De hervorming van het kiesstelsel: afschaffing van de opkomstplicht en invoering van
een gedeeltelijk meerderheidskiesstelsel
* De opkomstplicht aan het begin van de 21ste eeuw lijkt achterhaald.
België is samen met de Griekenland en Luxemburg het enige land van Europa ( denkelijk ook
van de wereld) waar de kiezer verplicht wordt zich naar het kieslokaal te begeven. Als men
de blanco-en de ongeldige stemmen optelt, komt men nu reeds tot ongeveer 15% niet-stemmers
en de theoretische sanctie wordt niet toegepast.
Men kan redelijker wijze niet stellen dat landen als Nederland, Zweden,
Noorwegen, Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittanni%..., waar geen opkomstplicht
bestaat, geen volwaardige democratie%n zouden zijn. Voor Belgi% is er nog een bijkomende
reden om de opkomstplicht af te schaffen, namelijk het stemrecht dat wordt toegekend aan
alle Europese ingezetenen, die dan in Belgi% niet enkel het recht maar ook de plicht
zouden krijgen om hun stem uit te brengen. Door het afschaffen van de opkomstplicht zou
ook het politieke debat tijdens de verkiezingscampagnes en een andere draagwijdte krijgen
en zouden de kandidaten de burgers moeten wijzen op hun verantwoordelijkheid in een
democratie. Burgers die het niet nodig achten een stem uit te brengen, zouden zichzelf
uitsluitend van elke invloed op de politieke besluitvorming. En spijtstemmers of
grapjassen zouden niet meer de kans krijgen een stem uit te brengen op voor de democratie
of de maatschappij destructieve of clowneske kandidaten.
* Het invoeren van een gedeeltelijk meerderheidskiesstelsel
veronderstelt een veel grondiger ingreep. Gedacht kan worden aan een systeem waarbij
kiesdistricten worden ingevoerd, binnen dewelke de kandidaat die een relatieve meerderheid
behaalt, ook verkozen is. Daarnaast zouden provinciale kiesarrondissementen worden
ingericht binnen dewelke het bestaande proportioneel kiessysteem zou behouden blijven. Een
compromis zou worden vergemakkelijkt indien het proportioneel kiesstelsel zou worden
behouden voor de gewestparlementen. Het invoeren op federale niveau van een gematigd
meerderheidsstelsel heeft grote voordelen: het bevordert het ontstaan van grote politieke
formaties en zou ons bevrijden van de huidige ingewikkelde en ontdoelmatige
coalitieregeringen (met 6 partijen), die omwille van het moeizaam consensuszoeken, meestal
een onduidelijk en onsamenhangend beleid dienen te voeren. Tevens zouden in de
gewestregeringen veel makkelijker andere meerderheden ontstaan, wat logisch is in een
federale Staat. Een meerderheidsstelsel heeft ook als groot voordeel dat de burger in
feite kiest voor een bepaalde regering, daar waar hij nu met zijn stem kan kiezen voor
talrijke partijen, die allemaal zetels kunnen halen in het parlement, zodat het meestal
onmogelijk is op voorhand uit te maken welke regering na de verkiezingen aan de macht zal
komen. De kiezer voelt zich derhalve onmachtig en gefrustreerd.
Dergelijk diepgaande hervorming van ons kiesstelsel heeft uiteraard
veel voeten in de aarde. Inmiddels kan op korte termijn gedacht worden aan een aantal
minder verregaande ingrepen, als daar zijn het inbouwen van verkiezingsdrempel, zoals in
Duitsland, het verhogen van het aantal handtekeningen vereist voor het neerleggen van de
kandidatenlijsten bij verkiezingen en het toekennen aan elke kiezer van een gelijk maar
meervoudig kiesrecht.
Zie ook: Eyskens Mark, 'Democratie tussen spin en web'. Leuven
Universitaire pers, 1999.
