politiek economie literatuur Français
kunst politiek stel uw vraag nieuws Français
 


Situering
   

 
POLITIEK - STANDPUNTEN


 

 

NON en NEEN

De Europese stier wordt zondebok

 

De mislukte Europese referenda in Frankrijk en Nederland bewijzen de onvrede van brede lagen van de bevolking met het gevoerde beleid of preciezer met het onvermogen van dat beleid om de huidige problemen op te lossen en aankomende dreigingen weg te nemen. Daarbij worden de eigen regeringen in eerste instantie geviseerd en de referenda  boden een welkome gelegenheid om de zittende kabinetten af te straffen. Wat andermaal ten overvloede aantoont dat een referendum over een Europees verdrag makkelijk van zijn doel wordt afgewend en wordt misbruikt. Nationale parlementsverkiezingen dienen om nationale regeringen te beoordelen. In een representatieve democratie moet men de volksver- tegenwoordigers hun verantwoordelijkheid laten opnemen, wat de mogelijkheid inhoudt dat ze ex post door de kiezers worden gesanctioneerd. In 1950 werd  het Schumanplan gelanceerd met de bedoeling een Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) op te richten en aldus een begin te maken met de Europese integratie. Indien hierover toen een volksraadpleging had plaats gevonden in respectievelijk Frankrijk en Duitsland, is het meer dan waarschijnlijk dat de (geniale) gedachte van Jean Monnet om de twee industriële basissectoren van toen onder één gemeenschappelijk en supranationaal gezag te plaatsen, met klank door het Franse en Duitse volk – lange tijd aartsvijanden – zou zijn verworpen. Met als gevolg dat de éénmaking van Europa nooit van de grond zou zijn gekomen.   

De Fransen stemden dus ‘neen’, maar niet in eerste instantie tegen de Europese grondwet. Met weinig woorden zegden zij ‘zut’  tegen de eigen regering Raffarin en haar bewind en tegen het concept van een verondersteld te liberaal Europa.  Het referendum werd een Raffarindum, waarbij vooral de Franse president J. Chirac in de klappen deelde.  Zijn verholen ambitie om in 2007 andermaal te kandideren voor het Franse presidentschap mag hij nu wel opbergen. Wat in Frankrijk gebeurde is vooral een voorbeeld van wat ik ook in België wel eens heb aangeklaagd: de ‘verbinnenlandsing’ van de buitenlandse politiek.  Maar de politici hebben die in de hand gewerkt door in Frankrijk, zoals in veel andere Europese landen, steeds met de beschuldigende vinger te wijzen naar ‘Brussel’ en naar Europese beslissingen, als het erop aankomt in eigen land onpopulaire maatregelen te treffen.  Het stabiliteitspact, dat het begrotingstekort beperkt tot 3% van het BNP, en het programma van  Lissabon, dat de Europese economie structureel wil moderniseren, werden als autoriteitsargumenten ingeroepen om onpopulaire maatregelen in eigen land te rechtvaardigen. De Bolkesteinrichtlijn van haar kant, die poogt een grote dienstenmarkt te creëren, werd gediaboliseerd, zelfs door J. Chirac. En V. Giscard d’Estaing, die zich graag aandient als de vader van de Europese Grondwet, heeft zich bij herhaling verzet tegen een mogelijke toetreding tot de EU van Turkije. In de Franse publieke opinie werd aldus een verband gelegd tussen de goedkeuring van het grondwettelijk verdrag en het lidmaatschap van Turkije, ofschoon beide dossiers met elkander niets te maken hebben. Giscard heeft door zijn optreden alvast een grote flater begaan en argumenten toegespeeld aan de tegenstanders van het Europese reilen en zeilen. In Nederland heeft zich een gelijkaardige evolutie voorgedaan. De jongste jaren werd het land van het poldermodel – eens een voorbeeld voor de natiën van Europa – uit zijn hengsels gelicht door het plotse oprijzen uit het niet van Pim Fortuyn,  populistische ster aan het politieke firmament, gevolgd door de schandelijke moordaanslag op de man in kwestie. En nauwelijks was dit trauma enigszins weggeëbd of Theo van Gogh werd neergeknald in de straten van Amsterdam. In Nederland lijkt de maatschappelijke malaise hoofdzakelijk gericht op de moeilijkheden rond multiculturaliteit, waarbij de kreet ‘Nederland is vol’ veel Nederlanders instemmend deed knikken en de regeerders met verwijten overlaadde. Een complex samenspel van factoren verwekte aldus ruim ongenoegen over de maatschappelijke gang van zaken en uiteindelijk ook over Europa, verergerd door ontgoocheling en angst en alvast het wijd verspreide gevoel dat Europa niet in staat is om de maatschappelijk en sociaal nare gevolgen van de globalisering weg te werken of om te buigen.  Extreem-links en extreem-rechts waren de pleitbezorgers van het ‘neen’ in Frankrijk.  Hun standpunten waren nochtans niet tegengesteld, zoals veel waarnemers en politici hebben beweerd. Zij waren veeleer complementair, zoals ook in België.  Extreem-links en in grote mate centrum-links willen  een nationaal  beschermingsbeleid tegen de sociale gevolgen van de mundialisering van de economie.  Er wordt geijverd voor een impliciet of openlijk beleden protectionisme in een aantal industriële sectoren, zoals dit steeds het geval is geweest voor de Europese landbouw. Links pleit opnieuw voor neo-etatisme, liefst gevoerd door de eigen nationale regering in eigen land, hogere overheidsuitgaven (investeringen) en het geven van politieke richtlijnen aan de Europese centrale Bank. Extreem-rechts is dan weer de protagonist van  cultureel protectionisme en kant zich tegen de immigratiestromen en de multiculturaliteit, die nochtans een onomkeerbaar feit is geworden.  Extreem-rechts wil eigenlijk een beleid van apartheid, dat duidelijk xenofobe kenmerken vertoont en waarbij immigranten en andere culturen en godsdiensten makkelijk worden gediscrimineerd. Beide extremismen vinden elkaar in hun anti-Europese opstelling.

Aan de bevolking is onvoldoende uitgelegd dat zonder geïntegreerd Europa en met name  zonder een gemeenschappelijke euromunt de afzonderlijke Europese landen totaal ongewapend zouden worden overgeleverd aan de mechanismen van arbeidsherverdeling in de wereld ten voordele van goedkope en jonge landen.  Het is ongenoegzaam bekend hoezeer landen als Spanje, Portugal, Griekenland en Ierland sedert hun toetreding tot de Europese Unie de welvaart van hun bevolkingen hebben weten te verhogen. Ierland is thans het land van de EU met het tweede hoogste inkomen per hoofd.  Ook heeft de bevolking niet begrepen dat de Europese grondwet institutioneel gesproken de overgang moet mogelijk maken van het oude Europa naar het nieuwe. Het oude Europa dat ontstaan is rond de as Parijs-Bonn en de Duits-Franse verzoening was het kind van de twee wereldoorlogen en van de Koude Oorlog.  Bij wijze van antithese kan men stellen dat vadertje Stalin, als boeman, ook behoort tot de founding fathers van het verenigde Europa. Toen was Europa een zichzelf beschermend bolwerk,begrensd door het IJzeren Gordijn en de muur van Berlijn.  Sedert de implosie van het communisme en de explosie van de Sovjet-Unie is een totaal nieuwe toestand ontstaan, niet langer van begrenzing maar wel degelijk van ontgrenzing, waarbij de politiek en moreel nodige uitbreiding van de Unie niet langer beantwoordt aan geografische normen maar steeds meer aan gemeenschappelijke gedeelde waardeschalen. De toetreding van Turkije is op dit punt ee heel belangrijke testcase.  Maar ook als dit land aan alle gestelde voorwaarden zou voldoen, is het vandaag niet waarschijnlijk dat met name de Fransen bij een nieuw referendum het licht op groen zouden zetten voor dit land,dat nochtans grote inspanningen levert op het vlak van de democratisering.  Een van de gevolgen van het negatieve referendum in Frankrijk van 29 mei zou kunnen zijn dat Turkije uiteindelijk terecht komt in een fundamentalistische houdgreep,  wat Europa heel zuur zou kunnen opbreken.

Het is natuurlijk juist dat de werking van de Europese instellingen voor de burger erg ondoorzichtig en dat de tekst van de voorliggende grondwet bijzonder omvangrijk en onleesbaar zijn. Zo’n document voorleggen aan een referendum waarbij met ja of neen dient geantwoord, is bijzonder ongenuanceerd. Een referendaire raadpleging van de bevolking is niet per se een oefening in democratie. Vaak is het een demagogisch maneuver of een tactiek om politieke tegenstrevers in moeilijkheden te brengen. In Frankrijk poogde president Chirac de socialistische partij te verdelen over de Europese Grondwet, maar hij kreeg de boomerang in eigen gezicht. In Nederland ging het om een niet bindend referendum, maar dit is een louter formeel standpunt. Het is een politieke evidentie dat wanneer een significante meerderheid zich uitspreekt tegen zoiets belangrijks als een ontwerp van Europese Grondwet, de regeerders verplicht zijn hiermede rekening te houden.

Vaak wordt een referendum aangeprezen met het argument dat wat moet worden gedaan aan het Europese democratische deficit. En het is juist dat zolang er geen echte Europese regering bestaat, die verantwoordelijk zou zijn voor het Europese parlement, de Europese beleidsinstellingen onvoldoende geconfronteerd worden met een ‘counter vailing power’. Toch lijkt het mij overdreven te gewagen van een democratisch deficit in Europa. Het Europees parlement telt ongeveer 750 rechtstreeks verkozen leden en de nationale parlementen, die de Europese aangelegenheden op de voet volgen in de 25 lidstaten, zijn samen goed zijn voor circa 10 000 parlementsleden. Er is geen onder- maar veeleer oververtegenwoordiging. De Grondwet voorziet bovendien dat 1 miljoen Europese burgers verdeeld over diverse Europese landen bij petitie de Europese Commissie kunnen dwingen bepaalde initiatieven te nemen.  Wel is er een enorm informatie- en pedagogisch deficit. Politici, media en het onderwijs dragen hier een grote verantwoordelijkheid.  Men bestuurt Europa, Men beslist, Men decreteer boven de hoofden van de mensen. ‘Brussels has decided’. Er bestaat zoiets als de heerschappij van Men, een haast abstract, non-figuratief bewind. De Europese burgers  lijden aan ‘vermenning’, een maatschappelijke aliënatie die typisch is voor hoogtechnologische samenlevingen.

Wellicht zal de ratificatieprocedure nu verder worden afgewerkt in de andere landen.  Op  1 november 2006 zal dan de Europese Raad de toestand evalueren, zoals is voorzien in een bijlage (n°30) bij het ontwerp van Europese grondwet. Indien meer dan vijf lidstaten inmiddels de grondwet hebben verworpen, worden de boeken gesloten en wordt het bord af- geveegd.  Indien minder dan vijf lidstaten de grondwet hebben verworpen, moet men zich beraden over alternatieven.  Een mogelijkheid bestaat erin een methode toe te passen die werd gebruikt na de Deense afwijzing van het Verdrag van Maastricht in 1992 en de Ierse afwijzing van het verdrag van Nice in 2 001.  Men heeft toen niets aan de verdragsteksten gewijzigd maar er werden plechtige verklaringen opgesteld en teksten goedgekeurd die op bepaalde punten tegemoet kwamen aan de zorgen uitgedrukt door hoger vermelde landen.  De vraag is of zo’n procedure toepasbaar is op het Franse geval, indien Frankrijk, bij monde van zijn regering,  helemaal de interventionistische en antiliberale toer op zou gaan en daardoor frontaal zou ingaan tegen het beleid van een paar andere regeringen in Europa zoals onder meer de Britse, de Italiaanse en de toekomstige Duitse regering van CDU-signatuur. Men kan natuurlijk ook een comité van wijzen aanduiden die pogen een alternatief uit te werken. Daarbij zou een aantal essentiële hervormingen, noodzakelijk om de instellingen in een uitgebreide Unie te laten werken,  worden ondergebracht in een mini-verdrag dat dan opnieuw aan de ratificatieprocedure in de lidstaten zou worden onderworpen.  Bij dit alles blijkt dat de gestrande Grondwet ook een aantal lacunes vertoonde. Niets is immers voorzien om in de toekomst te vermijden dat basisteksten kunnen worden geblokkeerd door een of een beperkt aantal lidstaten.  In de Verenigde Staten van Amerika kan de grondwet worden gewijzigd zodra twee derden van de leden van het Congres en twee derden van de deelstaten zich hierover positief uitspreken. Iets dergelijks moet ook in de EU worden ingvoerd.

Inmiddels valt te verwachten dat het ontwerp van Grondwet geruime tijd op een lager pitje zal blijven sudderen of in de koelkast zal worden gestopt. De sfeer dreigt bovendien zeer grimmig te worden voor het oplossen van een paar brandend actuele problemen zoals de financiering van de Unie tijdens de periode 2 007-2013.  Na het Franse veto over de Grondwet lijkt een consensus tussen de grote lidstaten over de budgettaire uitgaven verder verwijderd dan ooit. En indien bepaalde regeringen een nationaal, protectionistisch, subsidiërend en interventionistisch economisch beleid zouden gaan voeren teneinde opnieuw de sympathie te winnen van de kiezers, en met name het stabiliteitspact en het program van Lissabon zouden  los laten, dreigt  het hele Europese gebouw aan het wankelen te worden gebracht, te beginnen met de Monetaire Eurozone. Dan zou de crisis van de Welvaartsstaat in Europa wel eens tragisch om zich heen kunnen grijpen.

