politiek economie literatuur Français
kunst politiek stel uw vraag nieuws Français
 


Situering
   

 
POLITIEK


 
agendapunten voor een Belgisch buitenlands beleid

Christen-democratische voorstellen voor Europa

Mark EYSKENS

De gigantische uitbreiding van de Europese Unie tot 30 of meer lidstaten tijdens het eerste decennium van de XXIste eeuw, leidt tot een ware mutatie van de aard van het Europese eenwordingsproces en de natuur van de Europese Unie. Het pan-Europa is in opmars. Meteen worden de sporen uitgewist van de tragische geschiedenis van de XXste eeuw, die Europa en zijn bevolkingen dramatisch had opgesplitst en verdeeld.

De uitbreiding van Europa is dan ook de grootste uitdaging voor het Europese continent sedert de lancering van het Schumanplan nu 50 jaren geleden. De gebeurtenissen treden in een stroomversnelling. Op de inter- gouvernementele conferentie te Amsterdam in 1997 werd gedacht aan een uitbreiding tot 27 lidstaten. De Europese Raad van Helsinki in 1999 ging verder door niet alleen alle landen van Centraal en Oost-Europa en de Baltische staten, maar ook Turkije en aantal Balkanlanden op te nemen in het uitbreidingsperspectief. De tijd komt dat nog meer perifere staten hun opwachting zullen maken, zoals Oekraïne, Macedonië, Moldavië, misschien Georgië... En wat met Rusland op termijn?

Het is evident dat dergelijk uitbreidingsperspectief zeer verreikende gevolgen heeft voor het functioneren van de Europese Unie, de werking van haar instellingen, de democratisering van de besluitvorming, het behoud van voldoende samenhang, het voortschrijden van de integratie volgens een model dat uniek is en kan worden geduid als dat van een confederale federatie of een federatieve confederatie. De integratie-ijver ruimt de plaats voor meer intergouvernementalisme, ingevolge de verzwakking van de commissie, de versterking van de Europese Raad en het toenemend aantal lidstaten. De uitbreiding komt er in elk geval. Is er nog een dilemma tussen uitbreiding en verdieping of wordt de verdieping van de integratie definitief opgeofferd aan de uitbreiding?

De Intergouvernementele conferentie wordt voorbereid, waarop ook België als behoeder van de oorspronkelijke éénmakingsgedachte, een belangrijke rol kan spelen. De standpunten, die de regering Verhofstadt meent te moeten innemen, zijn verdienstelijk omdat zij aansluiten bij het traditionele Europese beleid van België en omdat ze ook rekening houden met de conclusies van het comité van wijzen, dat werd voorgezeten door oud-premier J.L.Dehaene. Maar het is onmiskenbaar dat de houding van de regering uitblinkt door onderschatting van de ware dimensie van de komende uitdagingen en gekenmerkt wordt door een groot gebrek aan verbeeldingskracht en durf. Uiteraard zijn de zogenaamde 'left overs' van Amsterdam heel belangrijk op korte termijn, wil men een uitgebreide Unie behoeden voor verlamming en ondoelmatigheid. De CVP, ook als lid van de Europese Volkspartij, wil meewerken aan het vinden van een oplossing voor deze 'left overs', met name: de veralgemening van de gekwalificeerde meerderheid, de meer beperkte samenstelling van de Europese Commissie en het herwegen van de aan de lidstaten toegekende stemmen bij de besluitvorming in de Europese ministerraden. Maar heel snel zal blijken dat veel grondiger opties moeten worden genomen, dan alleen maar het oplossen van de zogenaamde problemendriehoek van Amsterdam.

Het is zeer jammer dat een samenhangend federaal Europees project niet door de Belgische regering is aanhangig gemaakt, zodat, op dit vlak en vrij onverwacht, het terrein kon worden ingenomen door de groene Duitse minister van Buitenlandse Zaken, Joschka Fischer.

De Vlaamse christen-democraten, bij ontstentenis van voldoende regeringsinitiatieven, willen een aantal concrete ideeën en voorstellen formuleren.

I. De versterkte samenwerking:
     een dynamische Euro-groep.

De elf landen van de EU, die samen de Europese Monetaire Unie (EMU) vormen, moeten krachtig en snel initiatieven nemen ten einde de politieke en dus doorslaggevende kern te worden van de ruimere Unie, die inmiddels op een gefaseerde wijze dient te worden uitgebreid. In het centrum van de Europese Unie moet een groep landen optreden, die zowel op monetair, economisch en sociaal vlak, alsmede inzake buitenlands en defensiebeleid, een determinerende en daardoor een voortrekkersrol speelt en wil spelen. Dergelijk Europa, tijdens een noodzakelijke overgangsperiode, die vooral van vitaal belang is voor de nieuwe en aankomende lidstaten, zou gaan lijken op de Saturnus-planeet: een grote kern in het midden (Euroland), omringd door ringen van nieuwe of mindere geïntegreerde staten. De ringen zouden echter geen concentrische cirkels vormen maar doelen op banen die moeten leiden tot volwaardig lidmaatschap. De juridische formule van een 'Saturnus-constructie' is aangereikt door het Verdrag van Amsterdam (titel VII, artikel 43), dat voorziet in de mogelijkheid voor groepen lidstaten (tenminste 8) om binnen de Unie een 'nauwere samenwerking' (coopération renforcée) tot stand te brengen. Verdragsrechtelijk is voorzien dat in die veronderstelling andere lidstaten, die nog niet mee willen of niet mee kunnen, de meer gevorderde lidstaten niet kunnen of mogen verhinderen voortgang te maken op het pad van de voortschrijdende integratie. Artikel 44 van het Verdrag van Amsterdam beschrijft hoe de besluitvorming dient te geschieden in een Unie waar een groep landen verder wil en kan gaan op het vlak van de integratie, zonder evenwel de andere lidstaten uit te schakelen.