* * * *
Standpunten
* De CD&V is en blijft de enige gezinspartij. Voorstellen; afbouw
discriminatie gehuwden; kindvriendelijke en huwelijks-vriendelijke maatregelen.
** De CD&V waarborgt het pluralisme in de burgerlijke sa-menleving
en komt op voor de rechten - en plichten - van de grote christelijke organisaties uit het
middenveld, de wel-zijnssector, het onderwijs, de caritatieve sector, de NGO's, de
sociaal-economische organisaties.
*** De Europese leiders, waaronder veel christen-democra-ten,
stichtten vrede in Europa (sedert 5O jaar), definitief en onomkeerbaar: de pax Europea.
Een formidabele prestatie en een verworvenheid die nooit overschat kunnen worden. Op
Europees vlak beoogt de CD&V meer democratie, meer doelmatigheid en doorzichtigheid.
August Vermeylen zei honderd jaar geleden dat 'we Vlamingen moeten zijn
om Europeërs te worden. Vandaag kan deze uitspraak worden omgekeerd: de Vlamingen moeten
Europeërs worden om Vlamingen te kunnen blijven.
Onze solidariteit met de mensen uit de ontwikkelingslanden moet
langer duren dan de tijd die nodig is om dit woord uit te spreken.
* * * *
De verandering is de enige constante van de hedendaagse geschiedenis.
Dit heeft de aanhoudende wervelstorm van innovaties, gebeurtenissen en trendbreuken, op
alle domeineen van het individuele en maatschappelijke leven tijdens de jongste decennia
met een ongekende intensiteit aangetoond.
De belangrijkste vraag die hierbij rijst met het oog op de toekomst van onze samenleving,
luidt: hoe de om zich heen grijpende, alom oprukkende veranderingen omzetten in
menselijke vooruitgang?. Niet alle veranderingen leiden tot vooruitgang. Veel
veranderingen moeten worden bijgestuurd, sommigen moeten worden bevorderd, anderen
bestreden. Maar in het licht van welke criteria? Het wordt een steeds meer onontkoombare
vraag, die doorstoot naar de betekenis van de kwaliteit van het leven en dus
naar het waardenaspect van het menselijk bestaan in een omwentelende maatschappelijke
omgeving. Een fundamentele ethische vraagstelling is hiermede onlosmakelijk verbonden,
waarbij van meet af aan moet worden onderstreept dat ethiek en moraal, met zijn
imperatieven en verbodsbepalingen, geen synoniemen hoeven te zijn. Ethiek verwijst vooral
naar een levensnorm die beoogt zin te willen geven aan het menselijk bestaan als
persoon-met-anderen-in-de-samenleving, waarbij het zoeken naar een zin reeds op zich zin
geeft aan de menselijke existentie. Allerlei wetenschappelijke onderzoeken wijzen uit dat
veel burgers van de post-industriële maatschappij het opgegeven hebben enige
existentiële zingeving na te streven, een bewijs, een gevolg maar ook een oorzaak van de
grote radeloosheid van veel mensen.
Naar het beleid toe groeit de nood om menselijke vooruitgang - hoe vaag dit
begrip of deze waarde ook moge klinken - te verheffen tot beleidsnorm in alle domeinen. En
dan gaat het niet enkel om de politiek maar ook evenzeer om het bestuur in ondernemingen,
ziekenhuizen, universiteiten, sociaal-economische organisaties, lokale, nationale en
internationale instellingen. De roep om de kloof tussen het steeds abstracter wordende
beleid - de heerschappij van MEN - en de bestemmelingen van dit beleid te dichten, klinkt
steeds luider. De actuele toestand roept het beeld op van het dramatische schilderij van
Edvard Münch de schreeuw, waarop een uitzinnig personage afgebeeld staat met
een wijd opengespalkte, roepende mond in een desolaat landschap, wat erop wijst dat
niemand hem hoort.