De kans dat het grondwettelijk verdrag ooit tot  Europese Grondwet wordt lijkt mij vandaag zeer gering. Een afwachtende houding aannemen en de EU in een winterslaap wiegen tot 2006 (of later)  lijkt mij onverantwoord, gezien de enorme beleidsuitdagingen waarvoor de EU staat. (1) Er moet dringend een akkoord worden gevonden tussen de 25 lidstaten over de financiering van de Unie tijdens de periode 2007-2013. (2) Met het program van Lissabon als uitgangpunt moet een drastisch beleid van modernisering van de Europese economie worden nagestreefd, met de klemtoon op innovatie, betere competitiviteit en hogere groei. (3) Tegelijkertijd moeten de lidstaten vanuit de Unie geholpen worden om de problemen inzake veroudering, financiering van de welvaartsstaat, werking van de arbeidsmarkt, verhoging van tewerkstelling en tewerkstellingraad, krachtig aan te pakken.

De regeringen van de 25 lidstaten dienen samen met de Europese commissie vrij snel een alomvattend Europees relanceplan uit te werken rond de hierboven geschetste thema’s. Eens dit plan vastgelegd moet worden uitgemaakt welke institutionele verbeteringen moeten worden aangebracht aan de huidige werking van de EU, ook rekening gehouden met de recente en toekomstige uitbreiding van de EU. Ik stel dus voor de volgorde om te keren: eerst een nieuw beleid uitstippelen en vervolgens de werkwijze van de Unie aanpassen, zo nodig met een pragmatisch en beperkt verdrag. Het zou b.v. zeer opportuun zijn een beperkte fiscale bevoegdheid toe te kennen aan het Europees parlement met het oog op de financiering van de Europese begroting.

  Indien over zulk een globaal Europees herstelplan geen eenparige consensus mogelijk is, kan men in het raam van de verdragen van Amsterdam en Nice een ‘versterkte samenwerking’ organiseren van die lidstaten, die wel gezamenlijk resoluut voortgang willen maken, die de problemen wensen aan te pakken en de geloofwaardigheid van de Unie wensen te versterken. De kans is groot dat Frankrijk alsdan bijdraait, hopelijk gevolgd door Groot-Brittannië. De Europese Grondwet in dat perspectief verliest veel van haar dringendheid en kan in gunstiger tijden weer worden opgenomen, eventueel in een aangepaste versie.

 

Volgens de Griekse mythologie heeft Zeus, de god van de Olympus, de mooie godin Europa de gedaante gegeven van een onstuimige stier. Vandaag lijkt de Europese stier door de god van de democratie gedegradeerd tot een gecomplexeerde zondebok. Een spoedbehandeling is gewenst. 

 Mark  Eyskens

Minister van Staat

 

 L’ONITUDE

 

 Le rejet par les Français et les Néerlandais du traité établissant une constitution européenne a incité beaucoup d’observateurs a soumettre nos opinions publiques a un véritable examen psychanalytique, digne du divan du Dr Freud. Le mécontentement largement répandu a de nombreuses causes, telles le chômage persistant nonobstant les promesses réitérées faites par  la classe politique de le résoudre, l’angoisse face aux conséquences souvent mal perçues et mal expliquées de la globalisation, la peur de perdre les droits acquis propres à l’Etat de Providence, l’allergie à la société multiculturelle et ses flots d’immigrés, le  manque de passion pour une Europe bureaucratique, dont on croit qu’elle coûte chère et qui semble se diluer, au moins géographiquement. Ce désenchantement cache toutefois un phénomène beaucoup plus grave, à savoir une crise de la démocratie représentative, due au distanciement profond entre le pays légal et le pays réel. Certes, cette crise fut par le passé souvent latente dans nos démocraties. Elle fut par ailleurs exploitée par des populistes (‘je suis leur dirigeant ; donc je les suis !’) et par des apprentis autocrates de droite et de gauche. Mais il est évident que depuis la fin de la guerre froide et la disparition de la menace apocalyptique d’une conflagration thermonucléaire, les facteurs rassembleurs autour de leaders crédible se sont considérablement étiolés en Europe.  S’ajoute à cela l’extraordinaire complexification de nos sociétés contemporaines, jetées dans un océan démonté de changements et de mutations tous azimuts. Il arrive en plus que les démagogues en politique portent ombrage aux pédagogues qui tentent d’expliquer de manière nuancée quels sont les vrais défis et les solutions possibles et impossibles. Mais plus fondamentalement nos sociétés actuelles semblent confrontées à un problème plus structurel: celui de l’incommunicabilité de certaines questions. A une prochaine occasion je m’étendrai davantage sur  la loi de la décroissance du savoir relatif,  paradoxe de nos sociétés de la connaissance. Je me limiterai maintenant à un autre aspect fondamental de la crise de la démocratie représentative, que j’ai appelé l’onitude ou le règne d’ON‘, dans un livre déjà publié il y a vingt ans sous le titre ‘La Source et l’Horizon’ (Duculot 1985).

Le mal qui frappe les Européens et qui sape leur énergie et confiance, est l’onisation ou la domination du ON, à savoir la dépersonnalisation secrétée par le fonctionnement particulièrement complexe et opaque de la société d’aujourd’hui.  Le citoyen se sent réduit à une composante infinitésimale d’un immense rouage social, ayant atteint les dimensions d’une Europe de 450 millions d’habitants. Il se sent devenir une miette, divisé et sectionné mais aussi regroupé et immergé contre son gré dans de vastes ensembles sociaux, dans des organisations institutionnalisées et des technostructures labyrinthiques. Il éprouve le pouvoir, bien que démocratiquement mandaté, comme une autorité abstraite et incompréhensible dans ses desseins et décisions. On gouverne, On administre, On décrète, On impose, On réglemente, Brussels has decided, comme l’annoncent les radios tous les jours. Le pouvoir exercé à force de législations et mesures non transparentes, ressemble a un tableau non figuratif, alors que les hommes politiques montrent leur figure tous les soirs à la télévision.  La constitution européenne, contestée, est un bel exemple d’onitude dans la mesure où il s’agit d’un texte de 481 pages, abscons et illisible, que l’ON exige des électeurs d’approuver ou de rejeter par un simple ‘oui’ ou ‘non’. Il est vrai que les hommes et les femmes politiques sont souvent eux-mêmes victimes d’onisation, en ce sens qu’ inévitablement limités par leur propre spécialisation, ils se trouvent contraints d’approuver des lois ou d’entériner des mesures, dont ils sont incapables de jauger convenablement la portée.

L’onisation de la personne humaine dans nos sociétés démocratiques se présente également dans les autres structures organisationnelles. La grande entreprise, l’université, l’administration, les syndicats, les églises, les hôpitaux …subissent les effets de l’onitude croissante. Ce phénomène, caractérisé per un exercice ‘mécaniste’ du pouvoir anonyme, bien qu’incarné par des responsables qui souvent parlent pour ne rien dire, accable le citoyen. Il en résulte au 21ème siècle une aliénation plus grave et plus difficile à combattre, que les aliénations, par ailleurs d’une autre nature, dénoncées par Karl Marx au 19ème siècle. La réaction collective des citoyens étant de se vouer à un individualisme estimé protecteur et souhaité protectionniste.

Que faire face à cette onitude rampante? La réponse à cette question risque d’être extrêmement complexe à formuler et davantage à mettre à exécution, ce qui pourrait ajouter à l’onisation généralisée. Je reviendrai sur ce paradoxe à une autre occasion.

 

Mark  EYSKENS

Ministre d’Etat             

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Fundamentalisme in de politiek

 

 

Prof. Mark Eyskens

Minister van Staat

 

 Fundamentalisme, integrisme en islamisme

 

Het woord 'fundamentalisme' is van christelijke oorsprong. Het is bijzonder nuttig dit vandaag in herinnering te brengen. De term fundamentalisme werd in omloop gebracht in de schoot van de hoofdzakelijk protestantse, Angelsaksische christelijke kerken aan het begin van de twintigste eeuw. Fundamentalisme betekende de terugkeer naar de fundamenten van het ware geloof en zijn schriftelijke bronnen en verwees naar een conservatieve godsdienstige gedachtestroming, die de schat van het geloof onveranderd wilde behouden. Het fundamentalisme was echter ook een verzamelnaam voor een aantal christelijke religieuze organisaties en bewegingen, die kritisch stonden tegenover het 'modernisme', met name de invloed van de moderne wetenschap op het wereld- en godsbeeld, de conclusies van de interpretatieve exegese van de heilige schrift en de psychologische en socio-culturele verklaringen van de 'godsdienstigheid' als collectief en individueel verschijnsel. Weldra bleek ook de katholieke kerk in bepaalde van haar geledingen -- vaak de hogere clerus en curieverantwoordelijken in de schoot van het Vaticaan – instemming te betuigen met zeer behoudsgezinde standpunten. De christelijke fundamentalisten stonden op een letterlijke lezing van het oude en het nieuwe testament en onderstreepten het belang van de geloofsdogma's en de noodzaak de geloofsleer krachtig te verdedigen. De democratische ontwikkelingen in de westerse samenlevingen en de sociale ontvoogdingsstrijd van de arbeiders werden met argusogen bekeken, vooral in de 19de eeuw. Op zedelijk vlak en meer bepaald wat betreft de seksuele moraal bleek hoofdzakelijk de katholieke kerk vast te houden aan principiële normen, die door heel veel gelovigen als wereldvreemd werden ingeschat. Maar het is vooral de verspreiding van de evolutieleer van Charles Darwin, die een fikse controverse verwekte. Voor orthodoxe christenen was de 'wetenschap' dat de mens niet rechtstreeks door God geschapen was, maar integendeel het product was van een zich over miljarden jaren uitstrekkende evolutieproces, sedert het ontstaan van de eerste levende cel op aarde, totaal onaanvaardbaar. Tot op heden bloeien trouwens creationistische bewegingen, vooral in de Verenigde Staten, die de evolutieleer blijven verwerpen (ook al heeft Paus Johannes-Paulus II er zich positief over uitgelaten), zoals in de 16de en 17de eeuw veel gelovigen ongelovig reageerden op de ontdekkingen van Copernicus en Galileï.

Naast het fundamentalisme, is er ook sprake van katholiek 'integrisme', een strekking die oorspronkelijk meer politiek gericht was en ontstaan is in het Spanje van de 19de eeuw. De integristen in de toenmalige katholieke partijen ijverden ervoor om het katholicisme te verheffen tot staatsgodsdienst en aldus de scheiding tussen Kerk en Staat, opgedrongen door de Franse revolutie, op te heffen. Zij verzetten zich ook tegen moderne maatschappelijke ontwikkelingen en vonden gehoor bij de toenmalige Paus Pius IX onder meer in zijn berucht herderlijk schrijven 'Syllabus', waarin hij zich kritisch uitliet over de democratie.

In meer recente tijden was de 'kerk' van bisschop Lefèbvre een uitvloeisel van vormen van katholiek fundamentalisme, als reactie op doctrinaire en liturgische vernieuwingen, doorgevoerd door het tweede Vaticaans concilie.

*

Het is evenwel vandaag bijna steeds met verwijzing naar de islam dat het woord fundamentalisme wordt gebruikt, naast integrisme en islamisme. Vanuit een christelijk standpunt vereisen de oprechtheid en de openhartigheid, in het raam van een dialoog met moslimverantwoordelijken, dat duidelijk wordt gesteld hoezeer religieus fanatisme in het eigen verleden van het christelijke Europa onheil heeft aangericht: innerlijke verscheurdheid tussen katholieken en protestanten, tussen christenen en orthodoxen, de talrijke en bloedige godsdienstoorlogen en de inquisitie en de brandstapels. En ook moet ruiterlijk erkend dat de beruchte christelijke kruistochten, in een veel verder verleden, ter verdediging van de heilige plaatsen, met schandelijke schendingen van de mensenrechten gepaard zijn gegaan.

Bij dit alles rijst de vraag - en ze wordt vaak gesteld in niet-christelijke en atheïstische kringen maar ook o.m. door de studenten op onze (katholieke) universitaire campussen - of godsdienst en godsgeloof niet haast vanzelfsprekend moeten leiden tot onverdraagzaamheid en vormen van agressie, gegeven de talrijke historische voorbeelden. Met name aan de monotheïstische godsdiensten, het jodendom, het christendom en de islam, wordt verweten dat zij, steunend op een geopenbaarde waarheid, makkelijk aanspraak maken op onfeilbaarheid en geprivilegieerd waarheidsbezit, dankzij een verbond afgesloten met God, de almachtige. Zulk een 'Gott mit uns'-interpretatie, die terug gaat tot een letterlijke lectuur van het oude testament, blijkt evenwel vandaag in de christelijke theologie en waardenbeleving achterhaald. God is in eerste instantie liefde en deze liefde richt zich op de medemens, die via deze liefde Gods beeld weerkaatst. In deze opvatting is vanzelfsprekend geen ruimte voor haat, agressie en blinde geweldpleging. Want godsdienst is eveneens mensdienst, waarvan verdraagzaamheid en wederzijds begrip essentiële aspecten zijn. De overtuiging dat men het monopolie van de waarheid bezit, leidt makkelijk tot de 'hubris' van dogmatisme en tot machtsdenken, dat tot in structuren, instellingen en hun politieke inbedding wordt doorgetrokken.