De Belgische regering zou moeten voorstellen het instrument van de nauwere samenwerking toe te passen op twee essentiële domeinen:

** ten eerste het macro-economisch beleid, ter ondersteuning van de monetaire unie en,

** ten tweede, het defensiebeleid, ter ondersteuning van het buitenlandbeleid van de Europese Unie. Evenwel blijkt de Belgische regering op beide domeinen gehandicapt door een geloofwaardigheidsdeficit. Wat betreft het macro-economisch beleid legt de regering Verhofstadt te zeer de nadruk op een uitgavenbeleid dat voorbijgaat aan de oplossing van de sociaal-economische structurele problemen van België. Inzake defensie zijn de aangekondigde hervorming van het Belgisch leger en de verwarde houding van het kabinet inzake de al dan niet vernieuwing van de F16 jachtvliegtuigen, de transportvliegtuigen en de mijnenvegers, niet van aard om aan een Belgische stem in het Europese debat veel krediet te verlenen.

Belangrijk is de opmerking dat de versterkte of nauwere samenwerking niet mag worden ingevoerd als wisselmunt voor de gekwalificeerde meerderheid, die essentieel blijft. Maar bij blokkering van de besluitvorming over essentiële beleiden mag de Unie niet verlamd geraken of verplicht zich af te stemmen op de traagste staat. De versterkte samenwerking is ook een krachtig drukkingmiddel voor alle lidstaten om een maximale inspanning te doen.

II. De complementaire samenwerking.

De lidstaten die - om het Saturnusbeeld aan te houden - tijdelijk in ringen rond de EMU-kern evolueren, zijn verondersteld dit te doen met het oog op hun toenemende convergentie en met het oog op de versterking van de gehele Europese Unie .

Om die reden stellen de christen-democraten voor dat naast het juridisch instrument van de 'nauwere samenwerking', zoals uitgewerkt in artikels 43 en 44 van het Verdrag van Amsterdam, een nieuw en als het ware een parallel juridisch en politiek instrument zou worden gecreëerd, met name dat van de complementaire samenwerking. Voor de landen die niet van meet af aan om allerlei redenen - gebrek aan convergentie, transitiestatuut of eigen nationale politieke optie - tot de kerngroep zouden toetreden, is het van het grootste belang, ook op politiek en psychologisch vlak, dat zij betrokken zouden worden bij een dynamiek van samenwerking, en dus geleidelijke integratie, met de landen van de kopgroep. Het begrip 'complementaire samenwerking' kan ook, in zijn verdragsrechtelijke uitwerking en toepassing, een oplossing bieden voor een hele reeks complexe problemen die zich aandienen in een Europa, dat onvermijdelijk gedurende lange jaren zal bestaan uit concentrische cirkels met variabele meetkunde.

België zou derhalve moeten voorstellen een aantal artikels inzake 'complementaire samenwerking' op te nemen in het verdrag -waarschijnlijk het verdrag van Nice - dat na de eerst volgende inter- gouvernementele conferentie zal worden opgesteld.

Onder de hoofding 'complementaire samenwerking' kan het volledige transitorisch beleid worden ondergebracht, dat toepasselijk is op de landen die, als nieuwe leden, zich via overgangsmaatregelen inschakelen in de Europese Unie. Een analoge toepassing is mogelijk wat betreft de landen die niet of nog niet lid zijn van de monetaire unie of niet of nog niet deelnemen aan het defensiebeleid. De formule van de complementaire samenwerking is ook perfect toepasbaar op de West-Europese Unie, die na de oprichting van een Europese interventiemacht, de overheveling van de Petersbergtaken en de oprichting van een politiek comité voor veiligheid, nog een aantal taken te vervullen heeft, die complementair zijn met het Europese veiligheids- en defensiebeleid. In concreto wordt hierbij verwezen naar artikel V van het gewijzigde verdrag van Brussel in verband met de solidariteit tussen de leden van de West-Europese Unie, de uitbouw en structurering van een Europese pijler binnen de NAVO en het ontwikkelen van contacten en vormen van samenwerking onder de 28 landen die thans reeds op een of andere wijze, als volwaardige leden, als waarnemers of als geassocieerde leden, betrokken zijn bij de werking van de West-Europese Unie.

Ook de niet EU-landen, met wie associatieovereenkomsten werden afgesloten, zouden onder de hoofding van de complementaire samenwerking nauwer bij de Europese Unie kunnen worden betrokken. De complementaire samenwerking moet inzake besluitvorming, eveneens volgens de beginselen van artikel 44 in het Verdrag van Amsterdam, worden ingevuld. Dit betekent dat in vele domeinen tussen enerzijds de landengroep die betrokken is bij de 'nauwere samenwerking' en anderzijds de landengroep, die in aanmerking komt voor 'complementaire samenwerking', beroep zou worden gedaan op het onderscheid tussen 'decision making' en 'decision shaping'.

De landen, die zich scharen onder de 'complementaire samenwerking' zouden ook vormen van samenwerking kunnen organiseren tussen hun nationale parlementen ten einde de democratische controle te verwezenlijken.

Uit contacten gelegd tijdens de jongste bijeenkomst van de assemblée van de West-Europese Unie is gebleken dat secretaris-generaal Javier Solana belangstelling betoont voor het concept van de 'complementaire samenwerking'.

