Situering
Programma-punten
Actualiteit
|
POLITIEK
1. De hertekening van de politieke landkaart.
Quo vadis CVP????? Thans CD&V?????
In de meeste landen van de Europese Unie is de facto een politieke landkaart
ontstaan die bestaat uit een centrum-linkse en een centrum-rechtse politieke formatie, met
in de staarten van de de politieke distributie partijen van extreem-rechts en
extreem-links. Om een beeld te gebruiken: er overheerst een tweestromenland met extreme
bijrivieren. Deze politieke configuratie wordt ook sterk in de hand gewerkt door het
vigerende kiesstelsel. Een meerderheidskiesstelsel, zoals in Groot-Brittannië en in
Frankrijk bevordert uiteraard de politieke hergroepering. In België en tot voor kort in
Itralië, waar zeer evenredige kiesstelsels in voege zijn of waren, wordt de versnippering
in talrijke politieke partijen in de hand gewerkt. In het Belgische federale parlement
zetelen momenteel twaalf partijen en in de huidige regeringscoalitie zes.
Het is meer dan waarschijnlijk dat in de schoot van de Europese Unie en
nog meer van de Europese Monetaire Unie toenemende druk zal ontstaan om ook de politieke
landkaart in de de Europese lidstaten in mindere of meerdere mate te harmoniseren. De
verkiezingen voor het Europese Parlement en de partijvorming binnen dit Parlement
versterken deze tendens.
Naast het meer formele en institutionele aspect van een gewijzigd
politiek landschap, als gevolg van de versmelting van politieke partijen, het ontstaan van
nieuwe partijen, het verdwijnen van oudere en het wijzigen van de kiesstelsels, is er ook
een meer inhoudelijk aspect, dat van kapitaal belang is. Dit heeft te maken met de
grondige maatschappelijke mutaties, gevolg van de aan de gang zijnde wetenschappelijke en
technologische revoluties, en de diepgaande, complexe en uiteenlopende invloed op het
politieke denken en het politieke bedrijf, die daaruit voortvloeit.
Samengevat kan men stellen dat tenminste de volgende factoren
verantwoordelijk zijn voor de inhoudelijke en dus ideologische evolutie van de politieke
partijen.
Vooreerst
is er wat ik 'de staatsgreep van het individu' zou willen noemen. Het gaat om een
anti-autoritaire en steeds meer kritische opstelling van de burger tegenover
hiërarchische maatschappelijke structuren, die te maken hebben met de uitoefening van
macht en het uitvaardigen van regels en wetten. Deze anti-autoritaire tendens wordt gevoed
door het ontstaan van de kennismaatschappij, die watervallen van informatie over de
burgers uitstort en de ontwikkeling van een netwerkmaatschappij die de contacten tussen
mensen sterk bevordert, zodat inspraak en samenspraak ten zeerste worden vergemakkelijkt.
De burger wordt zijn eigen partij, zijn eigen vakbond, zijn eigen kerk. De burger poogt
zijn lot in eigen handen te nemen. Hij voelt zich autonoom en eist zijn vrijheid op. Dit
alles tast de particratie aan. De burger vereenzelvigt vooral traditionele partijen met
instellingen die niet voldoende democratisch zijn en bovendien, in plaats van de belangen
van de burgers, vooral de belangen van de machthebbers en de overheid verdedigen en in
bescherming nemen. De staatsgreep van de burger maakte de democratie steeds meer populair,
maar de representatieve democratie steeds meer vatbaar voor kritiek en contestatie.
Daarnaast
is er, complementair met de bovenstaande evolutie, 'de erosie van de overheid', die
voortspruit uit het feit dat regeringen te klein zijn voor de grote aangelegenheden en te
groot zijn voor de kleine aangelegenheden. De nationale soevereiniteit brokkelt af; de
problemen moeten door internationale samenwerking worden aangepakt; de wereld is ons dorp
en in die wereld is vooral de geo-economie belangrijker geworden dan de geo-politiek.
Wereldwijd overheerst de markteconomie en de burger is de mening toegedaan dat die vaart
op automatische piloot, waarop hij, zijn land en zijn politici helemaal geen greep hebben.
De nationale politicus is een onnuttig wezen geworden. En de burger voelt zich on-
machtig. Bovendien is het beleid erg ondoorzichtig en zijn de beleidvoerders
onaansprakelijk en onaansprekelijk, in een maatschappij waarin MEN overheerst.Traditionele
regeringspartijen worden makkelijk geïdentificeerd met de 'vermenning'.
Tenslotte
is er een groeiend verlangen naar houvast, naar ankerplaatsen in een wereld van van
grote onzekerheid, naar inspiratie en richtlijnen in een maatschappij waar veel
radeloosheid en ook reddeloosheid heersen. Dit verklaart de hang naar mee ethiek, ook al
is men gekant tegen belerende moraliteit; de hang naar leiderschap, ook al is men
allergisch aan een overheid die zich als een dwingeland gedraagt; de hang naar de gezag,
ook al is de burger geen voorstander van macht en staat hij bijzonder afwijzend tegen wat
Shakespeare de 'insolence of office' noemde.
Deze
tendenzen woelen de politieke landkaart om, wellicht meer inhoudelijk dan in haar
partijstructuren. Het is duidelijk dat de geschetste evolutie, althans op het eerste
gezicht, bevorderlijk is voor het liberale gedachtegoed. Reeds in de jaren 80 van de 20ste
eeuw, onder invloed van neo-liberalen denkbeelden en de toepassing daarvan door onder meer
de Amerikaanse president Roland Reagan en de Britse eerste minister Margaret Thatcher,
werd een neo-liberal beleid gevoerd. Vandaag echter zijn hiervan de schaduwen merkbaar
geworden, onder meer wat betreft toenemende ongelijkheid en sociale uitsluiting. Maar
tegelijkertijd heeft de implosie van het communisme zware slagen toegebracht aan het
socialisme, daar waar dit schatplichtig was aan het marxisme en zijn ideologische en
economische recepten, zoals collectivisering van de productiefactoren, hoge belastingen op
inkomen en vermogen, betutteling van ondernemingen, beperking van de vrije-markteconomie
en zeer aanzienlijke staatstussenkomst op economisch en sociaal vlak, vaak met een grote
begrotingstekorten en hoge openbare schuld voor gevolg
Aan het begin van de 21ste eeuw blijken zowel de liberalen als
socialisten geleerd te hebben uit recente ervaringen. Het klassieke onderscheid tussen
rechts en links stelt dat rechtse partijen de vrijheid laten prevaleren boven de
gelijkheid en dat linkse partijen, net omgekeerd, de gelijkheid verkiezen boven de
vrijheid. Dit houdt in concreto in dat rechts de economische dynamiek, doelend op het
vrij initiatief en de markt, maximale kansen willen gunnen in de veronderstelling dat de
behartiging van het eigenbelang ook leidt tot maximale sociale welvaart. Er wordt immers
geen sociaal paradijs gebouwd op een economisch kerkhof. De voorkeur die links, van zijn
kant, geeft aan gelijkheid boven vrijheid, gaat ervan uit dat de verdeling van inkomens en
vermogens, de spreiding van de welvaart, gelijke kansen voor iedereen een sterke
collectiviserende overheid vereist. De rol van de overheid en haar regels, moeten de
zwakken beschermen en de grote tekorten van de vrije-markteconomie wegwerken en de
misbruiken, waartoe de vrijheid kan leiden, beteugelen, ook als dit tot minder welvaart
leidt.
De jongste jaren evenwel is gebleken dat in heel Europa de socialisten,
na de val van het communisme, op zeer handige wijze zichzelf hebben omgeturnd tot
gematigde sociaal-democraten die heel wat liberale ideeën hebben overgenomen en met name
respect opbrengen voor de markteconomie en de ontvoogding van de burger. De socialisten
betogen de zij nog steeds de partij zijn van de gelijkheid, maar in feite hebben ze elk
consequent egalitarisme afgewezen. Zij zijn voorstander van 'meer gelijkheid' en dus de
promotoren geworden van wat ik 'gelijkerheid' zou willen noemen.
De liberalen van hun kant, die zich graag als sociaal-liberalen
profileren, hebben opgemerkt dat er grenzen zijn aan individualistische vrijheidsbeleving
van de burger, dat vrijheid moet worden opgenomen in verantwoordelijkheid en dat ook
vrijheid een instrument kan zijn van meer rechtvaardigheid. De liberalen zijn is niet
langer onverkort de herauten van de vrijheid. Zij wensen 'meer vrijheid', door afbouw van
de verregaande overheidsbevoogding. Zij zijn in de huidige samenleving de grote
verdedigers geworden van wat ik 'vrijerheid' wil noemen.
Het politieke spectrum wordt derhalve in zijn middenmoot, die in de meeste
landen 80% van het kiezerskorps beslaat, gedomineerd door een centrum-politiek, waarbinnen
heel subtiele centrum-linkse en centrum-rechtse accenten worden gelegd door partijen die
resp. gelijkerheid en vrijerheid in hun banier voeren.Het gaat om een
tweestromenland, maar gelegen in een mistige vallei. De samenwerking tussen dergelijke
politieke formaties verloopt vrij vlot, zoals blijkt in de landen waar coalitieregeringen
aan de macht zijn. Het ligt voor de hand dat een politieke cocktail van vrijerheid en
gelijkerheid, aangereikt door resp. sociaal-liberalen en sociaal-democraten voor de kiezer
niet veel smaak heeft. Zijn keuze wordt dan ook erg moeilijk. De kiezer worden
confronteert met een politiek markt die zich bevindt in een toestand van wat economen in
hun boeken beschrijven: een markt van perfecte mededinging, waarop de elasticiteit van de
vraag, in casu de keuze van de kiezer, oneindig elastisch is. Bij het minste verschil
tussen centrum-links en centrum-rechts kunnen grote verschuivingen ontstaan in het
kiezerskorps. Maar deze verschuivingen worden niet langer inhoudelijk bepaald, omdat het
onderscheid tussen vrijerheid en gelijkerheid zo genuanceerd en flinterdun is. Het
verschil wordt gemaakt door persoonlijke profilering van politici, publiciteit,
barnum-effecten, en factoren van differentiatie, die met de inhoud van de boodschap nog
weinig te maken hebben. Deze stand van zaken verklaart de groeiende politieke
onverschilligheid en het indifferentisme, dat in de kaart speelt van extreme partijen, die
wel kleur bekennen en duidelijke alternatieven aanbieden, ook omdat ze radicale
oplossingen aanreiken voor allerlei brandende en acute maatschappelijke vragen en
problemen, waarmee de de burger wordt geconfronteerd.
