Situering
Programma-punten
Actualiteit
|
POLITIEK - STANDPUNTEN
NON en NEEN
De Europese stier wordt
zondebok
De mislukte Europese referenda in Frankrijk
en Nederland bewijzen de onvrede van brede lagen van de bevolking met het
gevoerde beleid of preciezer met het onvermogen van dat beleid om de
huidige problemen op te lossen en aankomende dreigingen weg te nemen.
Daarbij worden de eigen regeringen in eerste instantie geviseerd en de
referenda boden een welkome gelegenheid om de zittende kabinetten af te
straffen. Wat andermaal ten overvloede aantoont dat een referendum over
een Europees verdrag makkelijk van zijn doel wordt afgewend en wordt
misbruikt. Nationale parlementsverkiezingen dienen om nationale regeringen
te beoordelen. In een representatieve democratie moet men de volksver-
tegenwoordigers hun verantwoordelijkheid laten opnemen, wat de
mogelijkheid inhoudt dat ze ex post door de kiezers worden gesanctioneerd.
In 1950 werd het Schumanplan gelanceerd met de bedoeling een Europese
Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) op te richten en aldus een begin te
maken met de Europese integratie. Indien hierover toen een
volksraadpleging had plaats gevonden in respectievelijk Frankrijk en
Duitsland, is het meer dan waarschijnlijk dat de (geniale) gedachte van
Jean Monnet om de twee industriële basissectoren van toen onder één
gemeenschappelijk en supranationaal gezag te plaatsen, met klank door het
Franse en Duitse volk – lange tijd aartsvijanden – zou zijn verworpen. Met
als gevolg dat de éénmaking van Europa nooit van de grond zou zijn
gekomen.
De Fransen stemden dus ‘neen’, maar niet in
eerste instantie tegen de Europese grondwet. Met weinig woorden zegden zij
‘zut’ tegen de eigen regering Raffarin en haar bewind en tegen het
concept van een verondersteld te liberaal Europa. Het referendum werd een
Raffarindum, waarbij vooral de Franse president J. Chirac in de klappen
deelde. Zijn verholen ambitie om in 2007 andermaal te kandideren voor het
Franse presidentschap mag hij nu wel opbergen. Wat in Frankrijk gebeurde
is vooral een voorbeeld van wat ik ook in België wel eens heb aangeklaagd:
de ‘verbinnenlandsing’ van de buitenlandse politiek. Maar de politici
hebben die in de hand gewerkt door in Frankrijk, zoals in veel andere
Europese landen, steeds met de beschuldigende vinger te wijzen naar
‘Brussel’ en naar Europese beslissingen, als het erop aankomt in eigen
land onpopulaire maatregelen te treffen. Het stabiliteitspact, dat het
begrotingstekort beperkt tot 3% van het BNP, en het programma van
Lissabon, dat de Europese economie structureel wil moderniseren, werden
als autoriteitsargumenten ingeroepen om onpopulaire maatregelen in eigen
land te rechtvaardigen. De Bolkesteinrichtlijn van haar kant, die poogt
een grote dienstenmarkt te creëren, werd gediaboliseerd, zelfs door J.
Chirac. En V. Giscard d’Estaing, die zich graag aandient als de vader van
de Europese Grondwet, heeft zich bij herhaling verzet tegen een mogelijke
toetreding tot de EU van Turkije. In de Franse publieke opinie werd aldus
een verband gelegd tussen de goedkeuring van het grondwettelijk verdrag en
het lidmaatschap van Turkije, ofschoon beide dossiers met elkander niets
te maken hebben. Giscard heeft door zijn optreden alvast een grote flater
begaan en argumenten toegespeeld aan de tegenstanders van het Europese
reilen en zeilen. In Nederland heeft zich een gelijkaardige evolutie
voorgedaan. De jongste jaren werd het land van het poldermodel – eens een
voorbeeld voor de natiën van Europa – uit zijn hengsels gelicht door het
plotse oprijzen uit het niet van Pim Fortuyn, populistische ster aan het
politieke firmament, gevolgd door de schandelijke moordaanslag op de man
in kwestie. En nauwelijks was dit trauma enigszins weggeëbd of Theo van
Gogh werd neergeknald in de straten van Amsterdam. In Nederland lijkt de
maatschappelijke malaise hoofdzakelijk gericht op de moeilijkheden rond
multiculturaliteit, waarbij de kreet ‘Nederland is vol’ veel Nederlanders
instemmend deed knikken en de regeerders met verwijten overlaadde. Een
complex samenspel van factoren verwekte aldus ruim ongenoegen over de
maatschappelijke gang van zaken en uiteindelijk ook over Europa, verergerd
door ontgoocheling en angst en alvast het wijd verspreide gevoel dat
Europa niet in staat is om de maatschappelijk en sociaal nare gevolgen van
de globalisering weg te werken of om te buigen. Extreem-links en
extreem-rechts waren de pleitbezorgers van het ‘neen’ in Frankrijk. Hun
standpunten waren nochtans niet tegengesteld, zoals veel waarnemers en
politici hebben beweerd. Zij waren veeleer complementair, zoals ook in
België. Extreem-links en in grote mate centrum-links willen een
nationaal beschermingsbeleid tegen de sociale gevolgen van de
mundialisering van de economie. Er wordt geijverd voor een impliciet of
openlijk beleden protectionisme in een aantal industriële sectoren, zoals
dit steeds het geval is geweest voor de Europese landbouw. Links pleit
opnieuw voor neo-etatisme, liefst gevoerd door de eigen nationale regering
in eigen land, hogere overheidsuitgaven (investeringen) en het geven van
politieke richtlijnen aan de Europese centrale Bank. Extreem-rechts is dan
weer de protagonist van cultureel protectionisme en kant zich tegen de
immigratiestromen en de multiculturaliteit, die nochtans een onomkeerbaar
feit is geworden. Extreem-rechts wil eigenlijk een beleid van apartheid,
dat duidelijk xenofobe kenmerken vertoont en waarbij immigranten en andere
culturen en godsdiensten makkelijk worden gediscrimineerd. Beide
extremismen vinden elkaar in hun anti-Europese opstelling.
Aan de bevolking is onvoldoende uitgelegd
dat zonder geïntegreerd Europa en met name zonder een gemeenschappelijke
euromunt de afzonderlijke Europese landen totaal ongewapend zouden worden
overgeleverd aan de mechanismen van arbeidsherverdeling in de wereld ten
voordele van goedkope en jonge landen. Het is ongenoegzaam bekend hoezeer
landen als Spanje, Portugal, Griekenland en Ierland sedert hun toetreding
tot de Europese Unie de welvaart van hun bevolkingen hebben weten te
verhogen. Ierland is thans het land van de EU met het tweede hoogste
inkomen per hoofd. Ook heeft de bevolking niet begrepen dat de Europese
grondwet institutioneel gesproken de overgang moet mogelijk maken van het
oude Europa naar het nieuwe. Het oude Europa dat ontstaan is rond de as
Parijs-Bonn en de Duits-Franse verzoening was het kind van de twee
wereldoorlogen en van de Koude Oorlog. Bij wijze van antithese kan men
stellen dat vadertje Stalin, als boeman, ook behoort tot de founding
fathers van het verenigde Europa. Toen was Europa een zichzelf beschermend
bolwerk,begrensd door het IJzeren Gordijn en de muur van Berlijn. Sedert
de implosie van het communisme en de explosie van de Sovjet-Unie is een
totaal nieuwe toestand ontstaan, niet langer van begrenzing maar wel
degelijk van ontgrenzing, waarbij de politiek en moreel nodige uitbreiding
van de Unie niet langer beantwoordt aan geografische normen maar steeds
meer aan gemeenschappelijke gedeelde waardeschalen. De toetreding van
Turkije is op dit punt ee heel belangrijke testcase. Maar ook als dit
land aan alle gestelde voorwaarden zou voldoen, is het vandaag niet
waarschijnlijk dat met name de Fransen bij een nieuw referendum het licht
op groen zouden zetten voor dit land,dat nochtans grote inspanningen
levert op het vlak van de democratisering. Een van de gevolgen van het
negatieve referendum in Frankrijk van 29 mei zou kunnen zijn dat Turkije
uiteindelijk terecht komt in een fundamentalistische houdgreep, wat
Europa heel zuur zou kunnen opbreken.
Het is natuurlijk juist dat de werking van
de Europese instellingen voor de burger erg ondoorzichtig en dat de tekst
van de voorliggende grondwet bijzonder omvangrijk en onleesbaar zijn. Zo’n
document voorleggen aan een referendum waarbij met ja of neen dient
geantwoord, is bijzonder ongenuanceerd. Een referendaire raadpleging van
de bevolking is niet per se een oefening in democratie. Vaak is het een
demagogisch maneuver of een tactiek om politieke tegenstrevers in
moeilijkheden te brengen. In Frankrijk poogde president Chirac de
socialistische partij te verdelen over de Europese Grondwet, maar hij
kreeg de boomerang in eigen gezicht. In Nederland ging het om een niet
bindend referendum, maar dit is een louter formeel standpunt. Het is een
politieke evidentie dat wanneer een significante meerderheid zich
uitspreekt tegen zoiets belangrijks als een ontwerp van Europese Grondwet,
de regeerders verplicht zijn hiermede rekening te houden.
Vaak wordt een referendum aangeprezen met
het argument dat wat moet worden gedaan aan het Europese democratische
deficit. En het is juist dat zolang er geen echte Europese regering
bestaat, die verantwoordelijk zou zijn voor het Europese parlement, de
Europese beleidsinstellingen onvoldoende geconfronteerd worden met een
‘counter vailing power’. Toch lijkt het mij overdreven te gewagen van een
democratisch deficit in Europa. Het Europees parlement telt ongeveer 750
rechtstreeks verkozen leden en de nationale parlementen, die de Europese
aangelegenheden op de voet volgen in de 25 lidstaten, zijn samen goed zijn
voor circa 10 000 parlementsleden. Er is geen onder- maar veeleer
oververtegenwoordiging. De Grondwet voorziet bovendien dat 1 miljoen
Europese burgers verdeeld over diverse Europese landen bij petitie de
Europese Commissie kunnen dwingen bepaalde initiatieven te nemen. Wel is
er een enorm informatie- en pedagogisch deficit. Politici, media en het
onderwijs dragen hier een grote verantwoordelijkheid. Men bestuurt
Europa, Men beslist, Men decreteer boven de hoofden van de mensen.
‘Brussels has decided’. Er bestaat zoiets als de heerschappij van Men,
een haast abstract, non-figuratief bewind. De Europese burgers lijden aan
‘vermenning’, een maatschappelijke aliënatie die typisch is voor
hoogtechnologische samenlevingen.
Wellicht zal de ratificatieprocedure nu
verder worden afgewerkt in de andere landen. Op 1 november 2006 zal dan
de Europese Raad de toestand evalueren, zoals is voorzien in een bijlage
(n°30) bij het ontwerp van Europese grondwet. Indien meer dan vijf
lidstaten inmiddels de grondwet hebben verworpen, worden de boeken
gesloten en wordt het bord af- geveegd. Indien minder dan vijf lidstaten
de grondwet hebben verworpen, moet men zich beraden over alternatieven.
Een mogelijkheid bestaat erin een methode toe te passen die werd gebruikt
na de Deense afwijzing van het Verdrag van Maastricht in 1992 en de Ierse
afwijzing van het verdrag van Nice in 2 001. Men heeft toen niets aan de
verdragsteksten gewijzigd maar er werden plechtige verklaringen opgesteld
en teksten goedgekeurd die op bepaalde punten tegemoet kwamen aan de
zorgen uitgedrukt door hoger vermelde landen. De vraag is of zo’n
procedure toepasbaar is op het Franse geval, indien Frankrijk, bij monde
van zijn regering, helemaal de interventionistische en antiliberale toer
op zou gaan en daardoor frontaal zou ingaan tegen het beleid van een paar
andere regeringen in Europa zoals onder meer de Britse, de Italiaanse en
de toekomstige Duitse regering van CDU-signatuur. Men kan natuurlijk ook
een comité van wijzen aanduiden die pogen een alternatief uit te werken.
Daarbij zou een aantal essentiële hervormingen, noodzakelijk om de
instellingen in een uitgebreide Unie te laten werken, worden
ondergebracht in een mini-verdrag dat dan opnieuw aan de
ratificatieprocedure in de lidstaten zou worden onderworpen. Bij dit
alles blijkt dat de gestrande Grondwet ook een aantal lacunes vertoonde.
Niets is immers voorzien om in de toekomst te vermijden dat basisteksten
kunnen worden geblokkeerd door een of een beperkt aantal lidstaten. In de
Verenigde Staten van Amerika kan de grondwet worden gewijzigd zodra twee
derden van de leden van het Congres en twee derden van de deelstaten zich
hierover positief uitspreken. Iets dergelijks moet ook in de EU worden
ingvoerd.
Inmiddels valt te verwachten dat het
ontwerp van Grondwet geruime tijd op een lager pitje zal blijven sudderen
of in de koelkast zal worden gestopt. De sfeer dreigt bovendien zeer
grimmig te worden voor het oplossen van een paar brandend actuele
problemen zoals de financiering van de Unie tijdens de periode 2
007-2013. Na het Franse veto over de Grondwet lijkt een consensus tussen
de grote lidstaten over de budgettaire uitgaven verder verwijderd dan
ooit. En indien bepaalde regeringen een nationaal, protectionistisch,
subsidiërend en interventionistisch economisch beleid zouden gaan voeren
teneinde opnieuw de sympathie te winnen van de kiezers, en met name het
stabiliteitspact en het program van Lissabon zouden los laten, dreigt
het hele Europese gebouw aan het wankelen te worden gebracht, te beginnen
met de Monetaire Eurozone. Dan zou de crisis van de Welvaartsstaat in
Europa wel eens tragisch om zich heen kunnen grijpen.
