à
l’Europe – tous les traités européens ont d’ailleurs une portée
constitutionnelle – mais bien le leadership de dirigeants crédibles. Si en
1950, lors de la création de la Communauté Européenne du Charbon et de
l’Acier (plan Schuman), l’on avait soumis cette initiative à des référenda
en Allemagne et en France, elle eût sans doute été rejetée avec pertes et
fracas et l’intégration européenne n’aurait jamais démarré.
Que
faire ?
1/ Afin de
restaurer la crédibilité de l’entreprise européenne, il faut que les
dirigeants euopéens s’attachent prioritairement à la solution des
problèmes et des défis socio-économiques qui frappent la vieille Europe.
L’Europe a besoin d’un impressionnant ‘projet de redressement’,
présenté à son opinion publique et débattu devant le Parlement européen.
Ce projet devra contenir (1) un volet économique (dans la logique de la
stratégie de Lisbonne), répondant au défi asiatique et à l’avance
américaine, (2) un volet social (qui permette d’accompagner solidairement
et efficacement les transformations économiques nécessaires, avec un soin
particulier pour le chômage, les soins de santé et les pensions) et enfin
(3) un volet budgétaire qui devrait rendre possible l’implémentation du
redressement souhaité. Ce n’est qu’après avoir conçu et défendu devant
l’opinion publique un ensemble cohérent de mesures socio-économiques,
qu’il conviendra de se poser la question s’il faut des réformes
institutionnelles pour les réaliser.
2/ Je
propose donc d’inverser la séquence et de situer d’éventuelles
amodiations du fonctionnement de l’UE en fin de course d’un processus qui
s’attelerait prioritairement à la solution des problèmes, qui sont à la
base de l’angoisse des citoyens. Ainsi il n’est pas exclu qu’il faille à
terme rendre plus facile la réalisation de la ‘coopération renforcée’,
telle que prévue par le projet de Constitution en remplaçant l’unanimité
au Conseil européen par une majorité qualifiée. Il serait aussi préférable
de passer rapidement à l’introduction d’un mode décisionnel à deux tours
(55% des états et 65% des populations) et d’abandonner le système
compliqué arrêté à Nice. Les problèmes budgétaires seraient plus
facilement résolus si le Parlement européen était doté d’une compétence
fiscale limitée (quelques dizaines d’eurocents sur l’essence dans toute
l’Europe pouvant suffire à financer une grande partie des dépenses de
l’UE). Mais il est parfaitement concevable que beaucoup de mesures
puissent être prises sans réformes institutionnelles.
3/ Si les
instances européennes ne parvenaient pas à se mettre rapidement d’accord
sur un ensemble impressionnant de mesures de redressement, il est à
craindere que les gouvernements nationaux prendront des initiatives
propres et cela dans l’incohérence. Il en résulterait une très
dangereuse renationalisation de certaines politiques aujourd’hui
communautaires. Dans certains pays, à commencer par la France, une
tendance néo-étatiste reprend le dessus, allant de pair avec des
propositions interventionnistes et protectionnistes, incompatibles avec le
maintien d’un marché européen unique et intégré. Les suggestions
préconisant une plus grande ingérence politique dans la Banque Centrale
Européenne, p.e. en matière de taux d’intérêt, risque rapidement
d’affaiblir l’Euro et à terme de menacer l’existence même de l’Union
Monétaire.
4/ Un plan
de redressement devra être soutenu et appliqué par les 25 pays membres. Si
tel n’était pas le cas, il faudra que les pays qui voudront avancer,
puissent le faire sur base de la formule de la ‘coopération renforcée’,
telle que prévue par les traités d’Amsterdam et de Nice. Il n’est pas
exclu qu’il faille constituer un noyau dur à l’intérieur de l’UE. Cela
correspondrait à une idée que je défends depuis longtemps: un modèle
Saturnien pour l’Europe, à savoir une grosse planète au milieu de
l’Union, p.e. composée des pays de l’Eurozone, entourée d’anneaux c.à.d.
de pays en transition convergente. Cette architecture rendrait en outre
l’élargissement moins perturbant dans la mesure où les nouveaux venus se
situeraient sur un ‘cercle’ de moindre intégration.
5/ Le
modèle Saturne ne sera influent et crédible, particulièrement en
matière de politique de défense et donc de politique étrangère, que dans
la mesure où le centre soit rejoint par la Grande-Bretagne. Ce pays, qui
prendra la présidence de l’UE à partir du 1 juillet 2005, pourra sous
l’impulsion imaginative et habile de Tony Blair, jouer un rôle important
dans le redressement de l’Europe. D’autant plus que le modèle anglais
porte ses fruits sur le plan économique. Le temps n’est-il pas venu de
proposer aux Britanniques d’entrer dans la zone Euro sur base d’un
compromis. Les Anglais pourraient garder la Livre, une monnaie qu’ils
estiment essentielle dans leurs rapports avec le reste du monde (e.a.le
commonwealth) et étant donné l’importance de la place de Londres. En
échange l’on accepterait qu’entre l’Euro et la Livre les parités soient
définitivement fixées, impliquant évidemment une très forte convergence
des politiques monétaires de la BCE et de la Banque d’Angleterre, en
échange de quoi les Anglais pourraient entrer dans tous les organes de
gestion de la zone Euro.