Vanuit een meer practisch standpunt veronderstelt het bovenstaande dat de inhoud van een
menselijke vooruitgangsnorm wordt ingevuld en aangevuld in een geest van
samenspraak en medewerking tussen diverse maatschappelijke geledingen. Of dat tenminste in
die zin een poging wordt ondernomen. Beleid en bestuur op alle niveaus van
maatschappelijke organisatie en in alle gebieden zijn immers nooit waardevrij. Welke
waarden zijn bepalend voor de toekomst van onze samenleving? Kunnen ze worden aangeduid,
laat staan omschreven? En hoe kunnen zij dienstig worden gemaakt aan het toetsen van
optredende veranderingen en beleidsmaatregelen? Kan de spanning worden overbrugd tussen de
ethiek van de overtuiging en die van de verantwoordelijkheid in een pluralistische
samenleving als de onze?
Dergelijke overwegingen hebben mij ertoe aangezet een wetsvoorstel neer te leggen in de
Kamer van Volksvertegenwoordigers met het oog op de oprichting van een Waardenoverleg en
-adviescentrum. Het doel van dit wetsvoorstel is te voorzien in een wettelijk kader voor
de oprichting en de werking van een waarden-overlegcentrum, ondersteund door het federaal
Parlement.
Het is de bedoeling een beperkt aantal verantwoordelijken (minder dan dertig) van de
burgerlijke maatschappij (o.m. uit academische en wetenschappelijke kringen,
sociaal-economische gesprekspartners, levensbeschouwelijke, humanitaire, ecologische,
culturele en welzijnsorganisaties) en beleidsmensen van Kamer, Senaat, Regering en van
Gewesten en Gemeenschappen samen te brengen in een institutioneel raam, ten einde een
gestructureerde en voortdurende reflectie, discussie en dialoog aan te gaan over het
waardenaspect van de grote beleidsopties en -evoluties in diverse domeinen.
Het opzet van het Waarden-overlegcentrum (WOC) is beleid oriënterend en hopelijk en
mogelijkerwijze beleidsbepalend. Het Parlement zou dergelijk overlegcentrum
infrastructureel en budgettair opvangen en kracht bijzetten aan de standpunten en
besluiten door het overlegcentrum geformuleerd. Ook de inhoudelijke inbreng van Parlement
en Regering kan zeer nuttig zijn zodra beleidsmaatregelen op hun menselijke
waarde dienen beoordeeld. Evenwel heeft het WOC niets gemeen met een zoveelste
parlementaire commissie.
De onderwerpen van overweging en overleg in de schoot van een Waarden-overlegcentrum zijn
legio. Beleidsopgaven dwingen steeds meer tot het uitbrengen van een
waarde-oordeel en dit niet enkel in bio-genetische, existentiële - abortus en
euthanasie - of samenlevingskwesties. Elk beleid op elk gebied doet ethische
vraagstellingen rijzen.
Onderstaande lijst, bij wijze van zeer onvolledige opsomming en
onvolmaakt voorbeeld, is slechts een greep uit de waarde-problemen die zich aandienen of
kunnen aandienen, nu en morgen, naar aanleiding van:
- Globalisering van de economie en universalisering van bepaalde ethische gedragsregels.
- Een concurrentiële markteconomie, haar voordelen en grenzen in de schoot van een
economie ten dienste van de mens
- De rol en het normeren van het winststreven
- Internationale handel, ontwikkeling en onderontwikkeling.
- Een hervorming van de RSZ en de strijd tegen (kans)-armoede.
- Hervorming van het onderwijs en bevordering van de democrati- sering.
- Werknemersparticipatie in bedrijven en ondernemingsdoelmatig- heid.
- Economische efficiëntie en sociale billijkheid.
- Economische groei en gelijkheid van kansen.
- Economische groei en behoud van het leefmilieu.
- Individueel streven naar nut en winst en maatschappelijke solidariteit.