Moslimleiders hebben niet helemaal ongelijk als zij het Westen ethische hypocrisie aanwrijven en herinneren aan het feit dat in het christelijke Europa nauwelijks 50 jaren geleden 50 miljoen mensen werden gedood tijdens de bloedige tweede wereldoorlog. Daarbij komt dat ook vandaag Europa geen terrorismevrij gebied is en bij wijlen geteisterd wordt door aanslagen, die helemaal niets te maken hebben met fundamentalistische islamgroepen. Het volstaat te verwijzen naar de het IRA in Ierland, het ETA in Spanje, de Rote Armee Fraction en de Bader-Meinhof-groep in Duitsland en de CCC (cellules communistes combattantes) in België een aantal jaren geleden.

De grootste omzichtigheid is derhalve aan de orde zodra christenen en moslims elkander verwijten van onverdraagzaamheid naar het hoofd slingeren. En ofschoon allerlei vormen van fundamentalisme gemakkelijk ontaarden in verregaande onverdraagzaamheid, is het daarenboven onjuist te stellen dat fundamentalisme en integrisme noodzakelijkerwijs zouden leiden tot terrorisme. Niet zelden blijkt het fundamentalisme een sluier die gemakkelijk gespreid wordt over een louter politieke machtsstrijd en een strategie van afrekening tussen landen, ethnieën, politieke ideologieën en partijen.

Feit is dat vooral sedert de revolutie in Iran (1978-79) met het aan de macht komen van ayatollah Khomeini en de Golfoorlog met Irak (1991), na de verovering door dit land van Koeweit, het terrorisme, al dan niet fundamentalistisch, maar alvast politiek geïnspireerd, een belangrijk probleem geworden is voor het nationale en internationale beleid. Voordien was (en is) het Nabije Oosten reeds geregeld het toneel van bloedig terrorisme. De barbaarse terroristische aanslagen op het World Trade Center en op het Pentagon hebben, in de westerse benadering van de gebeurtenissen, het moslim-fundamentalisme zeer sterk in het vizier gebracht. Opmerkelijk is evenwel dat heel wat moslim-intellectuelen de terroristische acties en geweldplegingen afkeuren en afwijzen, in naam van de Koran, en kritisch aankijken tegen wat westerlingen, met een in oorsprong christelijke term, onder 'fundamentalisme' verstaan. De term moslim-fundamentalisme is voor moslimkenners veeleer misleidend en hij zou beter worden vervangen worden door moslim-activisme of islamistische wederopstanding, waarbij 'herkoranisering' - de paus spreekt wel van 'herevangelisering' – wordt gepredikt, zowel wat betreft de houding van de individuele moslimgelovige als wat betreft de maatschappelijke structuren in de islamlanden. Zoals de christenheid in de 19de en 20ste eeuw problemen heeft gehad met de vooral wetenschappelijk en economisch gestuwde moderniteit, staan de islam-landen vandaag voor een kolossale uitdaging. Hoe de vooral door het westen aangereikte hoogtechnologische goederen en diensten assimileren, zonder cultureel en levensbeschouwelijk identiteitsverlies, zonder omwoeling van traditionele maatschappelijke en politieke structuren? Hoe de uit het westen komende moderniteit opvangen zonder de eigen ziel te verliezen? En als dat niet mogelijk zou blijken, hoe dan de ongewenste westerse invloeden afstoten, contreren en uitschakelen? Dit zijn existentieel maatschappelijke vragen, die ook het westen hebben beroerd tijdens de opkomst van het handelskapitalisme vanaf de 16de eeuw en die zich met nog meer pertinentie hebben doorgezet sedert de aanvang van de eerste industriële revolutie in de 18de eeuw. In veel moslimlanden is het officieuze, soms officiële antwoord op deze vraagstelling eenvoudig. Materialistische verwestersing – meestal veramerikanisering, zoals dit wordt gesteld – is volkomen onaanvaardbaar, want vernietigend voor de eigen beschaving. Cultureel protectionisme, islamitisch militantisme en herbevestiging van de eigen koranieke waarheden en waarden dienen gepromoveerd. Meteen wordt een maatschappelijk 'weerstandige' houding aangenomen tegenover het westen, die kan leiden tot lichtgeraaktheid (cfr de zaak S. Rushdie), onverdraagzaamheid, haat en gebruik van geweld.

Belangrijk hierbij is aandacht te besteden aan de grondbetekenis van de gebruikte paradigmatische woorden; de woorden die het omvattende denkraam van een beschaving uitdrukken, waarbij een verwijzing naar de etymologische wortels verhelderend kan zijn. Zo betekent het woord Islam 'onderwerping aan Gods wil', terwijl – voor wie de antinomie in de verf wil zetten - het woord Israël verwijst naar 'de worsteling met God'. Aldus wordt het hemelsbreed verschil zichtbaar tussen de paradigma's van beide monotheïstische wereldbeschouwingen. De joodse instelling is in wezen kritisch en bevragend, ofschoon hier ook fundamentalistische afwijkingen optreden; de islamitische is onderwerpend en aanvaardend. Toch houdt de onderworpenheid van de moslims geen totale passiviteit in. Het gaat om een onderworpenheid aan het goddelijke bevel om met alle middelen te streven naar de verwezenlijking van Gods wil in de geschiedenis. En deze streving wordt samengevat in het woord 'Jihad', dat slechts in een afgeleide betekenis naar 'heilige oorlog' verwijst.

De moslimbeschaving is een van de belangrijkste beschavingen die de planeet ooit heeft gekend en nog steeds kent. Het westen heeft hieraan zeer veel te danken (de algebra, de kennis van de grote Griekse filosofen dank zij Avicenna en Averroës, de astronomie, nieuwe zeevaarttechnieken…). Wel is het zo dat de eerste (tweede helft van de 18de eeuw) en de daarop volgende industriële omwentelingen aan de islamwereld zijn voorbijgegaan en dit omwille van complexe redenen, die ik gepoogd heb uiteen te zetten in mijn boek 'De grote Verjaring. Van de 20ste eeuw naar het 3de millennium' (Lannoo, 1996).

De wetenschappelijke en technologische voorsprong van het westen, die zich vanaf de 18de eeuw heeft doorgezet, heeft ongetwijfeld, bewust en onbewust, de eer en de trots van de intellectuele en culturele elite in veel Arabische landen geraakt en gekwetst. Dit was en is des te meer het geval omdat de technologische dominantie van het Westen de rest van de wereld onvermijdelijk in een positie van afhankelijkheid heeft geplaatst, waarbij de andere landen en continenten de snufjes van de moderne technologie maar konden en kunnen verwerven via import, en derhalve het verkopen van de eigen bodemschatten. Wat in de meeste gevallen gepaard ging met vormen van openlijk of verborgen kolonialisme tot in een relatief recent verleden, waarna de fakkel van de interdependentie – volgens de critici 'dependentie' – werd overgenomen door de alom oprukkende, vervreemdende multinationals.

 

Fundamentalisme, terrorisme en hun verklaring.

 

1/ Ofschoon fundamentalisme, ondanks zijn hoog onverdraagzaamheidsgehalte, niet noodzakelijkerwijze tot geweldplegingen hoeft te leiden, leert de recente geschiedenis dat terrorisme onder meer zijn voedingsbodem kan vinden in religieus fanatisme. Supra werd hierop gealludeerd. Extreme beleving van de eigen waardeschalen onder het motto 'herbronning' of 'terug naar de roots' (onder meer via de heilige boeken ), vindt haar verklaring in een reactie van bescherming en verdediging tegen meestal vanuit het buitenland aangereikte invloeden. Deze invloeden, zoals bijvoorbeeld al wat te maken heeft met de Amerikaanse way of life, worden niet zelden door een deel van de lokale elite ervaren als invasie en bedreigend voor de eigen cultuur. Fundamentalisme, cultureel protectionisme, zelfingenomenheid, nationalisme, eigen volk eerst-reflexen en agressieve zelfverdediging liggen aldus niet ver uit elkander

2/ Bij het analyseren van de oorzaken van de antiwesterse houding, die door de bevolking van veel Arabische en moslimlanden wordt aangenomen (Iran en Indonesië zijn moslimstaten, evenwel niet arabisch), dient de aandacht gevestigd op de economische mindere prestaties of mislukkingen van veel islamlanden. Ongetwijfeld zijn de olieproducerende landen, vooral rond de Perzische Golf, bijzondere welvarend geworden maar de heersende klasse, die er aan het bewind is, wordt door de vaak arm gebleven bevolking geacht in stand te worden gehouden dankzij de steun van het Westen, met name van de Verenigde Staten en de grote Amerikaanse multinationals. Slechts weinig moslimlanden waren deelachtig aan de industrialisatiegolven van de 19de en 20ste eeuw. En de doorbraak van de hoogtechnologie, vooral van de moderne informatie- en communicatiemiddelen, was en is er voornamelijk te danken aan massale import uit de westerse wereld. Enkel Turkije en wellicht in mindere mate Maleisië slaagden erin, als moslimlanden, zich te integreren in de westerse markteconomie en min of meer autonome actoren te worden. Dit is ook de reden waarom eerst genoemd land met veel vasthoudendheid ijvert voor zijn volwaardig lidmaatschap van de Europese Unie. In de meeste andere moslimlanden is de economische en sociale situatie ongunstig of ronduit slecht, waarbij hun afhankelijkheid van de westerse wereld door de bevolking zeer scherp wordt aangevoeld. De wassende toeristenstromen verergeren bij de inwoners van die landen nog meer de overheersende indruk van verregaande kolonisatie en vervreemding. Dat de eigen, vaak autocratische bewindvoerders en de hen omringende elite samenheulen met de westerse politieke en economische machthebbers verhoogt nog het misprijzen en de afkeer van grote groepen uit de lokale bevolking voor wat beschouwd wordt als een corrumperende westerse overheersing. Het feit dat in veel Arabische staten en landen van de Derde Wereld zeer aanzienlijke sommen worden uitgetrokken voor wapeninvoer, terwijl de eigen bevolking het moet stellen met een zeer lage levensstandaard, verergert de algemene malaise.

3/ De socio-economische statistieken en de werkelijkheid die er achter schuilt, zijn voor de islamwereld een bijkomende reden van vernedering. In de rijke westerse landen, meestal behorend tot de OESO, bedraagt het gemiddelde inkomen per hoofd vandaag ongeveer US$ 28 000. In de Verenigde Staten is dit zelfs US$ 36 000, en in Israël schommelt het rond US$ 20 000. Maar in de moslimwereld die zich uitstrekt van Marokko tot aan de Filippijnen, voorbij Bangladesh en Indonesië, is het inkomen per hoofd nauwelijks US$ 4 000, en dan wordt dit gemiddelde nog geflatteerd door het gewicht van de olieproducerende landen. De relatieve armoede van de moslim- bevolkingen wordt steevast toegeschreven aan de westerse dominantie op velerlei gebieden en het daaruit voortvloeiende arrogante westerse machtsmisbruik, dat vooral dank zij slinkse en commerciële beïnvloeding beoogt de glorierijke Arabische cultuur en beschaving onderuit te halen.

4/ Bijna vanzelfsprekend worden de Verenigde Staten van Amerika uitgeroepen tot de speerpunt van de westerse overheersing en het slagschip van het westerse imperialisme. Vooral sedert de ineenstorting van het Communisme en het ontstaan van een wereld ge- domineerd door één supermogendheid, wordt Amerika gemakkelijk verantwoordelijk gemaakt voor al wat fout gaat op de planeet en verheven tot de boeman die nooit goed kan doen. Het anti-amerikanisme krijgt ook een ideologische kleuring bij al diegenen die, ook en misschien vooral in het westen, ten strijde trekken tegen het kapitalisme. Het moslim- fundamentalisme en het voornamelijk westerse anti-globalisme hebben dezelfde vijand: het vaderland van het kapitalisme, Amerika. Een neo-marxistische interpretatie van het wereldgebeuren wordt daarbij uitgetekend en, ofschoon paradoxaal, is het niet helemaal verwonderlijk dat nieuw-links en links in Europa, ingevolge hun anti-amerikanisme, sympathie opbrengen voor de Arabische zaak. Daarbij wordt het negentiende-eeuwse marxistische model van de klassenstrijd op wereldschaal geprojecteerd, in de analyse van de relatie tussen het rijke noorden en het arme zuiden. Maar extreem-rechts mengt zich ook in het anti-globalistische koor. Daar waar het linkse front, zoals gebleken is tijdens belangrijke economische en politieke topontmoetingen in de wereld (Seattle, Washington, Davos, Genua, Gent), vooral de wereldwijde markteconomisering en kapitalistische liberalisering bestrijdt, gaat extreem-rechts vooral te keer tegen de culturele gevolgen van de globalisering. Extreem-rechts wil de eigen identiteit, de zuiverheid van de eigen cultuur en de eigen tradities beschermen tegen de internationalisering onder Amerikaanse wimpel. 'Les extrêmes se touchent'. Heel wat extreem-rechtse partijen in Europa brengen sympathie op voor de Arabische zaak, wat hen dialectisch in de gelegenheid stelt zich sterk af te zetten tegen de Amerikaans-joodse invloeden in de wereld.