De
politieke landkaart is derhalve onderhevig aan een dubbele en tegenstrijdige evolutie: in
haar centrum dat, zoals gezegd, de grosso modo ¾ of zelfs 80% van de kiezers bestrijkt,
overheerst het zachte reformisme van een centrum-linkse of centrum-rechtse
beleidsboodschap, die om beurt in de regering of soms gelijktijdig de dienst uitmaken.
Terwijl uiterst rechts en uiterst links van het politieke spectrum zich de krachten
verzamelen van de vaak ontvreden, onverdraagzame, onredelijke, radeloze, gefrustreerden en
gecomplexeerde oppositie, die opteert voor een totaal ander beleid, met andere middelen in
een andere maatschappij. Het blijkt dus dat de 'centrumisering' van het politieke
spectrum, bij wijze van dialectische ontwikkeling, ook een 'extremisering' met zich
brengt. Deze tot op heden relatief beperkte vlucht naar de extremen komt een onderstaande
paragraaf aanbod.
Globalisering en
ideologie.
Postmoderne
filosofen en maatschappijcritici hebben jarenlang voorgehouden dat het tijdperk van de
grote verhalen definitief voorbij was. Er was, volgens hen, geen ruimte meer voor
begeesterende idealen, alles omvattende ideologieën en wereldbeelden en grootse wereld
hervormende projecten. De vaak wreedaardige ontgoochelingen waren tijdens de XXste eeuw te
groot geweest. De doodsklok werd geluid over communisme, socialisme, nationalisme,
liberalisme, christendom, authentieke democratische politiek, wereldwijde solidariteit,
godsdienst en ethiek. Enkel een gezond scepticisme en bevrijdend relativisme zouden
overblijven in een maatschappij van realistische mensen, die nog enkel belang zouden
hechten aan geborgenheid, nestwarmte en de overwinning van het individu op de
collectiviserende gemeenschap. Dat de maatschappij, laat staan de wereld, maakbaar zouden
zijn, was een waanidee dat als een vorm van perversie diende te worden afgezworen. Een
aantal jaren na de val van het communisme, omstreeks 1990, drong echter de stuitende en
kwellende gedachte door dat midden al die ideologische destructie, één doctrine, één
systeem niet alleen overeind was gebleven, maar stormenderhand de wereld veroverde: het
markteconomisch kapitalisme, bijgestaan door de wereldwijde globalisering.
De globalisering in al haar wijdvertakte aspecten en implicaties,
verwekt momenteel een ideologische en politieke polarisatie, waarop de ietwat verouderde
termen van extreemlinks en extreemrechts kunnen worden toegepast. Zo'n polarisatie blijkt
wat paradoxaal omdat zij vertrekt vanuit hetzelfde fenomeen: de vervreemding en
frustraties die ingevolge de globalisering worden verspreid.
In het extreemlinkse kamp verschijnen figuren, vooral in
Frankrijk, als Pierre Bourdieu, Suzanne Forrestier, Ignacio Ramonet en in de
Angelsaksische wereld Ely Said, Naomi Klein en de onvermijdelijke Naom Chomsky. In
Vlaanderen zijn er onder meer de publicaties van professor Jaap Kruithof en Rudolf Boehm.
In Franstalig België heeft professor Riccardo Petrella eveneens heel wat faam verworven
door zijn scherpe kritiek op de wereldwijde concurrentie. Gelijkgezinden hebben trouwens
een vereniging opgericht onder de naam 'Club van Lissabon', die geregeld
anti-globaliseringsgeschriften op de markt brengt. Gesteld wordt dat de steeds intenser
wordende concurrentie allerlei mensontluisterende aliënaties verwekt, dat multinationale
ondernemingen de democratieën schaakmaat zetten, dat het triomfalisme van de liberale
ideologie ook is binnen geslopen in de grote multilaterale instellingen als de Wereldbank
en de Wereldhandelsorganisatie, dat globalisering bijzonder nefast uitvalt voor de
bevolkingen in de ontwikkelingslanden en voor de kansarmen in de rijke landen. Vooral de
multinationals moeten het ontgelden, die ervan worden beschuldigd het patrimonium van de
mensheid te onteigenen, door de aantasting van het leefmilieu, de uitputting van de
grondstoffen en door het brevetteren van een aantal biochemische uitvindingen, die van
groot belang zijn voor de agroalimentaire industrie en de voedingseconomie van de
toekomst. Daarbij wordt niet vermeld dat de multinationals in heel wat landen goed zijn
voor de helft van de investeringen, twee derden van de research en voor één derde van de
tewerkstelling en dus voor een belangrijk stuk welvaart. In Turkije bij voorbeeld, een
land dat behoort tot de snelle groeiers in de wereld dank zij aanzienlijke buitenlandse
investeringen, liggen de lonen in de door multinationals gecontroleerde bedrijven 120%
boven de inlandse lonen en stijgt de tewerkstelling er met 11% per jaar in vergelijking
met 0,6% in de locale firma's. 70% van de technologische innovaties komen uit
multinationals.
De anti-globalisten gispen ook de privatisering van veel
overheidsdiensten, zoals post, telefoon en spoorwegen, als een ontoelaatbare vermarkting
van collectieve goederen. Vaak wordt gesteld dat het streven naar winst geschiedt ten
koste van de kwaliteit en de veiligheid van de goederen en de diensten. Sommige
betreurenswaardige feiten bewijzen dit, ofschoon op een echte mededingingsmarkt de
concurrentie dwingt tot kwaliteitscontrole en verbetering. Maar men is vergeten dat
onder de communistische regimes met monopolistische staatseconomieën de kwaliteit van de
consumptiegoederen meestal erbarmelijk was en de veiligheid navenant (cfr het drama van
Tschernobyl). De door de anti-globalisten gemaakte analyse is meestal scherp en soms
scherpzinnig, maar de voorgestelde radicale alternatieven zijn vaak onbestaande, of zeer
theoretisch of naïef : de oprichting van een wereldregering, een wereldparlement dat de
VN zou vervangen, het stop zetten van privatiseringen, het beperken van de internationale
handel, het temperen of uitschakelen van de concurrentie, het afremmen van technologische
vooruitgang zoals b.v. de hoge snelheidstrein - en het prediken van vormen van
technofobie, enz. Een terugkeer tot het communisme, als alternatief voor het wereld
veroverende kapitalisme, wordt door weinigen bepleit, ofschoon op ideologisch vlak de
globalisering blijkbaar een stimulans is voor de formulering van een nieuw
neo-marxistische doctrine. De religieuze Islamstaten in de wereld willen een theocratische
wisseloplossing voor het westerse en dus 'heidense' kapitalisme, maar de miskenning van de
mensenrechten is er zo flagrant dat de ayatollahs onmogelijk als wegbereiders van een
betere samenleving kunnen worden beschouwd. Alvast is de kritiek op de globalisering een
hefboom voor heel wat groeperingen en verenigingen in de wereld, vandaag onderling
verbonden via internet, om, telkens een belangrijke internationale bijeenkomst van
economische of financiële aard plaatsvindt, luidruchtige protestmanifestaties te
organiseren, die wereldwijd door de media worden verslaan. Tegelijkertijd is de nog
groeiende anti-globaliseringsbeweging, die een anti-systeembeweging is, de teeltbodem niet
alleen voor de ontwikkeling van een nieuw links gedachtegoed, zoals hierboven aangestipt,
maar ook voor het ontstaan van nieuwe linkse formaties, die vaak ook ecologische en groene
partijen en vakbonden weten te bekoren en te infiltreren. Wanordelijke anarchisten weten
wel waar ze tegen gekant zijn als ze uitroepen 'smash the IMF', maar ze blijken
veel minder te weten waar ze voorstanders van zijn en wat ze dan wel willen. Deze
excessen, die de zaak die wordt behartigd geen goed doet, beletten niet dat in steeds meer
intellectuele milieus ernstig wordt nagedacht over de globalisering en haar zowel
positieve als negatieve gevolgen. Vaak wordt volgende stelling geponeerd. Tegen de
vermarkting van de maatschappij is maar een kruid gewassen: de bestrijding van winstbejag
en kapitalisme, de afbouw van multinationals, het terug draaien van privatiseringen, de
promotie van zachte waarden, het afdwingen van de eerbied voor de mensenrechten,
grensoverschrijdende solidariteit met de vreemdelingen en andere volkeren, de behartiging
van een sociale economie zonder winstbejag, en een efficiënt ingrijpende nationale en
vooral supranationale overheid. Dergelijke beleidsopties hebben uiteraard een grote
wervende kracht, vooral op jonge mensen, die hun generositeit willen concretiseren. Jammer
genoeg stoelen sommige van de geformuleerde voorstellen op een vaak betwistbare of
onjuiste economische analyse. Niet-economen vatten niet steeds waarom winst een absolute
noodzaak is, wil men komen tot een optimale allocatie (en dus aanwending) van de schaarse
productiemiddelen en derhalve tot het verhogen van de welvaart. Export is voor een
ontwikkelingsland altijd beter dan helemaal geen uitvoer, ook als de voordelen van de
internationale handel zeer onevenwichtig verdeeld zijn tussen uitvoerders en invoerders.