Espérons
que l’échec de la Constitution puisse remettre l’imagination au pouvoir,
un pouvoir visible et pédagogique et non pas abscons et démagogique, un
pouvoir à visage humain et non pas une technocratie qui incarne le règne
d’ON, un pouvoir qui dirige parce qu’il est crédible et qui convainc parce
qu’il est convaincu de ce qu’il faut faire.
Mark
EYSKENS
Ministre
d’Etat
Europa: Een Confederale Federatie.
Mark EYSKENS
Twee institutionele aspecten dienen samen te worden gesmeed in een
werkzame eenheid, niet bij wijze van politiek compromis, maar omdat ze beantwoorden aan
het wezen zelf van de Europese eenmaking:
* communautaire integratie met een supranationaal en dus federaal
karakter
* en confederale, intergouvernementele samenwerking tussen lidstaten.
Het eerste aspect het supranationale - kreeg reeds vorm 50 jaren
geleden met het Schuman-plan en de communautaire aanpak van Jean Monet. Vandaag, na een
reeks basis- verdragen met constitutionele draagwijdte, komt de communautaire methode - de
gemeenschapsaanpak - tot uiting in de eerste pijler van bevoegdheden van de EU, die vooral
te maken heeft met de gemeenschappelijke markt, het landbouwbeleid, de monetaire unie en
waarbij de besluitvorming steeds meer steunt op de regel van de gekwalificeerde
meerderheid. Ofschoon ook in de eerste pijler, met name in belangrijke domeinen als
fiscaliteit en sociale zekerheid, de eenparigheid en dus het vetorecht zijn blijven
bestaan.
Het tweede aspect komt tot uiting in de tweede en derde pijlers, die
inter-gouvernementeel zijn; zij behelzen bevoegdheden van verdragsrechtelijke aard, zoals
het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, het justitie-, politie- en
immigratiebeleid. De besluitvorming is die van de consensus en resulteert meestal uit
moeizame onderhandelingen tussen nationale regeringen en ministers. Ingevolge het Verdrag
van Amsterdam kunnen evenwel extreme blokkeringen worden omzeild door de zogenaamde
'nauwere samenwerking', die het mogelijk maakt dat een beperkt aantal lidstaten -
tenminste acht - onderling besluiten om samen te werken in bepaalde beleidsdomein, ook als
de andere lidstaten niet mee willen. De defensie is hiervan nochtans volledig uitgesloten;
zij blijft integraal voorwerp van nationale soevereine beslissingen.
Naast de communautaire besluitvorming van het federale type en de
inter-gouvernementele besluitvorming, die confederaal is, zijn er uiteraard nog alle
beleidsdomeinen die, bij toepassing van het subsidiariteitsbeginsel, behoren tot de
bevoegdheid van de nationale parlementen en binnen elke lidstaat eventueel tot die van de
gewesten en de lagere besturen.
Het is evident dat tussen de drie niveau's: supranationaal,
intergouvernementeel en nationaal, zeer complexe problemen oprijzen in verband met
concurrerende bevoegdheden, bevoegdheidsconflicten, extreme complexiteit en technocratie,
ondoorzichtigheid, gebrek aan democratische aansprakelijkheid en verantwoordingsplicht. In
een Unie van 25 à 30 lidstaten dreigen al deze tekortkomingen nog aanzienlijker te worden
met als gevolg dat de geloofwaardigheid van de Europese Unie wordt aangetast. De
onvoldoende geloofwaardigheid van de Europese integratie vandaag en morgen, ondanks de
successen van de Europese Monetaire Unie, kan ontaarden in virulente kritiek en zelfs
vijandigheid, indien de uitgebreide Unie ook nog verantwoordelijk zou worden gemaakt voor
een aantal niet of gebrekkig opgeloste problemen als daar zijn: ongeordenden immigratie,
onveiligheid, scheeftrekking van de concurrentie, problemen in een hele reeks economische
sectoren (zoals de landbouw), sterke verhoging van de Europese uitgaven, en naar buiten
toe, de soms moeilijke relaties met een aantal ontwikkelingslanden, het onoplosbare drama
van de armste landen, het weg werken van de nadelen van de globalisering, het zwakke of
onbestaande buitenlandse en defensiebeleid van de Europese Unie
..De malaise is
diepgaand en veelvuldig.