 

5/ De verhouding tussen de islamlanden en het westen is nog meer verstoord geraakt ingevolge het aanslepende Palestijns-Israëlische conflict. Voor de Arabische openbare opinie staat het vast dat de Amerikanen onverkort de zijde van Israël kiezen, een indruk die wordt versterkt door een zeer invloedrijke joodse minderheid in de Verenigde Staten en door de financiële en militaire hulp die Amerika aan Israël besteedt. Hierbij wordt evenwel vaak een aantal historisch feiten uit het oog verloren. In 1947 heeft de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op het toenmalige territorium van Palestina twee staten opgericht: een Israëlische en Palestijnse. Maar het zijn de Arabieren die de Staat Israël niet hebben willen erkennen, van meet af aan hebben bestreden en met vernietiging hebben bedreigd. Tijdens de zes-daagse-oorlog van 1967 hebben de Israëli's de aanvallen van de Arabische buurstaten zeer succesvol afgeslagen en daarbij gebieden veroverd, die thans de bezette gebieden zijn geworden. Hierop woonden heel wat Palestijnen, waarvoor echter de Arabische buurstaten gedurende twintig jaar heel weinig hadden ondernomen. De Sinaï-woestijn werd in 1979 dankzij de akkoorden van Camp-David aan Egypte teruggegeven en een Palestijnse Autoriteit bestuurt de Gaza-strip en delen van Cisjordanië. Enkel Jordanië en Egypte hebben de staat Israël erkend. Inmiddels zijn de Israëli's overgegaan tot het inplanten van talrijke nederzettingen in de bezette gebieden teneinde een onomkeerbare toestand in het leven te roepen. De eerste ministers Y.Rabin en E. Barak hebben nochtans grote inspanningen gedaan om tot een vredesakkoord te komen met Yasser Arafat. Te Taba was men heel dicht bij een akkoord en had de Israëlische eerste minister zeer grote concessies gedaan, zowel wat betreft een gedeeld bestuur over Jeruzalem, een geleidelijke afbouw van de nederzettingen en de terugkeer van Palestijnse vluchtelingen naar Israël. De Amerikaanse president Bill Clinton wendde al zijn invloed aan om Palestijnen en Israëli's op één lijn te brengen. Yasser Arafat bleek echter niet in staat de voorliggende vredesregeling te aanvaarden. Barak keerde naar Israël terug zonder vredesakkoord en verloor de verkiezingen. Ariël Sharon, een havik, werd tot eerste minister gekozen onder meer met de steun van joodse fundamentalistische extremisten en het provocerende bezoek van Sharon aan de tempelberg leidde tot de tweede intifada vanwege de Palestijnen, een golf van terroristische aanslagen in Israël en een zeer harde en vaak bloedige repressie vanwege het Israëlische leger. Het is overduidelijk dat een vredesregeling tussen Israël en de Palestijnse Autoriteit, leidend tot de oprichting van een Palestijnse Staat enerzijds en veiligheidsgaranties en staatserkenning voor Israël anderzijds (land for peace) de spanning in het Nabije Oosten zeer aanzienlijk zou verminderen. Daardoor zou het terrorisme grote delen van zijn teeltbodem verliezen.

 

6/ Frustrerend blijft dat veel moslimlanden bij belangrijke multilaterale instanties en organisaties zoals de Verenigde Naties en Freedom House, heel slecht scoren, wanneer het erop aankomt het democratische en vrijheidsgehalte van bestaande politieke structuren in te schatten, in tegenstelling tot Israël dat gekenmerkt wordt door een pluralistische democratie met grote vrijheid van meningsuiting. Landen als Afghanistan, Irak, Libië, Saoedi-Arabië, Somalië, Sudan en Yemen behoren tot de meest repressieve staten van de wereld, waar de mensenrechten nauwelijks of helemaal niet aan bod komen. Onderzoek wijst uit dat er op termijn een positieve correlatie bestaat tussen democratisering en de uitbouw van een rechtsstaat enerzijds en economische ontwikkeling anderzijds. In 1950 lag de levensstandaard van de bevolking in Egypte ongeveer op dezelfde hoogte als die in Zuid-Korea en Taiwan. Vandaag is het levenspeil in Zuid-Korea vijfmaal en in Taiwan zeven maal hoger, vooral nadat deze landen zich gedemocratiseerd hebben. Na de tweede oorlog flirtten sommige Arabische landen met de inefficiënte recepten van de socialistische planning, maar de resultaten bleken weldra catastrofaal. Zeer uiteenlopende belangen en situaties leidden ook tot grote politieke verdeeldheid in de schoot van de moslimwereld, waarbij de Verenigde Staten niet zelden de indruk verwekten dat zij de verdeeldheid aanwakkerden ten einde hun heerschappij sterker uit te bouwen. De zeer cynische diplomatieke stelregel: 'de vijanden van onze vijanden zijn onze vrienden', werd door de VS op spectaculaire wijze toegepast toen de Amerikanen Irak steunden en bewapenden tegen Iran tijdens de Iraaks-Iraanse oorlog in de jaren tachtig, waarna de inmiddels sterk geworden Saddam Hussein tijdens de golfoorlog (1991) door de westerse alliantie plat werd gebombardeerd. Iets gelijkaardigs deed zich voor met de Taliban, die tijdens de Koude Oorlog door de Amerikanen van wapens werden voorzien om te strijden tegen de pro-Sovjet-beweging van generaal Massoud, daar waar diezelfde Taliban vandaag zijn uitgeroepen tot de Amerikaanse vijand nummer één.

 

7/ Bij het aanwijzen van de oorzaken van het terroristisch geweld in de wereld wordt vaak de schrijnende armoede in de ontwikkelingslanden zogenoemd. En ook hier ligt het voor de hand dat een wereld, die dankzij de moderne communicatiemiddelen één werelddorp is geworden, niet vredevol kan voortbestaan als een vierde van de wereldbevolking nauwelijks het bestaansminimum bereikt. En het is niet omdat terroristische aanslagen meestal verricht worden door relatief of zelfs hoog ontwikkelde fanatici, die zelf niet zelden stammen uit welvarende gezinnen, dat de armoedefactor niet verantwoordelijk zou zijn voor de groeiende geweldspiraal. Op planetaire schaal kan men vandaag gewagen van een grensoverschrijdende klassenstrijd, vergelijkbaar met de revoluties en opstanden in verscheidene kapitalistische landen tijdens de 19de en het begin van de 20ste eeuw. Marktverhoudingen zijn ook machtsverhoudingen, vooral als de concurrentie onvolmaakt verloopt en het hoeft geen verwondering dat ontwikkelingslanden van dergelijke scheeftrekkingen het slachtoffer zijn. De oplossing bestaat er evenwel niet in de internationale handel, het ontstaan van een wereldwijde markteconomie en de concurrentie te verwensen en uit te schakelen. Internationale handel, hoe ongelijk de voordelen ook mogen verdeeld zijn, is altijd beter voor een ontwikkelingsland dan helemaal geen handel en dus economisch isolement. Het is ook dankzij de strijd tegen het westerse protectionisme en de beteugeling van de macht van grote ondernemingen via een concurrentiebeleid en internationaal afdwingbare gedragscodes door bijvoorbeeld de Wereldhandelsorganisatie, dat men de huidige toestand recht kan zetten. Een beleid van duurzame ontwikkeling en continue hervorming dringt zich op. Beaat optimisme over de lotsverbetering van de ontwikkelingswereld is misplaatst, ofschoon de gunstige gevolgen van bepaalde wetenschappelijke ontdekkingen onder meer op het vlak van de energiewinning en de voedselproductie niet mogen worden onderschat. Cynisch pessimisme van zijn kant dat stelt dat met name Afrika een verloren continent is, werkt zeer verlammend en is bovendien ethisch verwerpelijk. Ten aanzien van de tragiek van de ontwikkelingswereld is opbouwend, samenwerkend en geduldig 'meliorisme' vereist, uitgaande van de overtuiging dat mensen en dingen verbeterbaar zijn. Het zijn de landen van de Derde Wereld die zich hebben ingeschakeld in de wereldeconomie, die het er ook best van afbrengen en een spectaculaire verbetering van hun levensstandaard hebben gerealiseerd, met name in Azië (Maleisië, Singapore, Zuid-Korea, Taiwan, China, zelfs Vietnam dat het communisme althans economisch liberaliseert). Alle studies wijzen ook uit dat economische groei een noodzakelijke, evenwel geen voldoende, voorwaarde is voor de verheffing van de levensstandaard van de bevolkingen. Daarbij komt dat veel ellende in de landen van de Derde Wereld voortspruit uit etnische conflicten, verregaand politiek mismanagement, wijd verspreide corruptie, en ondermijning van de volksgezondheid door postkoloniale epidemieën, waarvan aids de meesten schrikwekkende illustratie is. Wanneer aan al die dompelaars, creperend van de miserie, wordt wijs gemaakt dat het aids-virus door Amerikaanse laboratoria is ontwikkeld en wordt verspreid teneinde de wereldheerschappij van de Verenigde Staten te vestigen en te handhaven – zoals de Zuid-Afrikaanse president Mbeki wel eens laat verstaan - is het niet verwonderlijk dat wanhopige mensen de leugen voor waarheid aanvaarden. Extreme haatgevoelens worden aldus gedistilleerd uit een mengsel van ergerlijke toestanden, tragische feiten, misverstanden, halve waarheden, grove leugens en een indruk van afgrondelijke onrechtvaardigheid. Zo ontstaat in het werelddorp uit veel onbegrepen verdriet veel opgekropte haat en wraak, die kunnen exploderen in moorddadige geweldpleging, waarbij zelfmoordcommando's tot het ultieme wapen van de wanhopigen wordt verheven.

 

De internationale crisis

 

De stofwolken te New York zijn geleidelijk weggetrokken boven de puinhopen veroorzaakt door de meest bloedige terroristische aanslagen uit de geschiedenis. Tegelijkertijd krijgt de wereldgemeenschap af te rekenen met een nieuwsoortige bedreiging, die wereldwijd op elk ogenblik van de dag en de nacht gruwelijke werkelijkheid kan worden. De internationale gemeenschap wordt met een conflictsituatie van een nieuw type geconfronteerd, dat grondig verschilt van de wereldwijde vijandelijkheden die zich tijdens de 20ste eeuw hebben voorgedaan.

Het internationaal terrorisme vormt een onzichtbaar netwerk, waarbinnen groepen en organisaties onderlinge contacten hebben en samenwerken. Zij worden gefinancierd dank zij allerlei maffieuze praktijken - gaande van wapen- en drugshandel over prostitutie en mensenhandel - en zij worden ondersteund door machtige beschermheren, die behoren tot het staatsapparaat en de religieuze, fundamentalistische elite in een aantal landen, door de Amerikaanse president niet ten onrechte 'schurkenstaten' genoemd. Met het oog op de bestrijding van dit soort massale feitelijke (en potentiële) agressiviteit dient de internationale gemeenschap van democratische landen een nieuwe veiligheids- en defensiestrategie uit te werken. Maar er dient ook met grote intellectuele eerlijkheid en in alle openheid een analyse gemaakt van de onderliggende oorzaken van al dit terroristische geweld en deze misdadige agressiviteit.

 

1/ Democratieën mogen niet uit begrijpelijke woede of angst een beleid gaan voeren dat, in een poging om het terrorisme uit te roeien, ook de eigen algemeen menselijke en democratische waarden zou aantasten of vernietigen. Vergelding en weerwraak, hoezeer ook geëist door een gekwetste openbare opinie, beantwoorden niet aan de beginselen van de rechtsstaat. Prioritair daarentegen is het opsporen en berechten van de daders. Naast de individuen zijn er echter de landen, die aan de terroristische groepen hand- en spandiensten bewijzen. Die dienen op een zwarte lijst geplaatst en hun leiders moeten beseffen dat zij verantwoordelijk zullen worden geacht telkens grootscheepse of herhaalde terroristische aanvallen plaatsvinden. Internationale overeenkomsten, criteria en methoden van inspectie dienen, bij voorkeur onder het gezag en het toezicht van de Verenigde Naties, te worden uitgewerkt en geïmplementeerd. De hele scala van UNO-sancties, inclusief militair optreden, dient ingezet tegen terroristische staten.

 

2/ Een leefbare wereldgemeenschap veronderstelt dat ook steeds meer werk wordt gemaakt van de uitbouw van een internationale rechtsgemeenschap, waarin conflicten worden beslecht of gearbitreerd. De huidige crisistoestand kan bijdragen aan een groeiende bewustwording en aan het nemen van nieuwe initiatieven. Zo moet de oprichting van een Internationaal Strafgerechtshof worden versneld, opdat staatsleiders en politieke en militaire verantwoordelijken, die zich schuldig maken aan misdaden tegen de menselijkheid (zoals terrorisme), zouden kunnen worden vervolgd en veroordeeld. President Bush, die de goedkeuring van het desbetreffende verdrag door zijn voorganger president Clinton, ongedaan heeft gemaakt, kan nu aantonen dat hij wil meewerken aan een nieuwe internationale rechtsorde.

 

3/ Een land, dat het slachtoffer is van aanzienlijke terroristische aanslagen, georkestreerd vanuit bepaalde landen, bevindt zich in staat van wettige zelfverdediging. Het handvest van de Verenigde Naties (art.51) voorziet uitdrukkelijk dat in dit geval de geagresseerde staat zich mag verdedigen zonder toelating van de Veiligheidsraad. Het is slechts ex post dat de geschapen toestand door de Veiligheidsraad moet worden onderzocht. Het is om dit artikel te kunnen inroepen dat de Amerikaanse president gewag heeft gemaakt van een 'oorlogsdaad' die van buiten af tegen zijn land werd georganiseerd. Deze juridische formulering beantwoordt trouwens aan de werkelijkheid en heeft bovendien voor gevolg dat voor het eerst in haar geschiedenis de NAVO het befaamde artikel V toepasselijk heeft verklaard. Dit houdt in dat als een lidstaat wordt aangevallen, alle lidstaten - in casu alle 19 - zich eveneens aangevallen achten en bereid zijn tot solidaire steun aan het geagresseerde lid. De toepassing van artikel V stelt evenwel niet dat alle lidstaten zouden instemmen met de wijze waarop de solidariteit tot uiting moet komen. Er is in dezen geen automatisme. Als de Amerikanen om onze hulp vragen, moet elk lidstaat naar eigen vermogen uitmaken welke vorm deze aanneemt.