Ook al krijgt de Ruandese theeplanter maar 10% van het totale handelsvoordeel en gaat 90%
naar importeurs en tussenpersonen, toch is die magere 10% nog beter dan 0%, bij
ontstentenis van elke handel. Er moet bijgevolg geijverd worden, niet voor het afschaffen
van de internationale handel, wel voor een evenwichtiger verhouding tussen exporteurs en
importeurs. De ethisch gekleurde vraag in verband met het winstverschijnsel is niet of er
winst mag ontstaan, maar wel wat men met de winst doet ( herinvesteren? risicokapitaal
aantrekken door een gunstige dividendpolitiek?) en wie van de winst uiteindelijk
profiteert. Wat de aantasting van het leefmilieu betreft is het evident dat strenge normen
internationaal moeten worden opgelegd, zoals de EU doet in de 15 lidstaten. Het
kapitalisme de exclusieve schuld geven van de milieuproblemen is echter nogal demagogisch,
als men bedenkt dat onder de communistische regimes in Oost-Europa en in de Sovjet-Unie
allerlei vormen van pollutie voorkwamen die veel groter waren dan in het kapitalistische
Westen. Onvoldoende wordt gezegd dat de consument een zeer grote vervuiler is, als
autogebruiker, als energieverbruiker, als afvalverwekker. Meer bepaald inzake
broeikasgassen is de bijdrage van de industrie 23%; de consumenten en de landbouwers doen
de rest. Het gevolg van heel wat misverstanden, vaak aangescherpt in de media, is dat de
aangeprezen maatregelen, mochten ze ooit verwezenlijkt worden, de toestand, met name van
de ontwikkelingslanden, veeleer zouden verslechteren dan verbeteren. Zoals hoger betoogd
is de globalisering het gevolg van de technologische omwenteling en het ontstaan van een
kennis- en netwerkmaatschappij die de hele wereld omspant. Deze revolutie heeft het
collectivistische communisme onmogelijk gemaakt, maar ze tast ook het kapitalisme aan,
omdat de privé-eigendom van de meest essentiële productiefactor ideeën,
ontdekkingen, uitvindingen - wordt uitgehold. Er ontstaat een nieuw systeem, dat ik het informatisme
noem. De globalisering is niet de resultante van een kapitalistische samenzwering, maar
van een wetenschappelijke explosie. Er is nood aan een alternatieve analyse van een
alternatief geworden wereld en maatschappij. Wat inmiddels niet belet dat 'extreem nieuw
links', voort bordurend op redeneringsschema's van de vorige eeuw en meestal van
marxistische signatuur - poogt maatschappelijke en politieke invloed te verwerven.
De globalisering blijkt evenwel ook aan de extreemrechtse zijde van het
politieke spectrum wervende anti-houdingen op te wekken. Daar waar extreemlinks kan leven
met een wereld die ons dorp wordt, voorzover solidariteit en rechtvaardigheid prevaleren
en economisch machtsmisbruik wordt gekneveld, soms via economisch protectionisme en
staatsinterventionisme, reageert extreemrechts veeleer sociologisch en cultureel
protectionistisch op de globalisering. Voor extreemrechts moet men zich afzetten tegen een
wereld die ons dorp wordt, omdat die onpersoonlijk, acultureel en verbasterend zou zijn.
Veeleer moet opnieuw van ons dorp de wereld worden gemaakt, met herwonnen nestwarmte,
zonder vreemdelingen en stoelend op de bevestiging van eigen identiteit, waarbij het eigen
volk eerst komt. De recente successen van extreemrechts, meer bepaald in Vlaanderen, zijn
op het eerste gezicht vooral te wijten aan fenomenen van onveiligheid en aanwezigheid van
vreemdelingen, die als een bedreiging wordt aangevoeld voor o.m. de tewerkstelling. De
toevloed van miljoenen migranten per jaar naar het rijke Noorden overigens meer
naar de VS dan naar West-Europa - wordt vooral op het Europese subcontinent met angst
ervaren. Maar een grondiger analyse openbaart dat de opgewekte angstgevoelens ten minste
onderbewust voortspruiten uit de overrompelende maatschappelijke veranderingen, in grote
mate wetenschappelijk en technologisch geïnduceerd en uitvergroot door een overweldigende
internationalisering en globalisering. Nationalisme zowel het aftandse
Staatsnationalisme als het 'communautaire' volksnationalisme leiden tot allerlei vormen
van politiek, cultureel, etnisch en zelfs economisch isolationisme. De Vlaamse bevolking,
die eeuwen lang een buitenlands (schrik)bewind heeft moeten ondergaan en in eigen land
lange tijd door een volksvreemde kaste werd bestuurd, reageert nog steeds defensief op
invloeden extra muros. Wie 'eigen volk eerst' uitroept, raakt een gevoelige snaar
aan, die het mogelijk maakt allerlei minderwaardigheidscomplexen af te reageren. De
extreem rechtse partijen stellen zich natuurlijkerwijze steevast anti-Europees op en
verwerpen de recente Europese verdragen. Meteen ontstaat een vreemdsoortige objectieve
alliantie van uiterst rechts en uiterst links, die uitgaande van een genadeloze
bekritisering van de globalisering, concluderen dat tegen deze globalisering en haar
gevolgen zeer krachtig op moet worden getornd. Toch vormen uiterst links en rechts
relatief onbelangrijke minderheden, die bovendien hun geloofwaardigheid verliezen, zodra
blijkt dat ze zich laten misbruiken door allerlei lobby's in het rijke Noorden, die er
alle belang bij hebben dat hun eigen markten worden afgeschermd voor de concurrentie uit
de goedkope landen. Want dit is het grootste gevaar, met name dat een overreactie tegen de
globalisering zowel van extreem rechts als links, een protectionistische opstelling
uitlokt, onder de hoofding: 'koop Belgisch, koop en eet Vlaams'. Het is voldoende bekend
hoezeer handelsbelemmerende en marktbeschermende acties in de Verenigde Staten
zoals de Smoot-Hawley douaneheffingen - tijdens de jaren dertig de beginnende recessie
hebben doen omslaan in een dramatische great depression, zodat het BNP daalde met
30% en de werkloosheid binnen de kortste keren 25 miljoen personen trof. Na de tweede
Wereldoorlog kon de handel, ook in Europa, vrij vlug worden geliberaliseerd, dank zij het
Marshallplan en de multilateralisering van het betalingsverkeer. Van 1950 tot op heden is
de goederenhandel in de wereld zo maar even verachttienvoudigd in volume, terwijl het
wereldproduct is vervijfvoudigd. De economische geschiedenis kent veel langere periode van
handelsprotectionisme dan van vrijhandel. Steeds gebeurde dit ten koste van de welvaart en
betaalde 'de gewone man' het gelag van de werkloosheid. Sommige post-moderne Savonarola's
willen de wereldeconomie opnieuw 'verdorpsen' en pre-technologische, haast middeleeuwse
toestanden in het leven roepen, zonder te beseffen dat dergelijk fundamentalisme de
toestand van de ontwikkelingslanden uitzichtloos zou maken en de levensduur van de
inwoners in veel landen met 10 à 20 jaar zou verkorten.
Vanuit
het standpunt van de realpolitik groeit er gelukkig een consensus rond een
reformistisch program, waar achter zowel neo-liberale als socialistische beleidslui zich
kunnen scharen. De grote voordelen van de vrijhandel en bijgevolg van een
internationaal goed werkende concurrentiële markteconomie worden niet betwist. De
socialist, Karel Van Miert, gewezen commissaris van de Europese Unie, bevoegd voor het
concurrentiebeleid, is een levend voorbeeld van deze stelling. Centrumlinks wil derhalve
de sociale welvaart en de actieve welvaartsstaat promoten in de hele wereld, maar erkent
dat dit een dynamische wereldeconomie vereist. Terwijl centrum-rechts en de neo-liberalen
aanvaarden dat de economische dynamiek niet ongebreideld mag werkzaam zijn, ongeacht haar
sociale gevolgen.
Veel politieke verantwoordelijken kunnen zich vandaag vinden rond het concept 'duurzame
ontwikkeling' of sustainable development. Hierbij dient opgemerkt dat de
Nederlandse vertaling van sustainable in 'duurzaam' enigszins misleidend is. Sustainable
wijst ook op draaglijk en aanvaardbaar en veronderstelt bijgevolg economische vooruitgang
die ook rekening houdt met een aantal randvoorwaarden, ten einde het proces menselijk
haalbaar te maken.
De hertekening van
de politieke landkaart.
1. Naar een
tweestromenland? Een historische kans voor de christen-democraten
De diepgaande maatschappelijke omwenteling, verwekt door de nieuwe
informatie- en communicatievloedgolven, is ook bezig, in heel Europa, de politieke
landkaart te hertekenen. In de schoot van de Europese Unie worden zeer veel
beleidsdomeinen geharmoniseerd, zoals onder meer op landbouwgebied, het economisch en
monetair beleid, de budgettaire politiek, het buitenlands en defensiebeleid. Op termijn
zullen ook het fiscaal beleid en de sociale zekerheid alsmede het statuut van de
onderneming meer Europees worden geüniformiseerd. De politieke landkaart en de
partijvorming zullen evenmin aan dit soort harmonisering ontsnappen. De samenstelling en
de werking van het Europees Parlement bevordert deze evolutie, die zich reeds duidelijk
aftekent. Daar ontstaat een geleidelijke opdeling van het politieke spectrum in een
centrum-linkse en centrum-rechtse formatie, met in de staarten van de politieke
distributiecurve extreem-rechtse en extreem-linkse partijen. In het Europese Parlement is
het de Europese volkspartij (EVP), oorspronkelijk van christenen-democratische signatuur,
die de hefboom blijkt te zijn van een centrum-rechtse hergroepering, dank zij de opname
van ook meer conservatief geachte partijen, zoals de Britse conservatieven, de Franse RPR,
de Griekse Nea Demokratia, de Deense konservative Folkeparti en de partijen van de Spaanse
eerste minister Aznar en de Italiaanse oud-premier Berlusconi. Het is niet
onwaarschijnlijk dat de kleinere liberale partij in het Europees Parlement ook aansluiting
zal zoeken of vinden bij de grote formatie, die de Europese volkspartij is geworden. De
fractie van de Europese Volkspartij noemt zichzelf een bundeling van christen-democraten
en Europese democraten. De fractie telt thans 233 leden op 626 en is daarmee de grootste
groep in het Europese Parlement. De EVP bestaat uit 35 Europese partijen, waarvan slechts
een minderheid als christen-democratisch kan worden beschouwd. De socialisten vormen in
het Europees Parlement de tweede grootste partij (met 181 leden), nadat ze jaren de
grootste waren geweest.