De kans dat het grondwettelijk verdrag ooit
tot Europese Grondwet wordt lijkt mij vandaag zeer gering. Een
afwachtende houding aannemen en de EU in een winterslaap wiegen tot 2006
(of later) lijkt mij onverantwoord, gezien de enorme beleidsuitdagingen
waarvoor de EU staat. (1) Er moet dringend een akkoord worden gevonden
tussen de 25 lidstaten over de financiering van de Unie tijdens de periode
2007-2013. (2) Met het program van Lissabon als uitgangpunt moet een
drastisch beleid van modernisering van de Europese economie worden
nagestreefd, met de klemtoon op innovatie, betere competitiviteit en
hogere groei. (3) Tegelijkertijd moeten de lidstaten vanuit de Unie
geholpen worden om de problemen inzake veroudering, financiering van de
welvaartsstaat, werking van de arbeidsmarkt, verhoging van tewerkstelling
en tewerkstellingraad, krachtig aan te pakken.
De regeringen van de 25 lidstaten dienen
samen met de Europese commissie vrij snel een alomvattend Europees
relanceplan uit te werken rond de hierboven geschetste thema’s. Eens dit
plan vastgelegd moet worden uitgemaakt welke institutionele verbeteringen
moeten worden aangebracht aan de huidige werking van de EU, ook rekening
gehouden met de recente en toekomstige uitbreiding van de EU. Ik stel
dus voor de volgorde om te keren: eerst een nieuw beleid uitstippelen en
vervolgens de werkwijze van de Unie aanpassen, zo nodig met een
pragmatisch en beperkt verdrag. Het zou b.v. zeer opportuun zijn een
beperkte fiscale bevoegdheid toe te kennen aan het Europees parlement met
het oog op de financiering van de Europese begroting.
Indien over zulk een globaal Europees
herstelplan geen eenparige consensus mogelijk is, kan men in het raam van
de verdragen van Amsterdam en Nice een ‘versterkte samenwerking’
organiseren van die lidstaten, die wel gezamenlijk resoluut voortgang
willen maken, die de problemen wensen aan te pakken en de
geloofwaardigheid van de Unie wensen te versterken. De kans is groot dat
Frankrijk alsdan bijdraait, hopelijk gevolgd door Groot-Brittannië. De
Europese Grondwet in dat perspectief verliest veel van haar dringendheid
en kan in gunstiger tijden weer worden opgenomen, eventueel in een
aangepaste versie.
Volgens de Griekse mythologie heeft Zeus,
de god van de Olympus, de mooie godin Europa de gedaante gegeven van een
onstuimige stier. Vandaag lijkt de Europese stier door de god van de
democratie gedegradeerd tot een gecomplexeerde zondebok. Een
spoedbehandeling is gewenst.
Mark Eyskens
Minister van Staat
L’ONITUDE
Le
rejet par les Français et les Néerlandais du traité
établissant une constitution européenne a incité beaucoup d’observateurs a
soumettre nos opinions publiques a un véritable examen psychanalytique,
digne du divan du Dr Freud. Le mécontentement largement répandu a de
nombreuses causes, telles le chômage persistant nonobstant les promesses
réitérées faites par la classe politique de le résoudre, l’angoisse face
aux conséquences souvent mal perçues et mal expliquées de la
globalisation, la peur de perdre les droits acquis propres à l’Etat de
Providence, l’allergie à la société multiculturelle et ses flots
d’immigrés, le manque de passion pour une Europe bureaucratique, dont on
croit qu’elle coûte chère et qui semble se diluer, au moins
géographiquement. Ce désenchantement cache toutefois un phénomène beaucoup
plus grave, à savoir une crise de la démocratie représentative, due au
distanciement profond entre le pays légal et le pays réel. Certes, cette
crise fut par le passé souvent latente dans nos démocraties. Elle fut par
ailleurs exploitée par des populistes (‘je suis leur dirigeant ; donc je
les suis !’) et par des apprentis autocrates de droite et de gauche. Mais
il est évident que depuis la fin de la guerre froide et la disparition de
la menace apocalyptique d’une conflagration thermonucléaire, les facteurs
rassembleurs autour de leaders crédible se sont considérablement étiolés
en Europe. S’ajoute à cela l’extraordinaire complexification de nos
sociétés contemporaines, jetées dans un océan démonté de changements et de
mutations tous azimuts. Il arrive en plus que les démagogues en politique
portent ombrage aux pédagogues qui tentent d’expliquer de manière nuancée
quels sont les vrais défis et les solutions possibles et impossibles. Mais
plus fondamentalement nos sociétés actuelles semblent confrontées à un
problème plus structurel: celui de l’incommunicabilité de certaines
questions. A une prochaine occasion je m’étendrai davantage sur la loi
de la décroissance du savoir relatif, paradoxe de nos sociétés de la
connaissance. Je me limiterai maintenant à un autre aspect fondamental de
la crise de la démocratie représentative, que j’ai appelé l’onitude
ou le règne d’ON‘, dans un livre déjà publié il y a vingt ans sous
le titre ‘La Source et l’Horizon’ (Duculot 1985).
Le mal
qui frappe les Européens et qui sape leur énergie et confiance, est l’onisation
ou la domination du ON, à savoir la dépersonnalisation secrétée par le
fonctionnement particulièrement complexe et opaque de la société
d’aujourd’hui. Le citoyen se sent réduit à une composante infinitésimale
d’un immense rouage social, ayant atteint les dimensions d’une Europe de
450 millions d’habitants. Il se sent devenir une miette, divisé et
sectionné mais aussi regroupé et immergé contre son gré dans de vastes
ensembles sociaux, dans des organisations institutionnalisées et des
technostructures labyrinthiques. Il éprouve le pouvoir, bien que
démocratiquement mandaté, comme une autorité abstraite et incompréhensible
dans ses desseins et décisions. On gouverne, On administre, On décrète, On
impose, On réglemente, Brussels has decided, comme l’annoncent les
radios tous les jours. Le pouvoir exercé à force de législations et
mesures non transparentes, ressemble a un tableau non figuratif, alors que
les hommes politiques montrent leur figure tous les soirs à la
télévision. La constitution européenne, contestée, est un bel exemple d’onitude
dans la mesure où il s’agit d’un texte de 481 pages, abscons et illisible,
que l’ON exige des électeurs d’approuver ou de rejeter par un simple ‘oui’
ou ‘non’. Il est vrai que les hommes et les femmes politiques sont souvent
eux-mêmes victimes d’onisation, en ce sens qu’ inévitablement limités par
leur propre spécialisation, ils se trouvent contraints d’approuver des
lois ou d’entériner des mesures, dont ils sont incapables de jauger
convenablement la portée.
L’onisation
de la personne humaine dans nos sociétés démocratiques se présente
également dans les autres structures organisationnelles. La grande
entreprise, l’université, l’administration, les syndicats, les églises,
les hôpitaux …subissent les effets de l’onitude croissante. Ce phénomène,
caractérisé per un exercice ‘mécaniste’ du pouvoir anonyme, bien
qu’incarné par des responsables qui souvent parlent pour ne rien dire,
accable le citoyen. Il en résulte au 21ème siècle une
aliénation plus grave et plus difficile à combattre, que les aliénations,
par ailleurs d’une autre nature, dénoncées par Karl Marx au 19ème
siècle. La réaction collective des citoyens étant de se vouer à un
individualisme estimé protecteur et souhaité protectionniste.
Que
faire face à cette onitude rampante? La réponse à cette question risque
d’être extrêmement complexe à formuler et davantage à mettre à exécution,
ce qui pourrait ajouter à l’onisation généralisée. Je reviendrai sur ce
paradoxe à une autre occasion.
Mark
EYSKENS
Ministre d’Etat
Fundamentalisme in de politiek
Prof. Mark Eyskens
Minister van Staat
Fundamentalisme, integrisme en islamisme
Het woord 'fundamentalisme' is van christelijke oorsprong. Het is
bijzonder nuttig dit vandaag in herinnering te brengen. De term fundamentalisme werd in
omloop gebracht in de schoot van de hoofdzakelijk protestantse, Angelsaksische
christelijke kerken aan het begin van de twintigste eeuw. Fundamentalisme betekende de
terugkeer naar de fundamenten van het ware geloof en zijn schriftelijke bronnen en verwees
naar een conservatieve godsdienstige gedachtestroming, die de schat van het geloof
onveranderd wilde behouden. Het fundamentalisme was echter ook een verzamelnaam voor een
aantal christelijke religieuze organisaties en bewegingen, die kritisch stonden tegenover
het 'modernisme', met name de invloed van de moderne wetenschap op het wereld- en
godsbeeld, de conclusies van de interpretatieve exegese van de heilige schrift en de
psychologische en socio-culturele verklaringen van de 'godsdienstigheid' als collectief en
individueel verschijnsel. Weldra bleek ook de katholieke kerk in bepaalde van haar
geledingen -- vaak de hogere clerus en curieverantwoordelijken in de schoot van het
Vaticaan instemming te betuigen met zeer behoudsgezinde standpunten. De
christelijke fundamentalisten stonden op een letterlijke lezing van het oude en het nieuwe
testament en onderstreepten het belang van de geloofsdogma's en de noodzaak de geloofsleer
krachtig te verdedigen. De democratische ontwikkelingen in de westerse samenlevingen en de
sociale ontvoogdingsstrijd van de arbeiders werden met argusogen bekeken, vooral in de
19de eeuw. Op zedelijk vlak en meer bepaald wat betreft de seksuele moraal bleek
hoofdzakelijk de katholieke kerk vast te houden aan principiële normen, die door heel
veel gelovigen als wereldvreemd werden ingeschat. Maar het is vooral de verspreiding van
de evolutieleer van Charles Darwin, die een fikse controverse verwekte. Voor orthodoxe
christenen was de 'wetenschap' dat de mens niet rechtstreeks door God geschapen was, maar
integendeel het product was van een zich over miljarden jaren uitstrekkende
evolutieproces, sedert het ontstaan van de eerste levende cel op aarde, totaal
onaanvaardbaar. Tot op heden bloeien trouwens creationistische bewegingen, vooral in de
Verenigde Staten, die de evolutieleer blijven verwerpen (ook al heeft Paus Johannes-Paulus
II er zich positief over uitgelaten), zoals in de 16de en 17de eeuw veel gelovigen
ongelovig reageerden op de ontdekkingen van Copernicus en Galileï.
Naast het fundamentalisme, is er ook sprake van katholiek 'integrisme',
een strekking die oorspronkelijk meer politiek gericht was en ontstaan is in het Spanje
van de 19de eeuw. De integristen in de toenmalige katholieke partijen ijverden ervoor om
het katholicisme te verheffen tot staatsgodsdienst en aldus de scheiding tussen Kerk en
Staat, opgedrongen door de Franse revolutie, op te heffen. Zij verzetten zich ook tegen
moderne maatschappelijke ontwikkelingen en vonden gehoor bij de toenmalige Paus Pius IX
onder meer in zijn berucht herderlijk schrijven 'Syllabus', waarin hij zich
kritisch uitliet over de democratie.
In meer recente tijden was de 'kerk' van bisschop Lefèbvre een
uitvloeisel van vormen van katholiek fundamentalisme, als reactie op doctrinaire en
liturgische vernieuwingen, doorgevoerd door het tweede Vaticaans concilie.
*
Het is evenwel vandaag bijna steeds met verwijzing naar de islam dat
het woord fundamentalisme wordt gebruikt, naast integrisme en islamisme. Vanuit een
christelijk standpunt vereisen de oprechtheid en de openhartigheid, in het raam van een
dialoog met moslimverantwoordelijken, dat duidelijk wordt gesteld hoezeer religieus
fanatisme in het eigen verleden van het christelijke Europa onheil heeft aangericht:
innerlijke verscheurdheid tussen katholieken en protestanten, tussen christenen en
orthodoxen, de talrijke en bloedige godsdienstoorlogen en de inquisitie en de
brandstapels. En ook moet ruiterlijk erkend dat de beruchte christelijke kruistochten, in
een veel verder verleden, ter verdediging van de heilige plaatsen, met schandelijke
schendingen van de mensenrechten gepaard zijn gegaan.
Bij dit alles rijst de vraag - en ze wordt vaak gesteld in
niet-christelijke en atheïstische kringen maar ook o.m. door de studenten op onze
(katholieke) universitaire campussen - of godsdienst en godsgeloof niet haast
vanzelfsprekend moeten leiden tot onverdraagzaamheid en vormen van agressie, gegeven de
talrijke historische voorbeelden. Met name aan de monotheïstische godsdiensten, het
jodendom, het christendom en de islam, wordt verweten dat zij, steunend op een
geopenbaarde waarheid, makkelijk aanspraak maken op onfeilbaarheid en geprivilegieerd
waarheidsbezit, dankzij een verbond afgesloten met God, de almachtige. Zulk een 'Gott
mit uns'-interpretatie, die terug gaat tot een letterlijke lectuur van het oude
testament, blijkt evenwel vandaag in de christelijke theologie en waardenbeleving
achterhaald. God is in eerste instantie liefde en deze liefde richt zich op de medemens,
die via deze liefde Gods beeld weerkaatst. In deze opvatting is vanzelfsprekend geen
ruimte voor haat, agressie en blinde geweldpleging. Want godsdienst is eveneens
mensdienst, waarvan verdraagzaamheid en wederzijds begrip essentiële aspecten zijn. De
overtuiging dat men het monopolie van de waarheid bezit, leidt makkelijk tot de 'hubris'
van dogmatisme en tot machtsdenken, dat tot in structuren, instellingen en hun politieke
inbedding wordt doorgetrokken.