- Mens en Men. Verhouding van burger tot bureaucratie.
- Internationale economische betrekkingen en mensenrechten.
- Wapenexport en behartiging van de vrede.
- vredeshandhaving en vredesstichting in de wereld.
- wetenschappelijke uitvindingen en ontdekkingen en menselijke Waardigheid.
- Internationalisering en geborgenheid.
- Media en maatschappelijk nut.
- Beroep en deontologie.
- Migratie en de hiërarchie van de solidariteit.
- De ethische grenzen van nationalisme, particularisme, globa- lisatie en universalisme.
- Rechtsorde, wetgeving en wetsvermijding, ontduiking en frau- de.
- enz......
Het Waarden-overlegcentrum (WOC), indien opgericht, zou een uitermate belangrijke taak
toegewezen krijgen van bewustmaking en maatschappelijke bewustwording in een samenleving
die niet van brood alleen kan leven en die wat spoorbijster lijkt in het
huidige post-moderne tijdvak van onzekerheden en fin de siècle-syndromen.
Ongetwijfeld is het WOC experimenteel in zijn streven naar beleidsnormering en verwoording
van maatschappelijke waarden. Zijn leden beginnen aan een waagstuk. Wie evenwel geen
risico neemt, maakt geen kans.
Mark Eyskens
Voormalig Eerste minister
* * * *
DEMOCRATIE IN DE KENNIS- EN NETWERKMAATSCHAPPIJ
door Professor Mark EYSKENS
Minister van Staat
De aan de gang zijnde post-industriële revolutie, die de kennis- en de
netwerkmaatschappij in het leven roept, heeft een determinerende invloed ook op de
democratie en haar functionering.
1. De kennis- en netwerkmaatschappij privilegieert de ontwikkeling van
democratie en markteconomie, in een grensoverschrijdend wereldgeheel en verenigt beide in
een binoom: markt+democratie of marktdemocratie. Tevens blijkt ze autoritaire politieke
regimes en centraal geleide economische systemen ten gronde te richten.
2. Informatie-explosie en wereldwijde netwerkverspreiding bevorderen
het paradigma van het horizontalisme (solidariteit, internationale
samenwerking, eenmaking, multiculturaliteit, een wij-gevoel), ten koste van
het verticalisme en derhalve de gezagsstructuren, de overheid, de theocratie - de waarheid
komt van God -, de religie, de dogmas, de transcendentie, de autoritaire ethiek, het
huwelijk, het gezin, de organisaties, de partijen ....
3. Bovenstaande evolutie, vaak op het niveau van het individuele en
collectieve onderbewustzijn, verwekt angstreflexen en afstotingsverschijnselen die een
bedreiging vormen voor de democratie: onverdraagzaamheid, nationalisme, economisch
protectionisme, xenofobie, fundamentalisme...
4. Na de implosie van het communisme, is de democratie in de wereld
nooit zo populair geweest. Maar het wegvallen van een externe bedreiging (het
anti-democratische en expansieve communisme) verzwakt de democratie. Haar
functioneringsgebreken worden sterker benadrukt. Bovendien blijkt de wet van de entropie,
die de wet is van het verval, vaardig te worden over respectievelijk democratie
(demagogie, gebrek aan verantwoordelijkheid, profitariaat, corruptie) en markteconomie
(scheeftrekking van concurrentie, monopolisering, grensoverschrijdende
multinationalisering van bedrijven).
5. De burger krijgt de indruk dat hij niet meetelt. Hij is een klein
rad in een complex maatschappelijk raderwerk, beheerst door Men, een anonieme en
ondoorzichtige bestuursmacht, die een soort cybernetica in het leven roept (de
vermenning). Een algemeen gevoel van machteloosheid ondermijnt de geloofwaardigheid van
het representatief karakter van de democratie (reegring en parlement). De beschermende
natiestaat brokkelt af en verliest zijn soevereiniteit in een wereld die een dorp is
geworden.