III. Een Monetair akkoord met Groot-Brittannië.

Voor de Britten is de overevaluering van hun munt een zware handicap, die het 'derde weg'-beleid van eerste minister Tony Blair ernstig in het gedrang brengt. Voor de Europese Unie is een zwakke Euro tijdelijk gunstig voor de export. Op termijn zal de geïmporteerde inflatie echter toenemen, zullen de rentevoeten stijgen, wat de groei kan afremmen en zullen de buitenlandse investeerders minder geneigd zijn hun kapitalen toe te vertrouwen aan een economie die winsten uitkeert in een ontwaarde munt. Inzake monetair beleid zijn de belangen van Groot-Brittannië en de lidstaten van de Monetaire Unie nooit zo groot geweest. De houding van de Belgische regering in verband met de europroblematiek is onbestaande en daardoor ook onverantwoord.

Het is evident dat een initiatief tot Politieke Unievorming in de kern van de Europese Unie, via 'nauwere samenwerking', aanzienlijke zou bijdragen aan de geloofwaardigheid en dus aan de sterkte van de Euro op de wisselmarkten. Vanuit een krachtige en geconcentreerde politieke opstelling vanwege de EMU-landen (cfr. de suggesties van de Duitse buitenlandminister J. Fischer) wordt het mogelijk en bovendien hoogst noodzakelijk voorstellen aan te kaarten, die zouden moeten leiden tot een relatieve stabilisering van de wisselkoersverhoudingen tussen de Euro en het Britse Pond. Een poging om hierbij ook de dollar en eventueel de Yen te betrekken moet niet worden veronachtzaamd, maar de kans dat dit mogelijk wordt is wel erg gering. Het oprichten van een heus Muntsysteem tussen deze drie of vier valuta's, waarbij de wisselkoersschommelingen binnen 'enge' marges zouden worden gehouden, lijkt niet erg realistisch. Maar wat kan worden overwogen is het uitwerken van een systeem van solidaire interventies van de centrale banken (de ECB heeft ruime reserves) van de drie of vier betrokken gebieden, waarbij voldoende ruime schommelingsmarges zouden worden verdedigd, die alvast een bodem en een plafond voor de koersafwijkingen zouden bepalen. Thans vlotten de grote munten, inclusief de Yen, tegenover elkaar, zonder enige interventiemarge. Uiteraard wordt hierbij terug gedacht aan de Louvre- en Plazza-akkoorden van medio de jaren tachtig, die gedurende een tijd rust hebben gebracht op de wisselmarkten. Niet alleen de Europese Unie en meer bepaald de EMU hebben belang bij een stabieler koersverloop van de Euro. Ook het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten zouden hierbij hun voordeel doen, omdat aldus de overwaardering van hun eigen munten zou afnemen.

Bij ontstentenis van een akkoord met de Verenigde Staten, dient de Europese Unie alvast uit te kijken naar een afspraak met Groot-Brittannië. Een wisselkoersakkoord tussen Groot-Brittannië en de Europese Unie zou het mogelijk maken de EMU in te brengen in een formule, die de toetreding van het Britse pond tot de Monetaire Unie niet noodzakelijk tot een alles of niets-kwestie maakt. Ook zonder formele toetreding van het Pond tot de EMU zou alvast een grote Europese zone van koersstabiliteit tot stand gebracht worden in het raam van een formule van 12+1 landen.

Deze 12+1 landen zouden ook op politiek vlak, en meer bepaald inzake buitenlands en veiligheidsbeleid de 'Saturnusplaneet', d.w.z. de kern van de EU uitmaken. Het Verenigd Koninkrijk is een onmisbare partner in dergelijke constructie. Via een 12+1-monetair akkoord, wat vanzelfsprekend vanwege de Europese Centrale Bank en de bank of Engeland enige interveniërende inspanning zou vergen, zou de as Parijs-Berlijn worden omgesmeed tot een politieke driehoek Parijs-Berlijn-London, een politieke meetkunde die van het grootste belang is voor de toekomst van het Europese continent, ook wat betreft zijn relaties én met de VS én met Rusland.

 

* Terloops kan nog worden genoteerd dat het voorstel van minister van financiën D. Reynders om ministers te betrekken bij bepaalde werkzaamheden van de Europese Centrale Bank uitermate funest is. Dergelijke maatregel zou leiden tot een regelrechte politisering van het monetair beleid en bijgevolg tot zijn inefficiëntie en ongeloofwaardigheid. Meteen zou ook de geloofwaardigheid van de Euro worden aangetast en zouden stappen worden gezet die volledig indruisen tegen het originele concept van de ECB, met name maximale onafhankelijkheid ten opzichte van de regeringen, zoals dit met succes gedurende lange jaren is toegepast met de Bundesbank in de Duitse bondsrepubliek.