Moslimleiders hebben niet helemaal ongelijk als zij het Westen ethische
hypocrisie aanwrijven en herinneren aan het feit dat in het christelijke Europa nauwelijks
50 jaren geleden 50 miljoen mensen werden gedood tijdens de bloedige tweede wereldoorlog.
Daarbij komt dat ook vandaag Europa geen terrorismevrij gebied is en bij wijlen geteisterd
wordt door aanslagen, die helemaal niets te maken hebben met fundamentalistische
islamgroepen. Het volstaat te verwijzen naar de het IRA in Ierland, het ETA in Spanje, de
Rote Armee Fraction en de Bader-Meinhof-groep in Duitsland en de CCC (cellules
communistes combattantes) in België een aantal jaren geleden.
De grootste omzichtigheid is derhalve aan de orde zodra christenen en
moslims elkander verwijten van onverdraagzaamheid naar het hoofd slingeren. En ofschoon
allerlei vormen van fundamentalisme gemakkelijk ontaarden in verregaande
onverdraagzaamheid, is het daarenboven onjuist te stellen dat fundamentalisme en
integrisme noodzakelijkerwijs zouden leiden tot terrorisme. Niet zelden blijkt het
fundamentalisme een sluier die gemakkelijk gespreid wordt over een louter politieke
machtsstrijd en een strategie van afrekening tussen landen, ethnieën, politieke
ideologieën en partijen.
Feit is dat vooral sedert de revolutie in Iran (1978-79) met het aan de
macht komen van ayatollah Khomeini en de Golfoorlog met Irak (1991), na de verovering door
dit land van Koeweit, het terrorisme, al dan niet fundamentalistisch, maar alvast politiek
geïnspireerd, een belangrijk probleem geworden is voor het nationale en internationale
beleid. Voordien was (en is) het Nabije Oosten reeds geregeld het toneel van bloedig
terrorisme. De barbaarse terroristische aanslagen op het World Trade Center en op het
Pentagon hebben, in de westerse benadering van de gebeurtenissen, het
moslim-fundamentalisme zeer sterk in het vizier gebracht. Opmerkelijk is evenwel dat heel
wat moslim-intellectuelen de terroristische acties en geweldplegingen afkeuren en
afwijzen, in naam van de Koran, en kritisch aankijken tegen wat westerlingen, met een in
oorsprong christelijke term, onder 'fundamentalisme' verstaan. De term
moslim-fundamentalisme is voor moslimkenners veeleer misleidend en hij zou beter worden
vervangen worden door moslim-activisme of islamistische wederopstanding, waarbij
'herkoranisering' - de paus spreekt wel van 'herevangelisering' wordt gepredikt,
zowel wat betreft de houding van de individuele moslimgelovige als wat betreft de
maatschappelijke structuren in de islamlanden. Zoals de christenheid in de 19de en 20ste
eeuw problemen heeft gehad met de vooral wetenschappelijk en economisch gestuwde
moderniteit, staan de islam-landen vandaag voor een kolossale uitdaging. Hoe de vooral
door het westen aangereikte hoogtechnologische goederen en diensten assimileren, zonder
cultureel en levensbeschouwelijk identiteitsverlies, zonder omwoeling van traditionele
maatschappelijke en politieke structuren? Hoe de uit het westen komende moderniteit
opvangen zonder de eigen ziel te verliezen? En als dat niet mogelijk zou blijken, hoe dan
de ongewenste westerse invloeden afstoten, contreren en uitschakelen? Dit zijn
existentieel maatschappelijke vragen, die ook het westen hebben beroerd tijdens de opkomst
van het handelskapitalisme vanaf de 16de eeuw en die zich met nog meer pertinentie hebben
doorgezet sedert de aanvang van de eerste industriële revolutie in de 18de eeuw. In veel
moslimlanden is het officieuze, soms officiële antwoord op deze vraagstelling eenvoudig.
Materialistische verwestersing meestal veramerikanisering, zoals dit wordt gesteld
is volkomen onaanvaardbaar, want vernietigend voor de eigen beschaving. Cultureel
protectionisme, islamitisch militantisme en herbevestiging van de eigen koranieke
waarheden en waarden dienen gepromoveerd. Meteen wordt een maatschappelijk 'weerstandige'
houding aangenomen tegenover het westen, die kan leiden tot lichtgeraaktheid (cfr de zaak
S. Rushdie), onverdraagzaamheid, haat en gebruik van geweld.
Belangrijk hierbij is aandacht te besteden aan de grondbetekenis van de
gebruikte paradigmatische woorden; de woorden die het omvattende denkraam van een
beschaving uitdrukken, waarbij een verwijzing naar de etymologische wortels verhelderend
kan zijn. Zo betekent het woord Islam 'onderwerping aan Gods wil', terwijl voor wie
de antinomie in de verf wil zetten - het woord Israël verwijst naar 'de worsteling met
God'. Aldus wordt het hemelsbreed verschil zichtbaar tussen de paradigma's van beide
monotheïstische wereldbeschouwingen. De joodse instelling is in wezen kritisch en
bevragend, ofschoon hier ook fundamentalistische afwijkingen optreden; de islamitische is
onderwerpend en aanvaardend. Toch houdt de onderworpenheid van de moslims geen totale
passiviteit in. Het gaat om een onderworpenheid aan het goddelijke bevel om met alle
middelen te streven naar de verwezenlijking van Gods wil in de geschiedenis. En deze
streving wordt samengevat in het woord 'Jihad', dat slechts in een afgeleide
betekenis naar 'heilige oorlog' verwijst.
De moslimbeschaving is een van de belangrijkste beschavingen die de
planeet ooit heeft gekend en nog steeds kent. Het westen heeft hieraan zeer veel te danken
(de algebra, de kennis van de grote Griekse filosofen dank zij Avicenna en Averroës, de
astronomie, nieuwe zeevaarttechnieken
). Wel is het zo dat de eerste (tweede helft
van de 18de eeuw) en de daarop volgende industriële omwentelingen aan de islamwereld zijn
voorbijgegaan en dit omwille van complexe redenen, die ik gepoogd heb uiteen te zetten in
mijn boek 'De grote Verjaring. Van de 20ste eeuw naar het 3de millennium' (Lannoo, 1996).
De wetenschappelijke en technologische voorsprong van het westen, die
zich vanaf de 18de eeuw heeft doorgezet, heeft ongetwijfeld, bewust en onbewust, de eer en
de trots van de intellectuele en culturele elite in veel Arabische landen geraakt en
gekwetst. Dit was en is des te meer het geval omdat de technologische dominantie van het
Westen de rest van de wereld onvermijdelijk in een positie van afhankelijkheid heeft
geplaatst, waarbij de andere landen en continenten de snufjes van de moderne technologie
maar konden en kunnen verwerven via import, en derhalve het verkopen van de eigen
bodemschatten. Wat in de meeste gevallen gepaard ging met vormen van openlijk of verborgen
kolonialisme tot in een relatief recent verleden, waarna de fakkel van de interdependentie
volgens de critici 'dependentie' werd overgenomen door de alom oprukkende,
vervreemdende multinationals.
Fundamentalisme, terrorisme en hun verklaring.
1/ Ofschoon fundamentalisme, ondanks zijn hoog
onverdraagzaamheidsgehalte, niet noodzakelijkerwijze tot geweldplegingen hoeft te leiden,
leert de recente geschiedenis dat terrorisme onder meer zijn voedingsbodem kan vinden in
religieus fanatisme. Supra werd hierop gealludeerd. Extreme beleving van de eigen
waardeschalen onder het motto 'herbronning' of 'terug naar de roots' (onder meer
via de heilige boeken ), vindt haar verklaring in een reactie van bescherming en
verdediging tegen meestal vanuit het buitenland aangereikte invloeden. Deze invloeden,
zoals bijvoorbeeld al wat te maken heeft met de Amerikaanse way of life, worden niet
zelden door een deel van de lokale elite ervaren als invasie en bedreigend voor de eigen
cultuur. Fundamentalisme, cultureel protectionisme, zelfingenomenheid, nationalisme, eigen
volk eerst-reflexen en agressieve zelfverdediging liggen aldus niet ver uit elkander
2/ Bij het analyseren van de oorzaken van de antiwesterse houding, die
door de bevolking van veel Arabische en moslimlanden wordt aangenomen (Iran en Indonesië
zijn moslimstaten, evenwel niet arabisch), dient de aandacht gevestigd op de economische
mindere prestaties of mislukkingen van veel islamlanden. Ongetwijfeld zijn de
olieproducerende landen, vooral rond de Perzische Golf, bijzondere welvarend geworden maar
de heersende klasse, die er aan het bewind is, wordt door de vaak arm gebleven bevolking
geacht in stand te worden gehouden dankzij de steun van het Westen, met name van de
Verenigde Staten en de grote Amerikaanse multinationals. Slechts weinig moslimlanden waren
deelachtig aan de industrialisatiegolven van de 19de en 20ste eeuw. En de doorbraak van de
hoogtechnologie, vooral van de moderne informatie- en communicatiemiddelen, was en is er
voornamelijk te danken aan massale import uit de westerse wereld. Enkel Turkije en
wellicht in mindere mate Maleisië slaagden erin, als moslimlanden, zich te integreren in
de westerse markteconomie en min of meer autonome actoren te worden. Dit is ook de reden
waarom eerst genoemd land met veel vasthoudendheid ijvert voor zijn volwaardig
lidmaatschap van de Europese Unie. In de meeste andere moslimlanden is de economische en
sociale situatie ongunstig of ronduit slecht, waarbij hun afhankelijkheid van de westerse
wereld door de bevolking zeer scherp wordt aangevoeld. De wassende toeristenstromen
verergeren bij de inwoners van die landen nog meer de overheersende indruk van verregaande
kolonisatie en vervreemding. Dat de eigen, vaak autocratische bewindvoerders en de hen
omringende elite samenheulen met de westerse politieke en economische machthebbers
verhoogt nog het misprijzen en de afkeer van grote groepen uit de lokale bevolking voor
wat beschouwd wordt als een corrumperende westerse overheersing. Het feit dat in veel
Arabische staten en landen van de Derde Wereld zeer aanzienlijke sommen worden
uitgetrokken voor wapeninvoer, terwijl de eigen bevolking het moet stellen met een zeer
lage levensstandaard, verergert de algemene malaise.
3/ De socio-economische statistieken en de werkelijkheid die er achter
schuilt, zijn voor de islamwereld een bijkomende reden van vernedering. In de rijke
westerse landen, meestal behorend tot de OESO, bedraagt het gemiddelde inkomen per hoofd
vandaag ongeveer US$ 28 000. In de Verenigde Staten is dit zelfs US$ 36 000, en in Israël
schommelt het rond US$ 20 000. Maar in de moslimwereld die zich uitstrekt van Marokko tot
aan de Filippijnen, voorbij Bangladesh en Indonesië, is het inkomen per hoofd nauwelijks
US$ 4 000, en dan wordt dit gemiddelde nog geflatteerd door het gewicht van de
olieproducerende landen. De relatieve armoede van de moslim- bevolkingen wordt steevast
toegeschreven aan de westerse dominantie op velerlei gebieden en het daaruit
voortvloeiende arrogante westerse machtsmisbruik, dat vooral dank zij slinkse en
commerciële beïnvloeding beoogt de glorierijke Arabische cultuur en beschaving onderuit
te halen.
4/ Bijna vanzelfsprekend worden de Verenigde Staten van Amerika
uitgeroepen tot de speerpunt van de westerse overheersing en het slagschip van het
westerse imperialisme. Vooral sedert de ineenstorting van het Communisme en het ontstaan
van een wereld ge- domineerd door één supermogendheid, wordt Amerika gemakkelijk
verantwoordelijk gemaakt voor al wat fout gaat op de planeet en verheven tot de boeman die
nooit goed kan doen. Het anti-amerikanisme krijgt ook een ideologische kleuring bij al
diegenen die, ook en misschien vooral in het westen, ten strijde trekken tegen het
kapitalisme. Het moslim- fundamentalisme en het voornamelijk westerse anti-globalisme
hebben dezelfde vijand: het vaderland van het kapitalisme, Amerika. Een neo-marxistische
interpretatie van het wereldgebeuren wordt daarbij uitgetekend en, ofschoon paradoxaal, is
het niet helemaal verwonderlijk dat nieuw-links en links in Europa, ingevolge hun
anti-amerikanisme, sympathie opbrengen voor de Arabische zaak. Daarbij wordt het
negentiende-eeuwse marxistische model van de klassenstrijd op wereldschaal geprojecteerd,
in de analyse van de relatie tussen het rijke noorden en het arme zuiden. Maar
extreem-rechts mengt zich ook in het anti-globalistische koor. Daar waar het linkse front,
zoals gebleken is tijdens belangrijke economische en politieke topontmoetingen in de
wereld (Seattle, Washington, Davos, Genua, Gent), vooral de wereldwijde markteconomisering
en kapitalistische liberalisering bestrijdt, gaat extreem-rechts vooral te keer tegen de
culturele gevolgen van de globalisering. Extreem-rechts wil de eigen identiteit, de
zuiverheid van de eigen cultuur en de eigen tradities beschermen tegen de
internationalisering onder Amerikaanse wimpel. 'Les extrêmes se touchent'. Heel
wat extreem-rechtse partijen in Europa brengen sympathie op voor de Arabische zaak, wat
hen dialectisch in de gelegenheid stelt zich sterk af te zetten tegen de Amerikaans-joodse
invloeden in de wereld.