In België is een relatieve tweedeling van de politieke landkaart in
centrum-links en centrum-rechts nog niet opgetreden omdat het extreem proportionele
kiesstelsel deze evolutie bemoeilijkt en daardoor vertraagd. Maar onderhuids is een
gelijkaardige bipolariserende beweging merkbaar, zoals in veel andere Europese landen en
die uiteindelijk moet leiden tot een politiek 'tweestromenland'.
In de linker helft van het politieke spectrum is, trouwens in heel
Europa, het opmerkelijke herstel zichtbaar van de socialistische partijen, die in dertien
van de vijftien lidstaten deelnemen aan de regeringen, en er vaak de leiding van hebben.
Nochtans heeft het socialisme in West-Europa, nauwelijks tien jaren geleden, ook gedeeld
in de klappen die door de implosie van het communisme aan de linkse
maatschappijopvattingen zijn uitgedeeld. Veel socialistische partijen in West-Europa waren
in de jaren 50, 60 en 70 vaak schatplichtig aan de marxistische doctrine, waarbij zij
poogden de maakbaarheid van de maatschappij, weliswaar op een democratische en
revisionistische wijze, te realiseren via een verstaatste economie, hoge staatsuitgaven en
belastingen en gecollectiviseerde instellingen. Het socialisme stond voor
'overheidspartij'. Na de val van het communisme en de explosie van de Sovjet-Unie hebben
de socialistische partijen in de meeste landen van West-Europa zich heel snel mentaal
weten om te schakelen. Zij werden aanhangers van een markteconomisch reformisme, dat nog
enkel beoogde de scherpe kanten van het liberalisme en het wereldwijde kapitalisme weg te
vijlen. Zij verzaakten aan nationalisaties van ondernemingen, prijscontroles en hoge, want
herverdelende directe belastingen. De socialistische partijen, vaak omgedoopt tot
sociaal-democraten, erkenden dat de welvaartstaart niet enkel rechtvaardig moet worden
verdeeld maar dat ze voorafgaandelijk ook efficiënt moet worden gebakken. Zij ontdekten
de zogenaamde 'derde weg', waarvan Tony Blair de heraut is geworden.
De socialisten in België verklaren dat zij zich onderscheiden van de
andere partijen door de klemtoon te leggen op het gelijkheidsideaal. In feite hebben ook
de socialisten verzaakt aan het egalitarisme, om de eenvoudige reden dat dit niet alleen
ontoepasbaar is, maar ook contraproductief werkt. Sociaal-democraten zijn voorstander van meer
gelijkheid, vooral gelijkheid van kansen en het wegwerken van allerlei vormen van
discriminatie. In klare taal wil dit zeggen dat het moderne socialisme het
gelijkheidsideaal heeft vervangen door een ideaal van 'gelijkerheid'. Daarbij wordt
ongelijkheid aanvaard in de samenleving, voorzover die sociaal nuttig is en
bijdraagt aan het groei- en innoverend dynamisme van de maatschappij. Deze stelling werd
reeds decennia terug met brio verdedigd door de Amerikaaanse jurist en socioloog John
Rawls. Vooral de derde weg van Tony Blair belichaamt dit maatschappelijke reformisme en
het blijkt hiermee grote delen van de bevolking aan te spreken.
De groene partijen zijn in Europa ontstaan uit de grote
contestatiebeweging van mei 68 en hebben zich nadien ontwikkeld tot de 'klokkenluidende'
waarschuwers tegen de excessen van het economisme, de vermarkting, de globalisering en de
technocratie. Het gaat om een gedachtegoed dat vrij spontaan anti-kapitalistische
klemtonen legt en zich vandaag opstelt aan de linkerzijde van het socialisme, met soms
sterk geprofileerde anti-globalistische stellingnamen (zoals in het eerste hoofdstuk
onderstreept). Ingevolge het groeiende succes van de ecologische beweging nemen steeds
meer groene partijen in Europa deel aan regeringsverantwoordelijkheid en worden zij,
geconfronteerd met de concrete problemen, ook realistischer, wat leidt tot interne
spanningen. De groene vlinders verbranden hun vleugels naarmate zij fladderen in de buurt
van de vurige vlam van beleidsdeelname. Maar, via regeringsdeelname, leidt
verantwoordelijkheidsleed steeds meer tot een toenadering tussen de sociaal-democraten en
de gematigde groenen, bevrijd van hun doctrinair fundamentalisme, zoals onder meer in
Duitsland, waar de 'fundi's' de extreem-linkse toer opgaan, ondersteund door een
opflakkering van het neo-marxisme.
In elk geval zullen landen, waarvan het politieke landschap verbrokkeld
is in talrijke partijen, problemen krijgen met hun politieke geloofwaardigheid en
doelmatigheid, zeker als ze behoren tot de Europese Monetaire Unie. Ze zullen genoopt
worden hun aantal politieke formaties te beperken, althans op het vlak van de
regeringscoalities. In het Belgische federale parlement zetelen 12 partijen. Samen met
Italië - maar in dat land is de politieke herstructurering begonnen - is België het land
waar enkel ingewikkelde coalitieregeringen in het parlement de vereiste meerderheid kunnen
vinden. Een kabinet van zes partijen is niet uitzonderlijk op federaal vlak - zie de
regering Verhofstadt - en het samengaan van vier partijen is het politieke minimum
minimorum. Dergelijke toestanden leiden tot politieke labiliteit en tot
ondoorzichtigheid van het beleid wegens de compromissen, die tussen de partijen worden
afgesloten. De indruk overheerst bij de kiezer dat hij geen invloed heeft op het politieke
gebeuren. Ergst van al is dat - zoals door bepaalde studies wordt aangetoond - landen met
complexe en onstabiele regeringen de grootste overheidstekorten en -schulden blijken op te
bouwen of alvast een gulle uitgavenpolitiek voeren, aangezien ze de achterban van talrijke
partijen moeten tevreden stellen, met alle gevolgen vandien. De ontsporing van de
overheidsfinanciën in België in de jaren 80 was hieraan voor een deel toe te schrijven
en de huidige hoogconjunctuur blijkt de aan het bewind zijnde coalitie aan te zetten om
allerlei omvangrijke uitgavenprogramma's op het getouw te zetten, ten einde de cohesie
tussen de coalitiepartners af te kopen. De prioritaire afbouw van de hoge openbare schuld
komt hierbij in de verdrukking. In Italië heeft de politieke aftakeling tot een
spectaculaire omwoeling van het politieke landschap geleid, waarbij een polarisatie gaande
is tussen links en rechts. In de meeste landen van Europa is een echt of virtueel
tweepartijenstelsel ontstaan, althans wat betreft de 'regeervaardige' partijen.
Daarnaast profileren zich uiterst links en rechts als 'ideocratische' partijen die rond
één thema (anti-globalisering en verzet tegen multinationals enerzijds; angst voor
vreemdelingen en onveiligheidsgevoelens anderzijds) een aantal ontredderde kiezers weten
aan te trekken. Maar zelfs in Latijnse landen, die van nature zeer gepolitiseerd zijn
zoals Spanje, Portugal en Frankrijk, wat de complexe partijvorming bevordert, is een
opdeling van het politieke spectrum in centrum-links en centrum-rechts ongeveer een feit
geworden. De vraag dient gesteld of België nog lange tijd een politieke landkaart kan
vertonen, gekenmerkt door krochten en valleien, zeer verschillend van het overige steeds
meer harmonische en vlakke Europees politieke landschap?
2. De Belgische versnippering.
Het is het Belgische proportionele kiesstelsel dat de versnippering van
het politieke landschap in de hand werkt. Meteen rijst de vraag naar een grondige ingreep
in de Belgische kieswetgeving, met het oog op een meer overzichtelijke, doelmatige en
bestuurbare politieke landkaart. De meest radicale is de invoering van een meerderheidsstelsel
op zijn Brits (één ronde) of op zijn Frans (twee rondes). Het resultaat in
Groot-Brittannië is duidelijk - zoals trouwens in de VS - : er ontstaat een
tweepartijenstelsel. Noch de liberalen in het Verenigd Koninkrijk, noch de socialisten in
de VS zijn ooit echt van de grond gekomen, in parlementaire zetels uitgedrukt, ondanks hun
stemmenaantal. Dit stelsel is wellicht minder democratisch in die zin dat één partij
meer dan de helft of twee derden van de zetels in de wacht kan slepen met minder dan de
helft van de stemmen. Mevrouw Thatcher heeft in Groot-Brittannië 12 jaren geregeerd en
dit met zeer vaste hand, zonder ooit de meerderheid van de kiezers achter haar program te
scharen. Anderzijds leidt dergelijk systeem tot een duidelijk beleid vanwege één partij
en bij elke verkiezing tot een helder alternatief. De kiezer weet dat hij voor of tegen de
volgende regering stemt, wat in België nooit het geval is, omdat hier onverwacht de meest
exotische coalities kunnen ontstaan uit de verkiezingsuitslag. Bovendien produceert een
meerderheidsstelsel homogene kabinetten die in principe eensgezind en krachtig het eigen
program van de partij aan het bewind kunnen realiseren. En in elke constituency
wint de beste kandidaat, d.w.z. hij of zij die de meeste stemmen behaalt, ook al behaalt
hij slechts een relatieve meerderheid, wat zeker niet geen ondemocratisch systeem is.