Een grondige institutionele omvorming van de Europese Unie is derhalve
absoluut vereist. Die omvorming moet de richting uitgaan van de uitbouw van een hechte
politieke Unie, efficiënt werkend en democratisch onderbouwd. Bij de onderhandelingen
over het Verdrag van Maastricht in 1991-92 werd de institutionele verdieping van de Unie
prioritair geacht en kwam de uitbreiding met nieuwe lidstaten slechts op de tweede plaats,
en nadat en voorzover de politieke unie voldoende zou worden uitgewerkt. Toen vijf jaren
later het Verdrag van Amsterdam werd goedgekeurd, luidde de stelling dat én verdieping
van de instellingen én uitbreiding gelijktijdig moesten worden behartigd en
verwezenlijkt, omdat de uitbreiding steeds noodzakelijker en dringender werd geacht om
politieke redenen, zoals de stabilisering van de jonge democratische regimes. En in het
jaar 2000, bij de afronding van het Verdrag van Nice, ging men nog een stap verder,
vermits nota werd genomen van de wenselijkheid en de politieke noodzaak de Europese Unie
tegen 2003 uit te breiden tot 25 en 30 lidstaten, zodat de toegelaten landen zouden kunnen
deelnemen aan de Europese parlementsverkiezingen van juni 2004. Deze prioriteit werd
losgekoppeld van de uitbouw van een volwaardige politieke unie, althans in de tijd.
Een doelmatig beheer van een Unie van 25 à 30 lidstaten moet worden
gewaarborgd dank zij aangepaste instellingen en een doorzichtig Europees
beleid. Zo moet worden ingespeeld op de problemen en zorgen van de
Europese bevolking. Daarbij mag de Europese Unie onder geen enkel beding
uitgroeien tot een bureaucratische en daardoor ondemocratische superstaat.
- Derhalve is een meer efficiënte toepassing van het
subsidiariteitsbeginsel van essentieel belang. De subsidiariteit moet ertoe leiden dat de
nationale staten bevoegd blijven voor de problemen, die ze zelf kunnen oplossen - de
zogenaamde neerwaartse subsidiariteit - maar tegelijkertijd ook dat bevoegdheden worden
getransfereerd naar hogere internationale en supranationale beslissingsniveaus - opwaartse
subsidiariteit - telkens de lidstaten kennelijk onvermogend zijn om oplossingen aan te
reiken. Vandaar de noodzaak van een duidelijkere bevoegdheidsafbakening
- Subsidiariteit en bevoegdheidsafbakening mogen in geen geval leiden
tot het afzwakken van het acquis communautaire en het hernationaliseren van sommige
beleiden, zoals het land- bouwbeleid. Een duidelijker bevoegdheidsafbakening en een
procedure waarbij ex ante de subsidiariteit van de beslissingen van de Europese commissie
wordt gecontroleerd (zie infra) zou dienen 'gecompenseerd' te worden door een systeem van
'passerellen' die het mogelijk moeten maken bepaalde bevoegdheden uit de pijlers II en III
te communautariseren (b.v. het immigratiebeleid) zonder omslachtige verdragwijzigingen.
- De geloofwaardigheid van de Europese Unie, als echte en hechte
gemeenschap van de Europese volkeren, kan sterk toenemen indien een Europese grondwet zou
kunnen worden uitgewerkt, waarin de grondrechten en ook de plichten van de Europese
burgers zouden worden uitgeschreven en waarin de basisinstellingen van de Europese Unie
zouden worden beschreven.
- De Europese Unie en haar reilen en zeilen is meer dan welkdanige
instelling onderhevig aan vermenning. Hiermee wordt 'de heerschappij van Men' bedoeld,
verwijzend naar de depersonaliserende werking van de hedendaagse samenlevingen,
onderworpen aan het bewind van Men, dat meest onpersoonlijke voornaamwoord aller
voornaamwoorden. Men beslist, Men bestuurt, Men decreteert boven de hoofden van de mensen.
Het non-figuratieve, onbegrijpelijke beleid, niet aanspreekbaar en niet aansprakelijk, is
de voedingsbodem voor 'populisme' in al zijn varianten, dat in veel Europese landen, om
zich heen grijpt.. De EU komt vaak over als big brother in de slechtste hypothese en als
een abstract schilderij in de beste. Het komt er dus op aan de Europese Unie een gezicht
te geven, een beleid dat de burgers aanspreekt en dat democratisch controleerbaar is.
De uitbreiding van de Unie met tien nieuwe lidstaten uit Oost-Europa
was
een politieke noodzaak, die bovendien moest worden verwezenlijkt voor 2004, zodat deze
landen hun vertegenwoordigers konden verkiezen in het Europees Parlement, ter gelegenheid
van de Europese verkiezingen (in juni 2004). Men kon deze landen niet langer
aan het lijntje houden op gevaar af dat hun publieke opinies zich zouden keren tegen
Europa en er de prille democratieën in het gedrang zouden brengen. Maar tegelijkertijd
doet hun toetreding torenhoge problemen van economische aanpassing en convergentie rijzen,
om te zwijgen van de budgettaire consequenties voor de huidige lidstaten. En toch mag men
de nieuwe lidstaten niet de indruk geven dat zij als tweederangsburgers worden behandeld
door de oudere leden. Dat is de reden waarom ik sedert verscheidene jaren voorstel de
'nauwere samenwerking' aan te vullen met een 'complementaire samenwerking'. Zoals voorzien
in het Verdrag van Amsterdam (artikels 43 en 44) kan een beperkte groep landen onderling
verder schrijden op het pad van de integratie, ook als de anderen voorlopig niet mee
willen doen. 'Complementaire samenwerking' zou voor gevolg hebben dat de nieuwe lidstaten
van meet af aan zeer intens betrokken zouden worden bij de voorbereiding van de
besluitvorming. Zij zouden deelnemen aan de 'decision shaping' binnen de kring van alle
lidstaten, maar de 'decision making' in bepaalde aangelegenheden en transitiemateries zou
uiteraard beperkt blijven tot die lidstaten die reeds voldoende geïntegreerd zijn in de
EU.