5/ De verhouding tussen de islamlanden en het westen is nog meer
verstoord geraakt ingevolge het aanslepende Palestijns-Israëlische conflict. Voor de
Arabische openbare opinie staat het vast dat de Amerikanen onverkort de zijde van Israël
kiezen, een indruk die wordt versterkt door een zeer invloedrijke joodse minderheid in de
Verenigde Staten en door de financiële en militaire hulp die Amerika aan Israël
besteedt. Hierbij wordt evenwel vaak een aantal historisch feiten uit het oog verloren. In
1947 heeft de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op het toenmalige territorium
van Palestina twee staten opgericht: een Israëlische en Palestijnse. Maar het zijn de
Arabieren die de Staat Israël niet hebben willen erkennen, van meet af aan hebben
bestreden en met vernietiging hebben bedreigd. Tijdens de zes-daagse-oorlog van 1967
hebben de Israëli's de aanvallen van de Arabische buurstaten zeer succesvol afgeslagen en
daarbij gebieden veroverd, die thans de bezette gebieden zijn geworden. Hierop woonden
heel wat Palestijnen, waarvoor echter de Arabische buurstaten gedurende twintig jaar heel
weinig hadden ondernomen. De Sinaï-woestijn werd in 1979 dankzij de akkoorden van
Camp-David aan Egypte teruggegeven en een Palestijnse Autoriteit bestuurt de Gaza-strip en
delen van Cisjordanië. Enkel Jordanië en Egypte hebben de staat Israël erkend.
Inmiddels zijn de Israëli's overgegaan tot het inplanten van talrijke nederzettingen in
de bezette gebieden teneinde een onomkeerbare toestand in het leven te roepen. De eerste
ministers Y.Rabin en E. Barak hebben nochtans grote inspanningen gedaan om tot een
vredesakkoord te komen met Yasser Arafat. Te Taba was men heel dicht bij een akkoord en
had de Israëlische eerste minister zeer grote concessies gedaan, zowel wat betreft een
gedeeld bestuur over Jeruzalem, een geleidelijke afbouw van de nederzettingen en de
terugkeer van Palestijnse vluchtelingen naar Israël. De Amerikaanse president Bill
Clinton wendde al zijn invloed aan om Palestijnen en Israëli's op één lijn te brengen.
Yasser Arafat bleek echter niet in staat de voorliggende vredesregeling te aanvaarden.
Barak keerde naar Israël terug zonder vredesakkoord en verloor de verkiezingen. Ariël
Sharon, een havik, werd tot eerste minister gekozen onder meer met de steun van joodse
fundamentalistische extremisten en het provocerende bezoek van Sharon aan de tempelberg
leidde tot de tweede intifada vanwege de Palestijnen, een golf van terroristische
aanslagen in Israël en een zeer harde en vaak bloedige repressie vanwege het Israëlische
leger. Het is overduidelijk dat een vredesregeling tussen Israël en de Palestijnse
Autoriteit, leidend tot de oprichting van een Palestijnse Staat enerzijds en
veiligheidsgaranties en staatserkenning voor Israël anderzijds (land for peace) de
spanning in het Nabije Oosten zeer aanzienlijk zou verminderen. Daardoor zou het
terrorisme grote delen van zijn teeltbodem verliezen.
6/ Frustrerend blijft dat veel moslimlanden bij belangrijke
multilaterale instanties en organisaties zoals de Verenigde Naties en Freedom House, heel
slecht scoren, wanneer het erop aankomt het democratische en vrijheidsgehalte van
bestaande politieke structuren in te schatten, in tegenstelling tot Israël dat gekenmerkt
wordt door een pluralistische democratie met grote vrijheid van meningsuiting. Landen als
Afghanistan, Irak, Libië, Saoedi-Arabië, Somalië, Sudan en Yemen behoren tot de meest
repressieve staten van de wereld, waar de mensenrechten nauwelijks of helemaal niet aan
bod komen. Onderzoek wijst uit dat er op termijn een positieve correlatie bestaat tussen
democratisering en de uitbouw van een rechtsstaat enerzijds en economische ontwikkeling
anderzijds. In 1950 lag de levensstandaard van de bevolking in Egypte ongeveer op dezelfde
hoogte als die in Zuid-Korea en Taiwan. Vandaag is het levenspeil in Zuid-Korea vijfmaal
en in Taiwan zeven maal hoger, vooral nadat deze landen zich gedemocratiseerd hebben. Na
de tweede oorlog flirtten sommige Arabische landen met de inefficiënte recepten van de
socialistische planning, maar de resultaten bleken weldra catastrofaal. Zeer uiteenlopende
belangen en situaties leidden ook tot grote politieke verdeeldheid in de schoot van de
moslimwereld, waarbij de Verenigde Staten niet zelden de indruk verwekten dat zij de
verdeeldheid aanwakkerden ten einde hun heerschappij sterker uit te bouwen. De zeer
cynische diplomatieke stelregel: 'de vijanden van onze vijanden zijn onze vrienden', werd
door de VS op spectaculaire wijze toegepast toen de Amerikanen Irak steunden en bewapenden
tegen Iran tijdens de Iraaks-Iraanse oorlog in de jaren tachtig, waarna de inmiddels sterk
geworden Saddam Hussein tijdens de golfoorlog (1991) door de westerse alliantie plat werd
gebombardeerd. Iets gelijkaardigs deed zich voor met de Taliban, die tijdens de Koude
Oorlog door de Amerikanen van wapens werden voorzien om te strijden tegen de
pro-Sovjet-beweging van generaal Massoud, daar waar diezelfde Taliban vandaag zijn
uitgeroepen tot de Amerikaanse vijand nummer één.
7/ Bij het aanwijzen van de oorzaken van het terroristisch geweld in de
wereld wordt vaak de schrijnende armoede in de ontwikkelingslanden zogenoemd. En ook hier
ligt het voor de hand dat een wereld, die dankzij de moderne communicatiemiddelen één
werelddorp is geworden, niet vredevol kan voortbestaan als een vierde van de
wereldbevolking nauwelijks het bestaansminimum bereikt. En het is niet omdat
terroristische aanslagen meestal verricht worden door relatief of zelfs hoog ontwikkelde
fanatici, die zelf niet zelden stammen uit welvarende gezinnen, dat de armoedefactor niet
verantwoordelijk zou zijn voor de groeiende geweldspiraal. Op planetaire schaal kan men
vandaag gewagen van een grensoverschrijdende klassenstrijd, vergelijkbaar met de
revoluties en opstanden in verscheidene kapitalistische landen tijdens de 19de en het
begin van de 20ste eeuw. Marktverhoudingen zijn ook machtsverhoudingen, vooral als de
concurrentie onvolmaakt verloopt en het hoeft geen verwondering dat ontwikkelingslanden
van dergelijke scheeftrekkingen het slachtoffer zijn. De oplossing bestaat er evenwel niet
in de internationale handel, het ontstaan van een wereldwijde markteconomie en de
concurrentie te verwensen en uit te schakelen. Internationale handel, hoe ongelijk de
voordelen ook mogen verdeeld zijn, is altijd beter voor een ontwikkelingsland dan helemaal
geen handel en dus economisch isolement. Het is ook dankzij de strijd tegen het westerse
protectionisme en de beteugeling van de macht van grote ondernemingen via een
concurrentiebeleid en internationaal afdwingbare gedragscodes door bijvoorbeeld de
Wereldhandelsorganisatie, dat men de huidige toestand recht kan zetten. Een beleid van
duurzame ontwikkeling en continue hervorming dringt zich op. Beaat optimisme over de
lotsverbetering van de ontwikkelingswereld is misplaatst, ofschoon de gunstige gevolgen
van bepaalde wetenschappelijke ontdekkingen onder meer op het vlak van de energiewinning
en de voedselproductie niet mogen worden onderschat. Cynisch pessimisme van zijn kant dat
stelt dat met name Afrika een verloren continent is, werkt zeer verlammend en is bovendien
ethisch verwerpelijk. Ten aanzien van de tragiek van de ontwikkelingswereld is opbouwend,
samenwerkend en geduldig 'meliorisme' vereist, uitgaande van de overtuiging dat mensen en
dingen verbeterbaar zijn. Het zijn de landen van de Derde Wereld die zich hebben
ingeschakeld in de wereldeconomie, die het er ook best van afbrengen en een spectaculaire
verbetering van hun levensstandaard hebben gerealiseerd, met name in Azië (Maleisië,
Singapore, Zuid-Korea, Taiwan, China, zelfs Vietnam dat het communisme althans economisch
liberaliseert). Alle studies wijzen ook uit dat economische groei een noodzakelijke,
evenwel geen voldoende, voorwaarde is voor de verheffing van de levensstandaard van de
bevolkingen. Daarbij komt dat veel ellende in de landen van de Derde Wereld voortspruit
uit etnische conflicten, verregaand politiek mismanagement, wijd verspreide corruptie, en
ondermijning van de volksgezondheid door postkoloniale epidemieën, waarvan aids de
meesten schrikwekkende illustratie is. Wanneer aan al die dompelaars, creperend van de
miserie, wordt wijs gemaakt dat het aids-virus door Amerikaanse laboratoria is ontwikkeld
en wordt verspreid teneinde de wereldheerschappij van de Verenigde Staten te vestigen en
te handhaven zoals de Zuid-Afrikaanse president Mbeki wel eens laat verstaan - is
het niet verwonderlijk dat wanhopige mensen de leugen voor waarheid aanvaarden. Extreme
haatgevoelens worden aldus gedistilleerd uit een mengsel van ergerlijke toestanden,
tragische feiten, misverstanden, halve waarheden, grove leugens en een indruk van
afgrondelijke onrechtvaardigheid. Zo ontstaat in het werelddorp uit veel onbegrepen
verdriet veel opgekropte haat en wraak, die kunnen exploderen in moorddadige
geweldpleging, waarbij zelfmoordcommando's tot het ultieme wapen van de wanhopigen wordt
verheven.
De internationale crisis
De stofwolken te New York zijn geleidelijk weggetrokken boven de
puinhopen veroorzaakt door de meest bloedige terroristische aanslagen uit de geschiedenis.
Tegelijkertijd krijgt de wereldgemeenschap af te rekenen met een nieuwsoortige bedreiging,
die wereldwijd op elk ogenblik van de dag en de nacht gruwelijke werkelijkheid kan worden.
De internationale gemeenschap wordt met een conflictsituatie van een nieuw type
geconfronteerd, dat grondig verschilt van de wereldwijde vijandelijkheden die zich tijdens
de 20ste eeuw hebben voorgedaan.
Het internationaal terrorisme vormt een onzichtbaar netwerk, waarbinnen
groepen en organisaties onderlinge contacten hebben en samenwerken. Zij worden
gefinancierd dank zij allerlei maffieuze praktijken - gaande van wapen- en drugshandel
over prostitutie en mensenhandel - en zij worden ondersteund door machtige beschermheren,
die behoren tot het staatsapparaat en de religieuze, fundamentalistische elite in een
aantal landen, door de Amerikaanse president niet ten onrechte 'schurkenstaten' genoemd.
Met het oog op de bestrijding van dit soort massale feitelijke (en potentiële)
agressiviteit dient de internationale gemeenschap van democratische landen een nieuwe
veiligheids- en defensiestrategie uit te werken. Maar er dient ook met grote intellectuele
eerlijkheid en in alle openheid een analyse gemaakt van de onderliggende oorzaken van al
dit terroristische geweld en deze misdadige agressiviteit.
1/ Democratieën mogen niet uit begrijpelijke woede of angst een beleid
gaan voeren dat, in een poging om het terrorisme uit te roeien, ook de eigen algemeen
menselijke en democratische waarden zou aantasten of vernietigen. Vergelding en weerwraak,
hoezeer ook geëist door een gekwetste openbare opinie, beantwoorden niet aan de
beginselen van de rechtsstaat. Prioritair daarentegen is het opsporen en berechten van de
daders. Naast de individuen zijn er echter de landen, die aan de terroristische groepen
hand- en spandiensten bewijzen. Die dienen op een zwarte lijst geplaatst en hun leiders
moeten beseffen dat zij verantwoordelijk zullen worden geacht telkens grootscheepse of
herhaalde terroristische aanvallen plaatsvinden. Internationale overeenkomsten, criteria
en methoden van inspectie dienen, bij voorkeur onder het gezag en het toezicht van de
Verenigde Naties, te worden uitgewerkt en geïmplementeerd. De hele scala van
UNO-sancties, inclusief militair optreden, dient ingezet tegen terroristische staten.
2/ Een leefbare wereldgemeenschap veronderstelt dat ook steeds meer
werk wordt gemaakt van de uitbouw van een internationale rechtsgemeenschap, waarin
conflicten worden beslecht of gearbitreerd. De huidige crisistoestand kan bijdragen aan
een groeiende bewustwording en aan het nemen van nieuwe initiatieven. Zo moet de
oprichting van een Internationaal Strafgerechtshof worden versneld, opdat staatsleiders en
politieke en militaire verantwoordelijken, die zich schuldig maken aan misdaden tegen de
menselijkheid (zoals terrorisme), zouden kunnen worden vervolgd en veroordeeld. President
Bush, die de goedkeuring van het desbetreffende verdrag door zijn voorganger president
Clinton, ongedaan heeft gemaakt, kan nu aantonen dat hij wil meewerken aan een nieuwe
internationale rechtsorde.
3/ Een land, dat het slachtoffer is van aanzienlijke terroristische
aanslagen, georkestreerd vanuit bepaalde landen, bevindt zich in staat van wettige
zelfverdediging. Het handvest van de Verenigde Naties (art.51) voorziet uitdrukkelijk dat
in dit geval de geagresseerde staat zich mag verdedigen zonder toelating van de
Veiligheidsraad. Het is slechts ex post dat de geschapen toestand door de Veiligheidsraad
moet worden onderzocht. Het is om dit artikel te kunnen inroepen dat de Amerikaanse
president gewag heeft gemaakt van een 'oorlogsdaad' die van buiten af tegen zijn land werd
georganiseerd. Deze juridische formulering beantwoordt trouwens aan de werkelijkheid en
heeft bovendien voor gevolg dat voor het eerst in haar geschiedenis de NAVO het befaamde
artikel V toepasselijk heeft verklaard. Dit houdt in dat als een lidstaat wordt
aangevallen, alle lidstaten - in casu alle 19 - zich eveneens aangevallen achten en bereid
zijn tot solidaire steun aan het geagresseerde lid. De toepassing van artikel V stelt
evenwel niet dat alle lidstaten zouden instemmen met de wijze waarop de solidariteit tot
uiting moet komen. Er is in dezen geen automatisme. Als de Amerikanen om onze hulp vragen,
moet elk lidstaat naar eigen vermogen uitmaken welke vorm deze aanneemt.