6. Technologische innovaties bevorderen vormen van rechtstreekse
democratie: televoting, opiniepeilingen, volksraadplegingen, referenda, invloed van
internet, heerschappij van de visuele media, telecratie. Dit fenomeen verzwakt de
volksvertegenwoordiging (en zijn zondebok-functie) en de particratie. Het voortschrijdend
individualisme heeft voor gevolg dat iedereen zijn eigen partij, zijn eigen kerk, zijn
eigen vakbond wordt.
7. Een hele reeks averechtse effecten (crowding out) treedt evenwel op:
7.1. Overinformatie leidt tot desinformatie. De visuele media tonen
enkel het zichtbare gebeuren waardoor de werkelijkheid wordt gereduceerd. Deze reductie
wordt versterkt door de beklemtoning van het spectaculaire en het slechte nieuws (bad news
drives out good news).Het bijkomstige wordt verward met het essentiële. Er is
onlezing.
7.2. De kennismaatschappij produceert ook veel onwetendheid door het
optreden van de wet van de afnemende relatieve kennis. Het gekende stijgt lineair; het
kenbare stijgt exponentieel. Tussen beide ontstaat een kenniskloof, die buitengewoon
frustrerend is (elke specialist is een Beotiër in alle ander domeinen) en leidt tot veel
simplismen en misvattingen.
7.3. De creatieve kennismaatschappij heeft de meest schrandere mensen
nodig voor de belangrijkste taken. Het maatschappelijke selectiemechanisme neemt steeds
meer de vorm aan van een verstandstest ( meerkeuze-examens in het onderwijs). Er ontstaat
een soort dictatuur van het IQ, waarbij de linker staart van de distributie (the bell
curve) voorbestemd is voor inferieure taken en werkloosheid (de duale maatschappij en het
trechter-effect).
8. De representatieve democratie heeft af te rekenen met verregaande
politieke ongeletterdheid. De burger heeft de grootste moeite met het verwerven van
inzicht in de grote maatschappelijke en internationale problemen en uitdagingen. Hij is
bovendien gedemotiveerd, vermits hij beseft dat hij toch niets te zeggen
heeft. Hij wordt politiek indifferent, zoniet vijandig. Of geeft zich over aan de
anti-politiek die een ander systeem aanprijst (een nieuwe orde).
De politicus is zelf ook slachtoffer van relatieve onkunde. Hij kent immers enkel zijn
eigen vakgebied. Er is niet zozeer een kloof tussen de burger en de politicus (op
menselijk vlak zijn, vooral in kleine landen, de contacten goed en intens). Er heerst wel
een gapende kloof tussen de burger en de politiek. Dat vormt een bedreiging voor de
representatieve democratie.
9. De democratie worstelt met het dilemma: meer gelijkheid (en dus meer
sociaal gerichte herverdeling) of meer vrijheid. Of nog: meer rechtvaardigheid of meer
groei en welvaart. Of: allemaal gelijker maar minder rijk of allemaal rijker maar
ongelijker. Dit dilemma houdt economen en politologen sedert decennia bezig. Het wordt
geanalyseerd aan de hand van de theorie van het Pareto-optimum en de speltheorie. De
practische conclusie is dat vandaag de meeste democratieën blijkbaar kiezen voor
gelijkheid van kansen, veeleer dan voor gelijkheid van (inkomens)-resultaten. Dus iedereen
rijker met aanvaarding van min of meer grote ongelijkheden, voor zover ook de armen minder
talrijk worden en minder arm. Liberalen en socialisten (van het new Labour-type) vinden
zich aldus in het centrum van het politieke spectrum.
1O. De representatieve democratie wordt eveneens gehinderd in haar
functionering door de afnemende geluksbreuk.