Toegepast op België doet een meerderheidsstelsel een probleem rijzen
ingevolge de bi-communautaire samenstelling van het land. Tot voor de verkiezingen van 13
juni 1999 was het vrij waarschijnlijk dat, bij invoering van een meerderheidsstelsel bij
de parlementsverkiezingen, in Wallonië de PS de absolute meerderheid zou veroveren; te
Brussel de PRL en in Vlaanderen de CVP. Zo zou op federaal vlak een eeuwige
coalitie van CVP en PS op de been zijn gebracht, wat ook niet zou overeenstemmen met de
kiezerswil en bovendien niet noodzakelijk een efficiënte regering zou waarborgen. De
verkiezingen van 13 juni 1999 hebben evenwel dit oranje-rode (CVP+PS)-dogma uit zijn
hengsels gelicht. Bij een meerderheidsstelsel zouden de liberalen in Noord en Zuid
wellicht sterk scoren. Morgen is alles mogelijk. In beginsel en intellectueel gesproken
heb ik een duidelijke voorkeur voor een meerderheidsstelsel, steunend op mini-kieskringen
- constituencies - met één te begeven zetel. Dit zou de verkozen parlementair ook
erg dicht bij zijn kiezers brengen en de greep van de partij op de lijstvorming tot nul
herleiden. Een afgezwakt voorstel bestaat erin een gemengd kiessysteem in te voeren en het
meerderheidsstelsel te temperen door het behoud van een beperkt aantal parlementszetels,
die in de huidige kiesarrondissementen zouden verkiesbaar blijven volgens het
proportionele stelsel.
Inmiddels ontwikkelt de tendens tot herkaveling van het politieke
landschap zich ook in België, ondanks het versnipperend kiessysteem. In de linker helft
van de politieke Gauss-curve is een centrum-linkse concentratie mogelijk rond socialisten
en groenen, waarbij de socialistische partij veel meer kans heeft het uithangbord van
nieuw links te worden dan de kwetsbare groenen, zodra de fundis en de realos
in hun schoot er op de vuist zullen gaan (bij voorbeeld over het asielbeleid). De
toenaderingsdynamiek tussen socialisten en groenen is ingezet, zowel in Vlaanderen
met het SPA-experiment te Hasselt bij de gemeenteraadsverkiezingen in oktober 2000 - als
in Wallonië. Het is niet de geringste paradox van de Belgische politieke situatie dat
uitgerekend een liberaal eerste minister, G. Verhofstadt, wiens verleden Thatcheriaans is
geweest, het bed spreidt voor een geleidelijke fusie van socialisten en groenen, dankzij
het feit dat deze beide partijen in een paars-groene coalitieregering zijn opgenomen en
zich aldaar programmatisch vinden, for better and for worse. Ook zgn. linkse
christenen, die dicht staan bij de vakbonden, voelen heel wat voor een nieuw-linkse
hergroepering rond socialisten, groenen en progressieve gelovigen. Deze tendens neemt toe
naarmate de christen-democraten op Europees vlak steeds meer opgaan in een Europese
volkspartij, die als conservatief wordt afgeschilderd.
In de rechterhelft van het politieke spectrum is de toestand veel meer
verward en verwarrend. De verkiezingen van 13.6.1999 hebben de liberalen van Noord en Zuid
in de stijgbeugels geplaatst. Toch moet het de ambitie zijn van de christen-democratie,
die in de jongste drie verkiezingen circa 150.000 stemmen heeft verloren aan de liberale
VLD in Vlaanderen (naast ook stemmenverlies ten gunste van het Vlaams Blok en Agalev),
maar er nog bijna 900.000 heeft behouden, om opnieuw de grote volkspartij te worden, naar
het voorbeeld van de Duitse CDU. De verwijzing naar de CDU is niet lukraak. Ofschoon in de
oppositie en geteisterd door financiële schandalen die in de toekomst onmogelijk moeten
worden gemaakt, blijft deze partij in Duitsland het enige politieke alternatief, met een
grote kans opnieuw aan het bewind te komen. De CDU is er steeds in geslaagd de liberale
partij (FDP) klein te houden omdat ze met haar program het centrum en de rechter helft van
het Duitse politieke spectrum bezet hield. Ook extreem rechts (de Republikaner) kreeg in
Duitsland geen kans, vooral dank zij de invloed en het beleid van de CDU. Wat geenszins
verhinderd heeft dat de CDU haar sociale imago doorheen de decennia scherp kon blijven
profileren. Reeds in de jaren vijftig was het CDU-minister en -kanselier Ludwig Erhard die
de soziale Wirtschaft lanceerde, waarmede hij de basis legde voor het
zo geroemde Duitse Rijnland-model, dat van Duitsland de tweede
belangrijkste economische mogendheid van de wereld heeft gemaakt met een zeer hoge
levensstandaard. Het succes van dit beleid heeft ook in grote mate de eenmaking van beide
Duitslanden, na de val van de Muur van Berlijn, sterk in de hand gewerkt.
In Vlaanderen bestaat er een uitgesproken centrum- en centrum-rechtse
meerderheid, waarvan een interne meerderheid zich kan scharen achter een gematigd
reformisme, dat meer vrijheid ik noem het 'vrijerheid' voor de
burgers wil hanteren, in een maatschappij die door haar dynamisme ook meer sociale
solidariteit mogelijk maakt. Socialisten en groenen samen behalen niet eens dertig procent
van de stemmen. In Wallonië is er nog geen gelijkaardig fenomeen van
centrum-verrechtsing, maar het herstel van de Waalse economie en de verhoging van de
levensstandaard kunnen daar eenzelfde evolutie in de hand werken, ten voordele van de
sociaal-liberale PRL.
3. De hefboomfunctie van de christen-democratie.
Bij dit alles is het niet onterecht dat een vernieuwde
christen-democratische partij de ambitie koestert om in Vlaanderen de hefboom te zijn van
de politieke hergroepering.
Een grote volkspartij - tevens christelijk geïnspireerd - moet zich
krachtig en krachtdadig richten tot de meerderheid van de Vlamingen die 'hard
werken en goed hun kost verdienen' - met een boodschap die hen oproept om op een
constructieve wijze hun maatschappelijke taken en hun
samenlevingsverantwoordelijkheid op te nemen. De opzet moet zijn om
gezamenlijk, in solidariteit maar ook op een doelmatige wijze (dank zij een
andere staat en overheid), de grote sociale en nieuwe maatschappelijke kwalen,
die een minderheid van minder bedeelden en kansarmen treffen, drastisch aan te pakken en
weg te werken. Deze oproep, beleidmatig uitgebouwd, moet geschieden op een opbouwende en
niet culpabiliserende wijze, zonder betutteling, zonder overdreven dwang en bedilzuchtige
regelgeving, zonder buitensporige belastingdruk en zonder verwijtende toon in hoofde van
de gezagdragers. Kortom, de tijd is gekomen om af te stappen van een maatschappelijk
hervormingsbeleid dat revendicatief en agressief overkomt, omdat het impliciet nog
verwijst naar de oude klassenstrijd, een strijd met winnaars én verliezers. Voor economen
is dat nu juist de bepaling van een verderfelijk zero-som-spel. De post-industriële
revolutie (PIR) met haar wijdvertakte gevolgen maakt het juist mogelijk, onder bepaalde
voorwaarden, de economische en sociale dynamiek om te buigen tot een plus-som-spel.
Daarbij zijn er geen verliezers meer. Iedereen wint of is, in de slechtste hypothese, niet
slechter af!!! Dit moet de beleidsboodschap zijn in de dynamische samenleving van morgen,
waarbij het dynamisme ten dienste wordt gesteld van het mededogen en van de 'solidaire'
rechtvaardigheid. De christen-democratie is geen bedilzuchtige initiatieffnuikende
'overheidspartij', maar ook geen meedogenloze 'marktpartij', die de maatschappij tot een
jungle herschept. De christen-democratie kiest voor de samen-leving, verbondenheid en kant
zich tegen alle vormen van samenloosheid. Zij is de 'samenlevingspartij'. Samen
winnen zodat niemand, tenzij hij dit zelf wil door in de marginaliteit te gaan en te
opteren voor maatschappelijke zelfuitsluiting, in de steek wordt gelaten ook als
het om allochtonen gaat -, is een inspirerende en opbouwende boodschap op de drempel van
de XXIste eeuw. Dergelijke boodschap is trouwens ook van levensbelang voor de toekomst van
de grote sociale organisaties in de post-industriële samenleving: een vakbond, een
landbouwersorganisatie, een middenstandsverbond, een patroonsfederatie...
Het is natuurlijk geen geringe paradox dat een verkaveling van het
politieke landschap in een centrum-links en centrum-rechts tweestromenland, geschiedt op
een ogenblik dat de rechts-links-tegenstelling volkomen achterhaald is, nu de grote
ideologieën van de XXste en XIXde eeuw zijn uitgerangeerd. Tenzij zou blijken dat de
polarisatie rond centrum-links en centrum-rechts heel weinig te maken zou hebben met een
links-rechtse antinomie, omdat het maatschappelijk debat niet meer in die verouderde
termen te vatten is.
Het onderscheid tussen rechts en links, conservatief en progressief
wordt vaak zeer willekeurig en op paradoxale wijze gehanteerd, wanneer bij voorbeeld
blijkt dat volgens de spraakmakende opiniemakers de verdediging van het ongeboren leven
een rechtse stelling is en de bescherming van de huismussen, die uitsterven een links
thema is. Rechts is de stelling die belang hecht aan de erfelijkheid, de genen en dus de
natuur bij het bepalen van iemands persoonlijkheid; links is de opvatting dat vooral de
opvoeding en de cultuur doorslaggevend zijn. Opkomen voor weinig polluerende maar
gevaarlijke kerncentrales is rechts; voorstander zijn van polluerende maar veiliger
klassieke thermische centrales op steenkool, aardolie en aardgas is links. Voorstanders
van verkeersveiligheid situeren zich links; pleitbezorgers van meer veiligheid in de
straten en bestrijding van allerlei vormen van diefstal, car jacking en gangsterisme, zijn
rechts. De sociale zekerheid hervormen derwijze dat de welgestelden gedeeltelijk en
geleidelijk uit het collectieve stelsel worden gelicht wat de voordelen betreft, zodat
meer solidariteit kan worden opgebracht voor de minder bedeelden is een rechtse stelling.