4/ Van het allergrootste belang, tijdens de eerstvolgende maanden en
jaren, is de strijd van de internationale gemeenschap tegen de proliferatie van atoom-,
bacteriologische en chemische wapens en de illegale wapenhandel. Landen die zich op dit
gebied niet willen engageren, dienen eveneens op een zwarte lijst geplaatst, met alle
gevolgen vandien wat betreft hun internationaal isolement en sanctioneerbaarheid. De
verschrikkelijke terroristische aanslagen, die de Verenigde Staten hebben getroffen,
gevolgd door daden van bioterreur, confronteren de wereldgemeenschap met een nieuwe type
van massale onveiligheid, die de meest onverwachte vormen kan aannemen. Het is
verwonderlijk dat geen enkele krant tijdens de voorbije weken heeft uitgepakt met volgende
grote kop op de frontpagina: ' volgende maal doen ze het met atoombommen!!!'. Het is geen
fictie meer te veronderstellen dat, indien een of andere groepering van razende fanatici
de beschikking krijgt over nucleaire of bacteriologische wapens, ze die ook zal gebruiken.
Eén lepel zenuwgas (sarin) volstaat om de hele bevolking van een miljoenenstad uit te
roeien. En de miltvuurgevallen in de VS bevestigen de groeiende ongerustheid.
5/ De verdediging in de toekomst tegen terroristisch geweld zal een
ononderbroken, waakzame en voor veel burgers hinderlijke en geldverslindende politiek met
zich brengen. De veiligheidsuitdagingen, die bij de aanvang van de 21ste eeuw de
wereldgemeenschap overvallen, zullen wellicht gedurende decennia een volgehouden en
gecoördineerde inzet vereisen. Samenwerking van inlichtingendiensten, bestrijding van
drugkartels, illegale wapentrafieken en zwartgeldcircuits zijn van vitaal belang geworden.
6/ Zodra voldoende bewijzen van schuld voor de terroristische aanslag
in de Verenigde Staten waren ingezameld tegen Osama Bin Laden, werd door de geallieerden
een ultimatum gericht aan de Afghaanse Taliban-leiders. Een hun weigering lokte
onvermijdelijk een militaire reactie uit. Erg belangrijk is dat het militaire optreden is
opgenomen in een ruimer kader, dat in eerste instantie te maken heeft met een diplomatieke
actie gericht op een gezamenlijk frontvorming van alle staten in de wereld, die belang
hebben bij de bestrijding van het terrorisme. Dat daarbij vooral de Arabische landen
worden geviseerd ligt voor de hand. En essentieel is de benadrukking van het feit dat de
Islam als godsdienst het terrorisme afkeurt en dat de huidige actie van de geallieerden op
geen enkele wijze mag getuigen van vijandigheid tegenover de moslimwereld. Daarom is het
sparen van de burgerbevolking bij het uitschakelen van terroristische bases en
infrastructuur in Afghanistan zo belangrijk. Ook is het nuttig te herinenren aan het feit
dat het westen niet alleen geen oorlog voert tegen de islam maar in een recent verleden
zelfs gewapend is opgekomen voor de verdediging van de moslimbevolking, o.m. in Bosnië.
Een tweede belangrijk elementen in de aanpak van het terrorisme is de
opvoering van de humanitaire hulp ten gunste van de bevolkingen die slachtoffer zijn zowel
van de acties als van de repressie van het terrorisme. Dat de Amerikanen ook kleine
radiotoestellen droppen, die de Afghanen moeten in staat stellen te luisteren naar de 'Voice
of America', behoort tot de media- en psychologische aspecten van de strijd
tegen het terrorisme.
7/ Naast internationaal gecoördineerde terreurvoorkoming en
-repressie, is politieke en diplomatieke conflictpreventie een steeds meer uit te proberen
aanpak. Onopgeloste conflicten, vaak van etnische of religieuze aard of met een
economische achtergrond, worden infectiehaarden, die lokale gemeenschappen kunnen
besmetten met het moeilijk uit te roeien virus van haat en geweld. Het zijn bovendien niet
alleen en soms niet in de eerste plaats politici, maar wel bemiddelaars en hulpverleners,
behorend tot allerlei niet-gouvernementele organisaties, die op discrete maar doelmatige
wijze kunnen bijdragen aan het smeden van aanvaardbare vergelijken en akkoorden. Het
terrorisme moet worden gediscrediteerd door volgehouden vredespogingen. Hierbij is de rol
van de Verenigde Naties onvervangbaar. Het is niet ondenkbaar dat na de ineenstorting van
het Taliban-regime in Afghanistan de Verenigde Naties een tijdlang ter plekke een taak van
verzoening en peace making op zich zullen dienen te nemen, misschien in het raam van het
UNO-handvest, gewijd aan de voogdij (hoofdstuk XII).
8/ Economische onderontwikkeling en sociale wantoestanden moeten door
het rijke Westen op een meer doelmatige wijze worden aangepakt. Dat vereist o.m. dat de
Europese Unie haar beleid van landbouwprotectionisme afbouwt en alvast ophoudt haar
landbouwoverschotten op de wereldmarkt te dumpen tegen gesubsidieerde prijzen. Een
geleidelijke 'delocalisatie' van industriële activiteiten van het noorden naar het zuiden
is wenselijk, voorzover in het zuiden stabiliteit, rechtszekerheid en voldoende
rentabiliteit aan investeerders wordt geboden. Tevens zou tijdens de eerstkomende maanden
een krachtig economisch beleid van vertrouwenwekkende maatregelen moeten worden gevoerd.
Het ligt voor de hand dat de huidige situatie de reeds beginnende recessie enkel kan
versnellen en verergeren. Ofschoon de olieprijzen momenteel dalen, wat slecht is voor de
olieproducerende landen (de Arabische, maar ook Rusland), dreigen ze te stijgen bij een
uitdijend conflict, wat dan weer nefast is voor de hele wereldeconomie.. Het
consumentenvertrouwen neemt af, investeringen verminderen, de beurzen slabakken, het
toerisme en de internationale luchtvaart krimpen. Ook op economisch gebied zal
internationale samenwerking nog meer vereist zijn en zullen de politieke
verantwoordelijken hand in hand met economische en financiële decision makers
dienen op te treden.
9/ Het wordt ook steeds duidelijker hoezeer de terroristische aanslagen
in de Verenigde Staten de internationale verhoudingen hebben gewijzigd. Er is een zeer
intense samenwerking ontstaan tussen Amerika en Rusland en op het persoonlijke vlak tussen
president Bush en president Putin. Ook met China is er toenadering. De Britse premier Tony
Blair heeft zich de status aangemeten van wereldleider. Andermaal hebben de Angelsaksische
landen bewezen hoezeer zij toonaangevend zijn in de wereldpolitiek. De Europese Unie komt
verzwakt uit de internationale crisis, aangezien zich de facto een directorium van de drie
grote Europese mogendheden aandient (Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Frankrijk). Naar
het Belgische voorzitterschap van de Unie wordt beleefd geluisterd maar de EU komt veeleer
over als een consulting group waarvan de Belgische eerste minister gedurende zes
maanden de secretaris mag zijn. De zwakheid van Europa heeft te maken met de ontstentenis
van een echte en hechte Politieke Unie, gesteund op een geïntegreerd buitenlandbeleid en
een ééngemaakt slagkrachtig leger. Maar recentelijk is gebleken dat de oprichting van
een rapid reaction force van 60.000 manschappen andermaal werd uitgesteld.
10/ De terroristische aanslagen zijn niet alleen misdadig, waanzinnig
en totaal irrationeel. Ze zijn ook contraproductief met betrekking tot de zaak die de
terroristen en hun opdrachtgevers willen behartigen. De tragedie die over New York en
Washington is vaardig geworden heeft het imago van de Islam en de Palestijnse zaak zeker
geen goed gedaan. Maar ook het Ierse IRA heeft snel ingezien dat aanslagen zich thans
keren tegen het nagestreefde doel. Bij wijze van lichtvaardige veralgemening wordt door de
westerse openbare opinie niet zelden de hele moslimwereld verdacht gemaakt. Moedige
politici van bij ons dienen hiertegen in te gaan. Het afgrondelijke kwaad, dat thans werd
gesticht, moet ook eerlijke en nadenkende islamverantwoordelijken doen gruwen en er bewust
van maken dat enkel verzoening en samenwerking de wereldgemeenschap leefbaar kunnen
houden. In de schoot van onze eigen gemeenschap zal de strijd tegen xenofobie, racisme,
onverdraagzaamheid en discriminatie onverkort moeten worden voortgezet. De wereldwijde
opmars naar een meer multiculturele samenleving is niet tegen te houden. De grote
uitdaging - maar mensverheffende opgave - blijft erin bestaan, ondanks alle beproevingen,
een medemenselijke interculturele leefgemeenschap uit te bouwen. Op religieus vlak zijn
nieuwe inspanningen vereist op oecumenisch gebied tussen de leiders van de christelijke,
joodse en islamgodsdiensten, allen abrahamitisch en van monotheïstische signatuur.
*
Na de val van de Berlijnse Muur, de implosie van het communisme, de
explosie van de Sovjet-Unie en het beëindigen van de Koude Oorlog schreef de Amerikaanse
politoloog Francis Fukuyama zijn beroemde artikel: 'The End of History'. Daarin
stelde hij, overigens getuigend van groot optimisme, dat de liberale democratieën,
gepaard gaande met de markteconomie en de rechtsstaat, definitief het pleit hadden
gewonnen. Voortaan zou de wereld gekenmerkt worden door vreedzame éénmaking, nuttig
handel drijven en culturele uitwisseling. Hierop repliceerde professor Samuel Huntington
in 1993 met zijn boek: 'The Clash of Civilisations'. Fukuyama was natuurlijk fout.
Het aardsparadijs is niet voor morgen. Het werelddorp blijft verdrietig, wordt geteisterd
door veel onheil en lijdt in veel van zijn mensen. Dat ook Huntington fout heeft
geredeneerd, wanneer hij aankondigde dat de westerse beschaving in conflict zou treden met
de Arabische wereld, is vandaag nog niet bewezen. Maar alvast moeten wij geloven in de
hoop. De hoop dat een bloedige strijd tussen beschavingen, ook als die verloopt met
terroristische aanslagen enerzijds en gerichte preventieve acties anderzijds, zal kunnen
worden bezworen en vermeden. In naam van de beschaving zelf. Want beschavingen strijden
niet. Tenzij samen tegen onrecht en ellende.
Mark Eyskens

De
verdediging van de mensenrechten is een te belangrijke aangelegenheid om die toe te
vertrouwen aan het oordeel en de al dan niet willekeurige beslissingen van individuele
soevereine Staten. Humanitair interventierecht wordt politiek en militair mogelijk
gemaakt, omdat het noodzakelijk is. Deze evolutie, die nog niet de jure in het handvest
van de VN is vast gelegd, is 'omwentelend' en moet op termijn leiden tot de uitbvouw van
een Internationale Rechtsgemeenschap. Zoals de democratieën, met vallen en opstaan, in de
19de en 2Oste eeuw de Rechtsstaat hebben uitgebouwd binnen hun eigen grenzen, moet dit
thans gebeuren voor de hele internationale gemeenschap. De grotere rol voor het
Internationaal Gerechtshof van Den Haag, Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, de
oprichting van een Internationaal strafgerechtshof (international criminal court),
gekoppeld aan de actie van de mensenrechtenorganisaties en het instrumentarium van de
preventieve diplomatie en de economische sancties, zijn zoveel midelen om te komen tot een
meer leefbare aarde voor steeds meer mensen. Dit leidt er onvermijdelijk toe dat de
invloed van soevereine Staten steeds verder afneemt, wat reeds gebeurt onder de invloed
van de aan de hand zijnde post-industrële revolutie en het ontstaan van een
internationale netwerksamenleving.
Europa: het existentiële
kruispunt der wegen is bereikt
Mark Eyskens
Tijdens de onderhandelingen over het verdrag van Maastricht
(1991-92) waren de Europese leiders het erover eens dat de uitbreiding van de EU maar
mogelijk was na verdieping van de Europese instellingen (lees: de uitbouw van een
Politieke Unie, gekenmerkt door besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid, grotere
bevoegdheden voor het Europees Parlement en een sterkere Commissie). Maar stapstenen voor
een Politieke Unie konden te Maastricht nauwelijks worden gelegd, een halve mislukking die
evenwel werd overschaduwd door het miraculeuze akkoord over de Monetaire Unie en de
invoering van de euro. Dit mirakel was maar mogelijk omwille van een historisch compromis
dat erin bestond de Duitse eenmaking met zijn allen te behartigen, voor zover de Duitsers
de Monetaire Unie zouden aanvaarden. President F.Mitterand wist de andere regeringshoofden
ervan te overtuigen dat de Duitse hereenmaking snel moest worden verwezenlijkt en zowel
politiek als financieel door de EU diende gesteund Van de Duitsers werd in ruil een
belangrijk offer gevraagd: de Europese eenheidsmunt aanvaarden, wat betekende dat de
Duitse mark, de trots van de Duitse Bondsrepubliek zou verdwijnen en dat de Duitse
Bundesbank zou worden gedegradeerd tot een filiaalbedrijf van de Europese Centrale Bank.