*
De uitbreiding van de Europese Unie tot al die landen die tijdens de
Koude Oorlog zich aan gene zijde van het IJzeren Gordijn hebben bevonden, betekent een
'quantumsprong' in de geschiedenis van de Europese integratie. De Europese eenmaking is na
de tweede wereldoorlog in West-Europa gegroeid uit de geniale droom van mensen als Robert
Schuman en Jean Monnet, die hoopten via een gemeenschappelijk beleid voor de staal-en
steenkoolnijverheid, in 1949 nog de ruggengraat van elke economie, de belangen van
Frankrijk en Duitsland zodanig te vervlechten dat elk nieuw conflict tussen beide landen
onmogelijk zou worden. De economische integratie werd het instrument van structurele
pacificatie. De Europese eenwording werd echter toen ook 50 jaren geleden, in het westen
in de hand gewerkt door het latente conflict met de Sovjet-Unie, die druk doende was met
man en macht (men denke maar aan de 'coup van Praag' van 1948 en de communistische
machtsgrepen elders) de landen van Oost-Europa in te schakelen in haar dictatoriaal
protectoraat. West-Europa zette zich schrap en opteerde voor verregaande samenwerking.
Terecht is opgemerkt dat vadertje Stalin eveneens kan worden gerekend tot de ongewilde
stichters van wat vandaag de Europese Unie is geworden. Maar die bladzijde is gekeerd. De
parenthesis rond de 20ste eeuw, die meest bloedige en smartelijke eeuw alle eeuwen, dient
gesloten. En het sluitstuk hiertoe is een geïntegreerd Europa dat zich uitstrekt over het
hele Avondland van de Atlantische kust tot aan de Russische grens. Na de huidige
uitbreiding met tien lidstaten zullen ongetwijfeld nog andere toetredingen plaatsvinden,
zoals de republieken van de Balkan, ontstaan uit ex-Joegoslavië, Bulgarije en Roemenië
en een aantal landen van de voormalige Sovjet-Unie, waarbij o.m. gedacht wordt aan
Moldavië, Georgië, Oekraïne en misschien zelfs Wit-Rusland. En indien Europa in de
21ste eeuw een 'clash of civilisations' wil helpen vermijden, is een structurele
toenadering tot een aantal Arabische landen in Noord-Afrika (zoals Marokko en Tunesië) en
Turkije, voor zover die democratisch evolueren en economisch convergeren, zeker niet uit
te sluiten. De Europese uitbreidingsdynamiek is te vergelijken met diegene die de
Verenigde Staten van Amerika mee hebben gemaakt vanaf omstreeks 1800, toen president
Thomas Jefferson een Unie leidde van nauwelijks dertien deelstaten. Hij kon toen geenszins
vermoeden dat een goede eeuw later de Verenigde Staten 50 deelstaten zouden tellen,
waarvan sommigen in de tijd van Jefferson behoorden tot andere souvereine staten (zoals
Texas en New Mexico, beiden delen van Mexico).
Naast verregaande economische convergentie dank zij de uitbouw van een
zo gemeenschappelijk mogelijke markt van 500 miljoen en meer inwoners, zal de toekomst van
Europa ook in grote mate bepaald worden door zijn culturele, politieke en morele
bekwaamheid om de toenemende multiculturaliteit om te smeden tot werkzame
interculturaliteit. Deze 'omsmeding' wordt ongetwijfeld de grote opgave van deze eeuw.
Maar om hierin te slagen is leiderschap nodig, dat in het democratische Europa van morgen
meer zal dienen te steunen op gezag dan op macht, in een maatschappij waar, onder invloed
van de aan de gang zijnde stortvloed van technologische innovaties, steeds meer verticale
structuren worden vervangen door horizontale en grensoverschrijdende netwerken. De
machthebbers in onze samenleving, ongewild ironisch ook soms in het Nederlands de
hoogwaardigheidsbekleders genoemd, gaan steeds meer oudmodisch en verkrampt lijken.
Elke maatschappij moet zich evenwel zelf ordenen. Dit spreekt vanzelf.