Het betonneren van de sociale zekerheid, waardoor die op termijn onbetaalbaar wordt, is
een linkse stelling. Opkomen tegen de verspreiding van drugs, inclusief cannabis, is
veleer rechts; zich verzetten tegen het verspreiden en roken van sigaretten is dan weer
van linkse signatuur. Wie het voetbal in bescherming neemt is links; tennis daarentegen is
een rechtse sport! Wie technologische vooruitgang aanprijst is veeleer rechts; wie
kleinschalige en traditionele technieken bepleit is veeleer links. Een multinational is
een rechtse realiteit; maar een grote parastatale instelling is veeleer een linkse
werkelijkheid. Fiscale fraude wordt gemakkelijk door rechts vergoelijkt en sociale fraude
gegispt; links doet net het omgekeerde. Waar schuilt de logica? Of moet dit alles worden
gedecodeerd teneinde te komen tot de echte verborgen agenda? Deze karikaturale paradoxen
kunnen in aantal worden vermenigvuldigd. Ze wijzen er steeds meer op dat de links-rechtse
breuklijn niet langer relevant is voor de opmeting van het politieke landschap. Als de
grote uitdaging van morgen erin bestaat de waterval van veranderingen te stroomlijnen
zodat meer menselijkheid ontstaat, dan is de links-rechtse oppositie niet meer aan de
orde. Dan gaat het over de keuze tussen goed en kwaad, dan gaat het over waarden en over
ethiek. Daarbij is het mensbeeld, door de politiek gehanteerd, van essentieel belang. De
mens is, sedert zijn ontstaan, tenminste vier of vijf miljoen jaren geleden, een overeind
lopend wezen. Hij heeft geleerd te leven tussen hemel en aarde. Zijn essentieel paradigma
werd de verticaliteit. Het onderscheid tussen boven en onder is veel ouder en veel
existentiëler dan het onderscheid tussen links en rechts, dat terug gaat op de Franse
Convention Nationale, ten tijde van de Franse revolutie. Vandaag doet het onderscheid
tussen 'boven en onder' accenten leggen nu eens op het meer immateriële, op de
meta-economie, op de middelaanwending van de materiële vooruitgang, in solidariteit en
verantwoordelijkheid. Het beklemtonen van 'onder' hecht dan weer belang aan de condition
humaine in haar materiële componenten. Beide accentueringen hebben hun belang en kunnen
tot een totale andere politieke opdeling leiden. Zo is het perfect mogelijk dat iemand op
economisch gebied vrij rechtse standpunten inneemt (markt, doelmatigheid, groei) en op
algemeen menselijk en sociaal vlak eerder linkse houdingen aanneemt (prioriteit voor minst
bedeelden, gastvrijheid tegenover allochtonen en migranten, harde aanpak van witte
boordcriminaliteit).
Het christelijk personalisme met zijn supplément
dâme-ideaal - behoudt, in de post-industriële netwerksamenleving, met
haar dreigende ontpersoonlijking, zijn groot potentieel van 'uitweg bieden',
omwille van zijn extreme noodzakelijkheid, zijn maatschappelijke zingeving in tijden van
radeloosheid en zijn boodschap van hoop (het meliorisme) in tijden van veel reddeloosheid
voor veel mensen. Het personalisme laat zich niet vangen in de voorbijgestreefde
links-rechtse polarisatie. De christen-democraten staan met hun personalisme niet tussen
links en rechts, maar wel degelijk aan de overkant, omdat zij de menselijke persoon
beschouwen noch als een van de anderen te isoleren 'egotisch' individu, noch als een
onpersoonlijk onderdeel van een collectieve gemeenschap. Het personalisme gaat over veel
meer dan politiek. Het is een meta-politiek en een meta-economie omdat het ook - horresco
referens in deze tijd - een meta-fysiek inhoudt. Het was het bevrijdende antwoord op
de dictaturen van fascisme en stalinisme, het was het afdoende antwoord op de
eenzijdigheden van het kapitalistische liberalisme en het collectiviserende socialisme.
Het was en is het alternatief voor alle mechanistische maatschappijopvattingen. Het is het
enige waardevolle antwoord op het post-modernisme en zijn talrijke impasses, ook wat
betreft het bestuur van de polis. Op voorwaarde dat de boodschap slagkrachtig en
hoopgevend in een politiek program wordt omgezet, dat zowel naar inhoud als naar aanpak en
visie, een antwoord geeft op de grote uitdagingen van de Nieuwe Tijd.
In een tijd van omwenteling is partijpolitieke vernieuwing 'in', zowel
inhoudelijk als organisatorisch. Maar het is veel makkelijker het woord uit te spreken dan
het inhoud te geven, des te meer omdat het dubbelzinnig is. Immers, niet elke vernieuwing
is verbetering. Een vernieuwde partij moet een betere partij zijn met betere mensen en een
beter programma voor een betere toekomst. Vanuit het standpunt van de enigszins
ontluisterende real politik zou men kunnen stellen dat een politieke partij, zoals
een onderneming, voortdurend haar product en productiemethoden moet verbeteren teneinde
competitief te blijven en stand te houden in een bijzonder concurrentiële politieke
markt. Immers de instorting en afkalving van heel wat ideologieën, die thuis hoorden in
de XXste en in de XIXe eeuw, hebben voor gevolg dat steeds meer politieke partijen zich
situeren in een relatief smalle bandbreedte rond het centrum van het politieke spectrum.
De verbeterende vernieuwing van een partij als de CVP is nodig omwille
van specifieke redenen maar ook als gevolg van meer algemene grensoverschrijdende oorzaken
die de christen-democratie in heel Europa beroeren. In veel landen van de EU werden de
christen-democraten van de regeringen verwijderd. In oude christelijke landen zoals
Spanje, Portugal en Polen is de christen-democratie bovendien, na de val van de
dictaturen, niet eens van de grond gekomen. Een onverbiddelijke analyse van deze evolutie
is absoluut vereist.
* Het uitgangspunt voor elk aggiornamento moet derhalve worden
afgestemd op een scherpe maatschappelijke doorlichting. Dit geldt trouwens voor alle
politieke partijen maar meestal vallen de gemaakte analyses erg mager uit. Over een paar
decennia is de huidige maatschappij totaal onherkenbaar geworden en zal de mens, althans
in de postindustriële samenlevingen, leven en werken in een volkomen omgewoelde omgeving.
De wetenschappelijk-technologische doorbraken, die in talrijke domeinen voor de deur
staan, zijn absoluut duizelingwekkend. Samenvattend kan men ervan uitgaan dat een
combinatie van nieuwe computertechnologieën, nanotechnologie (dit is extreme
miniaturisatie), bepaalde toepassingen van de quantumfysica en van de biogenetica doende
is een nieuwe mens in een volslagen andere maatschappij te creëren. Deze mens zal voor
het eerst breken met de wetten van Darwin, die stelden dat de homo sapiens door
zijn omgeving wordt gedetermineerd. De mens wordt een zelfevoluerend wezen dat zijn eigen
evolutie, niet alleen cultureel, maar ook biologisch en genetisch gaat bepalen. Het leven
zal dank zij de spectaculaire vooruitgang van de geneeskunde aanzienlijk worden verlengd;
er zullen totaal andere werkomstandigheden ontstaan in een ontgrensde wereld die ons dorp
is geworden; de sociale strata zullen stoelen op de distributie van het IQ;
vertaalmachines zullen de taalbarrières tussen de mensen in de wereld opheffen;
multiculturaliteit zal de maatschappijen doordringen en grote migratiestromen zullen op
gang komen; de kennismaatschappij zal ook veel onwetendheid produceren en overinformatie
zal leiden tot desinformatie. Heftige reacties zijn te voorzien, die thans reeds de kop
opsteken, zoals xenofobie, nationalisme, fundamentalisme en anti-globalisme. Maar de
grensoverschrijdende netwerken bevorderen de democratie, die veel directer zal worden,
stimuleren contacten die tot contracten leiden en vooral de jonge generaties verdraagzamer
en opener maken. Horizontale samenwerkingsvormen, los van hiërarchieën, worden veel
makkelijker, autoriteit en macht ruimen de plaats voor gezag en een wij-gevoel, het
collectivisme wordt onmogelijk (hoe de kennis nationaliseren?), maar ook het kapitalisme
muteert grondig ingevolge de 'deprivatisering' van bepaalde eigendomsvormen (o.a. de
intellectuele eigendom, uitvindingen en ontdekkingen). Het 'informatisme' vervangt alle
bestaande economische systemen.
De waarheid is dat de op ons aanstormende wetenschappelijke en
technologische innovaties en maatschappelijke veranderingen zo overrompelend, diepgaand en
snel verlopen dat ze vaak ontsnappen aan het begripsvermogen en de waarneembaarheid van
grote delen van de bevolking en van veel verantwoordelijken.
Voor een dynamische en moderne politieke partij is het van vitaal
belang continu op de hoogte te blijven van wat reilt en zeilt in de samenleving. Een
vernieuwde christen-democratische partij heeft derhalve behoefte aan een in eigen schoot
opgericht 'maatschappelijk observatorium', waar politici en wetenschapslui elkaar
zouden ontmoeten. Zij zouden er de balans opmaken van de aankomende veranderingen en de
problemen die hiermee gepaard gaan, met het oog op het formuleren van begeleidende
maatregelen en oplossingen. Eigenlijk zouden alle politici zich moeten inschrijven op het
aan de K.U. Leuven gedoceerde keuzevak 'Lessen voor de eenentwintigste eeuw', waarin per
discipline uitgelegd wordt welke ontdekkingen en uitvindingen gebeurd zijn of voor de deur
staan en wat hun invloed zal zijn op de evolutie van onze samenleving.
* Zeker voor christen-democraten, uitgaande van hun personalistische
overtuiging, luidt de politieke hamvraag, die zich met steeds meer dringendheid aandient: 'hoe
de overweldigende veranderingen, die zich gaan voordoen, omzetten in echte menselijke
vooruitgang ?'. Deze essentiële vraagstelling houdt in dat waardeoordelen worden
uitgesproken over alle wetenschappelijk-technologische en maatschappelijke mutaties.
Sommige worden goed bevonden, zodat ze moeten bevorderd worden; weer andere blijken te
moeten worden bijgestuurd of begeleid; tenslotte is er een laatste categorie van
veranderingen die met kracht moeten worden bestreden omdat ze slecht zijn. Een verstandig
christen-democraat is derhalve tegelijkertijd conservatief en progressief. Veranderingen
omzetten in menselijke vooruitgang veronderstelt een mensbeeld en het is onder dit
aspect dat de christen-democratische invalshoek origineel, essentieel en onvervangbaar
blijkt. Want dit mensbeeld is geboetseerd tijdens lange eeuwen van geschiedenis en het
sluit aan bij de kerngedachte van de christelijke mensopvatting. Deze opvatting is oud
maar ze blijkt ook verbazingwekkend nieuw, waarbij moet worden opgemerkt dat de
adjectieven 'oud' en 'nieuw' helemaal niet relevant zijn. Voor christen-democraten is het
immers de authenticiteit van hun mensbeeld, wat telt en dat daardoor van alle tijden is.