Te Amsterdam, vier jaar later, werd het evident dat de uitbreiding van de Unie door
toetreding van de landen van Centraal en Oost-Europa een politieke 'must' was en dat de
ontstentenis van een blauwdruk voor een Europese Politieke Unie geen hinderpaal mocht
wezen. Te Nice werd in 2000 wat gesleuteld aan mini-institutionele verbeteringen maar werd
de facto aanvaard dat de hervorming van de Europese instellingen moest wijken voor de
prioriteit van de uitbreiding.
De Conventie
De top van Laken van december 2001 zal bekend blijven als die Europese
Raad die een vragenlijst heeft opgesteld over de institutionele toekomst van de Unie en
die besloten heeft een Conventie bijeen te roepen,daarbij optrerend voor een nieuwe aanpak
in de hoop een doorbraak mogelijk te maken. Het gaat om een vergadering, die een goed jaar
zal zetelen en waarin alle Europese instellingen vertegenwoordigd zullen zijn. De
Conventie zal pogen voorstellen te formuleren en aanbevelingen uit te werken ten behoeve
van de intergouvernementele conferentie, die zelf in 2004 een nieuw Europees verdrag klaar
zal moeten stomen. Het zoveelste, na de verdragen van Maastricht, Amsterdam en Nice. Nu
reeds wordt fluisterend verwezen naar een toekomstig verdrag van Rotterdam dat, andermaal
onder Nederlands voorzitterschap in 2 004, een Europese Unie van inmiddels 25 lidstaten in
efficiënte banen zal moeten leiden. Vandaag is het evident dat een Unie van 25 lidstaten
of meer onmogelijk kan functioneren zoals een gemeenschap van 12 landen. Een existentieel
kruispunt der wegen is bereikt. Zonder integrerende hervorming van de besluitvorming
dreigt de grote Unie te verwateren tot een onsamenhangend allegaartje, ooit door Jacques
Delors 'une désunion' genoemd. Het beantwoorden van een aantal levensvragen voor
de EU is onontkoombaar geworden. Wordt de Europese Unie een federatie, met de klemtoon op
integratie en derhalve een grondwettelijke constructie met een duidelijke hiërarchie van
de normen? Of wordt ze een confederatie, steunend op intergouvernementele
onderhandelingen, volgens het beproefde recept van de verdragsrechtelijke akkoorden tussen
natiestaten? Of evolueert de EU naar een meer gemengde formule - een haast Belgisch
compromis - die men federatieve confederatie of confederale federatie zou kunnen noemen?
Tenzij de grote Unie een gebouw wordt met variabele meetkunde en/of concentrische cirkel,
waarin de Eurolanden de kern gaan uitmaken dank zij formules van 'nauwere samenwerking'?
Wat gebeurt er met de drie pijlers? Is net niet absoluut nodig ook het gemeenschappelijk
buitenlands en veiligheidsbeleid onder eenzelfde communautaire hoofding te brengen? Kan de
EU blijven werken zonder eigen communautaire fiscaliteit? Dit zijn principiële vragen,
die echter zullen overschaduwd worden door een dringende pragmatische uitdaging: hoe een
Europese ministerraad efficiënt laten functioneren, als voor elk agendapunt de
vertegenwoordigers van 25 verschillende lidstaten hun zegje moeten krijgen? En hoe kan een
plethorische Europese Commissie van meer dan dertig leden tot besluitvorming komen? En wat
met de aanstelling en/of verkiezing van haar voorzitter? Doelmatigheidsproblemen rijzen
ook in verband met de werking van een Europees Parlement bestaande uit nagenooeg 700
leden. Daarbij komt nog een heikel punt: hoe de taalkundige 'babelse' verwarring oplossen
de dag dat er in de Unie 23 of meer officiële talen gesproken en gebruikt worden? Ook
rijst de vraag wie wat zal betalen, gegeven de economische achterstand van de nieuwe
lidstaten. Tenslotte is de jongste jaren en maanden nog maar eens gebleken hoezeer de EU
op het vlak van het zogenaamde Gemeenschappelijke Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB)
een belabberd figuur slaat. Indien in ex-Joegoslavië een min of meer leefbare situatie
kon worden hersteld met als afgeleid resultaat dat S. Milosevic vandaag voor zijn
rechters verschijnt in Den Haag dan is dat in eerste instantie te danken aan de
Amerikaanse militaire hulp in NAVO-verband. En wat de strijd tegen het terrorisme betreft,
zowel in Afghanistan als daarbuiten, is de bijdrage van de meeste Europese landen heel
minimalistisch en onsamenhangend geweest, tot grote ergernis van de VS. Wat nota bene
geleid heeft tot een verontrustende en contraproductieve verslechtering van de relaties
tussen Europa en Amerika. Kortom, de EU is ongetwijfeld een economische reus, maar op
wereldvalk nog steeds een politieke dwerg en een militaire worm. Veel politici en burgers
begrijpen maar niet dat in de onveilige wereld van vandaag en morgen politieke invloed
maar bestaat en gewicht heeft voor zover die gedragen en gesteund wordt door militaire
potentie.
De Europese Conventie wordt ongetwijfeld een
interessant experiment, dat aansluit bij een eerste Conventie die, voor het afsluiten van
het verdrag van Nice, op nuttige wijze een 'handvest van de grondrechten' heeft
geproduceerd, onder leiding van de voormalige president van de Duitse republiek Roman
Herzog. Thans echter is de inzet heel anders: institutionele hervormingen zijn bijzonder
zwaar politiek geladen en veronderstellen fundamentele keuzes tussen standpunten, die
vandaag erg uiteenlopend zijn. Inderdaad, enigszins schematiserend kan worden betoogd dat
sedert jaren in de schoot van de Europese Unie een tweespalt zichtbaar is tussen twee
strekkingen en twee groepen landen. Er zijn de lidstaten, die de integratie willen
voortzetten volgens de communautaire methode van Jean Monnet, inclusief haar doelstelling
van supranationale structurering, weliswaar getemperd door de subsidiariteit. Frankrijk,
nochtans een 'founding father' ,neemt een wat dubbelzinnige houding aan, vermits
haar leiders, enigszins in het spoor van generaal de Gaulle, de toekomt van Europa zien
als een 'confédération de nations' of een 'union des nations ou des états
d'Europe'. Daartegenover staan landen als Groot-Brittannië en de Scandinavische
lidstaten, die de voorkeur geven aan samenwerkingsvormen zonder supranationaliteit en dus
volgens intergouvernementele consensusprocedures. Deze landen stellen vaak dat via de
integratie van de ééngemaakte markt de markteconomie binnen de Europese ruimte voldoende
druk zal uitoefenen om maximaal de interne samenhang te bevorderen. Komt daarbij dat de
tien kandidaat-lidstaten, die nauwelijks tien jaar geleden werden bevrijd van het
communistische juk, erg tuk zijn op hun herwonnen soevereiniteit en niet zomaar bereid
zijn hun onafhankelijkheid af te staan aan een supranationale en volgens hen enigszins
ondoorzichtige en de technocratische Europese administratie.
Men kan vanuit een 'legalistisch' standpunt
uiteraard stellen dat de institutionele hervorming van de Europese Unie in eerste
instantie het werk zou moeten zijn van de bestaande communautaire instellingen, namelijk
het Europees Parlement, de Europese Ministerraad en de Commissie. Bij de samenstelling van
de Conventie is trouwens het Europees Parlement, met slechts 16 vertegenwoordigers,
beduidend ondervertegenwoordigd (de nationale parlementen krijgen er immers 50, als men de
nieuwe lidstaten meerekent).
Gevaren, klippen en draaikolken
Twee gevaren bedreigen de Conventie: lukken
en mislukken. Mislukken zou betekenen dat de Conventie uitpakt met bijzonder vage
voorstellen of er niet in slaagt door te stoten tot de kern van de problemen. Mislukken
zou ook inhouden dat over essentiële punten verdeelde standpunten tot uiting komen. In al
die gevallen is het maar al te evident dat de rol van de Conventie beperkt zal gebleven
zijn tot een psychologische oefening, waarbij Europese en nationale parlementairen en
vertegenwoordigers van de burgerlijke maatschappij, bijgestaan door allerlei organisaties,
de gelegenheid zullen gekregen hebben zich af te reageren. De op de Conventie volgende
intergouvernementele conferentie na een afkoelingsperiode van zes maanden - zal dan
in 2004 vooral puin moeten ruimen en de puinruimers zullen de drie grote Europese
mogendheden zijn: Duitsland, Groot-Brittannië en Frankrijk. Het mislukken van de
Conventie zal ongetwijfeld de invloed van het feitelijke directorium, nu reeds tot op
zekere hoogte uitgeoefend door de drie boven vermelde landen, aanzienlijk versterken. Er
wordt nu reeds gefluisterd dat inzake buitenlands en veiligheidsbeleid boven vermelde drie
staten eraan denken een soort Europese veiligheidsraad op te richten, waarin elk van hen
zou beschikken over een vetorecht, terwijl de gewone lidstaten zich zouden moeten
ondererpen aan de meerderheid.
Paradoxaal genoeg zou het welslagen van de
Conventie evenmin zonder inconveniënten zijn. Een miraculeuze consensus over een pakket
efficiënte hervormingen en over de tekst van een Europese grondwet zou de Conventie en
haar ambitieuze voorzitter, president Giscard d'Estaing, een zeer groot prestige verlenen.
Nu reeds droomt hij er luidop van de geschiedenis in te gaan als de vader van een nieuwe
Europese Unie, waarbij hij vaak het voorbeeld citeert van de Amerikaanse conventie, die te
Philadelphia onder leiding van Benjamin Franklin, in 1800, de grondvesten legde van de
Verenigde Staten van Amerika. Door dergelijk eclatant succes van de Conventie zouden de
communautaire EU-organen, opgericht door de verdragen, in de schaduw worden gesteld en in
hun werking worden kort gesloten. Alvast moet verhinderd worden dat de Conventie een
definitieve instelling zou worden die de bestaande EU-instituties de Ministerraad,
de Commissie, het E-Parlement en het Hof van Justitie- uit zou hollen. Ook mag de
Conventie niet uitgroeien tot een Tweede Kamer - een soort Bundesrat- en dus tot een
assemblee van de lidstaten. Een Tweede Kamer is maar aanvaardbaar binnen de Europese Unie
als die zal zijn omgebouwd tot een volwaardige federatie.
President Giscard heeft reeds aangekondigd
dat hij de Conventie zoveel mogelijk bij consensus wil laten beslissen, een gewaagde
methode die een de facto veto-recht verleent aan elke deelnemer. Maar
tegelijkertijd blijkt dat de werkzaamheden van de voltallige Conventie sterk in de tijd
beperkt worden -nauwelijks een paar dagen per maand - en dat vooral het presidium rond het
voorzitterschap ten behoeve van de Conventie voorstellen en teksten zal uitwerken, die dan
ter goedkeuring aan de plenaire zitting zullen worden voorgelegd.
De Conventie zal talrijke klippen moeten
omzeilen en het stuurmanschap van president V. Giscard en de ondervoorzitters J.L. Dehaene
en G.Amato zal zwaar op de proef worden gesteld. Een belangrijke hinderpaal heeft te maken
met het voorstel van de Duitse regering om de bevoegdheidsafbakening (kompetenzabgrenzung
of ordnung) binnen de Europese Unie te preciseren. Eerste minister
Verhofstadt heeft deze kwestie tijdens het Belgische voorzitterschap van de EU in de
tweede helft van 2001 op de agenda geplaatst op verzoek van de Duitsers, die onder meer
graag op landbouwgebied hun eigen potje koken, daarin sterk gesteund door de Britten die
visceraal gekant zijn tegen supranationaliteit. Sommige lidstaten kunnen van een nieuwe
bevoegdheidsafbakening gebruik maken om de communautaire bevoegdheden te verminderen, de
residuaire bevoegdheden waarover de Commissie beschikt ongedaan te maken, de opwaartse
subsidiariteit (de overdracht van nationale competenties naar de EU) af te zwakken en een
aantal beleiden te hernationaliseren (b.v. het landbouwbeleid). Het begrip
'subsidiariteit' is sedert de onderhandelingen over het verdrag van Maastricht een
sleutelbegrip geworden voor de definitie van de verhoudingen tussen enerzijds de
supranationale en gemeenschappelijke bevoegdheden en anderzijds de nationaal gebleven
competenties van de lidstaten. Als minister van Buitenlandse Zaken heb ik het nog
meegemaakt hoe, in 1991, commissievoorzitter Jacques Delors op een informele bijeenkomst
van de ministers van buitenlands zaken te Parknasilla in Ierland, het begrip
'subsidiariteit' uit zijn hoed heeft getoverd. Jacques Delors, die in zijn jeugd als
christelijk vakbondsmilitant nog een college 'sociale leer van de kerk' had gevolgd,
herinnerde zich dat in de pauselijke encycliek 'Quadragesimo Anno' , gepubliceerd
ter gelegenheid van de 40ste verjaardag van die andere grote sociale encycliek Rerum
Novarum, het woord subsidiariteit verscheidene malen werd gebruikt. Paus Pius XI
stelde hiermee dat het privé-initiatief, zowel op economisch als op sociaal en cultureel
vlak - daarrbij vooral denkend aan het onderwijs - de mogelijkheid moest krijgen om
autonoom op te treden en zich te ontplooien. De Staat of de overheid zouden enkel mogen
ingrijpen als het privé-initiatief kennelijk in gebreke zou blijven. J. Delors stelde
voor om dit beginsel toe te passen op de verhouding tussen de communautaire bevoegdheden
van de Unie en de bevoegdheden van de lidstaten: de nationale staten zouden bevoegd
blijven voor alles, behalve wanneer dit kennelijk onmogelijk zou blijken. De
subsidiariteit is derhalve tweezijdig bedoeld: bevoegdheden blijven gesitueerd op het lage
echelon, maar telkens duidelijk wordt dat bepaalde problemen grensoverschrijdend zijn en
gezamenlijk moeten worden opgelost, dienen ze opwaarts te worden verschoven naar de
instellingen van de Unie. De ervaring van de jongste jaren heeft geleerd dat inderdaad
voor steeds meer uitdagingen en moeilijkheden gezamenlijke oplossingen vereist zijn, met
als gevolg dat de opwaartse subsidiariteit steeds belangrijker is geworden. Deze
subsidiariteit opnieuw afbouwen in het raam van een komptenzabgrenzung zou
betekenen dat de klok van de integratie wordt stilgelegd, erger achteruit gedraaid.