IV. De versterking van de commissie.

De evolutie van de jongste jaren is onrustwekkend voor de Europese instellingen. De Belgische regering is in dit verband veel te lankmoedig. Na de versterking van de communautaire pijler in het Verdrag van Maastricht (de Monetaire Unie), blijkt dat thans de intergouvernementele besluitvorming sterk is toegenomen. Het gewicht van de Europese Raad wordt steeds groter ten koste van de raad van Algemene Zaken (ministers van buitenlandse zaken). Nog onrustwekkender is het verlies aan prestige en invloed van de Europese Commissie, die steeds meer wordt gedegradeerd tot een algemeen secretariaat. De aanstelling van een hoge vertegenwoordiger voor het buitenlands en veiligheidsbeleid is op zich een pluspunt maar dat deze personaliteit zich situeert buiten de commissie en rechtstreeks onderhandelt met de nationale regeringen, werpt een schaduw op het functioneren van de commissie. Tegelijkertijd wint het Europees Parlement aan macht - en dit is een goede zaak - maar dit gebeurt ook ten koste van de commissie. België moet derhalve pleiten voor een versterking van de commissie en haar geloofwaardigheid o.m. dank zij een drastische vermindering van het aantal commissieleden, ook als dat betekent dat op termijn de kleinere landen een commissaris zouden kwijtspelen. Men dient immers te beseffen dat de leden van de commissie volgens de geest en de letter van de Europese verdragen onder geen enkel beding hun eigen land mogen vertegenwoordigen. De formule van één commissaris per land is op termijn contraproductief zodra de Unie zal zijn uitgebreid tot 28 of 30 lidstaten. Bovendien moet de voorzitter zich omringen met een soort kernkabinet. Allerbelangrijkst is het voorstel om de hoge vertegenwoordiger voor het buitenlands en veiligheidsbeleid (Mr Pesc) te integreren in de Europese Commissie en hem tot enige vice-president te maken.

Tegelijkertijd moet België zich verzetten tegen alle pogingen om naast het Europees Parlement een soort Senaat van de lidstaten of een de Tweede Kamer in het leven te roepen, onder het voorwendsel dat die bevoegd zou zijn voor de democratische besluitvorming inzake inter gouvernementele kwesties. Alvast moet verhinderd worden dat de assemblée van de West-Europese Unie in die zin zou gaan evolueren.

Wat betreft de stemprocedure in de Europese ministerraden heeft de Europese Raad van Nice een bijzonder ingewikkelde formule uitgewerkt met een herweging van de stemmen, de invoering van een tweede stemming, die een meerderheid van lidstaten inhoudt en tenslotte een bevolkingstoets, waarbij blijkt dat 38% van de E.U.-bevolking elke belissing kan blokkeren.Dit zijn 'toevallig' drie grote lidstaten, zoals Frankrijk, Duitsland en Egeland, die samen goed zijn voor ongeveer 41% van de EU-bevolking. De belangen van de kleinere lidstaten werden te Nice niet efficiënt beschermd, in tegenstelling tot wat eerte minister Verhofstadt beweert.

V. Een assertief Europees buitenlands beleid.

Aangezien België verzaakt heeft aan het sturen van Belgische militairen naar onze ex-kolonies, is ons land vanzelfsprekend slecht geplaatst om op internationale bijeenkomsten te pleiten voor het op de been brengen van een internationale vredesmacht die zou dienen te waken over de pacificatie in Congo, Rwanda en Burundi.

Maar er zijn andere crisisgebieden waar België wel voorstellen zou kunnen doen. Het is evident dat de diplomatieke rol die Europa zou kunnen spelen in het nabije Oosten, sedert lange jaren onvoldoende uit de verf komt. Nu het vredesproces in dit gebied in een cruciale fase is getreden aangezien Yasser Arafat op 13 september de onafhankelijkheid van Palestina zal uitroepen, is een gedurfd Europees initiatief ongetwijfeld te overwegen.

Waarom stelt de Europese Unie niet voor, in het raam van haar nieuw buitenlands en veiligheidsbeleid om een Europese vredesmacht, liefst onder UNO mandaat, te legeren in het zuiden van Libanon en op de Golan-hoogte. Het vredesproces op basis van 'land for peace' is immers maar mogelijk indien de grenzen tussen de staten in dit gebied voldoende worden beveiligd. Dergelijk gebaar vanwege Europa zou ook de rol van de Europese Unie als vredestichter bevestigen en haar buitenlands beleid een profiel geven, daar waar de EU vandaag vooral betaalt – onder vorm van hulpverlening allerhande - zonder hieruit enig politiek nut te halen.

Mark Eyskens

Agendapunten

De minister van Buitenlandse Zaken van een klein land als België moet in eerste instantie een agitator van ideeën zijn, die op creatieve wijze voorstellen formuleert om, vooral in het raam van de Europese Unie, dossiers zowel procedureel als inhoudelijk dichterbij een oplossing te brengen. Als een voorstel van een Belgisch minister rond de tafel van een Europese ministerraad niet wordt weerhouden, lijdt dit tot een beperkt gezichtsverlies, dat evenwel niet dodelijk is. Een minister van een groter land, zoals Duitsland, Frankrijk of Groot-Brittannië, kan zich dergelijk prestigeverlies veel minder gemakkelijk veroorloven. Het is mijn ervaring dat ideeën gelanceerd en aanvankelijk verworpen, later vaak opnieuw worden opgenomen en bijdragen aan het vinden van werkzame oplossingen. Het is de enige afdoende manier om zich als minister van Buitenlandse Zaken te profileren en de geloofwaardigheid van het gevoerde begeleid de ondersteunen. 'L'imagination au pouvoir', zo luiden de beleidsleuze en de beleidskeuze. Persoonlijke profileringsdrang werkt meestal in het milieu van de Euro-ministers bijzonder negatief en contra-productief.

1. De mensenrechten

Het principieel verdedigen van de mensenrechten door de Belgische diplomatie en haar Minister(s) is toe te juichen . Zelf heb ik als minister van buitenlandse zaken in 1989 scherp gereageerd op het bloedbad aangericht door het Chinese bewind op het Tienanmenplein. Ik heb toen in de schoot van de Europese ministerraad gepleit voor het treffen van sancties tegen China. Mijn reactie was even scherp na het bloedbad op de universitaire campus van Lubumbashi. Op mijn verzoek aan de Zaïrese regering om een internationaal onderzoek te laten plaatsvinden, werd door Mobutu geriposteerd met het opzeggen van de ontwikkelingssamenwerking, wat het begin heeft ingeluid van Mobutu 's ondergang. Tijdens de golfoorlog heb ik eveneens gepleit voor militaire interventie, ook op het ogenblik dat veel westerlingen, inclusief Belgen door Saddam Hussein waren gegijzeld.