Ook de Europese markteconomie zal ontaarden als zij aan haar spontane krachten wordt
overgelaten. Zonder autoriteit en gezagsuitoefening, uiteraard democratisch gecontroleerd,
kan een samenleving niet in stand worden gehouden. Autoriteit wordt echter makkelijk
macht, en macht van mensen over mensen is een hachelijke aangelegenheid. Macht van mensen
lijkt steeds minder aanvaardbaar, tenzij mensen van macht macht stoelen op gezag. Gezag
van zijn kant is de resultante van een hele complexe combinatie van kwaliteiten. Om die
reden is gezagvol leiderschap zo veeleisend, vooral op ethisch vlak. De toekomstige
leiders van en in Europa zullen meer pedagogen dan demagogen moeten zijn. Het uitdragen
van een ethische boodschap over wat mag of moet veranderen wordt een belangrijker opgave
dan het aanvaarden van wat kan of zal veranderen. Politiek, vooral op Europees vlak, zal
meer te maken hebben met metapolitiek, dat is het overstijgen van het louter functionele
bestuur van de samenleving, door de samenleving op te roepen en af te stemmen op de
verwezenlijking van gemeenschappelijk waarden. Die waarden worden echter bedreigd door de
functionele moraal, waarin het doel de middelen heiligt en waarbij de mens niet zelden
wordt geïnstrumentaliseerd.
Ethische beginselvastheid, deskundigheid, moed en toewijding zijn de
ingrediënten, waaruit de gezagdrager gekneed moet zijn. Hij zal meer mens moeten zijn dan
menner. De machthebber wordt in dit verhaal de antiheld.
Europa lijdt aan een gebrek aan leiderschap meer dan
aan het ontbreken van een grondwet. Leiders moeten strijden tegen een hele
reeks dwaze opvattingen die over Europa zijn verspreid in brede lagen van
de openbare opinie.
1. Een eerste gemeenplaats luidt dat het Europa van vandaag futloos is,
dat de dynamiek stil is gevallen en dat de EU absoluut nood heeft aan een nieuw en groots
toekomstproject. Het stremmen van de Grondwet is een tegenvaller maar
hoeft beleidsinitiatieven niet te fnuiken. Zoals dit de jongste decennia
het geval is geweest. Twee mega-historische gebeurtenissen hebben de geschiedenis van het avondland maar ook het persoonlijke leven van
elke Europeaan grondig gewijzigd: de monetaire unie met de Euro en
de uitbreiding met 10 nieuwe lidstaten. Nu reeds blijkt dat deze landen
een hoge economische groei kennen en zich prima inpassen in de EU.
2. Er wordt ook algemeen geklaagd over het democratisch deficit in
Europa, ondanks het feit dat de Unie is uitgerust met een Europees Parlement van meer dan
600 vertegenwoordigers en vijftien nationale parlementen die zich steeds meer bezig houden
met Europese aangelegenheden. Als men al die democratisch verkozen vertegenwoordigers
optelt, komt men tot een massa van 8000 à 10.000 parlementairen. Natuurlijk is het
Europees Parlement gehandicapt door nog steeds te beperkte bevoegdheden en vooral door het
feit dat er geen volwaardige Europese regering bestaat, die voor het Europees Parlement
politiek verantwoordelijk zou zijn. Wat niet belet dat drie jaren geleden dat E-Parlement
desalniettemin de zittende Europese Commissie naar huis heeft gestuurd. Het bezwaar van
het democratisch deficit moet zorgvuldig worden ingeschat, vooral in termen van
doelmatigheid. Indien men in Frankrijk en in Duitsland in 1950, na de bekendmaking van het
plan Schuman houdende oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, dit
geniale project had voorgelegd aan een referendum, dan was dit ongetwijfeld op dat
ogenblik met klank verworpen door een meerderheid van Duitsers en Fransen. Grote
historische doelstellingen moeten door visionaire en moedige politieke leiders worden
gerealiseerd, waarbij zij de publieke opinie vaak ex post overtuigen van de noodzaak goed
te keuren wat zij hebben verwezenlijkt. Het is juist dat de Europese instellingen erg
technocratisch over komen, dat zij voor het publiek ondoorzichtig zijn en dat de Europese
verdragen onleesbaar en onverstaanbaar zijn. Maar dit geldt ook voor het handvest van de
Verenigde Naties en voor de zoveelste versie van de Belgische grondwet. De burger in
Europa wordt bestuurd door 'men', een onpersoonlijk en bijna abstract bewind, zonder
gezicht en zonder gelaat, ook al vertonen de politici zich bijna dagelijks op de
televisie. Deze 'Vermenning' is een nieuwsoortige vorm van aliënatie, die minder te maken
heeft met een echt democratisch deficit dan wel met een 'openbare-opinie-deficit'. Minder
demagogie en meer pedagogie zijn in de politiek op alle niveaus absoluut vereist als
voorafgaandelijk voorwaarde voor goede besluitvorming. In ons onderwijs moet van hoog tot
laag een leergang 'Europa' worden ingelast. En waarom kunnen de vijftien lidstaten er niet
voor zorgen dat een gemeenschappelijk televisiekanaal wordt opgezet dat op een
onderhoudende wijze de Europese geschiedenis en cultuur, de huidige Europese problemen en
de discussies hierover in de Europese instellingen zou duiden en duidelijk maken?