Meest waarschijnlijk is echter dat de
Conventie noch helemaal zal lukken noch helemaal zal mislukken. De fles zal, zoals vaak
gebeurt, half vol of half leeg zijn en de Europese leiders, die dit wensen, zullen kunnen
beweren dat grote vooruitgang is geboekt en dat de Conventie goed werk heeft verricht. De
Conventie zal bovendien werken onder de toenemende druk van de nakende uitbreiding van de
Europese Unie. De Conventie biedt immers een laatste kans om op de valreep nog een
consensus of tenminste een blauwdruk tot stand te brengen over de verdieping van de
Europese Unie, vooraleer de schok van de uitbreiding zich zal voordoen. Iedereen beseft
immers dat een slecht voorbereide uitbreiding met tenminste tien nieuwe lidstaten het
gevaar inhoudt niet alleen van blokkering van de besluitvorming maar ook van verwatering
van de Unie, althans in haar communautaire werkwijze.
De uitbreiding: tussen politiek ideaal en economische realiteit
De uitbreiding van de Unie met tien nieuwe lidstaten is een politieke
noodzaak, die bovendien moet worden verwezenlijkt voor 2004, zodat deze landen hun
vertegenwoordigers kunnen verkiezen in het Europees Parlement, ter gelegenheid van de
eerstvolgende Europese verkiezingen (in juni 2004). Men kan deze landen niet langer aan
het lijntje houden op gevaar af dat hun publieke opinies zich zouden keren tegen Europa en
er de prille democratieën in het gedrang zouden brengen. Maar tegelijkertijd doet hun
toetreding torenhoge problemen van economische aanpassing en convergentie rijzen, om te
zwijgen van de budgettaire consequenties voor de huidige lidstaten. En toch mag men de
nieuwe lidstaten niet de indruk geven dat zij als tweederangsburgers worden behandeld door
de oudere de leden. Dat is de reden waarom ik sedert verscheidene jaren voorstel de
'nauwere samenwerking' aan te vullen met een 'complementaire samenwerking'. Zoals voorzien
in het verdrag van Amsterdam (artikels 43 en 44) kan een beperkte groep landen onderling
verder schrijden op het pad van de integratie, ook als de anderen voorlopig niet mee
willen of kunnen doen. 'Complementaire samenwerking' zou voor gevolg hebben dat de nieuwe
lidstaten van meet af aan zeer intens betrokken zouden worden bij de voorbereiding van de
besluitvorming. Zij zouden deelnemen aan de 'decision shaping' binnen de kring van
alle lidstaten, maar de 'decision making' in bepaalde transitiemateries zou
uiteraard beperkt blijven tot die lidstaten die reeds voldoende geïntegreerd zijn in de
EU.
De uitbreiding van de Europese Unie tot al die
landen die zich tijdens de Koude Oorlog aan gene zijde van het IJzeren Gordijn hebben
bevonden, betekent een 'quantumsprong' in de geschiedenis van de Europese integratie. De
Europese eenmaking is na de tweede wereldoorlog in West-Europa gegroeid uit de geniale
droom van mensen als Robert Schuman en Jean Monnet, die hoopten via een gemeenschappelijk
beleid voor de staal-en steenkoolnijverheid, in 1949 nog de ruggengraat van elke economie,
de belangen van Frankrijk en Duitsland zodanig te vervlechten dat elk nieuw conflict
tussen beide landen onmogelijk zou worden. De economische integratie werd het instrument
van structurele pacificatie. De Europese eenwording werd echter toen ook, 50 jaren
geleden, in het westen in de hand gewerkt door het latente conflict met de Sovjet-Unie,
die druk doende was met man en macht ( men denke maar aan de 'coup van Praag' van 1948 en
de communistische machtsgrepen elders) de landen van Oost-Europa in te schakelen in haar
dictatoriaal protectoraat. West-Europa zette zich schrap en opteerde voor verregaande
samenwerking. Terecht is opgemerkt dat vadertje Stalin eveneens kan worden gerekend tot de
ongewilde stichters van wat vandaag de Europese Unie is geworden. Maar die bladzijde is
gekeerd. De parenthesis rond de 20ste eeuw, die meest bloedige en smartelijke eeuw alle
eeuwen, dient gesloten. En het sluitstuk hiertoe is een geïntegreerd Europa dat zich
uitstrekt over het hele Avondland tot aan de Russische grens. Na de huidige uitbreiding
met tien lidstaten zullen ongetwijfeld nog andere toetredingen plaatsvinden, zoals de
republieken van de Balkan, ontstaan uit ex-Joegoslavië, alsook Bulgarije en Roemenië,
Turkije dat moet behoed worden voor het fundamentalisme en militair zeer belangrijk is, en
een aantal landen van de voormalige Sovjet-Unie, waarbij o.m. gedacht wordt aan Moldavië,
Georgië, Oekraïne en misschien zelfs Wit-Rusland. En indien Europa in de 21ste eeuw een 'clash
of civilisations' wil helpen vermijden, is een structurele toenadering tot een aantal
Arabische landen in Noord- Afrika (zoals Marokko en Tunesië), voor zover die democratisch
evolueren en economisch convergeren, zeker niet uit te sluiten. De Europese
uitbreidingsdynamiek is te vergelijken met diegene die de Verenigde Staten van Amerika mee
hebben gemaakt vanaf omstreeks 1800, toen president Thomas Jefferson een Unie leidde van
nauwelijks dertien deelstaten. Hij kon toen geenszins vermoeden dat een goede eeuw later
de Verenigde Staten 50 deelstaten zouden tellen.
Naast verregaande economische convergentie, dank
zij de uitbouw van een zo gemeenschappelijk mogelijke markt van 500 miljoen en meer
inwoners, zal de toekomst van Europa ook in grote mate bepaald worden door zijn culturele,
politieke en morele bekwaamheid om de toenemende multiculturaliteit om te smeden tot
werkzame interculturaliteit. Deze 'omsmeding' wordt ongetwijfeld de grote opgave van deze
eeuw. Maar om hierin te slagen is leiderschap nodig dat in het democratische Europa van
morgen meer zal dienen te steunen op gezag dan op macht in een maatschappij waar, onder
invloed van de aan de gang zijnde stortvloed van technologische innovaties, steeds meer
verticale structuren worden vervangen door horizontale en grensoverschrijdende netwerken.
De machthebbers in onze samenleving, ongewild ironisch ook soms in het Nederlands de
'hoogwaardigheidsbekleders' genoemd, gaan steeds meer oudmodisch lijken. Elke maatschappij
moet zich zelf ordenen. Dit spreekt vanzelf. Ook de Europese markteconomie zal ontaarden
in monopolistisch machtsmisbruik, als zij aan haar spontane krachten wordt overgelaten.
Zonder autoriteit en gezagsuitoefening, uiteraard democratisch gecontroleerd, kan geen
enkele samenleving in stand worden gehouden. Autoriteit wordt echter makkelijk macht, en
macht van mensen over mensen is een hachelijke aangelegenheid. Macht van mensen lijkt
steeds minder aanvaardbaar, tenzij mensen van macht macht stoelen op gezag. Gezag is de
resultante van een hele complexe combinatie van kwaliteiten. Om die reden is gezagvol
leiderschap zo veel eisend . De toekomstige leiders van en in Europa zullen meer pedagogen
dan demagogen moeten zijn. Het uitdragen van een ethische boodschap over wat mag of moet
veranderen wordt een belangrijker opgave dan het aanvaarden van wat kan of zal veranderen.
Politiek, vooral op Europees vlak, zal meer te maken hebben met metapolitiek, dat is het
overstijgen van het louter functionele bestuur van de samenleving, door de samenleving op
te roepen en af te stemmen op de verwezenlijking van gemeenschappelijk waarden. Die
waarden worden echter bedreigd door de functionele moraal, waarin het doel de middelen
heiligt en waarbij de mens niet zelden wordt geïnstrumentaliseerd.
Ethische beginselvastheid, deskundigheid, moed en
toewijding zijn de ingrediënten, waaruit de gezagdrager gekneed moet zijn. Hij zal meer
mens moeten zijn dan menner. De machthebber wordt in dit verhaal de antiheld.
Geen
conventional wisdom
Het is jammer dat de Europese leiders, te Laken verenigd in december 2001,
hun macht niet hebben aangewend om gezagvol na te denken over gezag en macht. Inmiddels
kunnen zij er echter hopelijk voor zorgen dat zou worden afgerekend met een aantal
conventionele wijsheden en beweringen conventional wisdom zeggen de
Angelsaksers met enige critische ironie - die welig tieren in Europa, in de media, in de
openbare opinie en bij de politici. De verklaring van Laken, zeker in haar eerste versie,
bleek nog steeds schatplichtig aan een aantal conventionele gemeenplaatsen, verheven tot
wijsheden. De hoop bestaat vandaag dat de Conventie met deze conventionele beweringen
korte metten zal maken.
1. Een eerste gemeenplaats luidt dat het Europa
van vandaag futloos is, dat de dynamiek stil is gevallen en dat de EU absoluut nood heeft
aan een nieuw en groots toekomstproject. Niets is evenwel minder waar dan deze
defaitistische bewering. Twee mega-historische gebeurtenissen staan te gebeuren, die
geschiedenis van het avondland maar ook het persoonlijke leven van elke Europeaan grondig
zullen wijzigen. De euro is zonder noemenswaardige problemen per 1 januari 2002 ingevoerd
in zijn chartale geldvorm, eindelijk een tastbaar bewijs dat Europa bestaat.
Prijsvergelijkingen voor praktisch alle goederen en diensten worden thans
grensoverschrijdend mogelijk. Een transparante markt met een eenheidsmunt zal ook een
eenheidsmarkt vestigen, beheerst door een intense mededinging, die vooral voordelig is
voor de consument. Naast de invoering van de euro is er de nakende spectaculaire
uitbreiding van de EU. Het hele Europese continent tot aan de Russische grens wordt één
en zodoende wordt de bloedige geschiedenis van de 21ste eeuw, de meest smartelijke eeuw
aller eeuwen tussen haakjes geplaatst en afgesloten. Nauwelijks tien jaren geleden waren
beide revolutionaire omwentelingen - de euro en de uitbreiding - volkomen ondenkbaar. De
Europese burger voelt zich vaak ontredderd en angstig, niet omdat Europa te traag maar, in
zijn perceptie, te snel en te discontinu evolueert. De grote uitdaging van morgen is de
uitbreiding te doen slagen, die een politieke noodzaak is maar een grote economische
hindernis vormt, en het Europa van morgen, dat onvermijdelijk multicultureel zal zijn, om
te smeden tot een medemenselijke interculturele gemeenschap van meer dan 500 miljoen
inwoners.
2. Er wordt ook algemeen geklaagd over het
democratisch deficit in Europa, ondanks het feit dat de Unie is uitgerust met een Europees
Parlement van meer dan 600 vertegenwoordigers en vijftien nationale parlementen, die zich
steeds meer bezig houden met Europese aangelegenheden. Als men al die democratisch
verkozen vertegenwoordigers optelt, komt men tot een massa van 8000 à 10.000
parlementairen in de EU. Natuurlijk is het Europees Parlement gehandicapt door nog steeds
te beperkte bevoegdheden en vooral door het feit dat er geen volwaardige Europese regering
bestaat, die voor het Europees Parlement politiek verantwoordelijk zou zijn. Wat niet
belet dat drie jaren geleden datzelfde E-Parlement desalniettemin de zittende Europese
Commissie naar huis heeft gestuurd. Het bezwaar van het democratisch deficit moet
zorgvuldig worden ingeschat, vooral in termen van doelmatigheid. Indien men in Frankrijk
en in Duitsland in 1950, na de bekendmaking van het Schuman-plan houdende oprichting van
de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, dit geniale project, had voorgelegd aan een
referendum, dan was dit ongetwijfeld op dat ogenblik met klank verworpen door een
meerderheid van Duitsers en Fransen. Grote historische doelstellingen moeten door
visionaire en moedige politieke leiders worden gerealiseerd, waarbij zij de publieke
opinie vaak ex post overtuigen van de noodzaak goed te keuren wat zij hebben
verwezenlijkt. Het is juist dat de Europese instellingen erg technocratisch overkomen, dat
zij voor het publiek ondoorzichtig zijn en dat de Europese verdragen onleesbaar en
onverstaanbaar zijn. Maar dit geldt ook voor het handvest van de Verenigde Naties en voor
de zoveelste versie van de Belgische grondwet. De burger in Europa wordt bestuurd door
'men', een onpersoonlijk en bijna abstract bewind, zonder gezicht en zonder gelaat, ook al
vertonen de politici zich bijna dagelijks op de televisie. Deze 'vermenning' is een
nieuwsoortige vorm van aliënatie, die minder te maken heeft met een echt democratisch
deficit dan wel met een 'openbare-opinie-deficit'. Minder demagogie en meer pedagogie zijn
in de politiek op alle niveaus absoluut vereist als voorafgaandelijk voorwaarde voor goede
besluitvorming. In ons onderwijs moet van hoog tot laag een leergang 'Europa' worden
ingelast. En waarom kunnen de vijftien lidstaten er niet voor zorgen dat een
gemeenschappelijk televisiekanaal wordt opgezet dat op een onderhoudende wijze de Europese
geschiedenis en cultuur, de huidige Europese problemen en de discussies hierover in de
Europese instellingen zou duiden en duidelijk maken?