De risico's van een scherpe profilering op het vlak van de mensenrechten moeten evenwel zorgvuldig worden ingecalculeerd .

1/ Felle standpunten innemen zonder ruggespraak, eventueel goedkeuring vanwege de overige Europese collega's is bijzonder riskant. Men dreigt alleen op de barricaden achter te blijven.

2/ Een tweede gevaar schuilt in de toenemende ongeloofwaardigheid, zodra de minister van buitenlandse zaken beschuldigd wordt twee maten en twee gewichten toe te passen. Inzake Pinochet nam minister Michel een bijzonder harde houding aan, terwijl de ingewijden wisten dat het hele verhaal toch zou eindigen met de terugzending van Pinochet naar Chili. Inzake Rafsanjani komt de houding van Michel over als veel zachtaardiger, omdat in dit geval de economische belangen zwaar blijken door te wegen. Minister Michel leek onverbiddelijk met Pinochet en Haider, maar betuigde sympathie ten aanzien van Kabila en Kagame.

In het raam van een meer fundamentele visie, die afstand neemt van casuïstiek en diplomatieke podiumkunst, is een structurele aanpak vereist die aansluit bij het bevorderen van alle mogelijke hervormingen die bijdragen aan de uitbouw van een internationale Rechtsgemeenschap. Ten gronde moet de minister van buitenlandse zaken ijveren voor de snelle oprichting van het Internationaal Crimineel Hof.

*Verscheidene malen heb ik in de Raad van Europa gepleit om een intense synergie tot stand te brengen tussen het bestaande Hof voor de Rechten van de Mens en het nieuwe internationaal crimineel Hof, overwegend dat de Raad van Europa reeds 41 leden telt en dat het belangrijk is dat grove schendingen van de mensenrechten ook strafrechtelijk zouden worden gesanctioneerd, op het vlak van individuen en niet alleen op dat van onpersoonlijke Staten en regeringen.

*Tevens moet overwogen worden in het Internationaal Crimineel Hof een Economische Kamer op te richten, bevoegd voor het beoordelen en vervolgen van allerlei economische misdrijven die in het raam van de economische globalisering steeds grotere proporties aannemen, als daar zijn: allerlei vormen van fraude, maffiapraktijken, deloyale concurrentie, industriële spionage, schending van de industriële eigendom, miskenning van elementaire sociale rechten, aantasting van de voedselveiligheid...

2. Afrika

Het hernieuwde belang door Minister Michel gehecht aan Afrika is positief, want noodzakelijk. Onder de vorige regering hebben de socialisten al te zeer een 'out of Africa'-beleid willen voeren, met de wat elementaire argumentatie dat Zaïre de bittere en onverteerbaar geworden vrucht was van het kolonialisme 'de papa', van het kapitalisme, belichaamd door de Generale Maatschappij, en van het clericalisme, gekropen in de huid van de Belgische missionarissen.

Ik blijf voorstander van prioritaire relaties met Congo, Rwanda en Burundi, niet omwille van de mogelijke economische belangen - die de totaal marginaal zijn geworden -maar omwille van humanitaire redenen en het feit dat de Belgen bij de Congolese bevolking nog steeds kunnen bogen op een groot kapitaal van vertrouwen en sympathie.

De steun die minister Michel wil verlenen aan het vredesproces en bijgevolg aan de akkoorden van Arusha en Lusaka, is constructief. De moord op Kabila, die deze akkoorden saboteerde, maakt een diplomatieke oplossing misschien iets minder ingewikkeld. Wel is het zo dat diegenen die Kabila vanuit Belgiê gesteund hebben, uit naïviteit, opportunisme of ideologische vooringenomenheid bedrogen uitkomen. Kabila heeft naar alle waarschijnlijkheid honderden politieke tegenstanders laten vermoorden en hij is verantwoordelijk voor een burgeroorlog die duizenden mensenlevens heeft geëist. Hulde brengen aan zulk een figuur door aanwezig te zijn op zijn begrafenis is een lachertje maken van de verdediging van de mensenrechten.

*Replicerend op de uiteenzettingen van minister Louis Michel, heb ik in het parlement verscheidene malen allerlei voorstellen geformuleerd in het raam van een vernieuwd Afrika-beleid.

1/ Zo vond ik dat het psychologisch erg belangrijk was bij het begin van de nieuwe eeuw en haast 40 jaar na de Congolese onafhankelijkheid, een plechtige en door de media fel gepropageerde boodschap te richten tot de Congolese bevolking. De regering had dit moeten doen, eventueel bijgetreden door het federale parlement. De teneur van dergelijke boodschap zou erin bestaan hebben te stellen dat de bladzijde van het verleden diende te worden gekeerd en dat Belgen en Congolezen samen diende te werken aan een gemeenschappelijke toekomst in een klimaat van vrede, wederzijds begrip, respect en solidaire samenwerking. Maar de buitenkans om dit gebaar te stellen bij de eeuwwende werd door de regering verkeken.