3. Een ander geval van conventionele wijsheid komt tot uiting in de
algemeen verspreide bewering dat de Europese Unie een gigantische asociale onderneming is
geworden. Ongetwijfeld bestaan ook in Europa heel wat sociale mistoestanden, kan en moet
de sociale wetgeving worden bijgesteld, zijn werknemers bij wijlen slachtoffer van de
zakelijke hardvochtigheid van bedrijfsleidingen aan de ene kant en worden ondernemingen
aan de andere kant in hun overlevingskansen bedreigd door de onredelijkheid van bepaalde
syndicale eisen. Maar beweren dat Europa asociaal zou zijn en dan 100 000 mensen op de
been brengen die te Brussel achter dit soort slogan optrekken, berust in de best hypothese
op een totaal foute inschatting van de feiten en in de slechtste hypothese op bewuste
volksmisleiding. Alle economische studies wijzen erop dat zonder Europese integratie
vandaag in West-Europa de levenstandaard tenminste een derde lager zou liggen, terwijl de
koopkracht van de Europeaan juist sedert 1945 is verzesvoudigd, wat in de meeste landen
een uitgebreide sociale en sociale zekerheidspolitiek heeft mogelijk gemaakt. Zonder
Europese instellingen zouden bedrijfssluitingen en delocalisaties zonder vorm van proces
veel frequenter en brutaler zijn voorgekomen, wat uiteraard nog geen excuus is voor
zoietes als de onoverlegde Renaultsluiting. En als men de Europese begroting analyseert,
is het evident dat die voor 70 à 80% besteed wordt aan sociale uitgaven. Jawel, de
Europese begroting gaat voor ongeveer de helft naar het gemeenschappelijk landbouwbeleid
maar dit landbouwbeleid is erop gericht aan onze landbouwers een sociaal verantwoord
inkomen te garanderen door een ingewikkeld mechanisme van richtprijzen, subsidies,
heffingen, enzovoorts. Zonder dit beleid zouden de Europese landbouwers hun inkomen met
tweederden zien dalen. De structurele en regionale fondsen, de inspanningen van de
Europese Unie inzake ontwikkelingsbeleid, de talrijke initiatieven om het onderwijs te
ondersteunen, het wetenschappelijk onderzoek te promoveren en de contacten tussen Europese
studenten te bevorderen hebben allemaal een uitgesproken sociale draagwijdte. Want zonder
Europese bemoeiingen zou dit alles enkel zijn voorbehouden voor een kleine, zeer
koopkrachtige elite.
Niet het sociaal deficit is Europa's grootste uitdaging. Wel schuilt er
in de mentaliteit van heel wat Europeanen, een solidariteitsdeficit. Eigenlijk zijn mensen
ten aanzien van andere mensen nooit solidair genoeg. Dit geldt voor onze verhouding tot
land-, gewest- en gezinsgenoten, maar ook uiteraard ten aanzien van andere Europese
volkeren en, daarbuiten, voor al diegenen die kansarmen en gewone armen zijn en die wij
soms onze naasten noemen - misschien tijdens de kerstweek - met die in feite onze
verwijderden blijven.
4. Tenslotte overheerst een laatste conventionle wijsheid, telkens men het laat voorkomen alsof de Euro en de Monetaire Unie
definitieve verworvenheden zijn. Dit is een uiting van vermetel vertrouwen. Noem het
'monetaire hubris'. De Euro moet dagelijks worden verdedigd door een steeds meer
gecoördineerd economisch, fiscaal, sociaal en budgettair beleid, waarbij macro-economische
onevenwichten, meer dan in het verleden door elke lidstaat moeten worden vermeden, vooral
wat betreft overheids- en betalingsbalanstekorten en prijs- en kostenstijgingen.
Allerbelangrijkst is het beklemtonen van deze historische waarheid: op de planeet aarde
bestaan er staten zonder munt (b.v. het Groothertogdom Luxemburg); er bestaan evenwel geen
munten zonder staat of althans zonder inter-statelijke verankering. In klare taal betekent
dit dat als de Monetaire Unie niet wordt gedragen door een hechte politieke unie, de Euro
een schuchter huisdiertje dreigt te worden. De Verklaring van Laken had van dit axioma uit
moeten gaan.
Mark EYSKENS
Minister van Staat
Globalisering en ideologie.
De 20ste eeuw, verheven tot historiae persona, blijkt geëxperimenteerd
te hebben met drie macro-economische modellen. Zij deed dit die meest smartelijke
eeuw aller eeuwen - vaak onbesuisd, meestal hardvochtig, bijna steeds in het raam van een
of ander politiek systeem en tegen de achtergrond van een bepaalde ideologische doctrine.