 

4/ Van het allergrootste belang, tijdens de eerstvolgende maanden en jaren, is de strijd van de internationale gemeenschap tegen de proliferatie van atoom-, bacteriologische en chemische wapens en de illegale wapenhandel. Landen die zich op dit gebied niet willen engageren, dienen eveneens op een zwarte lijst geplaatst, met alle gevolgen vandien wat betreft hun internationaal isolement en sanctioneerbaarheid. De verschrikkelijke terroristische aanslagen, die de Verenigde Staten hebben getroffen, gevolgd door daden van bioterreur, confronteren de wereldgemeenschap met een nieuwe type van massale onveiligheid, die de meest onverwachte vormen kan aannemen. Het is verwonderlijk dat geen enkele krant tijdens de voorbije weken heeft uitgepakt met volgende grote kop op de frontpagina: ' volgende maal doen ze het met atoombommen!!!'. Het is geen fictie meer te veronderstellen dat, indien een of andere groepering van razende fanatici de beschikking krijgt over nucleaire of bacteriologische wapens, ze die ook zal gebruiken. Eén lepel zenuwgas (sarin) volstaat om de hele bevolking van een miljoenenstad uit te roeien. En de miltvuurgevallen in de VS bevestigen de groeiende ongerustheid.

 

5/ De verdediging in de toekomst tegen terroristisch geweld zal een ononderbroken, waakzame en voor veel burgers hinderlijke en geldverslindende politiek met zich brengen. De veiligheidsuitdagingen, die bij de aanvang van de 21ste eeuw de wereldgemeenschap overvallen, zullen wellicht gedurende decennia een volgehouden en gecoördineerde inzet vereisen. Samenwerking van inlichtingendiensten, bestrijding van drugkartels, illegale wapentrafieken en zwartgeldcircuits zijn van vitaal belang geworden.

 

6/ Zodra voldoende bewijzen van schuld voor de terroristische aanslag in de Verenigde Staten waren ingezameld tegen Osama Bin Laden, werd door de geallieerden een ultimatum gericht aan de Afghaanse Taliban-leiders. Een hun weigering lokte onvermijdelijk een militaire reactie uit. Erg belangrijk is dat het militaire optreden is opgenomen in een ruimer kader, dat in eerste instantie te maken heeft met een diplomatieke actie gericht op een gezamenlijk frontvorming van alle staten in de wereld, die belang hebben bij de bestrijding van het terrorisme. Dat daarbij vooral de Arabische landen worden geviseerd ligt voor de hand. En essentieel is de benadrukking van het feit dat de Islam als godsdienst het terrorisme afkeurt en dat de huidige actie van de geallieerden op geen enkele wijze mag getuigen van vijandigheid tegenover de moslimwereld. Daarom is het sparen van de burgerbevolking bij het uitschakelen van terroristische bases en infrastructuur in Afghanistan zo belangrijk. Ook is het nuttig te herinenren aan het feit dat het westen niet alleen geen oorlog voert tegen de islam maar in een recent verleden zelfs gewapend is opgekomen voor de verdediging van de moslimbevolking, o.m. in Bosnië.

Een tweede belangrijk elementen in de aanpak van het terrorisme is de opvoering van de humanitaire hulp ten gunste van de bevolkingen die slachtoffer zijn zowel van de acties als van de repressie van het terrorisme. Dat de Amerikanen ook kleine radiotoestellen droppen, die de Afghanen moeten in staat stellen te luisteren naar de 'Voice of America', behoort tot de media- en psychologische aspecten van de strijd tegen het terrorisme.

 

7/ Naast internationaal gecoördineerde terreurvoorkoming en -repressie, is politieke en diplomatieke conflictpreventie een steeds meer uit te proberen aanpak. Onopgeloste conflicten, vaak van etnische of religieuze aard of met een economische achtergrond, worden infectiehaarden, die lokale gemeenschappen kunnen besmetten met het moeilijk uit te roeien virus van haat en geweld. Het zijn bovendien niet alleen en soms niet in de eerste plaats politici, maar wel bemiddelaars en hulpverleners, behorend tot allerlei niet-gouvernementele organisaties, die op discrete maar doelmatige wijze kunnen bijdragen aan het smeden van aanvaardbare vergelijken en akkoorden. Het terrorisme moet worden gediscrediteerd door volgehouden vredespogingen. Hierbij is de rol van de Verenigde Naties onvervangbaar. Het is niet ondenkbaar dat na de ineenstorting van het Taliban-regime in Afghanistan de Verenigde Naties een tijdlang ter plekke een taak van verzoening en peace making op zich zullen dienen te nemen, misschien in het raam van het UNO-handvest, gewijd aan de voogdij (hoofdstuk XII).

 

8/ Economische onderontwikkeling en sociale wantoestanden moeten door het rijke Westen op een meer doelmatige wijze worden aangepakt. Dat vereist o.m. dat de Europese Unie haar beleid van landbouwprotectionisme afbouwt en alvast ophoudt haar landbouwoverschotten op de wereldmarkt te dumpen tegen gesubsidieerde prijzen. Een geleidelijke 'delocalisatie' van industriële activiteiten van het noorden naar het zuiden is wenselijk, voorzover in het zuiden stabiliteit, rechtszekerheid en voldoende rentabiliteit aan investeerders wordt geboden. Tevens zou tijdens de eerstkomende maanden een krachtig economisch beleid van vertrouwenwekkende maatregelen moeten worden gevoerd. Het ligt voor de hand dat de huidige situatie de reeds beginnende recessie enkel kan versnellen en verergeren. Ofschoon de olieprijzen momenteel dalen, wat slecht is voor de olieproducerende landen (de Arabische, maar ook Rusland), dreigen ze te stijgen bij een uitdijend conflict, wat dan weer nefast is voor de hele wereldeconomie.. Het consumentenvertrouwen neemt af, investeringen verminderen, de beurzen slabakken, het toerisme en de internationale luchtvaart krimpen. Ook op economisch gebied zal internationale samenwerking nog meer vereist zijn en zullen de politieke verantwoordelijken hand in hand met economische en financiële decision makers dienen op te treden.

 

9/ Het wordt ook steeds duidelijker hoezeer de terroristische aanslagen in de Verenigde Staten de internationale verhoudingen hebben gewijzigd. Er is een zeer intense samenwerking ontstaan tussen Amerika en Rusland en op het persoonlijke vlak tussen president Bush en president Putin. Ook met China is er toenadering. De Britse premier Tony Blair heeft zich de status aangemeten van wereldleider. Andermaal hebben de Angelsaksische landen bewezen hoezeer zij toonaangevend zijn in de wereldpolitiek. De Europese Unie komt verzwakt uit de internationale crisis, aangezien zich de facto een directorium van de drie grote Europese mogendheden aandient (Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Frankrijk). Naar het Belgische voorzitterschap van de Unie wordt beleefd geluisterd maar de EU komt veeleer over als een consulting group waarvan de Belgische eerste minister gedurende zes maanden de secretaris mag zijn. De zwakheid van Europa heeft te maken met de ontstentenis van een echte en hechte Politieke Unie, gesteund op een geïntegreerd buitenlandbeleid en een ééngemaakt slagkrachtig leger. Maar recentelijk is gebleken dat de oprichting van een rapid reaction force van 60.000 manschappen andermaal werd uitgesteld.

 

10/ De terroristische aanslagen zijn niet alleen misdadig, waanzinnig en totaal irrationeel. Ze zijn ook contraproductief met betrekking tot de zaak die de terroristen en hun opdrachtgevers willen behartigen. De tragedie die over New York en Washington is vaardig geworden heeft het imago van de Islam en de Palestijnse zaak zeker geen goed gedaan. Maar ook het Ierse IRA heeft snel ingezien dat aanslagen zich thans keren tegen het nagestreefde doel. Bij wijze van lichtvaardige veralgemening wordt door de westerse openbare opinie niet zelden de hele moslimwereld verdacht gemaakt. Moedige politici van bij ons dienen hiertegen in te gaan. Het afgrondelijke kwaad, dat thans werd gesticht, moet ook eerlijke en nadenkende islamverantwoordelijken doen gruwen en er bewust van maken dat enkel verzoening en samenwerking de wereldgemeenschap leefbaar kunnen houden. In de schoot van onze eigen gemeenschap zal de strijd tegen xenofobie, racisme, onverdraagzaamheid en discriminatie onverkort moeten worden voortgezet. De wereldwijde opmars naar een meer multiculturele samenleving is niet tegen te houden. De grote uitdaging - maar mensverheffende opgave - blijft erin bestaan, ondanks alle beproevingen, een medemenselijke interculturele leefgemeenschap uit te bouwen. Op religieus vlak zijn nieuwe inspanningen vereist op oecumenisch gebied tussen de leiders van de christelijke, joodse en islamgodsdiensten, allen abrahamitisch en van monotheïstische signatuur.

 

*

 

Na de val van de Berlijnse Muur, de implosie van het communisme, de explosie van de Sovjet-Unie en het beëindigen van de Koude Oorlog schreef de Amerikaanse politoloog Francis Fukuyama zijn beroemde artikel: 'The End of History'. Daarin stelde hij, overigens getuigend van groot optimisme, dat de liberale democratieën, gepaard gaande met de markteconomie en de rechtsstaat, definitief het pleit hadden gewonnen. Voortaan zou de wereld gekenmerkt worden door vreedzame éénmaking, nuttig handel drijven en culturele uitwisseling. Hierop repliceerde professor Samuel Huntington in 1993 met zijn boek: 'The Clash of Civilisations'. Fukuyama was natuurlijk fout. Het aardsparadijs is niet voor morgen. Het werelddorp blijft verdrietig, wordt geteisterd door veel onheil en lijdt in veel van zijn mensen. Dat ook Huntington fout heeft geredeneerd, wanneer hij aankondigde dat de westerse beschaving in conflict zou treden met de Arabische wereld, is vandaag nog niet bewezen. Maar alvast moeten wij geloven in de hoop. De hoop dat een bloedige strijd tussen beschavingen, ook als die verloopt met terroristische aanslagen enerzijds en gerichte preventieve acties anderzijds, zal kunnen worden bezworen en vermeden. In naam van de beschaving zelf. Want beschavingen strijden niet. Tenzij samen tegen onrecht en ellende.

 

Mark Eyskens

De verdediging van de mensenrechten is een te belangrijke aangelegenheid om die toe te vertrouwen aan het oordeel en de al dan niet willekeurige beslissingen van individuele soevereine Staten. Humanitair interventierecht wordt politiek en militair mogelijk gemaakt, omdat het noodzakelijk is. Deze evolutie, die nog niet de jure in het handvest van de VN is vast gelegd, is 'omwentelend' en moet op termijn leiden tot de uitbvouw van een Internationale Rechtsgemeenschap. Zoals de democratieën, met vallen en opstaan, in de 19de en 2Oste eeuw de Rechtsstaat hebben uitgebouwd binnen hun eigen grenzen, moet dit thans gebeuren voor de hele internationale gemeenschap. De grotere rol voor het Internationaal Gerechtshof van Den Haag, Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, de oprichting van een Internationaal strafgerechtshof (international criminal court), gekoppeld aan de actie van de mensenrechtenorganisaties en het instrumentarium van de preventieve diplomatie en de economische sancties, zijn zoveel midelen om te komen tot een meer leefbare aarde voor steeds meer mensen. Dit leidt er onvermijdelijk toe dat de invloed van soevereine Staten steeds verder afneemt, wat reeds gebeurt onder de invloed van de aan de hand zijnde post-industrële revolutie en het ontstaan van een internationale netwerksamenleving.

 


 

 

Europa: het existentiële kruispunt der wegen is bereikt

Mark Eyskens

 

 

 

Tijdens de onderhandelingen over het verdrag van Maastricht (1991-92) waren de Europese leiders het erover eens dat de uitbreiding van de EU maar mogelijk was na verdieping van de Europese instellingen (lees: de uitbouw van een Politieke Unie, gekenmerkt door besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid, grotere bevoegdheden voor het Europees Parlement en een sterkere Commissie). Maar stapstenen voor een Politieke Unie konden te Maastricht nauwelijks worden gelegd, een halve mislukking die evenwel werd overschaduwd door het miraculeuze akkoord over de Monetaire Unie en de invoering van de euro. Dit mirakel was maar mogelijk omwille van een historisch compromis dat erin bestond de Duitse eenmaking met zijn allen te behartigen, voor zover de Duitsers de Monetaire Unie zouden aanvaarden. President F.Mitterand wist de andere regeringshoofden ervan te overtuigen dat de Duitse hereenmaking snel moest worden verwezenlijkt en zowel politiek als financieel door de EU diende gesteund Van de Duitsers werd in ruil een belangrijk offer gevraagd: de Europese eenheidsmunt aanvaarden, wat betekende dat de Duitse mark, de trots van de Duitse Bondsrepubliek zou verdwijnen en dat de Duitse Bundesbank zou worden gedegradeerd tot een filiaalbedrijf van de Europese Centrale Bank. Te Amsterdam, vier jaar later, werd het evident dat de uitbreiding van de Unie door toetreding van de landen van Centraal en Oost-Europa een politieke 'must' was en dat de ontstentenis van een blauwdruk voor een Europese Politieke Unie geen hinderpaal mocht wezen. Te Nice werd in 2000 wat gesleuteld aan mini-institutionele verbeteringen maar werd de facto aanvaard dat de hervorming van de Europese instellingen moest wijken voor de prioriteit van de uitbreiding.