2/ België moet zich aandienen als de behartiger van de belangen van Congo, Rwanda en Burundi in de schoot van de grote multilaterale instellingen: Internationaal Muntfonds, Wereldbank, Europese Unie. België dient ook de pleitbezorger te zijn van een vermindering van de schulden van de armste landen en dus van C,R en B. Tevens is het wenselijk nieuwe Lomé-overeenkomsten af te sluiten, die de westerse markten in ruimere mate openstellen voor de producten van de armste landen. De stabilisatie van de grondstoffenprijzen in het raam van de stabex- en sismin-mechanismen dient eveneens door België te worden aangekaart. Een aantal steunprogramma's van de EU kunnen worden gedeblokkeerd ( 9 miljard BF), indien het vredesproces op gang komt. In het raam van de nieuwe WTO-onderhandelingen moet België optreden als de bondgenoot van de drie landen van Centraal-Afrika. In een klimaat van pacificatie kan ook het IFC, 'international financing corporation' worden ingeschakeld.

3/ Van essentieel belang is het beëindigen van de vijandelijkheden, met name in Congo. België steunt de resolutie van de veiligheidsraad die er moet toe leiden 500 waarnemers en 5. 000 militairen als vredesmacht naar Congo te sturen. Maar waar is de Belgische geloofwaardigheid als we van meet af aan a-priori stellen dat de Belgische regering in geen geval Belgische militairen aan de die vredesmacht zal laten deelnemen???. Deze stelling van 'onthouding' gaat terug tot de vorige regering Dehaene, die een belangrijke conclusie van de onderzoekscommissie inzake Ruanda had overgenomen. De verslaggever van de Rwanda-commissie was Guy Verhofstadt. Het is zeer opportuun, omwille van onze geloofwaardigheid en de verbetering van het Belgische imago bij onze geallieerden, deze principiële houding te wijzigen. Dit betekent natuurlijk niet dat de Belgische regering roekeloos militairen moet inzetten, maar naast de 'burden sharing' ( financiële steun, medische hulp, transport) is er ook zo iets als 'risk sharing' met onze bondgenoten.

4/ Ik heb ook gepleit om onmiddellijk het aantal studie-en stage beurzen toegekend aan studenten uit Congo, Ruanda en Burundi drastisch te verhogen ( b.v. een verdubbeling). Het vormen van een bestuurselite voor deze landen is van kapitaal belang en het is voldoende bekend hoezeer de buitenlandse studenten sympathieën behouden voor België, ook wanneer zij later in eigen land hoge functies gaan bekleden.

5/ Het intensiveren van de ontwikkelingshulp moet gebeuren op een wijze die niet overkomt als politieke steun aan de regimes in de drie voornoemde landen. Daarom heb ik voorgesteld aan de Congolese regering te suggereren om een niet-politieke Hoge Commissaris voor de ontwikkelingssamenwerking aan te duiden, gekozen uit de civiele maatschappij. In België zou een beroep worden gedaan op een gelijkaardige figuur en beide personaliteiten zouden dan pogen, buiten elke politieke contaminatie om, ontwikkelingsprojecten uit te werken. Eenzelfde formule is uiteraard toepasselijk op Ruanda en Burundi.

6/ Ten slotte is het voor België van zeer groot belang dat zijn Afrika-beleid zou kunnen bogen op de steun van de Verenigde Staten en van Frankrijk. Wellicht moeten aan dit lijstje ook Groot-Brittannië wegens zijn invloed op Uganda en Zuid-Afrika worden toegevoegd. Toen ik minister van buitenlandse zaken was, heb ik op een bepaald ogenblik met de Fransen en de Amerikanen een plan uitgewerkt om Mobutu uit Congo te verwijderen naar zijn residentie aan de Azuren Kust, onder het beding dat hij de ceremoniële functie van president zou kunnen behouden maar het feitelijke beleid door de eerste Minister zou worden gevoerd. De Amerikanen hebben respect voor de Belgen omwille van hun Afrika-ervaring.

 

Maar vandaag moet België er bij zijn partners op aandringen dat elke hertekening van de Congolese landkaart, met als gevolg de opsplitsing van Congo en de hergroepering van Centraal Afrika in Staten op etnische basis, totaal onaanvaardbaar is.

3. Europa

Het is vooral op Europees vlak en meer bepaald in het raam van   Inter- gouvernementele Conferenties dat België ideeën en voorstellen kan lanceren. Ik moge er aan herinneren dat ik in 1990, toen begonnen werd met de onderhandelingen over het Verdrag van Maastricht, een zgn. Belgisch memorandum heb geagendeerd bij mijn collega's. Dit werkstuk is in grote mate het stramien geworden van het latere Verdrag van Maastricht, althans wat betreft de pijlerstructuur en de inhoud van de tweede en de derde pijler, door het verdrag uitgewerkt.

Tot op heden is de geschiedenis van de Europese integratie gekenmerkt geworden door drie grote fasen en verwezenlijkingen: de uitbouw van de gemeenschappelijke eenheidsmarkt, vervolgens de oprichting van de monetaire unie en tenslotte de uitbreiding van de Unie tot talrijke nieuwe leden. Aan het begin van de éénentwintigste eeuw kondigt zich een belangrijke nieuwe fase aan: de uitbouwen van een politieke unie die het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid zal gaan voeren. In concreto komt het er op neer de West-Europese Unie functioneel te integreren in de Europese Unie.

Hierbij rijzen evenwel talrijke problemen, die bijzonder complex zijn en een grote verbeeldingskracht vereisen. Hier kan België nuttige compromissen aankaarten.

* Vooreerst moet een oplossing worden gezocht die de structurele synergie tussen het Europees defensiebeleid en de NAVO organiseert. Momenteel blijkt vooral Frankrijk bezwaren te hebben tegen de intrede van de Amerikanen, zonder beslissende stem, in het politieke en veiligheidscomité (COPS) en in het militair comité, die moeten worden opgericht.