Deze drie modellen zijn : 1/ de collectieve en centraal geleide
planeconomie als werkinstrument van de communistische staatsinrichting;
2/ de protectionistische nationale economie, vaak corporatistisch en
autoritair gestuurd door rechtse dictatoriale regimes, zoals het fascisme en het nazisme;
3/ de concurrentiële, kapitalistische en grensoverschrijdende
markteconomie als vehikel van een liberaal-democratische maatschappij.
Uiteraard is het onjuist te stellen dat deze drie modellen tijdens de
20ste eeuw uit zijn
gevonden. De communistische economische opvattingen vinden hun wortels
in het Marxisme van de 19de eeuw. Het economisch protectionisme is haast zo oud als de
mensheid zelf en de liberale en kapitalistische markteconomie is schatplichtig aan de
liberale inspiratie van de Verlichting en aan de eerste en de tweede industriële
revoluties, aan het einde van respectievelijk de 18de en de 19de eeuwen in Europa en
Noord-Amerika. Maar het is even onbetwistbaar dat de ondergang van het nazisme en de
ineenstorting van het communisme in de 20ste eeuw de weg hebben vrij gemaakt, krachtig
gesteund door de informatie-en communicatierevolutie, voor de wereldwijde verspreiding van
de (kapitalistische) markteconomie en het ontstaan van een werelddorp nagenoeg zonder
grenzen. De wereld wordt ons dorp, maar niet iedereen is er gelukkig. Om het eufemistisch
uit te drukken.
Zoals ik heb uiteengezet in mijn boek 'Het verdriet van het Werelddorp'
(Davidsfonds) is de globalisering het gevolg van de technologische omwenteling en het
ontstaan van een kennis- en netwerkmaatschappij die de hele wereld omspant. Deze revolutie
heeft het collectivistische communisme onmogelijk gemaakt, maar ze tast ook het
kapitalisme aan wat zelden wordt onderstreept - omdat de privé-eigendom van de
meest essentiële productiefactor (ideeën, ontdekkingen, uitvindingen) via de
kennisspreiding wordt uitgehold. Er ontstaat een nieuw systeem, dat ik het informatisme
noem. De globalisering is niet de resultante van een kapitalistische samenzwering, maar
van een wetenschappelijke explosie. Er is nood aan een alternatieve analyse
politiek en ideologisch - van een alternatief geworden wereld en maatschappij.
De massale en heftige anti-globalistische manifestaties tijdens
allerlei internationale topbijeenkomsten zijn de uitingen van veel onvrede, gefnuikt
solidariteitsgevoel, machteloosheid tegenover onrecht, maar ook onbegrip en soms
misleiding door een goed georganiseerde stadsguerrilla en een militante intellectuele
camarilla..
Onvoldoende wordt onderstreept hoezeer de globalisering in al haar
wijdvertakte aspecten en implicaties, een ideologische en politieke polarisatie verwekt,
waarop de ietwat verouderde termen van extreemlinks maar ook van extreemrechts kunnen
worden toegepast. Opmerkelijk daarbij is dat deze polarisatie vertrekt vanuit hetzelfde
fenomeen: de vervreemding en frustraties die ingevolge de globalisering worden verspreid.
In het extreemlinkse kamp verschijnen talrijke intellectuelen, als
Pierre Bourdieu, Suzanne Forrestier, Ignacio Ramonet in Frankrijk en in de Angelsaksische
wereld Ely Said en de onvermijdelijke Naom Chomsky. In Vlaanderen zijn er onder meer de
publicaties van professor Jaap Kruithof en Rudolf Boehm. In Franstalig België heeft
Riccardo Petrella eveneens heel wat faam verworven door zijn scherpe kritiek op de
wereldwijde concurrentie. Gelijkgezinden hebben trouwens al jaren geleden een vereniging
opgericht onder de naam 'Club van Lissabon', die geregeld anti-globaliseringsgeschriften
op de markt brengt. Gesteld wordt dat de steeds intenser wordende concurrentie allerlei
mensontluisterende aliënaties verwekt, dat multinationale ondernemingen de democratieën
schaakmaat zetten, dat het triomfalisme van de liberale ideologie ook is binnen geslopen
in de grote multilaterale instellingen als de Wereldbank en de Wereldhandelsorganisatie,
dat globalisering bijzonder nefast uitvalt voor de bevolkingen in de ontwikkelingslanden
en voor de kansarmen in de rijke landen. Vooral de multinationals moeten het ontgelden,
die ervan worden beschuldigd het patrimonium van de mensheid te onteigenen, door de
aantasting van het leefmilieu, de uitputting van de grondstoffen en door het brevetteren
van een aantal biochemische uitvindingen, die van groot belang zijn voor de
agroalimentaire industrie en de voedingseconomie van de toekomst. Deze verwijten zijn niet
helemaal onjuist maar partieel. Want daarbij wordt niet vermeld dat de multinationals in
heel wat landen goed zijn voor de helft van de investeringen, twee derden van de research
en voor één derde van de tewerkstelling en dus voor een belangrijk stuk welvaart, ook
via een stijging van de lonen. De macht van de multinationals is te wijten, niet aan te
veel, wel aan te weinig concurrentie en vereist derhalve een mededingingsbeleid, zoals de
Europese commissie dit in de EU poogt door te voeren (cfr de afgewezen General
Electric-Honeywell-fusie).