De Conventie

De top van Laken van december 2001 zal bekend blijven als die Europese Raad die een vragenlijst heeft opgesteld over de institutionele toekomst van de Unie en die besloten heeft een Conventie bijeen te roepen,daarbij optrerend voor een nieuwe aanpak in de hoop een doorbraak mogelijk te maken. Het gaat om een vergadering, die een goed jaar zal zetelen en waarin alle Europese instellingen vertegenwoordigd zullen zijn. De Conventie zal pogen voorstellen te formuleren en aanbevelingen uit te werken ten behoeve van de intergouvernementele conferentie, die zelf in 2004 een nieuw Europees verdrag klaar zal moeten stomen. Het zoveelste, na de verdragen van Maastricht, Amsterdam en Nice. Nu reeds wordt fluisterend verwezen naar een toekomstig verdrag van Rotterdam dat, andermaal onder Nederlands voorzitterschap in 2 004, een Europese Unie van inmiddels 25 lidstaten in efficiënte banen zal moeten leiden. Vandaag is het evident dat een Unie van 25 lidstaten of meer onmogelijk kan functioneren zoals een gemeenschap van 12 landen. Een existentieel kruispunt der wegen is bereikt. Zonder integrerende hervorming van de besluitvorming dreigt de grote Unie te verwateren tot een onsamenhangend allegaartje, ooit door Jacques Delors 'une désunion' genoemd. Het beantwoorden van een aantal levensvragen voor de EU is onontkoombaar geworden. Wordt de Europese Unie een federatie, met de klemtoon op integratie en derhalve een grondwettelijke constructie met een duidelijke hiërarchie van de normen? Of wordt ze een confederatie, steunend op intergouvernementele onderhandelingen, volgens het beproefde recept van de verdragsrechtelijke akkoorden tussen natiestaten? Of evolueert de EU naar een meer gemengde formule - een haast Belgisch compromis - die men federatieve confederatie of confederale federatie zou kunnen noemen? Tenzij de grote Unie een gebouw wordt met variabele meetkunde en/of concentrische cirkel, waarin de Eurolanden de kern gaan uitmaken dank zij formules van 'nauwere samenwerking'? Wat gebeurt er met de drie pijlers? Is net niet absoluut nodig ook het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid onder eenzelfde communautaire hoofding te brengen? Kan de EU blijven werken zonder eigen communautaire fiscaliteit? Dit zijn principiële vragen, die echter zullen overschaduwd worden door een dringende pragmatische uitdaging: hoe een Europese ministerraad efficiënt laten functioneren, als voor elk agendapunt de vertegenwoordigers van 25 verschillende lidstaten hun zegje moeten krijgen? En hoe kan een plethorische Europese Commissie van meer dan dertig leden tot besluitvorming komen? En wat met de aanstelling en/of verkiezing van haar voorzitter? Doelmatigheidsproblemen rijzen ook in verband met de werking van een Europees Parlement bestaande uit nagenooeg 700 leden. Daarbij komt nog een heikel punt: hoe de taalkundige 'babelse' verwarring oplossen de dag dat er in de Unie 23 of meer officiële talen gesproken en gebruikt worden? Ook rijst de vraag wie wat zal betalen, gegeven de economische achterstand van de nieuwe lidstaten. Tenslotte is de jongste jaren en maanden nog maar eens gebleken hoezeer de EU op het vlak van het zogenaamde Gemeenschappelijke Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB) een belabberd figuur slaat. Indien in ex-Joegoslavië een min of meer leefbare situatie kon worden hersteld – met als afgeleid resultaat dat S. Milosevic vandaag voor zijn rechters verschijnt in Den Haag – dan is dat in eerste instantie te danken aan de Amerikaanse militaire hulp in NAVO-verband. En wat de strijd tegen het terrorisme betreft, zowel in Afghanistan als daarbuiten, is de bijdrage van de meeste Europese landen heel minimalistisch en onsamenhangend geweest, tot grote ergernis van de VS. Wat nota bene geleid heeft tot een verontrustende en contraproductieve verslechtering van de relaties tussen Europa en Amerika. Kortom, de EU is ongetwijfeld een economische reus, maar op wereldvalk nog steeds een politieke dwerg en een militaire worm. Veel politici en burgers begrijpen maar niet dat in de onveilige wereld van vandaag en morgen politieke invloed maar bestaat en gewicht heeft voor zover die gedragen en gesteund wordt door militaire potentie.

De Europese Conventie wordt ongetwijfeld een interessant experiment, dat aansluit bij een eerste Conventie die, voor het afsluiten van het verdrag van Nice, op nuttige wijze een 'handvest van de grondrechten' heeft geproduceerd, onder leiding van de voormalige president van de Duitse republiek Roman Herzog. Thans echter is de inzet heel anders: institutionele hervormingen zijn bijzonder zwaar politiek geladen en veronderstellen fundamentele keuzes tussen standpunten, die vandaag erg uiteenlopend zijn. Inderdaad, enigszins schematiserend kan worden betoogd dat sedert jaren in de schoot van de Europese Unie een tweespalt zichtbaar is tussen twee strekkingen en twee groepen landen. Er zijn de lidstaten, die de integratie willen voortzetten volgens de communautaire methode van Jean Monnet, inclusief haar doelstelling van supranationale structurering, weliswaar getemperd door de subsidiariteit. Frankrijk, nochtans een 'founding father' ,neemt een wat dubbelzinnige houding aan, vermits haar leiders, enigszins in het spoor van generaal de Gaulle, de toekomt van Europa zien als een 'confédération de nations' of een 'union des nations ou des états d'Europe'. Daartegenover staan landen als Groot-Brittannië en de Scandinavische lidstaten, die de voorkeur geven aan samenwerkingsvormen zonder supranationaliteit en dus volgens intergouvernementele consensusprocedures. Deze landen stellen vaak dat via de integratie van de ééngemaakte markt de markteconomie binnen de Europese ruimte voldoende druk zal uitoefenen om maximaal de interne samenhang te bevorderen. Komt daarbij dat de tien kandidaat-lidstaten, die nauwelijks tien jaar geleden werden bevrijd van het communistische juk, erg tuk zijn op hun herwonnen soevereiniteit en niet zomaar bereid zijn hun onafhankelijkheid af te staan aan een supranationale en volgens hen enigszins ondoorzichtige en de technocratische Europese administratie.

Men kan vanuit een 'legalistisch' standpunt uiteraard stellen dat de institutionele hervorming van de Europese Unie in eerste instantie het werk zou moeten zijn van de bestaande communautaire instellingen, namelijk het Europees Parlement, de Europese Ministerraad en de Commissie. Bij de samenstelling van de Conventie is trouwens het Europees Parlement, met slechts 16 vertegenwoordigers, beduidend ondervertegenwoordigd (de nationale parlementen krijgen er immers 50, als men de nieuwe lidstaten meerekent).

Gevaren, klippen en draaikolken

Twee gevaren bedreigen de Conventie: lukken en mislukken. Mislukken zou betekenen dat de Conventie uitpakt met bijzonder vage voorstellen of er niet in slaagt door te stoten tot de kern van de problemen. Mislukken zou ook inhouden dat over essentiële punten verdeelde standpunten tot uiting komen. In al die gevallen is het maar al te evident dat de rol van de Conventie beperkt zal gebleven zijn tot een psychologische oefening, waarbij Europese en nationale parlementairen en vertegenwoordigers van de burgerlijke maatschappij, bijgestaan door allerlei organisaties, de gelegenheid zullen gekregen hebben zich af te reageren. De op de Conventie volgende intergouvernementele conferentie – na een afkoelingsperiode van zes maanden - zal dan in 2004 vooral puin moeten ruimen en de puinruimers zullen de drie grote Europese mogendheden zijn: Duitsland, Groot-Brittannië en Frankrijk. Het mislukken van de Conventie zal ongetwijfeld de invloed van het feitelijke directorium, nu reeds tot op zekere hoogte uitgeoefend door de drie boven vermelde landen, aanzienlijk versterken. Er wordt nu reeds gefluisterd dat inzake buitenlands en veiligheidsbeleid boven vermelde drie staten eraan denken een soort Europese veiligheidsraad op te richten, waarin elk van hen zou beschikken over een vetorecht, terwijl de gewone lidstaten zich zouden moeten ondererpen aan de meerderheid.

Paradoxaal genoeg zou het welslagen van de Conventie evenmin zonder inconveniënten zijn. Een miraculeuze consensus over een pakket efficiënte hervormingen en over de tekst van een Europese grondwet zou de Conventie en haar ambitieuze voorzitter, president Giscard d'Estaing, een zeer groot prestige verlenen. Nu reeds droomt hij er luidop van de geschiedenis in te gaan als de vader van een nieuwe Europese Unie, waarbij hij vaak het voorbeeld citeert van de Amerikaanse conventie, die te Philadelphia onder leiding van Benjamin Franklin, in 1800, de grondvesten legde van de Verenigde Staten van Amerika. Door dergelijk eclatant succes van de Conventie zouden de communautaire EU-organen, opgericht door de verdragen, in de schaduw worden gesteld en in hun werking worden kort gesloten. Alvast moet verhinderd worden dat de Conventie een definitieve instelling zou worden die de bestaande EU-instituties – de Ministerraad, de Commissie, het E-Parlement en het Hof van Justitie- uit zou hollen. Ook mag de Conventie niet uitgroeien tot een Tweede Kamer - een soort Bundesrat- en dus tot een assemblee van de lidstaten. Een Tweede Kamer is maar aanvaardbaar binnen de Europese Unie als die zal zijn omgebouwd tot een volwaardige federatie.

President Giscard heeft reeds aangekondigd dat hij de Conventie zoveel mogelijk bij consensus wil laten beslissen, een gewaagde methode die een de facto veto-recht verleent aan elke deelnemer. Maar tegelijkertijd blijkt dat de werkzaamheden van de voltallige Conventie sterk in de tijd beperkt worden -nauwelijks een paar dagen per maand - en dat vooral het presidium rond het voorzitterschap ten behoeve van de Conventie voorstellen en teksten zal uitwerken, die dan ter goedkeuring aan de plenaire zitting zullen worden voorgelegd.

De Conventie zal talrijke klippen moeten omzeilen en het stuurmanschap van president V. Giscard en de ondervoorzitters J.L. Dehaene en G.Amato zal zwaar op de proef worden gesteld. Een belangrijke hinderpaal heeft te maken met het voorstel van de Duitse regering om de bevoegdheidsafbakening (kompetenzabgrenzung of –ordnung) binnen de Europese Unie te preciseren. Eerste minister Verhofstadt heeft deze kwestie tijdens het Belgische voorzitterschap van de EU in de tweede helft van 2001 op de agenda geplaatst op verzoek van de Duitsers, die onder meer graag op landbouwgebied hun eigen potje koken, daarin sterk gesteund door de Britten die visceraal gekant zijn tegen supranationaliteit. Sommige lidstaten kunnen van een nieuwe bevoegdheidsafbakening gebruik maken om de communautaire bevoegdheden te verminderen, de residuaire bevoegdheden waarover de Commissie beschikt ongedaan te maken, de opwaartse subsidiariteit (de overdracht van nationale competenties naar de EU) af te zwakken en een aantal beleiden te hernationaliseren (b.v. het landbouwbeleid). Het begrip 'subsidiariteit' is sedert de onderhandelingen over het verdrag van Maastricht een sleutelbegrip geworden voor de definitie van de verhoudingen tussen enerzijds de supranationale en gemeenschappelijke bevoegdheden en anderzijds de nationaal gebleven competenties van de lidstaten. Als minister van Buitenlandse Zaken heb ik het nog meegemaakt hoe, in 1991, commissievoorzitter Jacques Delors op een informele bijeenkomst van de ministers van buitenlands zaken te Parknasilla in Ierland, het begrip 'subsidiariteit' uit zijn hoed heeft getoverd. Jacques Delors, die in zijn jeugd als christelijk vakbondsmilitant nog een college 'sociale leer van de kerk' had gevolgd, herinnerde zich dat in de pauselijke encycliek 'Quadragesimo Anno' , gepubliceerd ter gelegenheid van de 40ste verjaardag van die andere grote sociale encycliek Rerum Novarum, het woord subsidiariteit verscheidene malen werd gebruikt. Paus Pius XI stelde hiermee dat het privé-initiatief, zowel op economisch als op sociaal en cultureel vlak - daarrbij vooral denkend aan het onderwijs - de mogelijkheid moest krijgen om autonoom op te treden en zich te ontplooien. De Staat of de overheid zouden enkel mogen ingrijpen als het privé-initiatief kennelijk in gebreke zou blijven. J. Delors stelde voor om dit beginsel toe te passen op de verhouding tussen de communautaire bevoegdheden van de Unie en de bevoegdheden van de lidstaten: de nationale staten zouden bevoegd blijven voor alles, behalve wanneer dit kennelijk onmogelijk zou blijken. De subsidiariteit is derhalve tweezijdig bedoeld: bevoegdheden blijven gesitueerd op het lage echelon, maar telkens duidelijk wordt dat bepaalde problemen grensoverschrijdend zijn en gezamenlijk moeten worden opgelost, dienen ze opwaarts te worden verschoven naar de instellingen van de Unie. De ervaring van de jongste jaren heeft geleerd dat inderdaad voor steeds meer uitdagingen en moeilijkheden gezamenlijke oplossingen vereist zijn, met als gevolg dat de opwaartse subsidiariteit steeds belangrijker is geworden. Deze subsidiariteit opnieuw afbouwen in het raam van een komptenzabgrenzung zou betekenen dat de klok van de integratie wordt stilgelegd, erger achteruit gedraaid.