Het christen-democratische mensbeeld houdt in dat ook vandaag, en meer
dan ooit, de intermenselijke solidariteit - vroeger naastenliefde genoemd of agapè -
dient te primeren. Dit eerste beginsel veverbergt een zeer verreikende conclusie:Dit
beginsel namelijk dat onze solidariteit met de anderen nooit groot genoeg is. Dit geldt
ook tegenover andere gemeenschappen en groepen en vanzelfsprekend tegenover de kansarmen,
de vreemdelingen en de mensen in de ontwikkelingslanden. Solidariteit betekent ook grote
verdraagzaamheid in de relaties met andersdenkenden, die niet noodzakelijkerwijze fout
denkenden zijn. De christen-democratie van vandaag is ook een beweging die ijvert voor
opbouwende tolerantie ten aanzien van alle mensen, ook al dienen de ideeën van sommigen
onder hen soms met kracht bestreden te worden. Ik heb nooit begrepen hoe christenen kunnen
stemmen voor een partij als het Vlaams Blok, die blijkbaar nooit gehoord heeft van de
parabel van de barmhartige Samaritaan. Maar dit is geen reden om ons tegenover de kiezers
van deze partij te gedragen als onbarmhartige Samaritanen.
Een tweede kernelement in het christelijke mensbeeld stelt dat 'het
recht van de zwaksten de plicht is van de sterken', wat meteen de fundering is van de
christelijke sociale leer en wat onder meer met zich brengt dat in de actieve
welvaartsstaat de sociale zekerheid prioritair moet worden gericht op de minst bedeelden.
Het christelijke mensbeeld verwijst ook naar de vrijheid van de mens
die zijn verantwoordelijkheid op moet nemen en naast rechten ook plichten te vervullen
heeft.
Een laatste aspect van het christelijke mensbeeld is, naar mijn gevoel,
de geloofshoop in de opstanding wat, pragmatisch geformuleerd, betekent dat voor een
christen-democraat tegenslag, mislukking, nederlaag, onoplosbaarheid, uitzichtloosheid
steeds kunnen worden gekeerd en overwonnen dankzij inzet, inspanning, verbeeldingskracht
en creativiteit. Een christen-democraat is geen naïef optimist want dit zou onverantwoord
zijn in een wereld van veel smarten en pijnen. Hij is evenmin een destructief pessimist
die vervalt in desperate zwartgalligheid. Hij is een meliorist, vooral in tijden
van veel radeloosheid en reddeloosheid, omdat hij hoopt op en gelooft in de
verbeterbaarheid van mensen en dingen. Aldus draagt hij in de samenleving ook een
boodschap uit van hoop, waaraan zoveel ontgoochelde mensen zoveel behoefte hebben. Aan het
begin van de XXIste eeuw moet een vernieuwde christen-democratie midden de mensen en met
de mensen de politiek ten dienste stellen van de mensen. De overheid is er voor de mensen
en niet omgekeerd. Een politieke partij moet opnieuw zoals bij de oprichting van de
politieke partijen - de burgers beschermen tegen het machtsmisbruik van de overheid. In
een recent verleden zijn de gevestigde partijen teveel de beschermers geweest van de
overheid met wie ze de macht deelden.
En gegeven haar ethische dimensie - namelijk een ethiek van de
verandering uit te werken en als ijkpunt te hanteren van de maatschappelijke problemen en
hun oplossing - wordt daardoor de politiek meer meta-politiek met meer
geloofwaardigheid en overtuigingskracht.
Macht
en/of gezag?
1 De
beschaving buigt macht om tot moreel gezag.
Het is enkel in niet-democratische landen dat de leiders in
feite de dictators - nog kunnen worden beschouwd als echte machthebbers. In de grote
democratische landen, met name in een land als de Verenigde Staten van Amerika, is het
evident dat de president, omwille ook van het grondwettelijke systeem, over grote macht
beschikt. Deze macht is evenwel voorwerp van aanzienlijke beperkingen, die te maken hebben
met de tegenmacht, uitgeoefend door het Amerikaanse Congres, maar ook door de buitengewone
de invloed van de Amerikaanse media en van de gerechtelijke instanties (Supreme Court).
Het is geen toeval dat president Richard Nixon tot ontslag werd gedwongen naar aanleiding
van de Watergate-zaak en dat president B. Clinton slechts op de valreep ontsnapte aan een
smadelijke empeachment-procedure. Bovendien is het onmiskenbaar dat de
netwerkmaatschappij en de 'new economy' bezig zijn ook in het machtigste land ter
wereld de machtsopbouw en uitoefening grondig door elkander te schudden. Ook de VS
zijn onderhevig aan grensoverschrijdend soevereiniteitsverlies. In de democratieën, die
geen wereldmogendheden zijn, is de macht van de politici zeer sterk afgenomen, a fortiori
voor de ministers die geen regeringsleiders zijn. Paradoxaal genoeg kan men nochtans
stellen dat het machtsdeficit van veel politici hen evenwel niet verhindert heel wat
machtsmisbruik te plegen op terreinen die nog nationaal geleven zijn, voor een deel bij
wijze van compensatie en waar het nog kan. Bij voorbeeld inzake benoemingspolitiek.
Tevens moet er rekening gehouden worden met het feit dat, in de schoot
van een regering, macht, gezag en invloed sterk worden beïnvloed door de persoonlijkheid
van de bewindslui. Zo gebeurt het dat ministers met heel weinig bevoegdheden toch een
groot gezag verwerven door hun wijsheid of handigheid of vindingrijkheid, terwijl de
titularissen van indrukwekkende departementen tot figuranten worden rond de tafel van de
ministerraad, bij gebrek aan deskundigheid en dynamisme. In het verleden gebeurde het
weleens dat in de schoot van kabinetten ministers zonder portefeuille werden benoemd, de
zogenaamde 'schoonmoeders'. Zij hadden geen enkele departementele bevoegdheid maar waren
vaak senior politici, die met groot gezag het regeringsbeleid konden beïnvloeden en
stuwen.
Macht verwijst naar 'maken', in de zin van scheppen. Het woord 'macht'
heeft in zijn oorspronkelijke betekenis de 'fysische' inhoud van krachtontwikkeling. In de
primitieve samenlevingen was de sterkste ook de machtigste. In de netwerkmaatschappijen
van morgen, zullen de democratische politici hun macht - of wat daarvoor doorgaat - moeten
inruilen voor invloed en gezag. Gezag is een ethisch gekleurd begrip, dat te maken heeft
met het imago, de deskundigheid, de kennis, de toewijding, de moed, de eerlijkheid en de
geloofwaardigheid van de man of de vrouw in kwestie. Gezag, vooral in de politiek, moet
dagelijks worden verworven. En dit is niet eenvoudig in een ultra-gemediatiseerde
maatschappij die vaak erg graag het essentiële verwart met het bijkomstige en de
conformisten van het non-conformisme promoveert tot de helden van de samenleving. Toch
zijn er voorbeelden van politieke leiders, die ondanks hun wettelijk of grondwettelijk
beperkte macht, een groot gezag wisten te ontwikkelen. Dit was onder meer het geval met
John Kennedy, Nelson Mandela of de voormalige president van de Duitse bondsrepubliek
Richard von Weiszacker. Niet de fysisch sterksten of intellectueel meest begaafden,
maar de moreel besten, zijn noodzakelijk voor de overleving van de menselijke soort.
2. Mededinging vermindert macht.
De netwerkmaatschappij bevordert en stimuleert op alle domeinen alle
mogelijke vormen van mededinging. Hierop wordt veel kritiek geformuleerd, waarbij men
stelt dat mededinging strijd betekent en leidt tot veel onmenselijkheid, ook op economisch
en sociaal gebied. Niet-economen vergeten al te makkelijk dat enkel concurrentie
het zoeken van de optimale oplossing, de beste gedragswijze en aanwending van schaarse
middelen de schaarste en dus het existentieel welvaartstekort van de mens kan
lenigen. Onder bepaalde voorwaarden is concurrentie - en dus ook de markteconomie
een 'plus sum game', een handelwijze waarbij alle deelnemers winnen. Ethisch
gedrag, ook op een concurrentiële markt, blijft echter een belangrijke norm, vooral
wanneer de economie ontaardt in een 'zero sum game', dit is een spel met winnaars
maar ook met verliezers. Dit geldt trouwens ook voor de sport en de politiek, die bij
bepaling zero-som-spelen zijn, met winnaars en verliezers, maar die niet bekritiseerd
worden omdat ze zo competitief en concurrentieel zijn. Integendeel. Desalniettemin dienen
in dit verband twee aspecten te worden onderstreept, die vaak te weinig aandacht krijgen:
* Ten eerste: concurrentie is niet onverenigbaar met samenwerking en de
huidige fusies en concentraties van bedrijven bevestigen dit. De uitbouw van een
geïntegreerde en concurrentiële Europese markt is een ander voorbeeld van complementaire
samenwerking, die zich spectaculair heeft voltrokken via het gemeenschappelijk beleid van
de lidstaten van de Europese Unie op zoveel domeinen.
* Ten tweede: mededinging verzwakt de macht van actoren en operatoren.
Dit geldt uiteraard voor de economie, waar concurrentie monopolies onmogelijk maakt en
oligopolies afbouwt of uitschakelt. De economische theorie bewijst dat in een toestand van
zuivere mededinging, - weliswaar een grensgeval -, een toestand van zero-macht ontstaat.
Op de politiek is dit mechanisme, mutatis mutandis, eveneens toepasselijk. De mededinging
tussen partijen en politici zet een heilzame rem op hun machtsopbouw.