De door de anti-globalisten gemaakte analyse is meestal scherp en soms
scherpzinnig, maar de voorgestelde radicale alternatieven zijn vaak schadelijk, onhaalbaar
of zeer theoretisch en naïef : de oprichting van een wereldregering, een wereldparlement
dat de VN zou vervangen, het stopzetten van privatiseringen, het beperken van de
internationale handel, het temperen of uitschakelen van de concurrentie, het duurder maken
van de kapitalen door de invoering van een Tobintaks, het afremmen van technologische
vooruitgang zoals b.v. de hoge snelheidstrein of de kernfusie - en het prediken van
vormen van technofobie, enz. Wanordelijke anarchisten weten wel waar ze tegen gekant zijn
als ze uitroepen 'smash the IMF', maar ze blijken veel minder te weten waar ze
voorstanders van zijn en wat ze dan wel willen.
Deze excessen, die de zaak die wordt behartigd geen goed doet, beletten
niet dat in steeds meer intellectuele milieus ernstig wordt nagedacht over de
globalisering en haar zowel positieve als negatieve gevolgen. Jammer genoeg stoelen
sommige van de geformuleerde voorstellen op een vaak betwistbare of onjuiste economische
analyse. Zo is export voor een ontwikkelingsland altijd beter dan helemaal geen uitvoer,
ook als de voordelen van de internationale handel zeer onevenwichtig verdeeld zijn tussen
uitvoerders en invoerders. Ook al krijgt de Ruandese theeplanter maar 10% van het totale
handelsvoordeel en gaat 90% naar importeurs en tussenpersonen (wat uiteraard een schande
is), toch is die magere 10% nog beter dan 0%, bij ontstentenis van elke handel. Er moet
bijgevolg geijverd worden, niet voor het afschaffen van de internationale handel, wel voor
een evenwichtiger verhouding tussen exporteurs en importeurs. De ethisch gekleurde vraag
in verband met de ondernemingswinst is niet of er winst mag ontstaan, maar wel wat men met
de winst doet (herinvesteren? risicokapitaal aantrekken door een gunstige
dividendpolitiek? uitkeren aan een geldverspillende jet-set?). Het gevolg van heel wat
misverstanden, vaak aangescherpt in de media, is dat de aangeprezen maatregelen, mochten
ze ooit verwezenlijkt worden, de toestand, met name van de ontwikkelingslanden, veeleer
zouden verslechteren dan verbeteren. Het zijn juist die ontwikkelingslanden die zich
integreren in de wereldeconomie, die erop vooruitgaan. Het is de verantwoordelijkheid van
de rijke landen de armste landen in de mogelijkheid te stellen zich eveneens in te
schakelen in de wereldmarkt. Dit betekent het afbouwen van Westers protectionisme (met
name in zake landbouw), een belangrijker taak dan het verhogen van de ontwikkelingshulp..
De globalisering blijkt evenwel ook aan de extreemrechtse zijde van het
politieke spectrum wervende anti-houdingen op te wekken. Daar waar extreemlinks kan leven
met een wereld die ons dorp wordt, voorzover solidariteit en rechtvaardigheid prevaleren
en economisch machtsmisbruik wordt gekneveld, soms via economisch protectionisme en
collectiviserend staatsinterventionisme, reageert extreemrechts veeleer sociologisch en
cultureel protectionistisch op de globalisering. Voor extreemrechts moet men zich afzetten
tegen een wereld die ons multicultureel dorp wordt, omdat die ontpersoonlijkend,
acultureel en verbasterend zou zijn. Veeleer moet opnieuw van ons dorp de wereld worden
gemaakt, met herwonnen nestwarmte, zonder vreemdelingen, etnisch zuiver en stoelend op de
bevestiging van eigen identiteit, waarbij het eigen volk eerst komt. Nationalisme
zowel het aftandse Staatsnationalisme als het 'communautaire' volksnationalisme - leiden
tot allerlei vormen van politiek, cultureel, etnisch en zelfs economisch isolationisme,
met veel waanideeën over 'pure cultuur'. Wie 'eigen volk eerst' uitroept, raakt een
gevoelige snaar aan, die het mogelijk maakt allerlei minderwaardigheidscomplexen af te
reageren en verantwoordelijkheden af te wentelen op de 'anderen'. De extreemrechtse
partijen stellen zich natuurlijkerwijze steevast anti-Europees op, verwerpen de recente
Europese verdragen en verzetten zich tegen de uitbreiding van de EU. Meteen ontstaat een
vreemdsoortige

|