Meest waarschijnlijk is echter dat de Conventie noch helemaal zal lukken noch helemaal zal mislukken. De fles zal, zoals vaak gebeurt, half vol of half leeg zijn en de Europese leiders, die dit wensen, zullen kunnen beweren dat grote vooruitgang is geboekt en dat de Conventie goed werk heeft verricht. De Conventie zal bovendien werken onder de toenemende druk van de nakende uitbreiding van de Europese Unie. De Conventie biedt immers een laatste kans om op de valreep nog een consensus of tenminste een blauwdruk tot stand te brengen over de verdieping van de Europese Unie, vooraleer de schok van de uitbreiding zich zal voordoen. Iedereen beseft immers dat een slecht voorbereide uitbreiding met tenminste tien nieuwe lidstaten het gevaar inhoudt niet alleen van blokkering van de besluitvorming maar ook van verwatering van de Unie, althans in haar communautaire werkwijze.

De uitbreiding: tussen politiek ideaal en economische realiteit

De uitbreiding van de Unie met tien nieuwe lidstaten is een politieke noodzaak, die bovendien moet worden verwezenlijkt voor 2004, zodat deze landen hun vertegenwoordigers kunnen verkiezen in het Europees Parlement, ter gelegenheid van de eerstvolgende Europese verkiezingen (in juni 2004). Men kan deze landen niet langer aan het lijntje houden op gevaar af dat hun publieke opinies zich zouden keren tegen Europa en er de prille democratieën in het gedrang zouden brengen. Maar tegelijkertijd doet hun toetreding torenhoge problemen van economische aanpassing en convergentie rijzen, om te zwijgen van de budgettaire consequenties voor de huidige lidstaten. En toch mag men de nieuwe lidstaten niet de indruk geven dat zij als tweederangsburgers worden behandeld door de oudere de leden. Dat is de reden waarom ik sedert verscheidene jaren voorstel de 'nauwere samenwerking' aan te vullen met een 'complementaire samenwerking'. Zoals voorzien in het verdrag van Amsterdam (artikels 43 en 44) kan een beperkte groep landen onderling verder schrijden op het pad van de integratie, ook als de anderen voorlopig niet mee willen of kunnen doen. 'Complementaire samenwerking' zou voor gevolg hebben dat de nieuwe lidstaten van meet af aan zeer intens betrokken zouden worden bij de voorbereiding van de besluitvorming. Zij zouden deelnemen aan de 'decision shaping' binnen de kring van alle lidstaten, maar de 'decision making' in bepaalde transitiemateries zou uiteraard beperkt blijven tot die lidstaten die reeds voldoende geïntegreerd zijn in de EU.

De uitbreiding van de Europese Unie tot al die landen die zich tijdens de Koude Oorlog aan gene zijde van het IJzeren Gordijn hebben bevonden, betekent een 'quantumsprong' in de geschiedenis van de Europese integratie. De Europese eenmaking is na de tweede wereldoorlog in West-Europa gegroeid uit de geniale droom van mensen als Robert Schuman en Jean Monnet, die hoopten via een gemeenschappelijk beleid voor de staal-en steenkoolnijverheid, in 1949 nog de ruggengraat van elke economie, de belangen van Frankrijk en Duitsland zodanig te vervlechten dat elk nieuw conflict tussen beide landen onmogelijk zou worden. De economische integratie werd het instrument van structurele pacificatie. De Europese eenwording werd echter toen ook, 50 jaren geleden, in het westen in de hand gewerkt door het latente conflict met de Sovjet-Unie, die druk doende was met man en macht ( men denke maar aan de 'coup van Praag' van 1948 en de communistische machtsgrepen elders) de landen van Oost-Europa in te schakelen in haar dictatoriaal protectoraat. West-Europa zette zich schrap en opteerde voor verregaande samenwerking. Terecht is opgemerkt dat vadertje Stalin eveneens kan worden gerekend tot de ongewilde stichters van wat vandaag de Europese Unie is geworden. Maar die bladzijde is gekeerd. De parenthesis rond de 20ste eeuw, die meest bloedige en smartelijke eeuw alle eeuwen, dient gesloten. En het sluitstuk hiertoe is een geïntegreerd Europa dat zich uitstrekt over het hele Avondland tot aan de Russische grens. Na de huidige uitbreiding met tien lidstaten zullen ongetwijfeld nog andere toetredingen plaatsvinden, zoals de republieken van de Balkan, ontstaan uit ex-Joegoslavië, alsook Bulgarije en Roemenië, Turkije dat moet behoed worden voor het fundamentalisme en militair zeer belangrijk is, en een aantal landen van de voormalige Sovjet-Unie, waarbij o.m. gedacht wordt aan Moldavië, Georgië, Oekraïne en misschien zelfs Wit-Rusland. En indien Europa in de 21ste eeuw een 'clash of civilisations' wil helpen vermijden, is een structurele toenadering tot een aantal Arabische landen in Noord- Afrika (zoals Marokko en Tunesië), voor zover die democratisch evolueren en economisch convergeren, zeker niet uit te sluiten. De Europese uitbreidingsdynamiek is te vergelijken met diegene die de Verenigde Staten van Amerika mee hebben gemaakt vanaf omstreeks 1800, toen president Thomas Jefferson een Unie leidde van nauwelijks dertien deelstaten. Hij kon toen geenszins vermoeden dat een goede eeuw later de Verenigde Staten 50 deelstaten zouden tellen.

Naast verregaande economische convergentie, dank zij de uitbouw van een zo gemeenschappelijk mogelijke markt van 500 miljoen en meer inwoners, zal de toekomst van Europa ook in grote mate bepaald worden door zijn culturele, politieke en morele bekwaamheid om de toenemende multiculturaliteit om te smeden tot werkzame interculturaliteit. Deze 'omsmeding' wordt ongetwijfeld de grote opgave van deze eeuw. Maar om hierin te slagen is leiderschap nodig dat in het democratische Europa van morgen meer zal dienen te steunen op gezag dan op macht in een maatschappij waar, onder invloed van de aan de gang zijnde stortvloed van technologische innovaties, steeds meer verticale structuren worden vervangen door horizontale en grensoverschrijdende netwerken. De machthebbers in onze samenleving, ongewild ironisch ook soms in het Nederlands de 'hoogwaardigheidsbekleders' genoemd, gaan steeds meer oudmodisch lijken. Elke maatschappij moet zich zelf ordenen. Dit spreekt vanzelf. Ook de Europese markteconomie zal ontaarden in monopolistisch machtsmisbruik, als zij aan haar spontane krachten wordt overgelaten. Zonder autoriteit en gezagsuitoefening, uiteraard democratisch gecontroleerd, kan geen enkele samenleving in stand worden gehouden. Autoriteit wordt echter makkelijk macht, en macht van mensen over mensen is een hachelijke aangelegenheid. Macht van mensen lijkt steeds minder aanvaardbaar, tenzij mensen van macht macht stoelen op gezag. Gezag is de resultante van een hele complexe combinatie van kwaliteiten. Om die reden is gezagvol leiderschap zo veel eisend . De toekomstige leiders van en in Europa zullen meer pedagogen dan demagogen moeten zijn. Het uitdragen van een ethische boodschap over wat mag of moet veranderen wordt een belangrijker opgave dan het aanvaarden van wat kan of zal veranderen. Politiek, vooral op Europees vlak, zal meer te maken hebben met metapolitiek, dat is het overstijgen van het louter functionele bestuur van de samenleving, door de samenleving op te roepen en af te stemmen op de verwezenlijking van gemeenschappelijk waarden. Die waarden worden echter bedreigd door de functionele moraal, waarin het doel de middelen heiligt en waarbij de mens niet zelden wordt geïnstrumentaliseerd.

Ethische beginselvastheid, deskundigheid, moed en toewijding zijn de ingrediënten, waaruit de gezagdrager gekneed moet zijn. Hij zal meer mens moeten zijn dan menner. De machthebber wordt in dit verhaal de antiheld.

 

 

Geen conventional wisdom

 

Het is jammer dat de Europese leiders, te Laken verenigd in december 2001, hun macht niet hebben aangewend om gezagvol na te denken over gezag en macht. Inmiddels kunnen zij er echter hopelijk voor zorgen dat zou worden afgerekend met een aantal conventionele wijsheden en beweringen – conventional wisdom zeggen de Angelsaksers met enige critische ironie - die welig tieren in Europa, in de media, in de openbare opinie en bij de politici. De verklaring van Laken, zeker in haar eerste versie, bleek nog steeds schatplichtig aan een aantal conventionele gemeenplaatsen, verheven tot wijsheden. De hoop bestaat vandaag dat de Conventie met deze conventionele beweringen korte metten zal maken.

 

1. Een eerste gemeenplaats luidt dat het Europa van vandaag futloos is, dat de dynamiek stil is gevallen en dat de EU absoluut nood heeft aan een nieuw en groots toekomstproject. Niets is evenwel minder waar dan deze defaitistische bewering. Twee mega-historische gebeurtenissen staan te gebeuren, die geschiedenis van het avondland maar ook het persoonlijke leven van elke Europeaan grondig zullen wijzigen. De euro is zonder noemenswaardige problemen per 1 januari 2002 ingevoerd in zijn chartale geldvorm, eindelijk een tastbaar bewijs dat Europa bestaat. Prijsvergelijkingen voor praktisch alle goederen en diensten worden thans grensoverschrijdend mogelijk. Een transparante markt met een eenheidsmunt zal ook een eenheidsmarkt vestigen, beheerst door een intense mededinging, die vooral voordelig is voor de consument. Naast de invoering van de euro is er de nakende spectaculaire uitbreiding van de EU. Het hele Europese continent tot aan de Russische grens wordt één en zodoende wordt de bloedige geschiedenis van de 21ste eeuw, de meest smartelijke eeuw aller eeuwen tussen haakjes geplaatst en afgesloten. Nauwelijks tien jaren geleden waren beide revolutionaire omwentelingen - de euro en de uitbreiding - volkomen ondenkbaar. De Europese burger voelt zich vaak ontredderd en angstig, niet omdat Europa te traag maar, in zijn perceptie, te snel en te discontinu evolueert. De grote uitdaging van morgen is de uitbreiding te doen slagen, die een politieke noodzaak is maar een grote economische hindernis vormt, en het Europa van morgen, dat onvermijdelijk multicultureel zal zijn, om te smeden tot een medemenselijke interculturele gemeenschap van meer dan 500 miljoen inwoners.

 

2. Er wordt ook algemeen geklaagd over het democratisch deficit in Europa, ondanks het feit dat de Unie is uitgerust met een Europees Parlement van meer dan 600 vertegenwoordigers en vijftien nationale parlementen, die zich steeds meer bezig houden met Europese aangelegenheden. Als men al die democratisch verkozen vertegenwoordigers optelt, komt men tot een massa van 8000 à 10.000 parlementairen in de EU. Natuurlijk is het Europees Parlement gehandicapt door nog steeds te beperkte bevoegdheden en vooral door het feit dat er geen volwaardige Europese regering bestaat, die voor het Europees Parlement politiek verantwoordelijk zou zijn. Wat niet belet dat drie jaren geleden datzelfde E-Parlement desalniettemin de zittende Europese Commissie naar huis heeft gestuurd. Het bezwaar van het democratisch deficit moet zorgvuldig worden ingeschat, vooral in termen van doelmatigheid. Indien men in Frankrijk en in Duitsland in 1950, na de bekendmaking van het Schuman-plan houdende oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, dit geniale project, had voorgelegd aan een referendum, dan was dit ongetwijfeld op dat ogenblik met klank verworpen door een meerderheid van Duitsers en Fransen. Grote historische doelstellingen moeten door visionaire en moedige politieke leiders worden gerealiseerd, waarbij zij de publieke opinie vaak ex post overtuigen van de noodzaak goed te keuren wat zij hebben verwezenlijkt. Het is juist dat de Europese instellingen erg technocratisch overkomen, dat zij voor het publiek ondoorzichtig zijn en dat de Europese verdragen onleesbaar en onverstaanbaar zijn. Maar dit geldt ook voor het handvest van de Verenigde Naties en voor de zoveelste versie van de Belgische grondwet. De burger in Europa wordt bestuurd door 'men', een onpersoonlijk en bijna abstract bewind, zonder gezicht en zonder gelaat, ook al vertonen de politici zich bijna dagelijks op de televisie. Deze 'vermenning' is een nieuwsoortige vorm van aliënatie, die minder te maken heeft met een echt democratisch deficit dan wel met een 'openbare-opinie-deficit'. Minder demagogie en meer pedagogie zijn in de politiek op alle niveaus absoluut vereist als voorafgaandelijk voorwaarde voor goede besluitvorming. In ons onderwijs moet van hoog tot laag een leergang 'Europa' worden ingelast. En waarom kunnen de vijftien lidstaten er niet voor zorgen dat een gemeenschappelijk televisiekanaal wordt opgezet dat op een onderhoudende wijze de Europese geschiedenis en cultuur, de huidige Europese problemen en de discussies hierover in de Europese instellingen zou duiden en duidelijk maken?