3. Macht en verantwoordelijkheid.
Macht, gezag en invloed in de politiek kunnen niet worden losgekoppeld
van begrippen en normen als verantwoordelijkheid, verantwoordingsplicht,
aansprakelijkheid, aanspreekbaarheid en schuld. De ervaring leert dat in dit verband vaak
een zeer grote begripsverwarring optreedt. Dit is vooral gebleken naar aanleiding van
politieke incidenten, die geleid hebben tot het ontslag van ministers, met name tijdens de
regering Dehaene. In een parlementaire democratie zijn ministers verantwoordelijk voor hun
persoonlijke en politieke beslissingen, daden en verklaringen. 'On ne peut régner
innocemment', zei reeds Saint-Juste. Eveneens zijn ze politiek verantwoordelijk voor
wat gebeurt in het departement waarvan ze de leiding hebben. Zij zijn medeverantwoordelijk
voor de wetgevende initiatieven die ze al dan niet nemen. In gevallen van flagrante
wetsovertreding zijn ze gebeurlijk ook burgerrechtelijk en strafrechtelijk aansprakelijk.
Voor deze laatste gevallen zijn parlementaire behandelingsprocedures uitgewerkt, die de
jongste jaren, naar aanleiding van een aantal corruptieschandalen, het optreden van de
gerechtelijke overheden ten aanzien van ministers aanzienlijk hebben vergemakkelijkt. En
dit is een gunstige evolutie.
Wat de politieke verantwoordelijkheid van de minister betreft, is het
mijn standpunt dat een minister 24 uur op 24 verantwoordelijk is tegenover het parlement
en bijgevolg ook verplicht is op elk moment over alle aspecten van zijn beleid in het
parlement verantwoording af te leggen. De minister kan op elk ogenblik ondervraagd of
geïnterpelleerd worden, waarbij hij vaak onderworpen wordt aan een vertrouwensstemming.
Het is duidelijk dat, indien bij dergelijke stemming, de minister het vertrouwen van het
parlement niet langer geniet, hij zijn ontslag als minister aan de koning dient aan te
bieden. Zo luiden de uit de grondwet voortvloeiende ministeriële
verantwoordelijkheidsbeginselen en verantwoordings- regelen.
Het lijkt mij nochtans absoluut noodzakelijk te onderstrepen dat een
minister, in een parlementaire democratie, niet politiek verantwoordelijk is
tegenover de media en evenmin tegenover de publieke opinie. Tenzij in de specifieke
omstandigheden van verkiezingen, die de beleidsman dwingen verantwoording af te leggen
tegenover zijn potentiële kiezers. In een representatieve democratie wordt verantwoording
afgelegd in het parlement, dat oordeelt over de daden van de minister. Dit belet uiteraard
niet dat de media kritiek uit zouden oefenen, de minister zouden bekampen of in het
gedrang brengen en dat als gevolg hiervan de minister in de openbare opinie heel slecht
zou gaan scoren of zou overkomen als een uit de regering te verwijderen boeman. Maar
uiteindelijk moet in het parlement worden beslist over het politieke lot van de minister,
ook al zullen de partijen en de fracties wel rekening houden met het imago van de minister
in de media en de openbare opinie. Het is slechts wanneer een minister kennelijk, op grond
van ernstige aanwijzingen, betrokken is in een strafrechtelijke aangelegenheid -
corruptie, fraude, onwettige partijfinanciering, zedenfeiten, wangedrag... dat hij
best de eer aan zichzelf houdt en opstapt, vooraleer hij door het parlement of ingevolge
gerechtelijke onderzoeksdaden tot ontslag wordt gedrongen. Maar wanneer het om louter
politieke kwesties gaat, is het laatste woord aan het parlement om te beslissen over het
lot van de minister. Zo ben ik van oordeel dat de jongste jaren erg lichtzinnig is
omgesprongen met het 'gedwongen' ontslag van ministers, vooraleer het parlement zich
hierover kon uitspreken. Toen Marc Dutroux gedurende en paar uren was ontsnapt uit te
gevangenis, hebben de ministers van justitie en van binnenlandse zaken onmiddellijk
ontslag genomen, als zoenoffer op het altaar van de publieke opinie. Hadden zij in een wat
meer serene atmosfeer de dag nadien aan het parlement uit kunnen leggen wat er juist
gebeurd was, hadden zij naar alle waarschijnlijkheid het vertrouwen van de Kamer gekregen.
Dezelfde analyse past bij de dioxinecrisis en het 'opofferen' van de toenmalige ministers
van landbouw en volksgezondheid.
4.
Macht van mensen en mensen van macht.
Volgens
heel wat politologen is de democratisering van de macht begonnen met de Franse Revolutie
en de systematische doorvoering van de scheiding van de machten. Weliswaar met veel vallen
en opstaan en Bonapartistische verglijdingen. Uiteraard kan men opklimmen tot aan het
mirakel van de Atheense democratie, die er in geslaagd was in de Vde eeuw v.C., tijdens
een enig window of opportunity van de politieke geschiedenis, te experimenteren met
een formule van directe democratie, gecombineerd met een sterk leiderschap (met name onder
Pericles). Vandaag, onder invloed van de wervelwind van technologische innovaties, lijkt
het utopische concept van 'de regering van het volk, door het volk en voor het volk'
dichter te naderen tot de verwezenlijking van een oude toekomstdroom: een meer
rechtstreekse democratie, die miljoenen burgers, die dit wensen, betrekt bij fundamentele
beleidskeuzes; een democratie bovendien die gepaard zou gaan met een geloofwaardig,
ethisch verantwoord en doelmatig leiderschap, dat de problemen aanpakt en oplost. Daarbij
is het steeds duidelijker dat de opeenvolgende technologische revoluties niet alleen de
wereld globaliseren, maar de problemen en uitdagingen ook internationaliseren. Door gezag
gelegitimeerde macht zal steeds meer in een grensoverschrijdende, internationale context
worden uitgeoefend. De Europese Unie is hiervan een voor de hand liggend voorbeeld. Maar
er is meer. Zoals in de democratische staten, in de loop van de XIXde en de XXste eeuw
werk werd gemaakt van de oprichting en het functioneren van een rechtsstaat, zo zal in de
XXIste eeuw moeten geijverd worden voor de uitbouw van een internationale
rechtsgemeenschap, waarbij staten niet langer hun 'recht' in eigen handen zullen kunnen
nemen. Daardoor zal het proces van aftakeling van de souvereiniteitsmacht, zoals
uitgeoefend door regeerders, worden voortgezet en de verantwoordelijkheid van machthebbers
door internationale gerechtshoven natrekbaar en toetsbaar worden gemaakt aan
internationale rechtsregels. Vanzelfsprekend veronderstelt dergelijke fundamentele
evolutie dat democratische functionering en controle op alle niveau's, vooral
internationaal, verder worden uitgewerkt.
Het is mijn grondige overtuiging dat naarmate de democratie meer direct de kiezer
betrekt bij het beleid onder invloed van de informatie-en communicatierevolutie en door
allerlei vormen van volksraadpleging en referenda, de nood aan hoogstaand leiderschap
steeds groter zal worden. Zoniet zal de meer rechtstreekse democratie ontaarden of in
autoritarisme of in anarchie. De democratie, zoals de markteconomie, is immers onderworpen
aan de wet van de entropie, die de wet is van het energieverlies en de wanorde. In vorige
geschriften heb ik de noodzaak onderstreept van de uitbouw van een 'mandaterende
democratie', die de leiders een gecontroleerd mandaat toekent om namens de gemeenschap het
algemeen belang te behartigen en de maatschappelijke problemen op te lossen, vooral die
vraagstukken die omwille van hun techniciteit niet door de kiezers kunnen worden
ingeschat. Dit leiderschap zal, omwille van zijn geloofwaardigheid en dus zijn invloed bij
de bevolking, veel meer dienen te steunen op gezag dan op macht. De legitimatie van het
leiderschap zal steeds minder berusten op macht en machtsverovering, zelfs indien deze
verovering of uitoefening gebeurt volgens formeel een democratische regels. Wat
Shakespeare 'the insolence of office', noemde, is een bekoring en een perversie die
ook democratisch verkozen regeerders bedreigt. Elke maatschappij moet zich zelf ordenen.
Dit geldt trouwens ook voor de markteconomie, die ontaardt als zij aan haar spontane
krachten wordt overgelaten. Zonder autoriteit en gezagsuitoefening, uiteraard democratisch
gecontroleerd, kan een samenleving niet in stand worden gehouden. Maar autoriteit wordt
makkelijk macht en macht van mensen over mensen is een hachelijke aangelegenheid. Macht
van mensen lijkt steeds minder aanvaardbaar, tenzij mensen van macht hun macht stoelen op
gezag. Gezag is de resultante van een heel complexe combinatie van kwaliteiten. Om die
reden is gezagvol leiderschap zo veeleisend. De leiders van morgen zullen meer pedagogen
dan demagogen moeten zijn. Het uitdragen van een ethische boodschap over wat mag
veranderen, wordt een veel belangrijker opgave dan het aanvaarden van wat kan veranderen.
Politiek zal dan meer te maken hebben met meta-politiek, dit wil zeggen het overstijgen
van het louter functionele bestuur van de samenleving door de samenleving op te roepen tot
en af te stemmen op de verwezenlijking van gemeenschappelijke waarden. Deze waarden worden
echter bedreigd door de functionele moraal, voor dewelke het doel de middelen heiligt en
waarbij de mens niet zelden wordt geïnstrumentaliseerd.
Een
deontologisch profiel, ethische beginselvastheid, deskundigheid, moed en toewijding worden
de ingrediënten, waaruit de gezagdrager zal dienen gekneed en die meer mens zal moeten
zijn dan menner. De machthebber wordt dan, in dit verhaal, de antiheld.

INHOUD
- Hertekening van de politieke
landkaart.
quo vadis CVP??????? Een uittreksel uit Eyskens'
: 'Het verdriet van het werelddorp', uitgegeven bij het Davidsfonds.
- ** agendapunten
voor een Belgisch buitenlands beleid.
** 'Schild en vriend'. Hoe reageren op
het Amerikaanse plan om een ruimteschild uit te bouwen????

|