Als men het maatschappelijk geluk (welvaart+welzijn) voorstelt als een breukwaarde, met in
de teller de bevredigingsmiddelen en in de noemer de behoeften, dan blijkt dat, als de
middelen toenemen (dank zij economische groei en wetenschappelijke innovatie) in de
teller, de behoeften in de noemer ook toenemen en vaak sneller. Aldus leiden groei en meer
welvaart tot meer ontevredenheid, ofschoon de overgrote meerderheid van de bevolking het
nooit zo goed heeft gehad (de paradox van onvrede en ontevredenheid). Dit fenomeen weegt
sterk op de geloofwaardigheid van het beleid in onze democratieën.
11. Ook moet worden ingegaan op de theory of choice, die wijst op de
contradicties in het keuzegedrag van de burgers-kiezers. Er is inconsistentie: een
meerderheid wil minder belastingen en meer sociale voordelen en er is niet-transitiviteit,
zodra de bevolking moet kiezen tussen meer dan twee opties. Dit leidt tot een paradoxale
voorkeurschaal die elke democratische besluitvorming onmogelijk maakt (cfr the voting
paradox van J.K. Arrow). Dergelijk gebrek lijkt inherent aan elk enkelvoudig kiesstelsel
(one man one vote), of het nu proportioneel of majoritair is.
12. Tenslotte wordt het reilen en zeilen van de democratie in grote
mate overschaduwd door het post-moderne relativisme en de waarden-erosie. Er is
onttovering van het wereldbeeld (God is dood). Er is onttroning van het mensbeeld ( de
mens is een overeind gekropen aap zonder vrijheid). Er is ontluistering van de wetenschap
(ABC-wapens) en horizontalizering zonder grenzen... Geweldcultuur, oppervlakkigheid en
algemene scepsis, via ultra-mediatisering, krijgen vaak de bovenhand.
13. De remedies
- minder particratie en ontpartijpolitisering.
- minder politiek in de zin van regelgeving; meer verantwoordelijkheid laten aan de civil
society
- minder demagogie en meer pedagogie
- een ander parlementarisme met meer beslissings- en raadplegingsruimte voor de bevolking
- Wijziging van het kiesstelsel. Invoering van een meervoudig kiesstelsel (b.v. iedere
kiezer krijgt 2O stemmen, die hij kan spreiden naar intensiteit van zijn voorkeur over
diverse partijen en kandidaten), ten einde de niet-transitiviteit te doorbreken.
- Minder Staat maar vooral een andere Staat, die functioneert als arbiter, niet als
medespeler (zeker op economisch vlak). Interne en externe subsidiariteit
- de democratie is niet alleen een kwestie van democratisch kiezen, parlement en regering.
Ze dient ingebed in een rechtsstaat die geloofwaardig en doelmatig functioneert
(hervorming van justitie en politie) en een samenleving die armoede bestrijdt en sociale
solidariteit organiseert
- meer verantwoordelijkheidsbesef bij politici en kiezers, ook via inspanning van media en
onderwijs. Maatschappelijke vorming.
- meer decentralisatie en federalisering, waardoor het beleid dichter bij de burger komt.
En ook meer Europa om de grote beleidsproblemen efficiënter aan te kunnen.
- Meer ethiek van de verandering en minder verandering van de ethiek. De politieke
hamvraag wordt immers: hoe verandering omzetten in menselijke vooruitgang. Dit is een
ethische vraag naar het onderscheid tussen goed en kwaad. Alles kan. Maar mag het wel? Een
essentiële vraag die bovendien niet via louter democratische besluitvorming kan worden
beantwoord.
- Blijven geloven in de verbeterbaarheid van de mens: het meliorisme, dat weigert te
kiezen tussen verlammend pessimisme en beaat optimisme. Onmenselijkheid is een feit.
Onmenselijkheid is evenwel geen natuurramp maar een menselijk verschijnsel dat enkel door
mensen kan worden gekeerd.
Mark EYSKENS