* In de huidige situatie zijn er tien de landen van de Europese Unie volwaardig lid van de West-Europese Unie. Deze landen zouden in de schoot van de Europese Unie een defensiekern kunnen vormen, zoals de elf landen, die toetraden tot de monetaire unie, binnen de Unie ook een kern vormen. Die tien Weu-lidstaten zijn bovendien ook lid van de NAVO wat de situatie aanzienlijk vergemakkelijkt en meer bepaald het probleem van artikel 5,1 dat handelt over de solidariteit tussen alle lidstaten, niet onoverkomelijk maakt (de VS zijn met die 10 landen reeds solidair via de NAVO, wat natuurlijk niet kan gezegd worden van de WEU- of EU-leden, die geen NAVO-leden zijn). Maar wat indien artikel V van het Weu-verdrag wordt uitgebreid tot alle leden van de Europese Unie? Dit leidt dan tot een meeslepingseffect, met name in hoofde van de Verenigde Staten, die onrechtstreeks solidair worden met landen, die geen lid zijnde van de NAVO, maar wel lid zijn van de Europese Unie.Het zou de isolationisten in de VS kunnen aanzetten om de NAVO te 'ontkoppelen' van de EU-defensie, wat voor Europa rampspoedig zou zijn.

* Bovendien moet de rol worden bekeken van de zes landen van de huidige Weu die lid zijn van de NAVO, maar niet of nog niet lid zijn van de Europese Unie ( Hongarije, Polen, Tsjechië, Noorwegen, IJsland en Turkije ) en die in de WEU het statuut hebben van geassocieerd de leden. Het probleem met de meeste van deze landen zal natuurlijk opgelost geraken zodra zij lid worden van de Europese Unie.

* Dan zijn er de vijf neutrale landen die in de Weu het statuut hebben van observatoren: Oostenrijk, Denemarken, Finland, Ierland en Zweden, waarvan enkel Denemarken lid is van de NAVO. Hoe moeten deze landen betrokken worden bij een Europees defensiesysteem en meer bepaald bij de vredesmissies in het raam van de Petersbergtaken? (in de Europese ministerraad of er buiten?)

* Een derde groep van landen zijn de zogenaamde partners in de schoot van de WEU, met name Litouwen, Estland, Letland, Bulgarije , Roemenië, Slowakije en Slovenië, allen landen uit het ex-Oostblok en die hun kandidatuur hebben gesteld, zowel voor de NAVO als voor de Europese Unie.

België kan bij het uitdokteren van een efficiënte defensiestructuur interessante voorstellen doen. Zo kan worden overwogen de huidige raad van Ministers van de West-Europese Unie met 28 leden te behouden als een Forum dat op gebied van defensie en veiligheid aan 'decision shaping' zou doen, ter voorbereiding van de echte 'decision making', die in de schoot van de Europese Unie en haar bevoegde ministerraad zou plaatsvinden. De kandidaat- lidstaten van de EU, die bereid zouden zijn deel te nemen aan bepaalde opdrachten, bijvoorbeeld in het raam van de Petersbergtaken, zouden, via de versterkte samenwerking, kunnen betrokken worden bij de besluitvorming in de schoot van de EU, a fortiori wanneer het zou gaan om landen die reeds lid zijn van de NAVO.

* Een ander heikel punt is de democratische, parlementaire controle op het Europese defensiebeleid. Zolang dit beleid intergouvernementeel is, is het evident dat de nationale parlementen een belangrijke vinger in de pap zullen willen houden. Maar tegelijkertijd is de coördinatie tussen deze nationale parlementen vereist, wat het beste kan gebeuren in de schoot van de huidige parlementaire assemblée van de West-Europese Unie. Evenwel bestaat de neiging in de WEU-assemblee om de huidige parelementaire vergadering, die bestaat uit leden van de nationale parelementen, 'up te graden' en te integreren in de EU-verdragen. Men suggereert de oprichting vcan een 'Assemblée Européenne de la Sécurité et de la Défense', (AESD) met vertegenwoordigers van 28 landen.

De Belgische regering moet zich met kracht tegen dit voorstel keren. Want de oprichting van een dergelijke Europese assemblée, bestaande uit vertegenwoordigers van 28 nationale parlementen, zou betekenen dat aan de Europese instellingen – die reeds zo complex zijn - een Tweede Kamer of een Senaat van de Staten wordt toegevoegd, die de spreekbuis zou zijn van de nationale en nationalistisch geformuleerde belangen. Dergelijke assemblée zou haar bevoegdheden snel uitbreiden tot al wat niet-communautaire is en aldus een tegenpool vormen ten opzichte van het Europees Parlement. Voor het inter-gouvernementele zijn de nationale parlementen bevoegd, die hun ministers democratisch controleren. Dit is de logische methode.

Het is uiteraard belangrijk om samen te werken met het Europees Parlement dat er ongetwijfeld naar zal streven het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie te onderwerpen aan zijn toezicht en controle. Een formule is denkbaar waarbij vertegenwoordigers van de nationale parlementen betrokken worden bij de werkzaamheden van bepaalde commissies in het Europees Parlement ten einde hun stem te laten horen in materies, zoals het defensiebeleid, die nog niet gecommunautarizeerd zijn. Niets belet dat de huidige WEU-assemblee blijft bestaan als een consultatief ontmoetingsforum tussen de 28 parlementen.

In al deze concrete en complexe dossiers kan België nuttige suggesties ter tafel leggen.