 

3. Een ander geval van conventionele wijsheid komt tot uiting in de algemeen verspreide bewering dat de Europese Unie een gigantische asociale onderneming is geworden. Ongetwijfeld bestaan ook in Europa heel wat sociale mistoestanden, kan en moet de sociale wetgeving worden bijgesteld, zijn werknemers bij wijlen slachtoffer van de zakelijke hardvochtigheid van bedrijfsleidingen aan de ene kant en worden ondernemingen aan de andere kant in hun overlevingskansen bedreigd door de onredelijkheid van bepaalde vakbondseisen. Maar beweren dat Europa asociaal zou zijn en dan 100 000 mensen op de been brengen die te Brussel achter dit soort slogan optrekken, berust in de best hypothese op een totaal foute inschatting van de feiten en in de slechtste hypothese op bewuste volksmisleiding. Alle economische studies wijzen erop dat zonder Europese integratie vandaag in West-Europa de levensstandaard tenminste een derde lager zou liggen, terwijl de koopkracht van de Europeaan juist sedert 1945 is verzesvoudigd, wat in de meeste landen een uitgebreide sociale politiek en de uitbouw van een omvangrijk sociale zekerheidsstelsel heeft mogelijk gemaakt. Zonder Europese instellingen zouden bedrijfssluitingen en delocalisaties zonder vorm van proces veel frequenter en brutaler zijn voorgekomen, wat uiteraard nog geen excuus is voor zoiets als de onoverlegde Renault-sluiting. En als men de Europese begroting analyseert, is het evident dat die voor 70 à 80% besteed wordt aan sociale uitgaven. Jawel, de Europese begroting gaat voor ongeveer de helft naar het gemeenschappelijke landbouwbeleid, maar dit landbouwbeleid is erop gericht aan onze landbouwers een sociaal verantwoord inkomen te garanderen door een ingewikkeld mechanisme van richtprijzen, subsidies, heffingen, enzovoorts. Zonder dit beleid zouden de Europese landbouwers hun inkomen met tweederden zien dalen. De structurele en regionale fondsen, de inspanningen van de Europese Unie inzake ontwikkelingsbeleid, de talrijke initiatieven om het onderwijs te ondersteunen, het wetenschappelijk onderzoek te promoveren en de contacten tussen Europese studenten te bevorderen, hebben allemaal een uitgesproken sociale draagwijdte..

Niet het sociaal deficit is Europa's grootste uitdaging. Wel schuilt er in de mentaliteit van heel wat Europeanen, een solidariteitsdeficit. Eigenlijk zijn mensen ten aanzien van andere mensen nooit solidair genoeg. Dit geldt voor onze verhouding tot land-, gewest- en gezinsgenoten, maar ook uiteraard ten aanzien van andere Europese volkeren en, daarbuiten, voor al diegenen die kansarmen en gewone armen zijn en die wij soms onze naasten noemen - misschien tijdens de kerstweek - maar die in feite onze verwijderden blijven.

 

4. Tenslotte overheerst in de Verklaring van Laken een laatste conventionele wijsheid, telkens men het laat voorkomen alsof de euro en de Monetaire Unie definitieve verworvenheden zijn. Dit is een uiting van vermetel vertrouwen. Noem het 'monetaire hubris'. De euro moet dagelijks worden verdedigd door een steeds meer gecoördineerd economisch, fiscaal, sociaal en budgettair beleid, waarbij macro-economische onevenwichten, meer dan in het verleden door elke lidstaat moeten worden vermeden, vooral wat betreft overheids- en betalingsbalanstekorten en prijs- en kostenstijgingen. De touwtrekkerij die in februari 2002 is ontstaan betreffende het overheidstekort van Duitsland (2,7% van het BBP), waarbij de lidstaten uiteindelijk vrede namen met een Duitse belofte van deficitvermindering en afzagen van een formele 'waarschuwing' zoals voorzien door het stabiliteitspact, voorspelt weinig goeds, wat betreft de politieke wil om ook de grote Euro-landen in het gelid te doen lopen. Allerbelangrijkst is bovendien het beklemtonen van deze historische waarheid: op de planeet Aarde bestaan er staten zonder munt (b.v. het Groothertogdom Luxemburg); er bestaan evenwel geen munten zonder staat of althans zonder inter-statelijke verankering (de special drawing rights van het Internationaal Monetair Fonds zijn nooit een volwaardige munt geworden). In klare taal betekent dit dat als de Monetaire Unie niet wordt gedragen door een hechte Politieke Unie, de euro een schuchter huisdiertje dreigt te worden. De Verklaring van Laken had van dit axioma uit moeten gaan.

Komt daarbij dat de Euro ten overstaan van de dollar, sedert de Europese munt onder girale geldvorm werd ingevoerd per 1 januari 1999, ongeveer één derde van zijn waarde verloren heeft. Meteen wordt hiermede verwezen naar de relaties van de EU met de VS, een problematiek die veel ruimer is dan alleen maar een kwestie van comparatieve voordelen van de twee socio-economische modellen. De Europese Welvaartsstaat wordt verweten te weinig flexibel te zijn, zeker wat de werking van de arbeidsmarkt betreft, te hoge belastingen op te leggen aan de burgers en een sociale zekerheid te torsen die op termijn onbetaalbaar wordt. Het vrije marktsysteem in de VS lijkt dan weer te sociaal darwinistisch, met te weinig sociale voorzieningen en te veel armoede.

Sedert de tragische gebeurtenissen van 11 september 2001 en de opwelling in Europa van sympathie en solidariteit met de Amerikanen, is er veel gebeurd. De Amerikaanse interventie in Afghanistan, hoofdzakelijk gesteund door de Britten, leidde in nauwelijks drie weken tijd tot de instorting van het fundamentalistische Taliban-regime en de ontmanteling, althans op Afghaanse bodem, van de terroristische milities van Al Qaeda. De onheilsprofeten, vooral in Europa, die stelden dat een militaire interventie in Afghanistan ondoelmatig en nutteloos zou zijn en de hele Arabische wereld tegen het Westen zou hebben opgezet, hebben ongelijk gekregen.

De jongste maanden echter blijkt de verstandhouding tussen de Verenigde Staten en Europa af te brokkelen en de plaats te ruimen voor een hele reeks stekelige en polemisch geformuleerde meningsverschillen.

De belangrijkste vraag die hierbij rijst is niet wie van beiden, Europa of de Verenigde Staten, gelijk hebben of ongelijk - meestal hebben beide partijen deels gelijk en ongelijk - maar wel wie de meeste schade zou ondervinden van een breuk binnen de Atlantische gemeenschap. Het antwoord hierop is maar al te duidelijk: de Europese Unie. Europa is immers nog steeds niet in staat in te staan voor zijn eigen veiligheid. De 'rapid reaction force' van 60.000 man is tot op heden een ongeboren foetus. In ex-Joegoslavië zou de Europese Unie zonder Amerikaanse Navosteun er niets van terecht hebben gebracht

Het is hoogst nodig en dringend om via vertrouwelijk overleg tussen de Europese Unie en de VS misverstanden en meningsverschillen weg te werken en vervolgens publiekelijk een gemeenschappelijk Atlantisch program bekend te maken. Dit program moet de contouren schetsen van een nieuwe 'defensieve' defensiestrategie, aangepast aan het post-Koude Oorlog tijdvak en aan het fenomeen van het supranationaal terrorisme. Nieuwe technologieën moeten hierbij maximaal worden aangewend, ook door de EU. Wil Europa meer zeggingsmacht, zal het zowel budgettair als organisatorisch, meer lasten en taken op zich moeten nemen. Maar Europese leiders die dit durven te zeggen zijn nauwelijks aan de horizon verschenen.

Het Amerikaanse antirakettenschild kan een element zijn in het nieuwe defensieve defensiebeleid. Europa moet hierover de discussie aangaan en aan de Amerikaanse regering voorstellen dit initiatief te 'demonopoliseren' en het bovendien open te stellen voor Rusland. Een polyvalent veiligheidspact zou dan kunnen worden afgesloten tussen de Navo en Rusland, met de mogelijkheid dat ook andere landen zich hierbij aansluiten, voor zover die zich eveneens inschakelen in de strijd tegen het multinationale terrorisme. Tegelijkertijd zou door de atoommogendheden een drastische reductie van hun atoombewapening kunnen worden doorgevoerd en de niet-proliferatie van atoomwapens in de wereld krachtiger worden aangepakt.

De internationale toestand blijft zeer gespannen omwille van het multinationale terrorisme dat overal in de wereld kan toeslaan en zeer bedreigend wordt zodra het zou beschikken over massa vernietigingswapens. Politieke en eventueel militaire incidenten in verband met de toestand in het nabije Oosten of in Irak of elders in de wereld zouden de Europese agenda duchtig in de war sturen en de aandacht afwenden van het nochtans levensbelangrijke hervormingsbeleid van de Europese Unie.

 

 

De Europese agenda

 

Alle ogen zijn gericht op de Europese Conventie en de conclusies die zij veronderstelt is te formuleren tegen de zomer van het jaar 2003. Volgende opmerkingen kunnen hierbij worden gemaakt, bij wijze van besluit.

De vaak uitgesproken ambitie om door de Conventie een blauwdruk van Europese grondwet te laten opstellen, lijkt mij momenteel grotelijks naast de kwestie. De Europese Unie heeft niet vandaag in eerste instantie behoefte aan een uitgewerkte grondwet, die juridisch de Europese samenwerking en vormen van sui-generis-integratie scherp zou stellen en de rechten en plichten van de Europese instellingen en van de Europese burgers uit zou schrijven. Het opstellen van een grondwet is een werk van aangelegenheid. Ideologische - sommigen gewagen van theologische - meningsverschillen over de publiekrechtelijke toekomst van Europa zullen in volle heftigheid opflakkeren. Federalisten en confederalisten, integrationisten en inter-gouvernementalisten dreigen met elkaar intellectueel op de vuist te gaan. Dergelijke discussies, erg interessant als die zich afspelen in het raam van academische colloquia en congressen, zijn in her raam van een politieke Conventie momenteel zeker niet opportuun. Bovendien moet worden onderstreept dat het Europees Parlement reeds een paar zeer verdienstelijke pogingen heeft gedaan wat betreft het uitwerken van een ontwerp van grondwet. Hopelijk komt er een dag dat deze prestaties vanwege het Europees Parlement politieke erkenning zullen krijgen. Een meer bescheiden aanpak zou erin bestaan dat uit alle belangrijke Europese verdragen, sedert dat van Rome, een basisverdrag zou worden gedistilleerd, terwijl minder essentiële, minder principiële en meer transitorische beschikkingen en bepalingen zouden worden ondergebracht in 'werkingsverdragen'. De wijziging van het basisverdrag zou voorwerp blijven van een 'zware procedure' via goedkeuring door elk van de nationale parlementen en in sommige landen via een referendum en uiteraard ook door het Europees Parlement. De werkingsverdragen daarentegen zouden met gekwalificeerde meerderheid door de ministerraad en her Europees Parlement kunnen worden aangepast.

Maar voorafgaandelijk en op korte termijn dient een hele reeks concrete en heikele problemen te worden opgelost, indien men tijdens de eerstvolgende jaren de doelmatige werking van de Europese Unie, vooral na haar uitbreiding, wil waarborgen. En hier situeert zich de prioritaire taak van de Conventie, als wegbereider, padvinder, verkenner, spoortrekker, richtingwijzer en bruggenbouwer. En als die er niet uit geraakt zal de intergouvernementele Conferentie in 2004 de gordiaanse knopen door moeten hakken.

 

1/ Aldus lijkt het noodzakelijk zo snel mogelijk de befaamde pijlerstructuur, zoals die is gegroeid uit het Verdrag van Maastricht, sterk te vereenvoudigen en meer efficiënt te maken door de intergouvernementele pijlers inzake het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en het interne politionele en justitiële beleid maximaal te communautariseren.

2/ Vooral het gemeenschappelijke buitenlands en veiligheidsbeleid - inclusief zijn defensie aspecten - is de jongste jaren verworden tot de achillespees van de Europese Unie, zeker wat haar invloed in de rest van de wereld betreft. De overmacht van de Verenigde Staten is het spiegelbeeld van de onmacht van de Europese Unie. De communautarisering van het buitenlands en veiligheidsbeleid zal heel moeizaam verlopen omdat de hierbij betrokken bevoegdheden behoren tot de kern van de nationale soevereiniteit. Bij ontstentenis van een akkoord over een geïntegreerd buitenlands en veiligheidsbeleid, zou tenminste door de lidstaten aanvaard moeten worden dat de formule van de 'nauwere samenwerking' - een intense coöperatie van tenminste acht lidstaten - ook toepasselijk zou worden gemaakt op het buitenlands en defensie beleid. Achterblijvers en wankelmoedigen zouden dan niet langer die lidstaten kunnen hinderen, die resoluut hun verantwoordelijkheden in de wereld willen opnemen.

3/ Vandaag zijn de bevoegdheden inzake buitenlands beleid, op het niveau van zijn uitvoering, verdeeld over de hoge vertegenwoordiger van de Europese Unie, Javier Solana, en commissielid Chris Patten. Deze tweehoofdige situatie is contraproductief en schaadt de geloofwaardigheid van de Unie. Het is