3. Een ander geval van conventionele wijsheid
komt tot uiting in de algemeen verspreide bewering dat de Europese Unie een gigantische
asociale onderneming is geworden. Ongetwijfeld bestaan ook in Europa heel wat sociale
mistoestanden, kan en moet de sociale wetgeving worden bijgesteld, zijn werknemers bij
wijlen slachtoffer van de zakelijke hardvochtigheid van bedrijfsleidingen aan de ene kant
en worden ondernemingen aan de andere kant in hun overlevingskansen bedreigd door de
onredelijkheid van bepaalde vakbondseisen. Maar beweren dat Europa asociaal zou zijn en
dan 100 000 mensen op de been brengen die te Brussel achter dit soort slogan optrekken,
berust in de best hypothese op een totaal foute inschatting van de feiten en in de
slechtste hypothese op bewuste volksmisleiding. Alle economische studies wijzen erop dat
zonder Europese integratie vandaag in West-Europa de levensstandaard tenminste een derde
lager zou liggen, terwijl de koopkracht van de Europeaan juist sedert 1945 is
verzesvoudigd, wat in de meeste landen een uitgebreide sociale politiek en de uitbouw van
een omvangrijk sociale zekerheidsstelsel heeft mogelijk gemaakt. Zonder Europese
instellingen zouden bedrijfssluitingen en delocalisaties zonder vorm van proces veel
frequenter en brutaler zijn voorgekomen, wat uiteraard nog geen excuus is voor zoiets als
de onoverlegde Renault-sluiting. En als men de Europese begroting analyseert, is het
evident dat die voor 70 à 80% besteed wordt aan sociale uitgaven. Jawel, de Europese
begroting gaat voor ongeveer de helft naar het gemeenschappelijke landbouwbeleid, maar dit
landbouwbeleid is erop gericht aan onze landbouwers een sociaal verantwoord inkomen te
garanderen door een ingewikkeld mechanisme van richtprijzen, subsidies, heffingen,
enzovoorts. Zonder dit beleid zouden de Europese landbouwers hun inkomen met tweederden
zien dalen. De structurele en regionale fondsen, de inspanningen van de Europese Unie
inzake ontwikkelingsbeleid, de talrijke initiatieven om het onderwijs te ondersteunen, het
wetenschappelijk onderzoek te promoveren en de contacten tussen Europese studenten te
bevorderen, hebben allemaal een uitgesproken sociale draagwijdte..
Niet het sociaal deficit is Europa's grootste
uitdaging. Wel schuilt er in de mentaliteit van heel wat Europeanen, een
solidariteitsdeficit. Eigenlijk zijn mensen ten aanzien van andere mensen nooit solidair
genoeg. Dit geldt voor onze verhouding tot land-, gewest- en gezinsgenoten, maar ook
uiteraard ten aanzien van andere Europese volkeren en, daarbuiten, voor al diegenen die
kansarmen en gewone armen zijn en die wij soms onze naasten noemen - misschien tijdens de
kerstweek - maar die in feite onze verwijderden blijven.
4. Tenslotte overheerst in de Verklaring van
Laken een laatste conventionele wijsheid, telkens men het laat voorkomen alsof de euro en
de Monetaire Unie definitieve verworvenheden zijn. Dit is een uiting van vermetel
vertrouwen. Noem het 'monetaire hubris'. De euro moet dagelijks worden verdedigd door een
steeds meer gecoördineerd economisch, fiscaal, sociaal en budgettair beleid, waarbij
macro-economische onevenwichten, meer dan in het verleden door elke lidstaat moeten worden
vermeden, vooral wat betreft overheids- en betalingsbalanstekorten en prijs- en
kostenstijgingen. De touwtrekkerij die in februari 2002 is ontstaan betreffende het
overheidstekort van Duitsland (2,7% van het BBP), waarbij de lidstaten uiteindelijk vrede
namen met een Duitse belofte van deficitvermindering en afzagen van een formele
'waarschuwing' zoals voorzien door het stabiliteitspact, voorspelt weinig goeds, wat
betreft de politieke wil om ook de grote Euro-landen in het gelid te doen lopen.
Allerbelangrijkst is bovendien het beklemtonen van deze historische waarheid: op de
planeet Aarde bestaan er staten zonder munt (b.v. het Groothertogdom Luxemburg); er
bestaan evenwel geen munten zonder staat of althans zonder inter-statelijke verankering
(de special drawing rights van het Internationaal Monetair Fonds zijn nooit een
volwaardige munt geworden). In klare taal betekent dit dat als de Monetaire Unie niet
wordt gedragen door een hechte Politieke Unie, de euro een schuchter huisdiertje dreigt te
worden. De Verklaring van Laken had van dit axioma uit moeten gaan.
Komt daarbij dat de Euro ten overstaan van de
dollar, sedert de Europese munt onder girale geldvorm werd ingevoerd per 1 januari 1999,
ongeveer één derde van zijn waarde verloren heeft. Meteen wordt hiermede verwezen naar
de relaties van de EU met de VS, een problematiek die veel ruimer is dan alleen maar een
kwestie van comparatieve voordelen van de twee socio-economische modellen. De Europese
Welvaartsstaat wordt verweten te weinig flexibel te zijn, zeker wat de werking van de
arbeidsmarkt betreft, te hoge belastingen op te leggen aan de burgers en een sociale
zekerheid te torsen die op termijn onbetaalbaar wordt. Het vrije marktsysteem in de VS
lijkt dan weer te sociaal darwinistisch, met te weinig sociale voorzieningen en te veel
armoede.
Sedert de tragische gebeurtenissen van 11
september 2001 en de opwelling in Europa van sympathie en solidariteit met de Amerikanen,
is er veel gebeurd. De Amerikaanse interventie in Afghanistan, hoofdzakelijk gesteund door
de Britten, leidde in nauwelijks drie weken tijd tot de instorting van het
fundamentalistische Taliban-regime en de ontmanteling, althans op Afghaanse bodem, van de
terroristische milities van Al Qaeda. De onheilsprofeten, vooral in Europa, die stelden
dat een militaire interventie in Afghanistan ondoelmatig en nutteloos zou zijn en de hele
Arabische wereld tegen het Westen zou hebben opgezet, hebben ongelijk gekregen.
De jongste maanden echter blijkt de
verstandhouding tussen de Verenigde Staten en Europa af te brokkelen en de plaats te
ruimen voor een hele reeks stekelige en polemisch geformuleerde meningsverschillen.
De belangrijkste vraag die hierbij rijst is niet
wie van beiden, Europa of de Verenigde Staten, gelijk hebben of ongelijk - meestal hebben
beide partijen deels gelijk en ongelijk - maar wel wie de meeste schade zou ondervinden
van een breuk binnen de Atlantische gemeenschap. Het antwoord hierop is maar al te
duidelijk: de Europese Unie. Europa is immers nog steeds niet in staat in te staan voor
zijn eigen veiligheid. De 'rapid reaction force' van 60.000 man is tot op heden een
ongeboren foetus. In ex-Joegoslavië zou de Europese Unie zonder Amerikaanse Navosteun er
niets van terecht hebben gebracht
Het is hoogst nodig en dringend om via
vertrouwelijk overleg tussen de Europese Unie en de VS misverstanden en meningsverschillen
weg te werken en vervolgens publiekelijk een gemeenschappelijk Atlantisch program bekend
te maken. Dit program moet de contouren schetsen van een nieuwe 'defensieve'
defensiestrategie, aangepast aan het post-Koude Oorlog tijdvak en aan het fenomeen van het
supranationaal terrorisme. Nieuwe technologieën moeten hierbij maximaal worden aangewend,
ook door de EU. Wil Europa meer zeggingsmacht, zal het zowel budgettair als
organisatorisch, meer lasten en taken op zich moeten nemen. Maar Europese leiders die dit
durven te zeggen zijn nauwelijks aan de horizon verschenen.
Het Amerikaanse antirakettenschild kan een
element zijn in het nieuwe defensieve defensiebeleid. Europa moet hierover de discussie
aangaan en aan de Amerikaanse regering voorstellen dit initiatief te 'demonopoliseren' en
het bovendien open te stellen voor Rusland. Een polyvalent veiligheidspact zou dan kunnen
worden afgesloten tussen de Navo en Rusland, met de mogelijkheid dat ook andere landen
zich hierbij aansluiten, voor zover die zich eveneens inschakelen in de strijd tegen het
multinationale terrorisme. Tegelijkertijd zou door de atoommogendheden een drastische
reductie van hun atoombewapening kunnen worden doorgevoerd en de niet-proliferatie van
atoomwapens in de wereld krachtiger worden aangepakt.
De internationale toestand blijft zeer gespannen
omwille van het multinationale terrorisme dat overal in de wereld kan toeslaan en zeer
bedreigend wordt zodra het zou beschikken over massa vernietigingswapens. Politieke en
eventueel militaire incidenten in verband met de toestand in het nabije Oosten of in Irak
of elders in de wereld zouden de Europese agenda duchtig in de war sturen en de aandacht
afwenden van het nochtans levensbelangrijke hervormingsbeleid van de Europese Unie.
De
Europese agenda
Alle ogen zijn gericht op de Europese Conventie en de conclusies die zij
veronderstelt is te formuleren tegen de zomer van het jaar 2003. Volgende opmerkingen
kunnen hierbij worden gemaakt, bij wijze van besluit.
De vaak uitgesproken ambitie om door de
Conventie een blauwdruk van Europese grondwet te laten opstellen, lijkt mij momenteel
grotelijks naast de kwestie. De Europese Unie heeft niet vandaag in eerste instantie
behoefte aan een uitgewerkte grondwet, die juridisch de Europese samenwerking en vormen
van sui-generis-integratie scherp zou stellen en de rechten en plichten van de Europese
instellingen en van de Europese burgers uit zou schrijven. Het opstellen van een grondwet
is een werk van aangelegenheid. Ideologische - sommigen gewagen van theologische -
meningsverschillen over de publiekrechtelijke toekomst van Europa zullen in volle
heftigheid opflakkeren. Federalisten en confederalisten, integrationisten en
inter-gouvernementalisten dreigen met elkaar intellectueel op de vuist te gaan. Dergelijke
discussies, erg interessant als die zich afspelen in het raam van academische colloquia en
congressen, zijn in her raam van een politieke Conventie momenteel zeker niet opportuun.
Bovendien moet worden onderstreept dat het Europees Parlement reeds een paar zeer
verdienstelijke pogingen heeft gedaan wat betreft het uitwerken van een ontwerp van
grondwet. Hopelijk komt er een dag dat deze prestaties vanwege het Europees Parlement
politieke erkenning zullen krijgen. Een meer bescheiden aanpak zou erin bestaan dat uit
alle belangrijke Europese verdragen, sedert dat van Rome, een basisverdrag zou worden
gedistilleerd, terwijl minder essentiële, minder principiële en meer transitorische
beschikkingen en bepalingen zouden worden ondergebracht in 'werkingsverdragen'. De
wijziging van het basisverdrag zou voorwerp blijven van een 'zware procedure' via
goedkeuring door elk van de nationale parlementen en in sommige landen via een referendum
en uiteraard ook door het Europees Parlement. De werkingsverdragen daarentegen zouden met
gekwalificeerde meerderheid door de ministerraad en her Europees Parlement kunnen worden
aangepast.
Maar voorafgaandelijk en op korte termijn
dient een hele reeks concrete en heikele problemen te worden opgelost, indien men tijdens
de eerstvolgende jaren de doelmatige werking van de Europese Unie, vooral na haar
uitbreiding, wil waarborgen. En hier situeert zich de prioritaire taak van de Conventie,
als wegbereider, padvinder, verkenner, spoortrekker, richtingwijzer en bruggenbouwer. En
als die er niet uit geraakt zal de intergouvernementele Conferentie in 2004 de gordiaanse
knopen door moeten hakken.
1/ Aldus lijkt het noodzakelijk zo snel
mogelijk de befaamde pijlerstructuur, zoals die is gegroeid uit het Verdrag van
Maastricht, sterk te vereenvoudigen en meer efficiënt te maken door de
intergouvernementele pijlers inzake het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid
en het interne politionele en justitiële beleid maximaal te communautariseren.
2/ Vooral het gemeenschappelijke
buitenlands en veiligheidsbeleid - inclusief zijn defensie aspecten - is de jongste jaren
verworden tot de achillespees van de Europese Unie, zeker wat haar invloed in de rest van
de wereld betreft. De overmacht van de Verenigde Staten is het spiegelbeeld van de onmacht
van de Europese Unie. De communautarisering van het buitenlands en veiligheidsbeleid zal
heel moeizaam verlopen omdat de hierbij betrokken bevoegdheden behoren tot de kern van de
nationale soevereiniteit. Bij ontstentenis van een akkoord over een geïntegreerd
buitenlands en veiligheidsbeleid, zou tenminste door de lidstaten aanvaard moeten worden
dat de formule van de 'nauwere samenwerking' - een intense coöperatie van tenminste acht
lidstaten - ook toepasselijk zou worden gemaakt op het buitenlands en defensie beleid.
Achterblijvers en wankelmoedigen zouden dan niet langer die lidstaten kunnen hinderen, die
resoluut hun verantwoordelijkheden in de wereld willen opnemen.
3/ Vandaag zijn de bevoegdheden inzake
buitenlands beleid, op het niveau van zijn uitvoering, verdeeld over de hoge
vertegenwoordiger van de Europese Unie, Javier Solana, en commissielid Chris Patten. Deze
tweehoofdige situatie is contraproductief en schaadt de geloofwaardigheid van de Unie. Het
is |