* Last but not least zijn er de budgettaire consequenties van de uitbouw van een geloofwaardige Europese defensie-identiteit. De bevolking is gaan geloven, na het einde van de Koude Oorlog, dat een groot vredesdividend beschikbaar was en dat de afschaffing van de militaire dienstplicht tot grote budgettaire besparingen zou leiden. Niets is echter minder waar, zeker wat België betreft. Europa in het algemeen blijkt een grote technologische achterstand te hebben tegenover de Verenigde Staten en België in het bijzonder is een van de landen van de NAVO dat de geringste budgettaire inspanning heeft gedaan wat betreft het op peil houden van zijn militaire uitrusting. De beslissing van de regering om momenteel niet deel te nemen aan de vernieuwingsprogramma's van het F-16-jachtvliegtuig, staat haaks op de logische gevolgen die uit een gemeenschappelijk Europees veiligheidsbeleid zouden moeten getrokken worden. De Belgische geloofwaardigheid komt andermaal ook op dit vlak zeer gehavend uit de discussie onder de multilaterale decision makers.

4. Rusland-beleid

De veiligheid van Europa hangt niet alleen af van het behoud van een goede samenwerking met de Verenigde Staten van Amerika. Wat Europa, vooral inzake zijn buitelands en veiligheid beleid nodig heeft, is niet minder Amerika maar wel meer Europa. Daarnaast en wellicht 'daarboven' is het overduidelijk dat de toekomstige veiligheid van het Europese subcontinent in grote mate zal worden bepaald door onze relaties met Rusland. Het beleid van de Russische President Poetin is momenteel onvoorspelbaar. Maar na de vernederingen die Rusland heeft moeten ondergaan sedert de implosie van het communisme en de explosie van de Sovjet-Unie, blijkt het nationalisme in dit grote land de dominerende politieke tendens. Een combinatie van gekrenkt nationalisme en nostalgisch communisme, in een land dat beschikt over 10 000 kernkoppen, vormt een explosieve cocktail: het nationaal-communisme. Maar een agressief nationaal kapitalisme, in een land beheerst door de maffia, is eveneens zeer onrustwekkend. Het is niet uitgesloten dat Poetin, na de jaren van chaos, een 'Bonapartistische restauratie' doorvoert, wat trouwens beantwoordt aan het sjabloon van elke grootscheepse revolutie. Elke autoritaire afglijding van Rusland, ook zonder ideologische kenmerken, is beangstigend, des temeer omdat, in die hypothese, de landen van het ex-Oostblok uit een begrijpelijk angstreflex al het mogelijke zullen doen om zo snel mogelijk volwaardig lid te worden van de Europese Unie, met alle destabiliserende gevolgen van dien.

België zou een intelligent Rusland beleid kunnen ontwikkelen, met voorstellen en initiatieven die het voor kan leggen aan de Ministers van de Europese Unie. Allerlei 'confidence building measures' ten aanzien van Rusland zijn denkbaar, vooral wat betreft het opleiden van een nieuwe Russische elite op het stuk van de rechtsbedeling, het management, het economisch en sociaal beleid, het milieubeheer. Inzake een verdere uitbreiding van de NAVO tot landen van het ex-Oostblok is de grootste omzichtigheid en terughoudendheid geboden.

5. Het departement van Buitenlandse zaken.

*Alle voorgaande beschouwingen leiden tot een belangrijke conclusie: het ministerie van Buitenlandse Zaken van België heeft nood aan de uitbouw van een echte 'think tank', waar diplomaten-specialisten van het departement maar ook deskundigen uit andere gremia zouden reflecteren over de evoluties, de scenario's en de opgaven van België en de Europese Unie in de wereld van morgen. Zelf heb ik pogingen gedaan om een dergelijke 'think tank' in het leven te roepen maar snel bleek dat de input vanwege personen, die niet behoorden tot het departement, niet konden worden geïntegreerd in het team. Tegen hen gold het NIH-bezwaar en de bureaucratische opwerping: 'not invented here' .

Een laatste suggestie: In een federaal land ligt het voor de hand dat alle diplomaten actieve tweetaligen zouden zijn (N en F). In die veronderstelling is het logisch de taalrollen af te schaffen. Alle diplomaten zouden om de vijf jaar getest worden op hun effectieve tweetaligheid door een onafhankelijke jury en bij mislukking worden afgevoerd naar de binnendienst van het ministerie, tot ze (opnieuw) voldaan zouden hebben aan de taalvereisten. De 'politieke kleur' van de diplomaten moet behoren tot hun beschermde privacy. Elke verwijzing hiernaar bij benoemingen of bevorderingen moet gelden als een motief voor vernietiging van rechtswege. Naar het voorbeeld van de magistratuur moet een hoge raad voor de diplomatie worden opgericht, die bindende voorstellen doet aan de minister. Zo'n hoge raad zou trtouwens kunnen worden opgericht voor het gheel van de federale administratie , met benoemings- en bevorderingsbevoegdheden vanaf b.v. de graad van inspecteur-generaal.


top

 

INHOUD  

  1. Hertekening van de politieke landkaart.
    quo vadis CVP???????

    Een uittreksel uit Eyskens' jongste boek: 'Het verdriet van het werelddorp', uitgegeven bij het Davidsfonds.

  2. **    agendapunten voor een Belgisch buitenlands beleid.

    **    'Schild en vriend'. Hoe reageren op het Amerikaanse plan om een ruimteschild uit te bouwen????

  3. Tien jaar na de val van de Berlijnse muur. Herinneringen en ontroeringen
  4. Verkiezingsuitslag
    1. Waarschuwing
    2. Kiespijncampagne
  5. Standpunten
    1. Kosovo
    2. Een gewonde en gekwetste beer

 


top